Wies Ongeluk

Part 11

Chapter 114,211 wordsPublic domain

Hijgend naderde hij tegelijk met haar den plas, ze durfde haast niet kijken, ze zag eerst niets, alles was in een waas gehuld, haar adem stokte.... daar lagen ze in het water, niet ver van het riet, waarvan Jantje nog een paar gebroken stengels vastgeklemd hield. Het kind was een eindje afgedreven en lag bijna midden in den plas.

En Stan? Waar was Stan?

Ze zag hem niet.

Wat moest ze doen, wat beginnen? Ze vergat dat Teun ook gekomen was, ze wist niets anders te doen, dan wanhopend te gillen:

"Help, help!"

Teun had intusschen een schuit, die aan den anderen kant lag, losgemaakt en boomde naar de plek, waar de kinderen lagen. Hij had al gauw Jantje te pakken, die nog half boven water was, hoewel op het punt van te zinken, maar toen hij hem in de schuit wilde trekken, voelde hij, dat hem nog iets zwaars nasleepte. Jan had het handje van zijn broertje niet losgelaten, ook niet toen dit zijn bewustzijn verloor en begon te zinken. Met de eene hand krampachtig de gebroken rietstengels vasthoudend, alsof die hem steun konden geven, had hij met de andere het handje stevig omklemd gehouden. Voorzichtig boog Teun zich over het water en trok het bewustelooze lichaampje van kleine Stan naar boven. De schuit kantelde bijna, schepte heel wat water, maar het gelukte, beide kinderen waren gered, ten minste uit het water gehaald.

Naar Stan ziende, schudde Teun bedenkelijk zijn hoofd.

Was het een kind, of een lijkje, dat daar lag?

Wies stond dat alles roerloos en wanhopend aan te zien.

Van haar kant kon ze niets doen, had ze ook maar kunnen handelen, maar daar zoo te staan, de schuit bijna te zien kantelen, het schijnbaar levenlooze lichaampje van den kleinen lieveling te zien ophalen, het was vreeselijk.

En door haar schuld, alles door haar schuld!

Teun boomde de schuit weer naar den anderen oever, waar geen riet stond.

"Loop om," schreeuwde hij tot haar, "dan kunt u me helpen."

Helpen!

Dat drong tot haar gemartelde hersens door. Ze gehoorzaamde dadelijk en hoewel hare knieën knikten en haar hart vreemd bonsde in haar keel, liep ze zoo vlug ze kon naar de plek, waar de schuit lag.

"Neem eens aan," beval Teun, haar Jantje toereikend, die bibberend en schreiend, maar goed bij bewustzijn, in hare armen gelegd werd.

Toen volgde Teun met het bewustelooze lichaampje van kleinen Stan.

Hij legde het kind met het buikje over zijn gebogen knie, met het hoofd naar beneden en begon zachtjes op den rug te kloppen en te drukken.

Een golf water kwam uit het kleine mondje.

"Doet u nu net zoo met Jan," beval Teun.

Toen ziende, dat Stan de oogjes niet opsloeg, zei hij dat hij er niets beters op wist, dan hem zoo gauw mogelijk naar huis te dragen, dan kon hij daar verder behandeld worden. Jan moest ook naar huis om zijn natte plunje uit te doen en dan zoo gauw mogelijk onder de dekens.

"Kan je loopen?" vroeg hij het nu hevig huilende kind, "toe vooruit, zoo hard je kunt. Neem hem bij een hand en trek hem voort," vervolgde hij tot Wies, "en loop dan vlug naar huis om te waarschuwen, dat ik kom met den kleinen jongeheer. Allo, jong, vooruit," zei hij nog, Jantje een duw gevend, "loopen mot je, zoo hard je kunt, anders wor' je doodziek."

En toen Jantje niet voortging, belemmerd door zijn natte kleeren, gaf hij hem lachend een tik met zijn vlakke hand tegen zijn broekje en dreigde:

"Vooruit hoor, of ik zal je."

Jantje strompelde weg, voortgetrokken door Wies, die hem graag gedragen had, maar Teun beweerde, dat hij zich bewegen moest om warm te worden.

Wies liep zoo hard het maar mogelijk was met het wederstrevende kind aan de hand, ze liep voort, omdat ze zich bewust was, dat ze moest; hoe ze haar moeder onder de oogen zou durven komen, wist ze niet.

Ze was als versuft, ze kon niet denken, ze was zich alleen bewust, dat er iets vreeselijks gebeurd was en dat zij daar schuld aan had.

Toen ze het huis naderde, zag ze haar moeder al op den uitkijk staan, die, juist klaar met haar inmaak, gemerkt had, dat Wies met de kinderen uit den tuin verdwenen was. Ze kwam hen tegemoet en het druipnatte kind ziende, vroeg ze angstig: "Wat is er gebeurd? Waar is Stan?"

Wies wees achter zich, waar Teun met het kind aankwam en haar moeder vloog er op af, na Wies toegeroepen te hebben: "Breng Jan naar tante Marie."

Deze kwam al kijken, wat er gaande was en nam Jantje dadelijk mee naar binnen, waar ze hem begon uit te kleeden en af te wrijven.

Intusschen kwam ook Moeder met Stannie aan, die ze van Teun had overgenomen, opdat hij dadelijk naar een dokter zou kunnen gaan. Naar Wies keek niemand om en ze sloop weg, naar haar slaapkamer, niet wetend, wat te doen, bang voor de nabijheid van anderen en nog banger voor de eenzaamheid, in grooten angst over het lot van de kinderen en er toch niet bij durvend gaan, om te weten, hoe alles afloopen zou.

Ze strompelde naar binnen, hare beenen wilden niet meer voort en ze liet zich voor het bed neervallen, met haar gezicht in de sprei gedrukt.

"O neen, neen, neen," kreunde ze, "o neen, dat niet, dat niet."

En toen weer kermend:

"Mijn lieve, kleine Stan, mijn lieve, kleine Stan."

Ze drukte hare handen stijf tegen haar gesloten oogen, om het visioen kwijt te raken, dat haar onduldbaar kwelde, het visioen van het kleine, druipende, levenlooze lichaam van haar broertje, zooals ze het Teun uit het water had zien halen, de armpjes en het hoofdje slap neerhangend en overal water uitdruipend, uit de natte kleertjes en uit de, aan het hoofd geplakte, blonde krulletjes. Maar het hielp haar niet, ze perste hare oogleden zoo sterk tegen de oogen, dat ze roode en paarse sterren begon te zien, maar tusschen die verwarde kleurvlekken, lag de kleine, witte gestalte, schijnbaar levenloos.

Ze sprong op, zóó kon ze het niet meer uithouden.

Zou de dokter er al zijn?

Zou ze naar beneden durven gaan?

Als ze maar wist, goede tijding te krijgen, als ze maar niet bang was, te moeten hooren, wat ze niet hooren kon, als ze aan de mogelijkheid dacht, die noodlottige woorden te moeten vernemen, kreeg ze een gevoel, of ze stikken zou, een behoefte om luid te gillen, om zich lucht te verschaffen.

Neen, het kon niet zijn, ze zou dan ook niet verder kunnen leven, met die schuld bezwaard, mocht ze niet blijven leven. Hoe zou Moeder haar ooit meer in haar nabijheid kunnen dulden, als door haar schuld....

En Vader? En Grootmoedertje?

Hoe zou ze voort kunnen leven, met dat visioen voor oogen en daarnaast het beeld van het kind, zooals het aan hare zorgen was toevertrouwd, schattig klein ventje met zijn blonden krullebol en lieve oogjes.

En dan te weten, dat, als ze op hem gelet had, als ze niet had toegegeven aan die noodlottige neiging tot droomen, als ze wakker was geweest en flink, als ze niet expres gezwegen had in de hoop, dat ze in slaap zouden raken, ze kende Jantje toch en wist, dat men hem eigenlijk geen oogenblik vertrouwen kon, als ze, in één woord, haar plicht gedaan had....

Wat had Grootmoeder ook gezegd?

"Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je geven zal, in het leven heerscht onverbiddelijk de wet van oorzaak en gevolg."

Oorzaak: ze had niet willen luisteren naar de waarschuwingen van allen, die het goed met haar meenden.

Gevolg: ze was de schuld van den dood....

Neen, neen, neen, niet dat woord, dat afschuwelijke, dat onherroepelijke woord.

Ze hield hare ooren dicht, alsof ze bang was, het te hooren uit de geluiden, die haar omringden, uit het tikken van de klok, uit het kraken van een oude kast, uit het getwetter van de zwaluwen onder de dakgoot. Ze kroop nu letterlijk over den grond, ze wrong zich in wanhoop in allerlei bochten, zoo naderde ze de deur en duwde die op een reet. Half opgericht, luisterde ze, of ze iets hooren kon, van wat er beneden voorviel. Maar geen geluid drong tot haar door. Ze richtte zich op hare knieën en streek het verwarde haar uit haar gezicht en met groote, angstige oogen voor zich uitstarend, luisterde ze nog intenser.

Niets, dan de stilte van den....

Neen, het kon niet zijn, het was niet waar.

Ze klemde hare tanden op elkaar en schudde herhaaldelijk woest met 't hoofd.

Neen, een harde les had het leven haar willen geven, maar geen slag, die haar voor goed neervelde.

Neen, een harde les had ze noodig gehad, ze erkende het, ze was laf geweest, maar geen straf, die niet alleen haar voor altijd ongelukkig zou maken, maar allen, Vader, Moeder, Grootvader, Grootmoeder, Marietje, de broers.

Neen, het was zóó voldoende geweest, nooit zou ze dit wanhoopsuur vergeten, ze deed de plechtige belofte, een belofte, die ze niet breken zou, dat van dit oogenblik het uit zou zijn met alle gedroom, ze zou zich beteren, als het haar moeielijk viel zou ze aan dit uur denken, ze nam de harde les aan.

Ze was opgestaan en stond nu midden in de kamer, hare oogen gericht op het open raam, waardoor ze den helderen hemel kon zien en onwillekeurig strekte ze beide armen uit naar het uitspansel, dat daar rustig en blauw zich welfde.

"Ik beloof het," zei ze nog eens.

Een oogenblik staarden hare oogen in het ruime verschiet, toen liet ze haar hoofd zinken en barstte in snikken uit.

Dat deed haar goed, de spanning week wat en ze besloot naar beneden te gaan. Ze moest weten, waar ze aan toe was, het ergste kon het niet zijn.

Ze opende haar deur en liep het portaal op naar de trap.

Zou ze durven?

Hoe zouden ze haar beneden ontvangen, maar ze moest toch gaan, ze wilde weten.

De zekerheid van daareven, dat het vreeselijke niet gebeurd kon zijn, verliet haar. Weer overviel haar dat gevoel van benauwdheid, van niet kunnen ademen, ze klemde zich aan de trapleuning vast, om niet te vallen, ze voelde zich duizelig.

Daar ging een deur open, daar kwam iemand de trap op, het was tante Marie. Ze deinsde achteruit, ze verborg haar hoofd achter haar arm, als om een slag af te weren.

"Tante," kreunde ze.

Haar tante was nu boven gekomen en trok haar mee de kamer in.

"Stan?"

Het kwam er schor uit.

"Je mag wel dankbaar zijn, Louise, het kind is bijgekomen en de dokter ziet er verder geen bezwaar in. Veel had het niet gescheeld, of je hadt den dood van je broertje op je geweten gehad."

Wies staarde haar tante aan, alsof ze haar niet begreep.

Toen viel ze haar eensklaps om den hals en kuste haar zoo woest, dat ze haar pijn deed.

"Voorzichtig wat, je doet me pijn, stel je toch niet dadelijk zoo aan. Hou je nu bedaard en vergeet nooit waar je vandaag voor gespaard bent gebleven."

Wies was op een stoel neergevallen en snikte, snikte, alsof haar hart breken zou.

Maar het waren tranen van verluchting en dankbaarheid.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

DE THUISKOMST.

Morgen zouden ze weer naar huis gaan.

Dan nog een paar vrije dagen en daarna zou het oude leventje weer beginnen, naar school gaan, lessen leeren, kleine, huishoudelijke plichten vervullen.... en standjes krijgen.

Wies kon een zucht niet onderdrukken, als ze aan dat alles dacht.

Het was een warme Augustusavond en ze was even uitgeloopen, den dijk op, om voor het laatst de rivier nog eens te zien, zooals ze daar lag in de avondschemering. Een grijze mist hing over het water en deed de verschillende lichtjes der schepen geheimzinnig flikkeren, als door een sluier.

Een sleepbootje sleepte vier aaneen gekoppelde schuiten voort, de lantaarns van deze vaartuigen deden hun licht als roode sterren door het grijsachtige waas schitteren en de weerkaatsing van het licht in den mist omringde alle van een stralenkrans.

De boomen aan den overkant doezelden weg, hun vervaagde vormen gaven het geheel iets spookachtigs, een enkele zware tak kwam donker naar voren, als een uitgestrekte arm en daarachter in de verte een flauw verlicht venster van een boerenwoning.

Wies stond heel stil en staarde dat alles aan.

Ze vergat, waarover ze daareven op weg van huis naar den dijk getobd had, ze dacht aan niets dan aan het schoone, dat ze voor zich zag. Wat een heerlijkheid, wat een poëzie!

Een heel tijdje stond ze daar en genoot.

Een beetje griezelig was het ook, die stilte rondom, die geheimzinnige lichtjes, ze zag nu geen schuiten meer, alleen de roode flikkeringen in den zwaarder wordenden damp boven de rivier.

Dat nu niemand anders eens uitliep om dat mooie te zien, hoe was het mogelijk.

Ze wilde eigenlijk, dat ze hier niet alleen stond.

Als het nu eens waar geweest was, wat men in deze waterrijke streek aan de kleine kinderen vertelde, om ze bang te maken en ze zoodoende van het water af te houden. Grootvader had haar vroeger ook dat sprookje wijs gemaakt en vertelde nu nog aan de kleintjes, dat wie wat te dicht bij het water kwam, meegenomen werd door de watervrouw, een lange, donkere gedaante, die oprees uit de rivier en de plassen en met hare lange, dunne armen het ongehoorzame kind omklemde en meenam naar de diepte.

O, ze zag haar voor zich, langzaam opstijgend uit het water, ze wist zeker, dat ze zou moeten blijven staan, hoe graag ze ook weggeloopen zou zijn, want in het bijna doorzichtige gelaat straalden twee oogen, die haar vasthielden, wreede, koude oogen, die haar aantrokken, als die van de slang de duif, ze zag de lange dunne vingers zich naar haar toekrommen, ze grepen den rand van haar rok beet, ze trokken haar naar het water, ze kon geen weerstand bieden....

Met een rilling ging Wies onwillekeurig een pas achteruit, haar sterke verbeelding had haar weer eens meegesleept, ze was een oogenblik doodsbang geweest.

Kom, ze moest naar huis, ze mocht eigenlijk 's avonds niet alleen zoover uitloopen, maar ze had de verleiding niet kunnen weerstaan. Enfin, Grootvader zou den laatsten avond wel niet boos op haar zijn en Moes zou haar niet gemist hebben, die had nog wat te pakken.

Dus morgen was het uit met de pret, dan gingen ze allen te zamen weer naar de stad.

Gelukkig allen te zamen.

Dat was bijna anders geweest.

Wies kreeg het benauwd, ze dacht zoo min mogelijk aan de vreeselijke uren, die ze op haar kamer doorleefd had, nu de kleintjes weer vroolijk en wel rondliepen, deed ze haar best die nare gedachten kwijt te raken.

Maar gemakkelijk ging dat niet.

Niemand had haar iets verweten, geen boos woord had ze gehoord, alleen had Grootvader haar dien avond bij het naar bed gaan heel ernstig aangekeken en gezegd:

"Mijn kind, ik denk, dat je deze les wel nooit vergeten zult."

Dat vreeselijke ooit vergeten?

Nooit, nooit.

Wat Moeder betreft, die had iets vreemds in haar houding tegenover haar. Ze had haar ook niets over de zaak gezegd, waarschijnlijk vond Grootmoeder, dat ze genoeg had doorgemaakt en had zij Moes aangeraden, er niet meer over te spreken, maar Moeder had iets over zich, iets alsof ze haar niet meer vertrouwde.

Ze liet haar geen oogenblik met de kleintjes alleen, ze zei niets, dat was waar, maar de manier, waarop ze de jongens meenam, als ze alleen met haar zouden moeten blijven, drukte meer uit, dan woorden zouden kunnen doen. Hoe zou dat moeten gaan als ze weer thuis was? Hier waren Grootmoeder en Grootvader, die haar een soort steun gaven, maar thuis had ze niemand Moeder en die vertrouwde haar niet meer.

En toch kon ze dat nu wel, ze had zich zoo vast voorgenomen, hare gebreken te overwinnen, anders te worden, als je je zoo iets heel vast voornam, moest je dat toch kunnen.

Moeielijk zou het wel zijn, vreeselijk moeielijk en ze had zoo'n gevoel, dat niemand haar helpen zou.

Ze zag ook zoo op tegen den brief van Vader, het antwoord op haar schrijven, waarin ze zelf had moeten vertellen, dat ze niet overgegaan was.

Alles bij elkaar genomen, zag ze ontzettend op tegen de komende dagen.

Nu ze de lichten op de rivier niet meer zag, drukte de haar omringende duisternis haar hevig, ze kreeg zoo'n echt ongelukkig gevoel, alsof er niets dan zorgen en bezwaren in zicht waren en ze liep hard naar huis, waar het vriendelijke lamplicht haar tegemoet straalde en waar ze de familie gezellig om de theetafel zag zitten.

Ze deed het hek open, liep den tuin door en trad binnen, met de oogleden tegen het licht knippend.

"Daar is het verloren schaap," lachte Grootvader, "waar ben je zoolang geweest, je moeder werd al ongerust."

"Ik, Vader? Werkelijk niet, Louise zal niet in zeven slooten te gelijk loopen, op zichzelve kan ze wel passen."

"Onkruid vergaat niet," beweerde de galante Henk.

Grootmoeder strekte haar hand naar haar kleindochter uit.

"Ik maakte me wel ongerust," zei ze hartelijk.

Wies gaf haar een kus en het kanten doekje, dat ze om haar hoofd gehad had in een hoek gooiend, zette ze zich naast haar grootmoeder neer.

Moeder keek ontevreden naar het neergesmeten sjaaltje, maar zweeg. Het was de laatste avond bij haar schoonouders, thuis zou ze de teugels wel weer wat strakker aanhalen.

"Het was zoo mooi bij de rivier," zei Wies, gretig haar kopje thee uitdrinkend, "bepaald sprookjesachtig."

Ze schrok, toen ze het gezegd had, ze voelde, dat ze wijs zou doen, voorloopig het woord sprookje en wat er mee in betrekking stond, uit haar dagelijksche taal te verbannen.

Moeder zei wat scherp:

"Ik hoop, dat je geen kou gevat hebt, na zoo'n warmen dag ligt er een leelijke damp op de rivier. Ik zou het al heel onaangenaam vinden, als je ziek werd, nu de school weer gaat beginnen."

Wies kreeg een kleur.

"Ik zal niet ziek worden, in ieder geval beloof ik u, op tijd naar school te zullen gaan, al was ik ook doodziek."

"Praat nu maar geen onzin," antwoordde haar moeder.

Grootvader had dit gesprek stil aangehoord.

Nu zei hij:

"Ik ben er zeker van, dat Louise dit jaar goed zal oppassen en flink werken. Ze is er zelf van overtuigd, dat ze heel wat goed te maken heeft op allerlei gebied."

Wies kreeg tranen in hare oogen.

Waarom voegde Grootvader er dat nu bij. Ze was al zoo blij geweest, dat hij vertrouwen in haar stelde, maar die laatste woorden namen het prettige er weer van weg.

En Marietje keek haar zoo echt aan, ze verbeeldde zich altijd, dat haar zusje zich haar meerdere voelde, dat vervelende, zoete kind, dat nergens moeite of last mee had en waarvan Moeder meer hield, dan van haar.

"Kijk toch voor je," snauwde ze, "wat zie je toch aan me, dat je me zoo aanstaart."

"En dan trachten wat zelfbeheersching te krijgen," zei Grootvader.

"Ja maar Marietje...."

Grootmoedertje greep haar hand en zei zacht:

"Wiesje."

Louise zweeg en keek strak voor zich.

Hare lippen trilden, waarom bedierven ze nu haar laatsten avond hier.

Grootvader stelde voor na de thee een partijtje te sjoelbakken.

Marietje en Wies mochten dan nog wat opblijven en daar Grootmoeder voor het laatst nog eens tracteerde op gebakjes, waarvoor haar keuken beroemd was, konden ze zoodoende een prettig afscheidsfeestje hebben.

Het ging nu verder vroolijk toe, Wies vergat al spoedig, wat haar gehinderd had, ze kon goed sjoelbakken en had geluk ook, dien avond, zoodat ze zelfs den prijs won, die Grootvader gegeven had, een flink pak chocolade. Ze was zoo blij met de overwinning, dat ze de chocolade edelmoedig deelde met Henk en Marietje en vroolijker gestemd naar bed ging, dan ze had durven hopen.

Ze sliep goed, werd opgewekt wakker, maar al spoedig drong het tot haar door, dat ze vandaag weggingen en dat ze afscheid zou moeten nemen van Grootmoedertje en Grootvader. Om Tante gaf ze niet zooveel, die hield van haar kant ook meer van Marietje. Ze kon zich dat wel begrijpen, Marietje was een erg goed kind, ze deed altijd precies, wat ze moest, iedereen vond haar een wonder van braafheid, natuurlijk dat ze liever gevonden werd, dan haar zusje, die nu eenmaal zoo heel anders was. Het gekste was, dat ze niet eens graag heelemaal als Marietje zijn zou, ze had wel veel goeds, maar ze was zoo vreeselijk.... alledaagsch.

Als Moeder dat eens hoorde, gelukkig, dat die geen gedachten lezen kon.

Het afscheid werd onder bittere tranen genomen, Wies hing aan haar Grootmoeders hals en kon haar maar niet loslaten, ze kuste en kuste het lieve gezicht, totdat Grootvader beweerde, dat het meer dan tijd was en Grootmoedertje zelve hare armen losmaakte en zenuwachtig zei, dat ze dan gaan moesten.

"En mijn kindje," voegde ze er na een laatste omhelzing bij, "ik krijg goede berichten van je, niet waar, ik behoef me niet meer ongerust te maken."

"Neen, schat, ik zal mijn best doen," beloofde Wies en ging toen naar het wachtende rijtuig, een beetje voortgeduwd door Grootvader, die er haar vlug inhielp en het portier sloot.

"Vooruit," zei hij tot den koetsier en weg reden ze, wuivende en groetende.

De reis liep tamelijk goed van stapel, maar was niet zoo vroolijk, als de heenreis. De kleintjes waren wel wat druk, maar deden toch geen gekke dingen, Henk en Wies hadden het land en waren stil en zelfs Marietje was onder den indruk van het vertrek, het was wel heerlijk buiten bij Grootpa en Grootma en tante Marie liet haar altijd zulke gezellige werkjes doen en prees haar zoo, als ze het goed deed.

De thuiskomst was allervervelendst. Ze kwamen in een huis, dat ruim een maand leeggestaan had, het rook er muf, doordat de ramen zoolang gesloten waren geweest en tot overmaat van ramp vonden ze een briefkaart van Betje, meldende, dat ze ziek was en zeker nog in geen week thuis zou kunnen komen, terwijl Ant, de keukenmeid nog een paar dagen permissie had, omdat er een bruiloft in de familie was.

Mevrouw Schotter wist in de eerste oogenblikken geen raad.

Wat een thuiskomst!

Een huis, waarin in geen weken iets gedaan was, dat wel is waar niet bewoond was geweest, maar waar toch aardig stof lag, geen hulp hoegenaamd en zelfs niets in huis om dien middag te eten.

De afspraak was geweest, dat Betje gelijktijdig met de familie zou thuiskomen, die had dan spoedig het noodige kunnen halen om een eenvoudig middagmaal te kunnen klaarmaken.

Wies had wel willen huilen van akeligheid.

Dan moest je pas uit het prettige huis van Grootvader komen en hier zoo'n somberen boel vinden. De zon hield zich ook schuil vandaag, de lucht zag er uit, of er regen zou komen, alles was triestig, akelig, ellendig.

Een duw in haar rug deed haar uit haar gepeins ontwaken.

"Kom," zei Moeder op geprikkelden toon, "sta daar nu niet te suffen, maar help eens een handje. Je staat daar maar met je goed nog aan en laat Marietje en mij maar sjouwen."

Machinaal deed Wies haar mantel uit en zette haar hoed af.

Wat een toestand, alles even akelig en Moeder natuurlijk prikkelbaar en zenuwachtig door de omstandigheden.

"Zet je hoed maar weer op," beval deze, "en ga even brood halen, de kinderen hebben honger en moeten eerst wat eten, dan zullen we ze een uurtje in bed stoppen en hebben we onze handen vrij."

Toen Wies haar verbaasd aankeek, voegde ze er bij:

"Kom, versta je me niet. Ga gauw brood halen, hier is geld en breng ook een paar ons rookvleesch mee."

"En moet er geen boter zijn?" vroeg Marietje, die al druk aan het stof afnemen was.

"Dat's waar ook, breng een half pond boter mee, voor morgen kan ik dan meer bestellen."

Wies stond verbluft.

"Moet ik brood en boter gaan halen? Hoe kan ik dat nu doen, het staat zoo gek."

"Niets gek, doe maar gauw, wat ik zeg."

Wies kreeg alweer tranen in hare oogen. Stel je voor, dat een van de meisjes van school haar daar zag staan boter koopen en brood.

"Kan Marietje het niet doen?" vroeg ze aarzelend.

Maar nu kreeg ze de volle laag.

Moeders opgekropte ontstemming barstte los en Wies moest heel wat hooren over haar onhandigheid, waardoor ze haar niets kon toevertrouwen, dan een boodschap doen, en haar onwilligheid, als ze toch zag, dat alles in de war liep en Moeder geen raad wist van de drukte.

Wies bekeek het geld, dat haar moeder haar gegeven had.

"Dat is toch niet genoeg, om alles van te betalen, rookvleesch is toch duurder."

Marietje begon te lachen en Moeder haalde hare schouders op.

"Dat moet je natuurlijk laten opschrijven, weet je wat breng ook wat ham mee, die kan dan voor vanmiddag dienen, sla en aardappelen kun je wel gaan bestellen bij den groenteboer op den hoek. Dat is pas voor vanmiddag, maar de rest hebben we nu dadelijk noodig. Haast je maar wat, ik zal blij zijn, als ik de kleintjes in bed heb," en ze vloog op Stan af, om hem een vaasje af te nemen, dat hij bijna liet vallen.