Wies Ongeluk

Part 10

Chapter 104,186 wordsPublic domain

De woorden bleven verder in zijn keel steken, hij vergat zelfs zijn mond te sluiten en staarde in doodsangst voor zich uit. "Sluit de gelederen aan," gilde hij toen, "sluit allen om mij heen, bescherm uw koning!"

Daar kwam over het mos op een naburigen steen een monster aangekropen. Zijn lichaam was met twee harde schilden bedekt, zes lange, dunne beenen bewogen zich gestadig in de richting van de plaats, waar de kaboutertjes vergaderd hadden. Maar het vreeselijkste was de kop, waaraan twee lange, groote uitwassen, als een gewei uitstaken.

Een vliegend hert naderde de kleine aardmannetjes.

Nauwelijks kregen ook de anderen hem in het oog, of ze lieten zich op den grond vallen en verscholen onder de dorre bladeren en in het gras, kropen ze voort, om hun holletjes te bereiken, elkaar op zij duwend en trappend, er niet op lettend, dat ze het afgevallen kroontje van zijn majesteit voortschopten, er niet aan denkend, dat hun koning hen opgeroepen had, ter verdediging van zijn vorstelijk lichaam.

De koning zelf was trouwens nergens te zien, hij had zijn hol al bereikt en liet zich door een paar torren een dronk reiken.

Intusschen zat de kleine Goliath vastgebonden aan zijn paddenstoel en wachtte in doodsangst het al meer en meer naderen van het monster af.

Hij wrong zich in alle richtingen om los te komen, maar de halmen, waarmee hij gebonden was, sneden hem in het vleesch.

"Help, help," gilde hij in zijn wanhoop.

En daar kwam hulp.

De nevelvrouwen stegen op uit den grond en kropen langs de stammen der boomen, hare dunne armen boven hun hoofden rekkend, spookachtig verlicht door het schijnsel der maan.

Een van hen had medelijden met het ongelukkige ventje en hulde den paddenstoel in een mist, waardoor de oogen van den kever niet heen konden zien. En pas, toen het monster zich verwijderd had en er geen kwaad meer te duchten was, steeg de nevelvrouw op en verdween.

Zoodra het kaboutertje weer om zich heen kon zien, bespiedde het angstig den omtrek.

Was er nog gevaar?

Gelukkig, het scheen geweken te zijn, maar tevens drong het tot hem door, dat al zijne natuurgenootjes verdwenen waren en dien nacht wel niet meer terug zouden komen. Zou hij tot den volgenden avond hier vastgebonden moeten zitten? Dat zou niet uit te houden zijn. Was er dan niemand om hem los te maken?

De wanhoop sloop in zijn hartje, hij barstte in snikken uit en kermde zoo hartroerend, dat een groote tor, met goudachtige vleugels, die een vliegtochtje in den maneschijn hield, er door getroffen werd.

Hij streek neer op den paddenstoel, waaronder het geluid vandaan kwam en vroeg verbaasd. "Wie schreeuwt daar zoo?"

"Och help me, help me, maak mijn banden los," smeekte een fijn stemmetje.

De tor kroop naar den rand en keek er overheen.

Het wanhopend spartelende figuurtje ziende, sperde zij haar kaken wijd open, wat bij haar lachen was.

"Hebben ze je vastgebonden?" vroeg ze, "waarom, wat heb je gedaan?" en meteen liet ze zich van den rand van den paddenstoel afglijden en plofte vlak voor het ventje neer, dat van schrik zijn gekerm vergat en doodstil zooveel hij kon in elkaar kroop.

"Nu, komaan, waaraan heb je je schuldig gemaakt?"

"Aan majesteitschennis," piepte het mannetje.

De tor keek ernstig.

"Dat is een leelijk iets, dan heb je je straf verdiend," en ze deed, alsof ze weg wilde gaan.

"Och neen, och neen, help me toch, als ik hier tot morgenavond blijven moet, ga ik zeker dood."

De tor sperde hare kaken weer wijd open, ze vond het kaboutertje zoo grappig in zijn angst.

Toen zei ze goedmoedig:

"Dat zou zonde zijn van zoo'n aardig ventje, ik zal dan maar medelijden met je hebben en je banden doorbijten," en de daad bij het woord voegend, bevrijdde zij den kleinen man.

Nauwelijks los, dook het ventje onder een half vergaan blad weg, dat leek hem veiliger en vroeg toen beleefd:

"Ziet u ook ergens mijn muts, die is me van het hoofd gevallen."

De tor raapte het roode kapje op en drukte het met hare voorpoten op het kleine hoofd, dat even te voorschijn kwam.

Dadelijk verdween dit, zonder een woord van dank en de tor vloog weg, na nog een oogenblik te hebben nagedacht over de verwantschap, die er zeker bestaan moest tusschen het kabouter- en het menschengeslacht. Ze hadden ten minste één trek gemeen, ze waren niet altijd dankbaar voor het goede, dat hun overkwam."

Wies zweeg.

Grootmoeder strekte haar hand uit en streelde het hoofdje, dat tegen haar knieën leunde.

Toen vroeg ze glimlachend:

"En het werk van het meisje, hoe ging het daarmee?"

"Het meisje versliep zich, kreeg haar werk niet af en moest haar partijtje missen."

Grootmoeder lachte.

"Daar was ik wel bang voor."

Toen ze verder niets zei, keek Wies haar vol spanning aan. Hoe zou ze dat sprookje vinden? Aan niemand, dan aan Grootmoeder en aan Lottie zou ze het hebben durven vertellen.

"Heb je dat sprookje heelemaal zelf verzonnen, Wiesje?"

"Ja, gedroomd, weet u," lachte Wies.

Grootmoeder schudde glimlachend haar hoofd.

"Het is een heel aardig sprookje en je hebt het goed verteld, ik zag vóór me, wat je voor me opriep, heel aardig, werkelijk, maar...."

"Wat maar?"

"Ja kindje, zie je, je bent altijd zoo lief voor me, dat ik niet graag iets tegen je zeg, dat je niet prettig vindt. Je moeder zegt, dat het hoe langer hoe erger wordt met je afdwalen en dat je steeds aan andere dingen denkt onder je werk. Heb je dat sprookje werkelijk heelemaal dien avond bij het raam gemaakt?"

Wies werd heel rood.

"Ik had er al een beetje over gedacht, 's avonds, alleen maar over een zomernacht in het bosch en over kaboutertjes, ziet u. Dat ik hun hulp noodig zou hebben, wist ik toen nog niet, want ik hoopte dien avond klaar te komen," voegde ze er met een verlegen lachje bij.

Grootmoeder zat heel stil, blijkbaar in gedachte.

"Kind, kind," zei ze toen zacht, Wies' hand grijpend, "ik voorzie nog zooveel leed voor je. Het schijnt heel moeielijk voor je te zijn, je te verbeteren, want niets heeft invloed op je, goede woorden, noch straf, zelfs niet het verdriet, dat je je ouders en ons telkens aandoet."

Wies boog het hoofd, ze voelde, dat haar grootmoeder gelijk had, maar wat kon ze er aan doen, al haar pogingen tot verbetering van den toestand mislukten immers.

Daar ze bleef zwijgen, ging Grootmoeder voort:

"Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je zeker geven zal. Het leven kent geen genade en kan heel hard zijn, daar heerscht de wet van oorzaak en gevolg in onverbiddelijke strengheid en jouw manier van zijn, moet slechte gevolgen hebben, dat kan niet anders. Verzet je toch tegen je eigen zwakheid, oefen je wil, of het loopt nooit heel goed met je af. Ik vrees, dat je nog menige harde les zult krijgen en niemand kan die van je afwenden, dan jij zelf."

Grootmoeders stem klonk zoo ernstig, dat Wies er door ontroerd werd.

"U maakt me bang," zei ze bevend.

Grootmoeder drukte haar tegen zich aan.

"Ik spreek misschien wat hard, maar lieveling, kindjelief, als je wist, hoeveel ik van je houd. Beloof je me nog eens plechtig, je best te zullen doen?"

"Ja, Grootmoeder, ja."

"Goed, laten we er dan niet meer over spreken. Willen we nu een eindje gaan loopen en vertel je me dan wat je ziet? Dat kun je zoo prettig."

Een poosje nog bleef Wies onder den indruk van haar grootmoeders woorden, maar lang duurde het niet, of ze dacht er niet meer aan. Ze was nu zoo gelukkig. Alleen met haar lieve grootmoeder in de vrije natuur te zijn en haar te vertellen van alles, wat ze rondom zich zag, alles nog een beetje mooier te maken, dan het al was, dat was een genot voor haar.

Haar toehoorderes was ook gelukkig, ze kende de streek van buiten en dus wekten de woorden van het geestdriftige meisje duidelijke beelden bij haar op, dat kind was werkelijk een schat voor een blinde.

Daarna dronken ze gezellig samen thee, waarvan ze een kleine maaltijd maakten, ze hadden honger gekregen na hun vroeg diner.

Toen het gezelschap thuis kwam, vonden ze de twee thuisgeblevenen heel tevreden over hun dag. Grootmoeder had geen woorden genoeg van lof over Wies, hoe gezellig ze geweest was en hoe lief en Moeder kuste haar dien avond bizonder hartelijk goeden nacht. Ze was blij, dat haar dochtertje weer eens den goeden kant van haar karakter getoond had.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DE HARDE LEVENSLES.

"Zeg Wies, wil je vanochtend eens op de kleintjes letten?" vroeg Moeder op een mooien zomerdag in Augustus. "Tante en ik wilden jam maken vandaag en Marietje wil zoo heel graag helpen, wat ik uitstekend vind, dan leert ze het meteen."

"Ja Moes," antwoordde Wies een beetje aarzelend.

Ze had zich voorgesteld eens heerlijk rond te dwalen dien ochtend, ze had in den laatsten tijd zoo goed gewerkt voor Grootvader, dat hij haar een paar dagen vacantie gegeven had en ze was van morgen in bed al aan een verhaal begonnen van een goede fee, die alle menschen hielp en zich geheel opofferde voor de ongelukkigen, die haar hulp inriepen.

Ze had een groote wandeling alleen willen maken, dan kon je zoo heerlijk de dingen bedenken en 's middags had ze mooi den tijd om het verhaal op te schrijven. Zoodra ze dan weer eens met Grootmoeder alleen was, zou ze het haar voorlezen.

Arm Grootmoedertje had hoofdpijn vandaag en lag nog te bed.

Toen dat: "ja Moes," er zoo aarzelend uitkwam, zei haar moeder:

"Zul je dan wat met hen spelen en ze niet aan hun lot overlaten? Ga maar met hen naar den zandhoop achter in den tuin, daar kunnen ze geen kwaad."

"Alsof ik niet op hen passen kan," bromde Wies, maar toch beloofde ze te doen, wat Moeder zei en met Stan op haar rug, draafde ze den tuin in, vooraf gegaan door Janneman, die op een denkbeeldigen hoorn blazend vooruit rende en nageroepen door Moeder, om toch vooral niet te wild te zijn.

Bij den zandhoop gekomen, zette ze Stan er boven op en hielp hem Jantje terug duwen, die dadelijk zijn plaats wilde innemen. Het werd een echte stoeipartij en de kinderen lieten gilletjes van plezier, die tot in de huiskamer doordrongen en Moeder deden opmerken, dat Wies gelukkig in een goede bui scheen te zijn, ze had eerst gedacht, dat het weer mis was en een oogenblik geaarzeld, of ze haar de kinderen wel zou toevertrouwen.

"Waarom niet?" vroeg Tante, "Wies is in 't algemeen niet onwillig."

"Dat wel niet bepaald, maar in haar soort is ze egoïst, want ze is altijd met zichzelve bezig en je kunt zoo weinig op haar aan. Maar nu schijnt alles in orde te zijn, hoor ze eens een pret hebben. We kunnen met een gerust hart naar de keuken en aan ons werk gaan."

Een poosje stoeide het drietal vroolijk voort, toen liet Wies, blazend van de warmte zich neervallen op een bank, die vlak bij den zandhoop stond en riep lachend, de zich op haar werpende jongens van zich afduwend:

"Neen hoor, dank je wel, laat me nu een beetje met rust, het is nu mooi geweest. Ga jullie maar wat zandtaartjes maken, het is veel te warm om zoo woest te zijn."

De kinderen drongen nog wat tegen haar op. Jan was op de bank gesprongen en kittelde haar met een gevonden veer in den hals en Stan rukte bij gebrek aan een veer een takje met bladeren af en stak haar daarmee in haar gezicht.

Wies duwde beide kabouters van zich af, ze had werk hare oogen te beschermen voor het takje van Stan.

"Schei er nu uit. Kom, ga nu lief zandtaartjes bakken, dan zal ik ze koopen."

"Bak je dan mee?" vroeg Jantje.

"Neen, ik moet even uitblazen."

Jan stond een oogenblik in gedachte. Toen nam hij zijn broertje apart en fluisterde het wat in.

"Ooo!" zei Stannie en keek schalks naar zijn zusje.

Toen liepen beiden, alsof ze van den prins geen kwaad wisten langs de bank heen en weer en Wies, die dacht dat ze een of ander spelletje deden, lette verder niet op hen.

Opeens voelde ze zich aan beide beenen vastgegrepen en door vier kleine armen vrij krachtig naar beneden getrokken. Ze kon zich nog juist aan de leuning der bank vastgrijpen, anders zou ze leelijk gevallen zijn.

"Wil je me wel eens gauw loslaten," riep ze quasi boos, maar ze kon bijna niet uit hare woorden komen van het lachen.

"Je moet met ons spelen," schaterden de kinderen en spanden al hun krachten in, om haar op den grond te krijgen.

"Op die manier krijg je niets van me gedaan, laat gauw los," en Wies hield zich nog steviger vast.

Opeens kon ze niet meer, het zenuwachtig lachen om de twee dwaze, roode kindergezichtjes, die met op elkaar geklemde tandjes uit alle macht trokken, nam al haar kracht weg. Ze liet los, en schokte van de bank op den grond, de beide jongens omver werpend, die ook loslieten en achterover, met de beentjes in de lucht op den zandhoop rolden.

Haar hoofd kreeg een leelijken schok, ze werd er een oogenblik duizelig van en zat met gesloten oogleden op den grond. Toen ze hare oogen weer opende, zag ze de jongens met verschrikte gezichtjes naar haar kijken, het onderlipje van Stan trilde zelfs verraderlijk.

"Stoute bengels," zei ze opstaande en zich aan de bank vasthoudend, daar haar duizeligheid nog niet geheel verdwenen was, "stoute jongens, jullie hebt me pijn gedaan."

Jantje keek wat verlegen rond en trok een dwaas gezichtje, maar Stanneman kwam naar haar toe en vroeg:

"Pijn gedaan? Waar? Zal ik het afkussen?"

Hij stak haar zijn gespitste lippen toe en Wies nam hem op haar arm en kuste hem.

Zoo'n lekker ventje toch!

"Over?" vroeg hij.

"Ja hoor, de pijn is weer beter."

Toen het kind neerzettend, stelde ze voor, wat te gaan wandelen. Van spelen werd ze heusch te warm en zich zoet alleen bezighouden, schenen ze niet te willen vandaag.

"Ja, wandelen," zei Jan tevreden, "naar den grooten plas, hé?"

Wies keek bedenkelijk.

Het was daar wel heel aardig bij den plas en mooi was het er ook, misschien zelfs een beetje frisscher, maar met die twee kleine, wilde jongens, zou ze dat wel mogen?

Maar kom, ze kon ze immers vasthouden, ze konden er wel heen wandelen, er even zijn en dan weer terug gaan.

"Goed," zei ze dus, "maar bij het water moeten jullie me beiden een handje geven, hoor."

Dat beloofden ze, Stannie stak zijn handje al vast in de hare en Jan, de woelwater, draafde op en neer als een hondje, denzelfden weg wel driemaal afleggend.

Ze staken een paar weilanden over en gingen regelrecht op den grooten waterplas af, die daar verleidelijk in het zonlicht lag te glanzen. Toen ze naderden, greep Wies ook Jan's handje en hield dat stevig vast. Wat was het hier mooi, het hooge riet aan den oever, met hier en daar een tros van de paars-blauwe moeraslathyrus en wat verderop de prachtige, bijna purpere schermen van de zwanebloem. Op het water de groote, witte sterren van de waterlelie, rustend op de groene bladeren, afgewisseld door het geel van de plomp. En dan die plekjes, als besneeuwd met de bloesems van de waterranonkel!

Langs, tusschen en over het riet, het bevallig gespeel van de waterjuffertjes, sommige heel klein en sierlijk, met blauwe, of roode lijfjes, andere groot, met lange, bonte lichamen, maar alle zwevend op hun vier gazen vleugeltjes, waarvan de vage kleuren schitterden in het zonlicht.

Naar het midden hield de plantengroei op en zag men het water in de helle zonnestralen fonkelen en boven dat alles de blauwe lucht, met hier en daar een wit wolkje.

Zoo mooi als vandaag, had Wies den plas nog niet gezien, ze werd er stil van en stond, met aan elke hand een kind, voor zich uit te staren, tot het dezen verveelde en Jantje aan haar hand begon te rukken, om los te komen.

Stan stiet eensklaps een kreet van plezier uit.

"Een dood vogeltje in het riet, och kijk, wat een lief beestje" en hij trok zijn zusje mee naar den waterkant en wees haar op een vogeltje, dat onderste boven aan een geknakt riet hing, zoo stil, of het leven er uit geweken was. Maar nauwelijks waren de kinderen dichter bij gekomen, of er kwam beweging in het diertje en het wierp zich letterlijk in de hoogte, meters hoog, luid zingend. Stan was blij, dat het lieve beestje leefde, maar Jan had het wel graag mee naar huis genomen. Als het dan pas thuis weer levend was geworden, had hij het in een kooitje kunnen zetten.

Wies lachte.

"Ik geloof, dat het een rietzangertje is," zei ze, "die kunnen niet in kooien leven."

"Hoe weet je dat?"

"Daar heeft Grootvader me wel eens van verteld! Maar kom, laten we nu maar gaan, we zullen eerst een beetje uitrusten, wat verder in de weide en dan terugwandelen. Jullie bent zeker ook wel moe."

Jan beweerde van niet, maar Wies vond het beter, dat ze wat gingen zitten, anders kwamen ze te moe thuis en kreeg zij natuurlijk de schuld.

"Kom nu naast me in het gras zitten," zei ze, toen ze een beschaduwd plekje gevonden hadden een heel eindje van den plas, "jullie moet nu ook wat rusten."

"Vertel je dan wat?" vroeg Jantje.

"Ja, vertellen," beaamde Stanneman.

"Goed, laat me dan even denken," en Wies strekte zich gemakkelijk uit in het hooge gras en legde haar zakdoek onder haar hoofd.

"Ik ga ook op mijn zakdoek liggen," zei Jan.

"Ga je gang," antwoordde zijn zuster.

"Ikke ook," zeurde Stan.

En daar het ventje geen zakdoek bleek te hebben en toch met alle geweld zijn broertje na wilde doen, gaf het eerst een beetje gekibbel, totdat Wies haar eigen zakdoek afstond.

Toen vertelde ze aan de jongens, wat Grootvader haar eens verteld had van de libellen, die eerst leelijke, grijsbruine monsters geweest waren en jaren lang gehuisd hadden op den modderbodem van sloot en plas. Daarna was er een op een mooien dag uit het slib omhoog gekropen, als een griezelig, leelijk ding langs een van de vele bloemstengels, zoo hoog, tot de zon op zijn grauw, vuil kleed scheen. Nauwelijks had de warme zonnestraal het gedrocht bereikt, of het scheurde open en te voorschijn kwam de sierlijke, mooi gekleurde libel, die ze zoo straks gezien hadden. Nu danste ze vroolijk in de zon en vergat heelemaal, dat ze zoolang op den bodem van het water geleefd had.

Wies zweeg.

Ze voelde hare oogleden zwaar worden. Het was zoo stil rondom, het scheen wel, of de kinderen ook waren ingeslapen.

Maar neen, daar klonk Jantje's stem, hoewel wat dof:

"Meer vertellen" en de echo aan den anderen kant herhaalde slaperig, "meer vertellen."

De stemmetjes klonken zoo weinig helder, dat Wies begreep, dat de kinderen op het punt waren van in te slapen en dus zweeg ze, als de jongens sliepen, had ze een poosje rust en kon ze probeeren verder te verzinnen van die goede fee, die haar geluk vond in het helpen en bijstaan van arme menschenkinderen.

Hè, zelf zoo'n fee te zijn, iedereen pleizier te kunnen doen, te kunnen troosten, als iemand verdriet had, te kunnen helpen, waar de nood aan den man was. Ze zag haar fee voor zich, lang, slank, het fijne gezichtje met de teedere oogen omkranst van blonde krullen, op het fiere hoofdje een klein kroontje van edelsteenen, schitterend, zoowel in zon- als in maneschijn, maar met verschillenden glans, gekleed in een lang, dun gazen kleed van allerlei teere kleuren, die heel zacht in elkander overgingen en tusschen de schouderbladen vier ragfijne gazen vleugeltjes, libellenvleugels door een vergrootglas gezien. In de hand een klein gouden stafje, waarmede ze maar iets leelijks behoefde aan te raken, om het in iets heerlijk moois te veranderen, zooals de zonnestraal de leelijke pop van de libel in een wonderwezentje omtooverde. Ja, zoo moest ze er uitzien, haar fee en uit dat stokje straalde licht af en haar oogen.... die...

Wies was ingeslapen.

Na een poosje verhief zich heel stil een kleine gedaante naast haar en keek haar oplettend aan.

Voorzichtig waagde Jantje het op te staan en zich over zijn zuster heen te buigen, om te zien, of ze wel werkelijk sliep.

Ja hoor, haar mond ging een beetje open en hare oogen waren stijf dicht, maar misschien kneep ze die wel expres toe, om hen voor den gek te houden.

Hij wachtte nog even, kittelde haar zelfs met een grashalm in het gezicht, maar ze sloeg hare oogleden niet op, blijkbaar sliep ze gerust.

Toen sloop hij zachtjes naar zijn broertje en tikte hem op zijn wang.

Stan duwde de hinderlijke hand weg en sliep door.

Nog eens probeerde Jantje hem op die manier te wekken, maar hetzelfde resultaat.

Toen blies hij hem in het gezicht, wat tot uitwerking had, dat Stan begon te niezen.

Verschrikt keek Jantje naar Wies, als die wakker werd, was alles mis.

Gelukkig, ze sliep door, wat nu te doen om Stan wakker te krijgen.

Hij begon hem aan het haar te trekken, eerst zachtjes, toen harder en eindelijk, daar sloeg de slaper zijne oogleden op en greep naar zijn hoofdje.

Jan liet het haar dadelijk los en zei haast fluisterend:

"Sta gauw op, voordat Wies wakker wordt, dan gaan we saampjes naar den plas. Ik heb straks in het riet een nest gezien, maar het zat diep, ik kon het niet goed zien. Laten we er nou naar gaan kijken."

Stan sloot nog even zijne oogen en gaapte, maar Jan kittelde hem op zijn oogleden en had geen rust, voordat hij rechtop zat. Toen hielp hij hem voorzichtig opstaan.

"Zachtjes," fluisterde hij, het slaapdronken ventje meetrekkend.

Eerst slopen ze op hun teentjes door het gras, maar al gauw begonnen ze hard te loopen, Jantje telkens omkijkend, of ze niet achtervolgd werden. Alles bleek veilig, Wies sliep rustig door. Ze bereikten den plas en Jantje kreeg het nest al spoedig weer in het oog, het zat verscholen tusschen het riet, dicht bij het water. Tot hun niet geringe teleurstelling konden ze er niet in kijken, het zat te ver weg, alleen den rand konden ze zien.

"Zijn er eitjes in?" vroeg Stan.

Jan wist het niet, hij dacht het wel, er lagen immers altijd eitjes in een nest, hij had nog nooit een plaatje gezien, met een nest zonder eieren.

"Misschien wel zulke leuke eitjes als laatst in het prentenboek van tante Rie," zei hij opgewonden, "allemaal rood en paars en een heeleboel kleuren. Ik ga eens kijken, ga je mee?"

"Ja," zei Stan, zijn handje vertrouwelijk in dat van zijn broertje leggend, gereed om hem te volgen door dik en door dun. Jantje duwde het riet op zij en liep er in, naar zijn idee kon men overal loopen, waar iets groeide. Hij voelde wel, dat zijne voeten nat werden, maar dat kon hem niets schelen, als hij zijn doel maar bereikte en het nest te zien kreeg. Nog een paar passen, dan waren ze er, reeds boog hij zich nieuwsgierig naar voren, daar voelde hij op eens geen grond meer onder zijne voeten, het was, alsof de aarde afbrokkelde, hij liet een schreeuw, nog een en zijn broertje met zich meetrekkend, lagen beiden in het water te spartelen.

Wies werd met een schok wakker.

Ze zat in eens rechtop en keek verwezen rond.

Had ze geslapen?

Ze dacht, dat ze maar even wat had liggen verzinnen.

Toen schoot het ineens door haar hoofd: de kinderen.

Ze keek verschrikt rond, maar zag ze niet, alleen de zakdoekjes lagen nog op de plaats, waar ze gelegen hadden.

In een wip zat ze overeind, luid hun namen roepend.

Waar konden ze heen geloopen zijn?

De plas!

Een oogenblik stond ze verdoofd, alsof ze een slag op haar hoofd gekregen had.

Toen rende ze voort in de richting, waar de groote plas lag.

Hoorde ze daar roepen? Verbeeldde ze 't zich, of hoorde ze schreeuwen? Ze struikelde, hare beenen weigerden bijna haar te dragen, ze werd opeens zoo vreemd, ze had zoo'n benauwd gevoel op haar borst en in haar keel, ze wilde zelf roepen, maar ze kon geen geluid geven, ze hoorde nu niets meer, ze had zich zeker vergist. O, als dat waar was, als ze zoo meteen de kinderen gezond en wel terugvond.

Dat ze ook niet beter opgelet had, dat ze nu toch weer had liggen droomen en nog wel in slaap gevallen was.

Ze liep nu weer op een draf, eens viel ze over een klomp aarde, die losgewoeld was, dadelijk was ze weer op de been, daar lag de plas, ze zag geen kinderen, maar--haar hart stond bijna stil--ze hoorde een zwak geluid, een soort gekreun, een geplas.... een snik wrong zich door haar keel: de broertjes, de broertjes!

Daar kwam aan den anderen kant Teun de arbeider aangerend, had hij ook wat gehoord?