Wies Ongeluk

Part 12

Chapter 124,167 wordsPublic domain

Wies aarzelde nog even, ze vond het zoo'n afschuwelijke boodschap, brood en boter te gaan halen. Stel je toch voor, dat iemand van de school haar zag.

Maar ze begreep, dat ze gaan moest, ze was er wel de aangewezen persoon voor, want Moeder liet zich altijd liever door Marietje helpen, die zooveel handiger was, dan zij en Henk, ja, Henk was een jongen.

Ze ging dus, schuw omkijkend of niemand haar zag.

Neen, er was niemand, die ze kende, in de straat, haastig deed ze hare boodschappen en vloog weer naar huis, waar ze, met een kleur van het harde loopen, aankwam.

Gelukkig, dat was alweer voorbij.

Maar helaas, zoo kwam ze er niet af.

Moeder deed haar open, zoodra ze gebeld had en nam alles over. Daarna duwde ze haar een zak in de hand, waarin een leeg kannetje en zei, dat ze nu nog even melk moest gaan halen.

"Melk?"

"Ja, melk, de kinderen moeten toch iets te drinken hebben."

"Melk, waar moet ik die halen?"

"Bij den slager," riep Henk achteruit de gang.

Wies had geen tijd het scherpe antwoord te geven, dat haar op de tong brandde. Moeder gaf haar een dubbeltje in de hand en duwde haar toen zacht de straat op de deur achter haar sluitend.

Daar stond ze nu.

Ze moest melk halen, dat was nog erger dan brood en boter.

De melkinrichting, die het meest in de buurt lag, was toch nog twee straten ver en als de kan gevuld was, zou ze voorzichtig moeten loopen om niet te morsen.

Nog schuwer dan straks keek ze rond, maar weer scheen het geluk haar gunstig te zijn.

Ze deed haar boodschap en zag met schrik, dat de kan tot bovenaan gevuld werd.

"Kunt u er niet wat minder in doen?" vroeg ze.

"Het is zoo de maat," zei de winkeljuffrouw.

"Ja, maar zoo kan ik er niet mee loopen, schep er als 't u blieft wat uit."

Glimlachend voldeed de juffrouw aan haar verzoek.

"Kunt u zoo?" vroeg ze toen.

Wies dacht, dat het nu wel gaan zou, er nog meer uit te laten doen, durfde ze niet.

"Onze meid is ziek, ziet u," voegde ze er, verlegen kleurend bij.

"Ja, dat is lastig," vond de juffrouw, en hield de deur voor haar open, nadat ze eerst den zak zorgvuldig over de kan getrokken had en netjes vanboven dicht gevouwen.

Voorzichtig liep Wies voort, bang te morsen.

O, lieve deugd, daar kwamen Dien en Jo Verschuur aan, als die haar maar niet zagen, en Wies keek strak voor zich uit, om de aandacht niet te trekken.

Het hielp haar niet, de meisjes kregen haar in het oog en kwamen vroolijk op haar af.

"Dag Wies, ben je terug van buiten?" vroeg Jo, haar hand uitstekend.

Wies had de kan met beide handen vast en maakte nu de eene voorzichtig los, om die van haar kennisje te kunnen drukken. Toen kreeg Dien een beurt en er volgde een druk gesprek over de wederwaardigheden in de vacantie beleefd. Wies raakte in vuur bij het vertellen van het heerlijke huis met den verrukkelijken tuin van hare grootouders en vergat, dat, wat ze in haar hand hield, noodzakelijk heel recht gehouden moest worden.

Onder uit den natgeworden zak drupten de witte melkdruppels achter elkander neer.

"Wat is dat?" vroeg Dien, "het lijkt wel melk."

"Melk," lachte Jo, "Wies loopt toch niet met melk rond."

Wies werd rood tot de wortels van hare haren.

Wat moest ze beginnen, de melk drupte steeds door en de meisjes stonden er om te lachen.

"Het is melk," zei ze benepen.

"Och kom," gierde Jo, "wat moet jij daar mee doen?"

Wies ontdekte juist, dat er een straaltje van het witte vocht op haar rok geloopen was en begreep, dat ze zóó niet kon blijven staan.

"Ja, het is melk," herhaalde ze, bonne mine à mauvais jeu makend en lachend als een boer, die kiespijn heeft. "Help me in 's hemelsnaam dat druppelen doen ophouden. Bet is ziek en Ant nog niet thuis en we zijn net aangekomen, ik moest dus wel melk halen, er was niemand anders," voegde ze er in één adem bij.

"Ik geloof, dat de zak vol melk zit, wat moet ik toch doen, kijk mijn rok eens."

Dien wist raad.

Ze moesten den zak voorzichtig van de kan aftrekken, Wies moest wat voorover gaan staan, zoo, ja zoo ging het zonder al te veel morsen.

Zie zoo, nu de kan met haar zakdoek afvegen. Had ze er geen? Wacht, Jo zou den hare wel geven. Nu nog haar rok schoonmaken. Mooi, dat was al weer in orde.

"Maar ik kan toch niet met die melkkan in mijn hand verder de straat over gaan," klaagde Wies.

"Wil ik een rijtuig halen?" spotte Jo, maar Dien wist al weer raad, ze zou Jo's zakdoek er om heen doen, het was gelukkig een groote, dan zag je zoo niet dat het een melkkan was.

Zoo gebeurde het dus en zonder verdere ongelukken kwam Wies thuis, waar Moeder al niet begrepen had, waar ze bleef en gelukkig niets zag van de natte vlekken op haar rok. Alleen vroeg Moeder waar de zak was en vond het niet frisch, zoo'n vuilen zakdoek over de kan heen.

"Het papier was nat geworden," zei Wies verlegen.

"Altijd even handig. Ga maar naar binnen en let op de kinderen, dan zal ik gauw de melk koken, en kunnen we even een boterham eten."

Wies' eenig antwoord was een zucht.

Ze was en bleef Wies Ongeluk.

Toen ze met het maal klaar waren, brachten Moeder en Marietje de kinderen naar bed en moest Wies de bordjes en glazen afwasschen.

"Als ik maar niets breek," dacht ze, het was vandaag weer zoo'n echte ongeluksdag.

Gelukkig liep de afwasscherij goed af en kreeg ze zelfs een pluimpje, toen Moeder weer beneden kwam, omdat ze het zoo vlug en netjes gedaan had.

"Zie zoo, nu ga ik de aardappels schillen, dan maken jullie samen de sla schoon."

"Aardappelen en sla," herhaalde Wies verschrikt.

Die had ze heelemaal vergeten te bestellen.

Haar moeder lachte om haar verschrikt gezicht.

"Ja, die heb je immers besteld?"

"Vergeten," mompelde Wies.

"Dan hebben je feeën je eindelijk eens geholpen," lachte Henk, "want het heele rommeltje staat in de keuken."

Wies liep er heen, om te zien, wat er van waar was en ja hoor, daar stonden zoowel de aardappelen, als de sla.

"Daar begrijp ik niets van," zei ze terugkeerend.

"Het raadsel is anders gemakkelijk genoeg op te lossen," antwoordde Moeder. "Toen je om de melk was, had ik zoo'n voorgevoel, dat je de groente vergeten zoudt hebben en dus is Henk nog even voor me gaan vragen, of je er geweest was."

"Je ziet het, je lijfelijke broeder heeft voor goede fee gespeeld. Zoo'n trouwe verknochtheid aan het feeëngeslacht mocht niet onbeloond blijven en dus...."

"Toe Henk, loop ons niet zoo in den weg, ga jij maar een beetje naar je kamer, of ga uit, maar denk aan de kleintjes, maak geen leven boven," verzocht Moeder.

Henk aarzelde nog even.

"Dat aardappelschillen is een vuil werkje voor uw handen, wil ik soms....?"

Lieve jongen, toch!

"Neen, dank je vent, dat behoeft niet, ik zal mijn handen met een beetje citroensap wel weer in orde maken."

"Hebt u dan citroen?" vroeg Marietje.

"Neen, dat 's waar ook, nu dan met een puimsteentje, wees jij maar niet ongerust hoor."

"Van sla schoonmaken, krijg je ook geen witte handjes," schertste Wies, "wil je dat soms voor ons doen?"

Maar Henk liep lachend weg.

"Dank je wel, mijn feeschap is geëindigd, de rest mag je zelf doen," riep hij nog, zijn hoofd door de deur stekend, voor hij verdween.

De middag ging verder rustig voorbij.

De kinderen, vermoeid van de reis, sliepen lang door en Wies, in een goede bui, hielp opgewekt het noodzakelijke werk doen.

Aan tafel speelde Henk voor kellner en bediende, met een servet over den arm en was zoo dwaas en vroolijk, dat Jantje verklaarde, dat hij wou, dat Betje en Ant nooit terugkwamen. De jongens vonden het heerlijk aan tafel mee te mogen eten en precies hetzelfde eten te krijgen, als de groote menschen, zooals ze het uitdrukten.

Na het eten stond Moeder even in beraad, wat nu te doen. Ze wilde liefst met Marietje de vaat gaan omwasschen, maar het was te vroeg voor de kinderen, om alweer naar bed te gaan, ze hadden vanmiddag zoo lang geslapen.

Ze had zich vast voorgenomen, Wies nooit meer met de kleintjes alleen te laten, maar zich door haar doen helpen en Marietje hier laten, deed ze ook niet graag, die was zooveel handiger dan Wies. Het beste zou zijn, Henk te vragen, de kamer niet uit te gaan, met hun tweeën zouden ze toch wel op de kinderen kunnen letten.

Wies voelde zich bepaald gekrenkt, toen Moeder aan Henk vroeg, niet weg te gaan, zoolang ze met Marietje in de keuken was, maar ze durfde niets zeggen, ze was zich helaas bewust, dat ze wel aanleiding had gegeven tot zulk een wantrouwen.

Moeder en Marietje verlieten dus de kamer en Wies begon wat met de kleintjes te spelen, terwijl Henk een deuntje op de ruiten trommelde.

De kinderen wilden toen ook voor de ramen zitten en hielden zich bezig met te kijken naar het spelen van een paar jongens op straat.

Henk kwam bij Wies zitten, om een gezellig praatje te houden en het duurde niet lang, of ze hadden het zoo druk, dat ze niet heel veel op de kinderen letten. Het was ook niet noodig, ze waren zoet bij het raam aan het spelen.

Schaterend over een grap, die Henk vertelde, schrok Wies een beetje, toen ze Jan's stemmetje naast zich hoorde roepen:

"Kersjes, mooie kersjes te koop!"

Ze keek naar het kind en haar schrik verminderde niet, toen ze het ventje naast zich zag staan met Moeders sleutelmandje in de hand, waarin de sleutels hadden plaats gemaakt voor een heel hoopje roode balletjes.

"Wat heb je daar?" vroeg ze, hem het mandje afnemend.

"Kersjes."

Wies bekeek de vermeende kersjes en zag, dat het afgeknipte balletjes van de gordijnfranje waren.

"Hoe kom je daaraan?" vroeg ze ontsteld.

"Geplukt van de boomen," en Jantje wees naar de overgordijnen, waarvan het onderste gedeelte een totaal afgeknipte franje vertoonde.

Een oogenblik keken Henk en Wies elkaar aan en toen barstten beiden in lachen uit.

Jantje en Stan schaterden mee.

Op dat oogenblik kwam Moeder binnen.

"Zoo'n pret, jongelui," zei ze opgewekt.

Toen zag ze het mandje met de roode balletjes in Wies' hand, hare oogen dwaalden dadelijk naar de gordijnen en verschrikt vroeg ze:

"Wat is dat? Wat moet dat beteekenen?"

"Kersjes geplukt," verzekerde Jantje trotsch, die, nu Henk en Wies er zoo om lachten, het gevoel van iets verbodens gedaan te hebben, geheel was kwijt geraakt en zelfs dacht, iets aardigs uitgevoerd te hebben.

Maar Moeder scheen het niets aardig te vinden.

"Jou ondeugende jongen," zei ze, hem bij een armpje schuddend, "hoe krijg je zoo iets in je hoofd. Mijn heele gordijnen heb je bedorven."

Jantje keek eensklaps heel schuldig, Wies deed haar best niet te lachen, Henk hikte van ingehouden pret en Moeder... nu Moeders lippen trilden verraderlijk en in hare oogen tintelde ook meer lach dan boosheid.

Ze liep naar de gordijnen en zag, dat het kind de balletjes heel netjes afgeknipt had, ze konden er wel weer aangenaaid worden.

"Dat is een goed werkje voor jou, Wies," zei ze, "dat moet je maar eens dadelijk netjes gaan doen."

"Ik had nog naar Lottie willen gaan, daar heb ik den heelen dag nog geen tijd voor gehad."

"Dat stel je dan maar uit tot morgen. Henk, Henk, dat ik jou ook al zoo weinig kan toevertrouwen."

Henk schoot alweer in een lach.

"Vindt u het niet eenig verzonnen, Moes," zei hij, "nu eens daargelaten, dat het vernielen is, is het toch allemachtig grappig uitgedacht door zulke jonge hersens."

"Als die jonge hersens eens uitdachten, om jouw photographietoestel te vernielen, bijvoorbeeld, denk ik, dat je niet zoo lachen zoudt," zei Moeder, hare sleutels bij elkaar zoekend en het schaartje, dat ze altijd in haar mandje had en dat het werktuig der vernieling geweest was.

Moeder verliet met de kleintjes de kamer en Wies begon het haar opgedragen werkje.

Henk rekte zich eens uit.

"Daar kom jij weer goed af," beweerde zijn zusje, "jongens hebben het veel beter in de wereld, dan meisjes."

"Loop rondom, jullie zijn zeker stumpers hé. Zeg, ik vind Janneman toch een zotten kabouter, jij niet?"

"Dat wel, maar ik vind het vervelend, dat dit nu weer gebeurd is. Als ik iets op me neem, schijnt het mis te moeten gaan."

"Ja, als de feeën je verlaten!"

"Toe, zanik niet."

Het kwam er niet heel vriendelijk uit, maar het was ook zoo'n slecht begin geweest vandaag, ze had zich zoo vast voorgenomen, dat er niets meer op haar aan te merken zou zijn en nu was er vandaag weer zooveel vervelends gebeurd.

Enfin, morgen beter, wilde ze maar hopen.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

WORSTELEN EN OVERWINNEN.

Eenige weken waren voorbij gegaan en Wies was alweer aan het schoolleven gewend.

De eerste dag was niet prettig voor haar geweest, ze had het als een vernedering gevoeld, dat ze nu te zamen met al die nieuwe meisjes weer van voren af aan moest beginnen. Misschien verbeeldde ze het zich, maar ze had zoo'n gevoel, dat er onder waren, die haar nieuwsgierig opnamen, haar, het meisje, dat niet mee kon, dat moest blijven zitten.

Het werk was haar in de eerste dagen erg gemakkelijk gevallen en dat had ze wel prettig gevonden, maar toen het nieuwtje er af was, bemerkte ze tot haar schrik, dat ze nog meer moeite had dan verleden jaar, om er bij te blijven, omdat ze telkens dingen hoorde, die ze al wist.

Het was om wanhopend onder te worden, je zoudt zien, ze zou niettegenstaande het gemakkelijke werk nog slechte cijfers krijgen, omdat ze weer onattente fouten maakte en de lessen zoo onbelangrijk vond, dat ze haar aandacht er niet bij bepalen kon.

En dan die brief van Vader, die haar zoo bitter had doen schreien.

Ze had hem zoo'n verdriet gedaan, hij schreef, dat hij er zoo vast op vertrouwd had, in het verre land goede berichten van haar te krijgen, dat hij zoo verlangd had naar goede tijding, zoo gehoopt, dat de brieven van Moeder te zwartgallig zouden gebleken zijn. Maar helaas, ze had hem bitter teleurgesteld. Een slecht rapport en daarbij een schrijven van Moeder, dat alles haar eigen schuld was, dat ze gemakkelijk mee had gekund, als ze maar niet altijd zoo onoplettend geweest was en zich zoo weinig moeite gegeven had.

"Je hebt me bepaald verdriet gedaan, Wies," schreef Vader, "en de eenige manier, waarop je het goed kunt maken, is er voor te zorgen, dat ik spoedig van Moeder hoor, dat ze tevreden over je is en dan met Kerstmis een prachtrapport. Zorg er voor, dat er geen enkel cijfer onder de 8 is."

Och, die brief had haar zoo ongelukkig gemaakt.

En toen wist Vader nog niet eens, wat er door haar schuld bijna gebeurd was met de kleine jongens, als hij dat hoorde, wat zou hij dan wel van haar denken.

Niets dan achten dus, of negens, aan tienen dacht ze niet eens.

Het zou nooit gaan, ze vond immers het werk nog minder belangwekkend, dan verleden jaar.

Het was heusch niet verstandig geweest, haar te laten zitten, ze zou best de volgende klasse hebben kunnen volgen, vooral nu Grootvader haar zoo heerlijk met de wiskunde geholpen had.

Dat zei ze ook ronduit tegen de directrice, toen deze haar eens bij zich had laten ontbieden, omdat er alweer klachten over haar niet opletten waren ingekomen.

Deze keek haar ernstig aan en zweeg.

Blijkbaar dacht ze over iets na.

Toen nam ze het groote boek uit haar kast, waarin al de rapporten waren opgeteekend en keek de laatste lijsten van Wies na.

Ze riep haar bij zich en met haar vingers de lage cijfers aanwijzend, die deze rapporten steeds voor vlijt aanteekenden, zei ze:

"Daar zit de knoop. Ik geloof ook, dat je best had mee gekund, maar je hebt niet gewild."

Wies schokte op.

"Ik niet gewild? Hoe kunt u nu zoo iets zeggen, wie blijft nu graag zitten."

De directrice glimlachte.

"Je begrijpt me best, kind. En Louise, hoe moet dat gaan, als je nu weer lage cijfers voor vlijt krijgt? Dat je je niet schaamt, dat begrijp ik me niet."

Wies had moeite zich goed te houden. Ze hield veel van de juffrouw en ze zou haar graag hebben toevertrouwd, dat ze zich zoo vast had voorgenomen haar uiterste best te doen, maar dat ze niet kon nalaten aan wat anders te denken, nu het werk zoo hetzelfde was, als verleden jaar. Als ze haar maar voorwaardelijk hadden laten overgaan, dan zou ze een prikkel gehad hebben om te werken. Het hoogste, wat ze nu bereiken kon, was een goed rapport en dat zou nog als iets heel gewoons beschouwd worden, het sprak immers vanzelf, dat een meisje, dat voor het tweede jaar in dezelfde klasse zat, geen slechte cijfers meer kreeg.

Neen, zij zou iets willen doen, waardoor ze goedmaakte, waardoor ze Vader en Moeder een groote vreugde bereidde, waardoor ze zichzelf ophief. Gewone dingen interesseerden haar nu eenmaal niet genoeg, ze moest voor iets bijzonders hebben kunnen werken, dan zou het haar wel gelukt zijn.

"Waarom heeft u me niet voorwaardelijk laten overgaan?" vroeg ze, nauw verstaanbaar, ze vond zichzelve erg brutaal, dat zoo maar tegen de directrice te durven zeggen.

"Omdat je cijfers daarvoor te laag waren," was het kalme antwoord.

Ze scheen haar dus niet brutaal te vinden en wat moediger ging Wies voort:

"Als ik goed had kunnen maken, wat ik het vorige jaar verknoeid had, geloof ik, dat me dat wel gelukt zou zijn. Ik heb zoo vreeselijk een sterken prikkel noodig," voegde ze er bij en ineens had ze moeite niet te lachen, want ze dacht aan haar wensch, een ring te bezitten, die bij elke afdwaling van gedachte haar een prik gaf.

De directrice scheen alweer in gedachten verdiept.

Wies stond, verlegen door de stilte, die op hare woorden gevolgd was, naar den grond te staren, ze wou, dat de juffrouw maar iets zei, dat zwijgen was zoo benauwend.

"Dus een sterken prikkel heb je noodig, als je dien hadt, denk je jezelve te kunnen overwinnen."

"Ja juffrouw, dat geloof ik wel."

"Is het geen prikkel genoeg, dat je je ouders plezier zoudt doen, met goed te werken?"

Wies kleurde.

"Ik zou juist Vader zoo heel graag een bizonder pleizier doen. Ik wilde zoo graag toonen, dat ik niet zoo'n sukkel ben, als ze denken, dat, al houd ik vreeselijk veel van mooie dingen, van sprookjes en zoo, ik toch ook wel flink kan zijn. Ik zou zoo dolgraag toonen, dat ik tot iets bizonders in staat ben."

"En ben je dat dan?"

Weer bloosde Wies.

"Ik geloof het wel. Als ik gelegenheid had, om in te halen en niet dat gevoel, dat ik er nu toch allicht kom, al span ik me niet in, dan zou ik vechten, tot ik was, waar ik wezen wilde."

"Dat klinkt alles heel mooi, maar zooals je nu eenmaal aangelegd bent en verder geworden, door je weinig verzet tegen je fouten, zou je al heel dapper moeten wezen, wilde je je doel bereiken. Als ik je bijvoorbeeld eens voorstelde, deze drie maanden flink extra te werken en je dan gelegenheid gaf, voor de Kerstvacantie een examentje af te leggen, om te zien, of je na Nieuwjaar in de volgende klasse zoudt kunnen komen, denk je, dat die prikkel dan sterk genoeg zou zijn?"

Wies wist niet, of ze goed hoorde.

Ze werd donkerrood en stotterde:

"Zou dat kunnen?"

De directrice glimlachte even om haar ontroering.

"Wat zal ik je zeggen. Zoo iets is nog nooit voorgekomen en ik ben ook niet van plan, daarvan een gewoonte te maken. Maar je schijnt zoo ernstig overtuigd te wezen, dat de uitslag goed zal zijn, dat ik lust heb, het eens te probeeren en je een kans te geven."

Het liefst was Wies haar om den hals gevlogen, maar het respect hield haar tegen. De blik echter, waarmee ze de directrice aankeek, drukte zooveel dankbaarheid uit, dat deze er volkomen tevreden mee was.

"Goed, we zullen eens zien, waartoe je in staat bent. Als je na Nieuwjaar met volle zeilen kunt binnen varen in de derde klasse, dan is dat werkelijk iets bijzonders," voegde ze er glimlachend bij.

Wies lachte ook, een zenuwachtig lachje, ze wist zelf niet, waaraan ze op dit oogenblik meer behoefte had, aan lachen of aan huilen.

De directrice keek nu weer ernstig.

"Je zult heel hard moeten werken, mijn kind, vergeet dat niet. In de eerste plaats zal je er voor moeten zorgen, dat er aan je werk in de klasse niets mankeert, dat je je lessen uitstekend kent en geen onoplettende fouten maakt. Dat zal je niet zoo heel veel moeite kosten, want je kent alles al half, niet waar, maar dan moet je bijwerken voor de derde klasse en dat zal spannen. Je zult heelemaal geen tijd hebben voor je liefhebberijen, weet dat wel. Ik zal je natuurlijk helpen, je kunt iederen middag om vier uur bij me komen, dan bespreken we alles samen en ga ik na, wat je uitvoert. Het is een proef, Louise, of ze slagen zal, hangt van jou af. Als je er niet komt, zal ik denken, dat je je krachten overschat hebt en zijn we nog even ver."

Wies wist van dankbaarheid niet, wat te antwoorden.

Ze stond daar maar met schitterende oogen en een trek om haar mond, dien de directrice nog nooit op haar gezicht gezien had.

"Ga nu maar, kind," zei ze, "en kom dan na vieren bij me, dan zal ik je werk opgeven."

Wies aarzelde nog.

"Wat is er? Wilde je nog iets weten?"

Nog even een aarzeling, toen kwam er wat verlegen:

"Kunnen we het niet geheimhouden?"

"Geheimhouden, voor wie?"

"Voor iedereen, voor Moeder bijvoorbeeld. Ik zou er zoo graag een verrassing van willen maken."

"Dat zal toch niet gaan. Je moeder zal willen weten, waarom je voortaan pas om vijf uur thuiskomt en je zult werkelijk zoo hard moeten werken, dat het haar op zal vallen. Je vrije middagen zal je grootendeels moeten opofferen en een gedeelte van je Zondagen ook, want 's avonds mag je niet te laat naar bed. Ik moet zorgen, dat je niet door al te grooten ijver ziek wordt," voegde ze er lachend bij.

Wies lachte ook.

Zij door al te grooten ijver ziek worden, de wonderen zouden dan de wereld niet uit zijn.

Maar werken zou ze, werken....

"Dan moet Moeder het maar weten," stemde ze toe, "als ze het dan maar niet aan Vader schrijft, ik zou hem zoo dolgraag willen verrassen."

"Dat zou ook heerlijk voor je zijn. Weet je wat, vraag aan je moeder, of ze vanmiddag tusschen twee en drie even bij me wil komen, dan bespreek ik de zaak zelf eens met haar."

Wat had Wies een moeite, om haar opgewondenheid te bedwingen, toen ze dien morgen thuiskwam. Wat had ze een pret in het bedenkelijke gezicht van Moeder, toen ze haar de boodschap van de directrice overbracht.

"Heb je weer wat uitgevoerd?" vroeg ze streng.

Wies had moeite haar lach in te houden.

"Niet dat ik weet, Moeder."

"Waarom moet de juffrouw me dan spreken?"

"Dat weet ik niet."

Dat leugentje ging haar niet erg gemakkelijk af en haar moeder bereidde zich voor, weer heel wat over haar dochter te moeten hooren.

"Als er ernstige klachten zijn," dacht ze, "dan zal ik dezen keer eens zonder genade zijn. Minstens een maand huisarrest op de vrije dagen, zoo kan het niet langer."

Toen ze dien middag bij de directrice kwam, was ze niet weinig verbaasd, dat er geen bepaalde klachten waren, alleen een voorstel, om den toestand te verbeteren.

Ze was er minder mee ingenomen, dan de directrice gedacht had, als Louise zorgde, dit jaar over te gaan, was dat al, wat ze verlangde. Toen legde de directrice haar uit, dat het doel niet zoozeer was, om Louise vooruit te duwen, zij ook vond zoo'n jaar zitten blijven niet zoo'n groot bezwaar, maar meer om haar een prikkel te geven, waardoor ze er toe komen zou, haar indolentie en neiging tot afdwalen te overwinnen, meer om haar karakter te verbeteren, dan om haar met alle geweld te laten overgaan.

"Dat vooruitzicht is het middel, niet het eigenlijke doel van de zaak," legde ze uit.

Nu, dan wilde mevrouw Schotter er zich niet tegen verzetten, maar zij geloofde nog zoo maar niet, dat het gaan zou.

"We kunnen het probeeren."

"Weet u, wat er gebeuren zal? In de eerste dagen werkt Louise zich half dood, overdreven als ze in alles is, overspant zich, wordt ziek en later gaat alles weer zijn oude gangetje."