Part 6
„Blijft allen rustig zitten, er is geen brand! Neen iets veel ergers dan brand is ons overkomen. Jon-Jon, de sterkste man der wereld, is dood!”
„Dood?” herhaalden allen fluisterend.
„Ja dood!” hernam de Markies. „Hier heb ik z'n brief, waarin hij mij schrijft, dat hij hedenavond, op zijn gewone wandeling, aangereden is door een dame op 'n fiets en gedood werd.”
„Gedood door een dame!” riep iedereen. „De sterkste man der wereld, gedood door een dame!”
Sommige vrouwen en kinderen die ook wel eens bijna door een rijwiel omvergereden waren, keken erg medelijdend, maar er waren velen onder de toeschouwers, die hun schouders ophaalden en blijkbaar niet veel van het verhaal van den Markies geloofden.
De Markies merkte dit wel degelijk op en daarom ging hij heel rad sprekend, zoo gauw mogelijk met zijn toespraak voort om verdere redeneeringen te voorkomen.
„Dames en heeren,” vervolgde hij, „nu zal ten tooneele verschijnen Hare Majesteit de Koningin van de Isofagus-eilanden.”
Daarop verscheen de Koningin met rood gezicht, rood haar, vuurroode bloote armen en gekleed in een verlepte rood zijden japon met schitterende loovertjes. Trompetgeschal achter de schermen kondigde de komst van Hare Hoogheid aan.
[Illustratie: Trompetgeschal achter de schermen kondigde de komst van Hare Hoogheid aan.]
Toen de „klaroenen” zwegen nam zij met een minzaam koninklijk gebaar een zwaard uit de handen van den knielenden Markies. Eenige malen zwaaide ze er mee in het rond, zoodat alle menschen op de eerste rij dachten, dat het op hen gemunt was, drukte het tegen haar borst en hield het heft ter hoogte van haar lippen, om te toonen hoe diep het zwaard in haar lichaam zou binnendringen.
Toen opende Hare Majesteit haar grooten mond en slokte het zwaard langzaam in.
Natuurlijk slokte ze het niet in werkelijkheid in, want het wapen was uit een menigte geledingen saamgesteld, die door een eenvoudig mechaniek in elkaar schoven.
Nadat de toejuichingen een weinig bedaard waren haalde ze het zwaard weer voor den dag en boog, met een indrukwekkende waardigheid, naar links en rechts.
„Dames en heeren,” zei de Markies, terwijl hij drie passen naar voren trad, „Hare Majesteit is getroffen door uwe vriendelijke ontvangst en wil u, uit dankbaarheid, nog eene van hare zeldzame kunstverrichtingen doen zien. Zij zal een goed loopend horloge met ketting naar binnen slikken. Zou een van de heeren zoo goed willen zijn mij een horloge te leenen?”
„O, dank u mijnheer! Dank u, één is genoeg! Eens toen de Koningin nog tusschen haar onbeschaafd volk verblijf hield, gebeurde het, dat zij spelenderwijs een horloge door haar keelgat liet zakken. Juist wilde zij het terugtrekken, toen de ketting brak en het onverteerbaar voorwerp zonk in haar koninklijke maag. Dit scheen een groot ongeluk, maar er is geen ongeluk zonder geluk; zoo ook hier. Het horloge was een repeteerhorloge en liep uitstekend.
Hierdoor kwam het, dat Hare Majesteit tot grooten zegen werd voor hare onderdanen op de Isofagus-eilanden. De bewoners van deze ver verwijderde landen zijn nomaden. Een algemeenen tijd als dien van Greenwich kennen zij niet. Wanneer nu een der zwervende stammen in de diepte der ondoordringbare wouden hun Koningin ontmoetten, zette men zich bij haar neder en wachtte geduldig tot het verborgen uurwerk sloeg, waarna een ieder zijn horloge gelijk zette en verder toog.”
„Wie wond het horloge op?” riep een van de ongeloovigen uit het publiek.
„Het was net als de tong van zeker iemand, altijd door in beweging,” antwoordde de Markies.
De man wilde nog iets zeggen, maar het gelach dat op het handige antwoord volgde was zóó luide, dat niemand hem verstond.
Toen alles weer stil was deed de Koningin het geleende horloge en daarna de ketting, schakel voor schakel in haar mond verdwijnen, doch droeg wel zorg dat het einde der ketting stevig tusschen hare gesloten lippen bleef zitten.
De Markies vroeg daarop aan een van de jeugdige toeschouwers, op het tooneel te willen komen, ten einde zich te overtuigen, dat het horloge wel degelijk in de maag der Koningin tikte.
Na veel gegrinnik kwam eindelijk een haveloos jongetje op het tooneel en verklaarde dadelijk, dat hij „het ergens hoorde tikken,” wat hij dan ook werkelijk deed, want er was een klein uurwerk verborgen in de plooien van de ceintuur der dikke vrouw.
[Illustratie: ... „het ergens hoorde tikken.”]
Hare Majesteit tilde daarna nog enorm „zware” gewichten op van hol plaatijzer, waarop ongelooflijk groote getallen waren geschilderd, om te toonen hoe zwaar ze wel waren, waarna de Markies bekend maakte, dat er tien minuten pauze zou worden gehouden, als wanneer het tweede deel der voorstelling een aanvang zou nemen.
„En waar blijft Hyinski, de beroemde Japansche jongleur?” riep een van de ongeloovigen, want evenmin als Jon-Jon, was er ooit iemand die Hyinski heette aan het gezelschap verbonden geweest.
De Markies sloeg langzaam zijn oogen op en zag den spreker recht in 't gelaat.
„Niemand,” zeide hij, „zou deze vraag doen wanneer hij de oorzaak kende van Hyinski's afwezigheid. Al schijnen wij artiesten voor 't oog der wereld altijd vroolijk en opgewekt, wij hebben toch ook ons verdriet en onze zorgen. Hyinski knielt op 't oogenblik neder aan het ziekbed zijner stervende moeder...”
„Och arme!” riep het vrouwelijk deel van het publiek en keek met verwijtende blikken naar den vrager, „je moest je schamen, jij, om zoo iemand nog te willen laten optreden.”
De triomf van den markies was volkomen en hij leidde de Koningin van het tooneel onder een donderend applaus.
[Decoratieve illustratie]
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Groote voorstelling.—Na de pauze.
Na de pauze zou de spellebaas aan alle weetgierigen de wonderen zijner menagerie laten zien. Maar hij was niet zoo gelukkig als bij het eerste deel der voorstelling.
Het publiek was teleurgesteld, want het had veel meer verwacht te zien dan de dieren, die de Markies onder allerlei onverstaanbare Latijnsche namen voorstelde.
Zoo waren de omstanders dan eindelijk genaderd tot Heliogabalus, het gedresseerde Varken.
„Komaan, loffelijke vertegenwoordiger van het zwijnenras,” zeide de Markies, „neem deze vlag in uw bek en leg haar neder aan de voeten van den grootsten dwaas uit dit gezelschap.”
Het varken knorde, liep heen en weer en legde eindelijk, geleid door zijn meester, het vlaggetje neer vlak voor den man, die wilde weten waar Hyinski bleef.
„Het is bewonderenswaardig hoe juist Heliogabalus het karakter van de menschen weet te verklaren,” zei de Markies droogjes.
[Illustratie: ... legde eindelijk, geleid door zijn meester, het vlaggetje neer.]
„Als je uïg wordt mot je 't zeggen,” bromde de man, „maar laat 'm nou 's 'n som maken.”
De Markies schoof dadelijk een schoolbord naar voren, waarop eenige cijfers geschreven waren. Heliogabalus keek naar het bord met het onnoozele gezicht van iemand, die tòch de vraag niet beantwoorden kan en haar ook niet _behoeft_ te beantwoorden.
„Vooruit naar je hok,” riep eindelijk de Markies ongeduldig, toen het beest als gewoonlijk stokstijf bleef staan, „ik heb meer te doen dan te staan wachten of jij dezen heeren en dames een genoegen wilt doen of niet.”
En dadelijk stapte hij voort naar de kooi, waarin de geit woonde.
„Hier bevinden wij ons,” zoo begon hij, „tegenover een zeldzaam exemplaar van de Alpaca der Peruviaansche Andes. Het feit alleen, dat het elegante dier precies gelijkt op onze gewone of huisgeit maakt het tot een waardig voorwerp van uwe buitengewone belangstelling.”
Eén ding was er waarnaar de toeschouwers steeds reikhalzend uitzagen en dat de Markies hun niet kon laten zien.
Sprekend over de wilde dieren in zijne menagerie had hij beloofd hun een gevecht te laten zien tusschen beren en bulhonden, „waarvan u de haren te berge zullen rijzen.”
Bij elk nieuw _wild_ dier riepen eenige ongeloovigen steeds om „de beren.” Toen de Markies het gevecht aan het dorpspubliek beloofde, dacht hij niet anders òf ze zouden het vergeten òf hij zou er zich wel op de een of andere wijze uit kunnen redden. Het ging ditmaal echter zeer moeilijk.
Voor enkele oogenblikken scheen het geroep om de beren tot zwijgen gebracht, toen de Markies genaderd was tot de kooien der beide „grootste Wereldwonderen.”
Eerst was Dickie aan de beurt.
„Hier Dames en heeren,” sprak hij, „ziet ge een van de wonderlijkste spelingen der natuur. De wetenschappelijke naam ervan is Paddestolaphyllum honorarum, of eenvoudiger de Vliegenvanger.
[Illustratie: ... een zeldzaam exemplaar.]
Let wel op de buitengewone vorming van dit wonder, half dier half plant. De beroemde Darwin heeft er jarenlang zijne hersenen mede gepijnigd of hij het in het planten- dan wel in het dierenrijk moest rangschikken. Hij heeft het raadsel niet kunnen oplossen. Men vindt De Vliegenvanger enkel in de holen in het hartje van Mexico, waar hij tusschen de rotsen groeit evenals bij ons de paddestoel tusschen het mos. Hij kan niet spreken en wordt alleen gevoed met vliegen. Wees zoo goed dames en heeren hiervan slechts de proef te willen nemen.”
Dadelijk begonnen de omstanders vliegen te vangen en hielden die den ongelukkigen Dick voor den mond. Maar Dick bedankte wel voor die lekkernij, hij walgde ervan.
De ongeloovigen onder het publiek hadden groote pret en grinnikten van genoegen, maar de Markies liet zich door niets uit het veld slaan.
„'t Is niet te verwonderen, dames en heeren, dat _hij_ of _het_ geen trek meer in vliegen heeft. Hij heeft er vandaag al zóóveel gegeten, dat 't me verwondert dat er nog één enkele vlieg in deze heerlijke dreven te vinden is. Bovendien is het zóó gewoon alleen door mij gevoed te worden, dat ik niet geloof, dat het eenig voedsel van een vreemde zal aannemen.”
„Geef mij al uwe gevangen vliegen, als 't u belieft. Ge zult zien hoe gretig hij er naar hapt.”
De Markies nam een dikken brommer, bracht dien aan Dickie's lippen en zei zachtjes: „Drommelsche jongen eet dan toch! of ik zal je raken vanavond.”
Doch de walging voor het vieze voedsel behaalde de overwinning op Dickie's vrees voor een gevoelige straf: zijn lippen bleven stijf opeengeklemd.
Een luid en spottend gelach ging er onder de toeschouwers op, toen de proef voor de tweede maal mislukte.
„Helaas! dames en heeren,” zei de Markies, die heelemaal niet uit het veld geslagen scheen, „'t is juist zooals ik gezegd heb. Het ding is tot den hals toe volgepropt. Ik bemerk heel goed, dat er eenigen onder u zijn, die aan de echtheid van dit natuurwonder twijfelen. Ik zeg: laat ze twijfelen. Zij denken waarschijnlijk dat ze het beter weten dan zoovele geleerde heeren. Ik denk altijd maar: Risu inepto res ineptior nulla.”
De dorpsbewoners begrepen niets van de vreemde woorden, zij keken elkander aan, knikten en meenden dat de Markies toch zeker wel een geleerde moest zijn.
„Wat mij betreft,” vervolgde de spellebaas, „ik zie in zijne weigering om voedsel te gebruiken een bewijs, dat de lagere plant- en diersoorten soms ver boven de hoogere soorten staan. Wij mochten de les, die het ons leert wel ter harte nemen. Het weet maat te houden en voelt wanneer 't genoeg gehad heeft. Ge ziet, dames en heeren, den houten stok waaruit het voortkomt en waarop het groeit. De Natuur gaf het geen armen en beenen en evenmin een spraakvermogen.”
Plotseling riep Dickie: „O! mijn beenen, mijn beenen. Ik krijg de kramp in mijn beenen. Ze zitten veel te stijf vastgebonden!”
„Dit wonder hebben we nu genoeg bekeken,” zei de Markies met een zeldzame tegenwoordigheid van geest, want het gelach was zóó uitbundig, dat 't een steenen beeld van zijn voetstuk had kunnen doen tuimelen.
De beurt was nu aan Paul.
Gedachtig aan de gevoelige les, die hij voor de voorstelling gehad had, sprong Paul met woeste blikken naar voren en riep zoo krijschend: „Acasa! Bojador! Draa!” dat alle omstanders een rilling door de leden voer.
[Illustratie: ... een vrouw met een spichtig gezicht.]
Toen allen wat van den eersten schrik bekomen waren, waagde een vrouw met dunne lippen en een erg spichtig gezicht het aan den Markies te vragen of dit dier door zachtheid getemd was.
Zoo tam en onderworpen was Paul nog niet of hij had nog wel iets behouden van zijn vroegeren ondeugenden aard.
Hij sprong op de vrouw toe, rammelde aan de stangen van zijn kooi alsof hij ze er uit wou rukken en liep toen, al schreeuwend op handen en voeten in zijn gevangenis heen en weer als een razende hond.
Doodelijk verschrikt vloog de vrouw de straat op en nooit zag men een magere spitsneuzige vrouw zulke beenen maken als deze deed.
[Illustratie: ... een magere spitsneuzige vrouw zulke beenen maken.]
„Dit zeldzame dier, dames en heeren,” zoo begon de Markies, „dat ik op een onherbergzame kust vond en mocht bemachtigen, is de laatst overgebleven vertegenwoordiger van een uitgestorven geslacht, zoodat u allen hier de zeldzame gelegenheid wordt geboden eene nauwkeurige studie te maken van uwe voorvaderen.”
„Ik ontdekte hem in een hol in de woestijn van Bobbykattapultem, negen mijlen ten zuiden van de Pool en slechts na een hevig en bloedig gevecht, waarin hij vier mannen verscheurde en verslond, gelukte het ons hem te binden en mede te voeren.”
De omstanders waren geheel oor. Met open mond staarden ze naar hun voorvader, die er zoo bepluimd en gevederd uitzag.
„De geleerde heeren,” verklaarde de Markies, „zeggen ons, dat de eerste menschen er ongeveer juist zoo uitzagen als tegenwoordig de kippen en hanen. Bij nadere beschouwing zult ge zien hoe merkwaardig precies de gelijkenis is. Een andere merkwaardige eigenschap van dit dier is de zeldzame gulzigheid waarmede hij alles verslindt wat binnen zijn bereik is: oud ijzer, baleinen, stukken hout enz. enz. Bij gebrek aan iets anders zal ik u toonen hoe hij een rauwe kip naar binnen werkt.”
„Kom wildeman, laat eens aan de dames zien, dat er wel degelijk leden van het mannelijk geslacht bestaan, die het niet kan schelen wat men hun 's middags voorzet.”
De Markies wierp daarop een kip in de kooi.
Paul grijnsde vreeselijk, riep voortdurend Acasa! Bojador! Dra...a! en speelde de rol van wilde prachtig, maar hij vloog niet als een uitgehongerd dier op het rauwe kuiken aan en scheen nog in 't onzekere welk kwaad hij zou kiezen als het beste: de stok van zijn meester of de onsmakelijke maaltijd.
„Misschien houdt hij meer van een stuk oud roest,” riep op eenmaal een stem achter uit het lokaal.
Paul zag op en zag boven alle menschen het hoofd van „de Zwarte” uitsteken, die hem met zijn eene hand een oude kachelpijp voorhield. Bij het zien van dezen geheimzinnigen kwelgeest, werd het den knaap bang om het hart, hij liet het kuiken vallen en kroop achter in de kooi, met zijn gezicht naar den wand.
De Markies kreeg het langzamerhand te kwaad. Hij was aan de Filistijnen overgeleverd en die jubelden over hun zegepraal. „De beren, de beren!” klonk voortdurend het eentonig geroep, wanneer hij beproefde door zijn welsprekendheid de gemoederen tot kalmte te brengen. „We willen de beren zien of we slaan alles stuk!” dreigden ze en gedurende eenige oogenblikken hoorde men niets anders dan sissen, fluiten, zingen, miauwen en allerlei uitroepen en gillen door elkaar.
Nu trad de Koningin op het tooneel en stapte tot vlak bij de grootste lawaaimakers.
„Stil, stil daar komt de juffrouw,” riepen eenigen, „houdt jelui toch stil, ze wil wat zeggen.”
„De juffrouw” wou dan ook werkelijk wat zeggen. Met 'n paar krasse woorden verzocht ze het publiek zoo gauw mogelijk te maken, dat het de deur uit kwam.
Het publiek had daar echter heelemaal geen plan op en begon opnieuw verwoed te schreeuwen om: „de beren.” De Koningin, die zag dat hare woorden geen uitwerking hadden, begon nu uit een ander vaatje te tappen. Ze trad op den eersten den besten toe en greep hem bij de haren.
Ongelukkig droeg de arme man een pruik, zoodat hem op eenmaal zijn geheele haartooi ontrukt werd, die de Koningin zegevierend rondzwaaide als een Indiaansch opperhoofd de scalp van zijn vijand, waarna ze de pruik over de hoofden van de menigte heen, de deur uitslingerde.
Daar verscheen in de deuropening de groote dorpsveldwachter, op den voet gevolgd door den kleinen burgemeester, die er allesbehalve burgemeesterachtig uitzag.
Men zou eerder gedacht hebben, dat de veldwachter den burgemeester opbracht, dan dat hij hem gehaald had om mee te helpen de rust te herstellen.
„Wat is hier te doen?” vroeg het kleine mannetje.
„Hij heeft ons een berengevecht beloofd en nou is ie van plan er stikum uit te knijpen!” riep een uit de menigte.
„Hoe kan ik mijn belofte houden?” zei de Markies, „ik heb geen honden.”
„Da's niemendal, er zijn genoeg honden in het dorp!”
„Maar een dorpshond mag ik niet wagen aan twee beren, ze zouden de honden oogenblikkelijk verscheuren.”
„Dat wagen we er op, jà dat wagen we er op,” riepen velen.
„Als dat zoo is,” zei de burgemeester met een diepe grafstem, „moet u de beren vertoonen of het geld teruggeven.”
Bij die laatste woorden begonnen de oogen van den spellebaas zoo onheilspellend te rollen, dat de arme kleine burgervader zich halverwege achter een dikke boer verschool.
[Illustratie: ... dat de veldwachter den burgemeester opbracht.]
„Misschien,” zei hij aarzelend, „moet ik eerst de verschillende omstandigheden nog eens nader onderzoeken.”
„Neen hoor, dat behoeft niet,” klonk het luide. „Hij kan er niets tegen inbrengen!”
„Nu, dan herhaal ik nog eens,” bromde de burgemeester, „òf het geld, òf de beren!”
Een goedkeurend gemompel begroette deze uitspraak van de machtige overheid.
De uitspraak was geheel in den geest van de menigte en daarom juichte de menigte de overheid toe.
„Nu, dan, het zij zoo,” sprak de Markies, „het gevecht zal plaats hebben, doch gun mij tot morgen uitstel.”
„Niet doen, niet doen,” hoorde men roepen, „dan gaat hij er vannacht van door!”
Het spijt mij voor den Markies, maar dit was waarlijk zijn heimelijk plan. Het was voor hem dan ook eene groote teleurstelling toen de burgemeester aan den veldwachter bevel gaf te zorgen, dat de troep 's nachts in het dorp bleef. Hij zon reeds op middelen hoe zijne belofte te vervullen en niet te vergeefs werkte zijn altijd vruchtbaar brein.
„Ik houd er niet van mij tegen de machtige overheid te verzetten,” zoo sprak hij, „de voorstelling zal dus morgenochtend plaats hebben.”
Een luid „hoera!” begroette deze woorden en het volk trok af, de burgemeester achteraan.
De Markies had in zijn voorraadkamer twee berenhuiden. Een der beide beren aan wie ze eenmaal toebehoorden, was van ouderdom gestorven en de andere beer was doodgeschoten, omdat hij zooals ik verteld heb, den vroegeren eigenaar van de menagerie had verscheurd.
Deze beide huiden moesten schoongemaakt, toegenaaid en opgevuld worden met stroo en zouden dan als opgezette beren de verwoede aanvallen der honden rustig afwachten.
De Koningin van de Isofagus-eilanden verklaarde zich gaarne bereid in de nachtelijke stilte de beide beren in orde te maken.
Waarschijnlijk werd haar teeder hart wel eenigszins bewogen, toen zij de huid onder handen nam van den beer, die haar eersten man zoo ongelukkig naar de andere wereld had geholpen.
[Decoratieve illustratie]
[Decoratieve illustratie]
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK
De beren.
Toen Paul en Dickie 's morgens wakker werden wisten ze eerst niet recht wat ze zagen. Vlak voor hen stonden de spellebaas en zijn vrouw ieder met een berenhuid in de hand.
De Markies had 's nachts niet geslapen en misschien wel wat heel dikwijls de brandewijnflesch voor den mond gezet, om zich te troosten over zijn niet zeer benijdbaar lot.
Misschien was het wel de invloed van den brandewijn, die hem op het denkbeeld had gebracht de berenhuiden niet op te vullen met stroo, maar er de beide jongens in te naaien.
Paul en Dickie werden bij het vooruitzicht over eenige oogenblikken beer te moeten worden en met wie weet welke groote honden te moeten vechten bleek van angst.
„Kijk maar niet zoo benauwd,” troostte de Markies, „honden moeten er op afgericht zijn om met beren te vechten en bovendien zal ik wel zorgen, dat ik niets dan kleine mormels uitzoek, die op de vlucht gaan als je maar even een poot oplicht.”
„'t Was al erg genoeg dat ik voor wilde moest spelen,” zei Paul, „maar in die berenhuid krijg je me nooit.”
„Jongetje, je weet niet wat je weigert, het zal 't grootste succes zijn dat je in je leven zult behalen. Waardeer het, dat ik je de kans geef. Niet iedereen is het voorrecht gegund voor beer te mogen spelen.”
„Gun jij jezelf dan maar dat voorrecht hoor!” zei Paul, „ik wil niet.”
„Ik wil niet is een zeer leelijk woord in den mond van een kind, mij dunkt we moesten dat uit uw woordenboek schrappen. Ik ken daarvoor een zeer gemakkelijk middeltje.”
„Je bent een echte wreedaard,” riep Paul, toen de Markies zijn middeltje had toegepast.
Hijzelf was door de toepassing buiten adem geraakt, maar hij had zijn doel bereikt, want het behoefde Paul nu niet tweemaal gezegd te worden in de berenhuid te stappen. Hij deed het heel gewillig en Dickie volgde zijn voorbeeld. De Koningin naaide nu de huiden vast en de Markies deed beiden een korf voor, maakte een zware ketting om hun bekken vast en bracht ze in den stal.
't Was nog maar vroeg in den morgen, toen reeds uit alle hemelstreken mannen, vrouwen en kinderen toestroomden om getuige te zijn van het berengevecht. Het was een gedring en geduw om zich toch vooral een goed plaatsje te verzekeren, vooraan bij het touw, dat van den eenen hoek naar den anderen was gespannen om al te veel opdringen te voorkomen.
[Illustratie: .... uit alle hemelstreken vrouwen, mannen en kinderen toestroomden.]
Daar verscheen de Markies om de honden uit te zoeken, die de eer zouden genieten in het strijdperk te treden. Hoerageroep en voetgetrappel van de ongeduldige menigte begroette zijn komst.
Nadat hij een keuze had gedaan beklom hij de kleine verhevenheid voor de deur, om eenige woorden tot het publiek te richten.
Nauwelijks had hij echter een paar zinnen gesproken, of men hoorde geschuifel en geroep en het publiek begreep, dat er iets met de vertooning niet in den haak was. Wat was het geval?
[Illustratie: Nadat hij een keuze had gedaan...]
Onze beide beren bemerkten, dat ze een oogenblik zonder toezicht waren gelaten en hadden de verzoeking niet kunnen weerstaan het hazenpad te kiezen.
Ongelukkig voor hen maakten de kettingen, die om hun halzen zaten, zoo'n lawaai op de straatsteenen, dat een paar oude vrouwtjes over de gordijntjes kwamen gluren wat of dit lawaai beduidde.
Daar zagen die vreedzame oudjes een paar wilde dieren over de straat rennen.
Ze schreeuwden en riepen om hulp en hun geroep en geschreeuw plantte zich voort en groeide aan.
De twee beren werden twintig wilde beesten, die door het dorp liepen en reeds een dozijn vrouwen en kinderen verslonden hadden.
Ieder, die op straat was holde zoo hard hij kon naar zijn woning en deed de deur op slot. 't Was een herrie en een lawaai; met elk oogenblik werden het rumoer en de onrust grooter. (_Zie de titelplaat._)
De moedigsten onder de mannen wapenden zich met hooivorken, schoffels, stokken, worststoppers en allerlei mogelijke en onmogelijke wapenen en draafden alle kanten uit. Sommige gelukkigen bezaten nog een oud verroest geweer, dat jaren niet gebruikt was, en waarmee ze natuurlijk niet meer konden schieten, maar zij voelden zich beter gewapend dan alle anderen.
De kerkklokken luidden, de naastbijzijnde dorpsbesturen werden gewaarschuwd. De rustende schutterij kwam overal in 't geweer. Niemand in de omliggende plaatsen wist wat er eigenlijk gaande was; men dacht aan voortvluchtige moordenaars of dieven of brandstichters. Alle toegangen tot de dorpen werden afgezet en wel drieentwintig personen werden gearresteerd omdat ze er verdacht uitzagen.