Weggeloopen!

Part 5

Chapter 54,075 wordsPublic domain

„Meer? Wel dit is nog maar 'n begin. Dus, zooals ik zei, steek deze mondharmonica in den kraag van je kiel. Nee! zoo niet, de openingen moeten vlak bij je lippen komen. Zoo gaat ie goed. Nu die schelletjes nog aan je voeten en de bekkens tusschen de knieën en dezen triangel aan je linker-elleboog. Als ik nog wat vergeten heb, hoop ik dat je me zult waarschuwen. Denk je van niet? Dan is 't goed! Nu moet je alleen maar je hoofd, ellebogen, vingers, knieën, voeten en handen allemaal tegelijk bewegen en zoo hard blazen als je kunt. Prachtig! Er bestaat geen knapper muzikant op de heele wereld dan jij.”

Daarop wendde hij zich tot Paul en zei: „Haal me de klarinet eens.”

„Haal 'm zelf,” zei Paul.

Juist bijtijds bukte de jongen zich, anders vrees ik dat z'n hoofd was afgeslagen.

't Volgend oogenblik had hij dan ook de klarinet maar gehaald.

„En wat mot ik daar nou mee doen?” vroeg hij.

„Wat of je daarmee moet doen? wel, 't is geen hooivork! Ik wil dat je ermee zult doen wat er gewoonlijk met 'n klarinet gedaan wordt.”

Paul zei, dat hij geen klarinet speelde.

[Illustratie: Geen knapper muzikant op de heele wereld.]

„Daar vergis je je in mijn jongen. Iedereen kan de klarinet bespelen. Pasgeboren kinderen kunnen dit instrument soms nog mooier bespelen dan hun ouders.”

„Maar, ik zei immers...”

„Stil! Geen tegenwerpingen! Jij speelt de klarinet. Afgedaan!”

„Maar...”

„Jongen denk er om, het zal je berouwen als je niet gehoorzaamt.”

„Maar men heeft soms jaren noodig om 't te leeren.”

„Och! Dan heb ik een betere methode. Veel gemakkelijker en 't duurt oneindig korter.”

Daarop gaf de muziekmeester zijn leerling zoo'n klap met het instrument, dat de jongen dacht, dat hij in den grond zonk.

„Daar!” riep de Markies. „Is dat geen gemakkelijke manier van leeren? Nou kan je zeker de klarinet wel bespelen, hè?”

„Ik... ik denk van wel.”

„Ik denk 't ook. 't Is een leermethode, die nooit faalt. Speel.”

Paul blies met al de kracht van zijn longen in het mondstuk. De vreeselijk schrille toon dien hij deed hooren, bracht de beesten in hun kooien aan 't huilen.

„Bravo!” riep de Markies. „Je haalt, wel is waar, nog maar één noot uit het instrument en dat is 'n valsche, maar menschen die van een klarinet houden, zullen die noot prachtig vinden. Nu allen op den wagen!”

Het bovendeel en de zijstukken waren van den wagen afgenomen; de Markies ging voorop staan met zijn trompet en zoo ging de troep voorwaarts om luide zijne aanwezigheid in het dorp aan te kondigen.

En wel kondigden ze die _luide_ aan. Ieder speelde op zijn eigen manier en het eene instrument stoorde zich totaal niet aan 't andere. De viool, de klarinet, de trombone, de triangel, ze krasten en bliezen en tingelden, zonder zich om iets wat naar maat geleek te bekommeren; 't was of ieder voor zich zijn best deed de anderen in sterkte van geluid te overtreffen.

[Illustratie: ... bracht de beesten in hun kooien aan 't huilen.]

Zoo doorkruiste de optocht eenige malen het dorp van rechts naar links en van links naar rechts. Op enkele punten maakte de wagen halt, dan toeterden alle instrumenten voor een oogenblik op hun allerhardst en daarna hield de Markies de volgende toespraak.

„Dames en heeren! Met welwillende vergunning van het EdelAchtbaar bestuur dezer stad, en op dringende uitnoodiging van eenige beminnaars der hoogere gymnastiek en van merkwaardige voortbrengselen uit het dierenrijk, zal de wereldvermaarde koninklijke troep van den Markies van Galimedes, die reeds de eer had voor verscheidene gekroonde hoofden van Europa op te treden, hier hedenavond om acht uur eene voorstelling geven op het Theater van het hotel „de Ooievaar.”

Het zou te veel van uw aller geduld gevergd zijn, wanneer ik ook maar trachtte eene _kleine_ beschrijving te geven van alle wonderen, die zich daar aan uwe blikken zullen vertoonen.

Zeker ware ik morgenochtend nog niet gereed, wanneer ik u alles zou opnoemen. Daar dit onbegonnen werk zou zijn, zal ik mij bepalen tot het vermelden van slechts enkele der grootste artiesten en merkwaardigheden van mijn gezelschap.

Ten eerste dan zult ge zien den Markies van Galimedes in zijne onovertroffen vaardigheid in de magie en hoogere goochelkunst. Hij zal alle zakdoeken, horloges, juweelen enz. van elk der toeschouwers, die ze hem durft toevertrouwen, voor uwe oogen doen verdwijnen.

Vervolgens zal ik aan u presenteeren Hare Majesteit de Koningin van de Isofagus-eilanden, een van de weinige overgebleven inboorlingen dier eilandengroep. Haar spijs bestaat enkel alleen uit degens en horloges, welke voorwerpen zij in uw bijzijn zal verslinden.

Dan zult ge zien, dames en heeren, de gezusters Sylpha, luchtacrobaten van den eersten rang. Het is van algemeene bekendheid, dat de beroemde Parijsche Koningin der lucht-acrobaten: Kan-kan, door de bewonderenswaardige verrichtingen der gezusters Sylpha zóó werd overbluft, dat zij haar vak vaarwel zeide en in een klooster ging. Deze geschiedenis is wijd en zijd in de couranten verkondigd; ik kan u dus voor de waarheid ervan instaan.

[Illustratie: De gezusters Sylpha.]

Te zamen met deze onvergetelijke acrobaten zullen hare zusters de slangenmenschen op het tooneel verschijnen en u verstomd doen staan door hare sprongen, draaiingen, wendingen en buitelingen. Dan zult ge nog zien Komus, den grooten clown, wiens ongeëvenaarde geestigheid u zóó zal doen bersten van lachen, dat op het einde der voorstelling alle knoopen van uw kleeren afgesprongen zullen zijn.

Het zou mij te ver voeren wanneer ik u al de bekwaamheden opnoemde van Jon-Jon den sterksten man ter wereld. De eerste maal dat ik dezen modernen Simson zag, was hij juist in gevecht met een leeuw in de woestijn. Jon-Jon overwon. Ik bood hem oogenblikkelijk een plaats bij mijn gezelschap aan en het aanbod was voor hem te verleidelijk, dan dat hij het niet met beide handen zou aangrijpen. Hij legt een knoop in een ijzeren staaf, zooals een ander dat in een touw doet en aan het eind zijner verrichtingen zal hij met zijn tanden twee van de dikste menschen uit het publiek opnemen en over zijn hoofd, dertig voet ver, wegwerpen.

Dan, dames en heeren, zult ge nog bewonderen Hyinski, den beroemden Japanschen jongleur, nog onlangs benoemd tot lijfjongleur van Z. M. den keizer van Japan.

Dan zult ge zien twee wonderen, eenig in hun soort, die zich alhier voor 't eerst aan 't publiek zullen vertoonen.

Voorts zal ik aan u presenteeren het gedresseerde zwijn Heliogabalus, dat beter kan optellen dan menig knap kassier en u op den dag af den leeftijd zal weten te zeggen van elke dame uit het publiek.

Dames en heeren, ik zal kort zijn. Veel zou ik u nog kunnen vertellen, maar de tijd voor de avondvoorstelling nadert.

Laat mij er dit nog bijvoegen, dat sinds Noach's tijden zelden, neen nooit eene verzameling van dieren is aangetroffen, zóó uiteenloopend en zeldzaam, als zich in mijne menagerie bevindt.

[Illustratie: Hyinski, de Japansche jongleur.]

Aan het eind der voorstelling zal ik nog uwe aandacht vragen voor een gevecht tusschen twee beren en twee bulhonden, waarvan u de haren te berge zullen rijzen.

En nu zult ge mij vragen: „wat moet ik betalen om getuige te kunnen zijn van al deze wonderbaarlijke verrichtingen?”

Ja, zeer geëerd publiek, dat is een moeilijk te beantwoorden vraag. Overal waar ik met mijn gezelschap optrad, in St. Petersburg, Weenen, Rome, Madrid, Jeruzalem, overal betaalde men mij een gulden, een rijksdaalder, vijf gulden soms, voor een loge tien gulden. Maar hier zal ik bescheiden zijn, ik wil, dat zelfs de geringste onder u van mijne leerrijke voorstelling zal kunnen profiteeren. Daarom vraag ik geen tien gulden, geen vijf gulden, geen twee gulden, neen, zelfs geen gulden. Ik vraag—hoeveel denkt ge? Wel, ik vraag slechts de belachelijk kleine som van één stuiver.

[Illustratie: ... en holden om het hardst weg.]

Neen, dames en heeren, uw ooren bedriegen u niet,—één stuiver slechts de persoon.

Bovendien zullen kinderen beneden de twaalf jaar die hun bankpapier en goudgeld liever niet willen wisselen, (want als geld eenmaal gewisseld is, dan glijdt het helaas! maar al te gauw door de vingers) toegelaten worden tegen betaling van één ei. (Alle kleine jongens staan bij deze mededeeling eerst een oogenblik sprakeloos van verbazing en hollen dan om 't hardst weg.)

Dus, dames en heeren, profiteert van de gelegenheid.

Wanneer ge geen stuiver bezit of geen ei kunt machtig worden, dan zult ge de grootste wonderen der oude en nieuwe wereld niet kunnen aanschouwen. Ik hoop echter, dat er geen enkele onder u gevonden wordt, die van dat schouwspel verstoken moet blijven.”

Hierop viel het muziekkorps weer met een helsch lawaai in.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Paul en Dick krijgen les.

De voorstelling zou beginnen. Het publiek stroomde naar de herberg. Kinderen beneden de twaalf jaar kwamen bij twintig te gelijk. Ik geloof niet, dat allen op even eerlijke wijze hun „entree” hadden bemachtigd en den volgenden dag begreep menig moedertje niet waar toch al haar eieren gebleven waren.

Er werden zóóveel eieren in betaling gegeven, dat men niet wist waar ze te bergen en uit de keuken van „de Ooievaar” moest een waschtobbe worden geleend om ze in te doen.

De Koningin stond bij de deur en inde geld en eieren. Bij tusschenpoozen sloeg ze met kracht op een groote gong en schreeuwde: „Eén stuiver maar als 't je blieft, één stuiver of één ei!”

Jonas en de meisjes waren prachtig uitgedoscht. Jonas als clown en de meisjes in tricot met korte rokken. Met veelzeggende gebaren wezen ze dan weer op zichzelf en elkander, dan weer naar de monsterachtig leelijke prenten achter zich, en dat beteekende: „Alles wat ge daar afgebeeld ziet wordt door ons vertoond.”

[Illustratie: ... waar toch al haar eieren gebleven waren.]

Om het publiek nog meer te lokken besloot de Markies een kleine comedie op het tooneeltje voor de deur te doen vertoonen.

De comedie was getiteld:

„De dame en haar luie knecht.”

Paul zou de hoofdrol vervullen. Anders was dit de taak van Jonas, maar die was nu juist bezig versch stroo in de kooien te leggen.

„Hoe kan ik nou comedie spelen als ik het stuk niet eens ken,” zei Paul.

„Dat komt er niet op aan,” antwoordde de Markies, „je geeft maar antwoord op wat men je vraagt, daarmee uit,” en meteen gaf hij Paul een flinken schop, waardoor hij plotseling midden op het tooneel stond.

„Ha, ha, zijt ge daar eindelijk luiaard,” riep de Koningin die voor _Dame_ speelde, „waar hebt ge den wijn gelaten?”

_De knecht_: (_Paul_) „Welke wijn?”

_De dame_: Wel, den wijn waarvoor ik u tien stuivers gaf om denzelven te koopen.

_De knecht_: 'k Kreeg nooit tien stuivers van je om wijn te koopen.

_De dame_: Ha, ha! hoor dien snuiter eens! Hij durft het mij heeten te liegen. Waar is de wijn?

_De knecht_: Och wat zeur je toch van: „Waar is de wijn?” ik weet van geen wijn.

_De dame_: O gij kleine gulzigaard, ik begin te gelooven, dat gij den wijn hebt opgedronken.

_De knecht_: Al was er wijn geweest dan zou ik toch geen droppel ervan hebben kunnen proeven. Jij houdt er zelf veel te veel van.

_Een stem achter de schermen_: Mooi gezeid. Maak er een gebaar bij.

[Illustratie: .... waardoor hij plotseling midden op het tooneel stond.]

Maar Paul verstond of begreep de bedoeling van den Markies niet goed en stak zijne tong uit. De „dame” werd nu in ernst boos, liep op Paul toe en gaf hem een klap om de ooren, die klonk als 'n klok. Paul week achteruit, de „dame” achtervolgde hem, totdat hij aan den achterkant van het tooneel gekomen geen steun meer vond, zijn evenwicht verloor en naar beneden tuimelde.

Voor het publiek was de comedie nu afgeloopen.

Het juichte de vertooners daverend toe; 't was dan ook erg natuurlijk geweest.

Voor een der vertooners begon de comedie echter nu pas goed te worden. Paul viel namelijk in de waschtobbe met eieren, alsof die daar expres voor dat doel was neergezet. Den Markies, die het zag, liepen de tranen over de wangen van 't lachen.

„Ik dacht dat _ik_ veel van eieren hield,” zei hij, „maar zooveel als jij er van schijnt te houden! je bent een echte veelvraat!”

Paul had zeker wel dadelijk een antwoord klaar gehad, als de gele kleverige massa, die over zijn gezicht droop, hem niet belet had een woord te zeggen. Hij wreef zich met de handen over oogen en mond, maar hoe meer hij wreef, hoe meer verspreidde zich de eierdoor en hoe stijver kleefde die op zijn gezicht vast.

Plotseling riep de markies: „Houd op, houd op! wrijf geen droppel meer af! Ik heb daar 'n heerlijk idee! Ik beloofde die domme boeren, dat ik ze twee nog nooit vertoonde wonderen zou laten zien en ik was m'n belofte al heelemaal vergeten. Maar nu, als bij toeval, ontdek ik het eene wonder. Houd op met dat gewrijf! Hoe meer je kleeft hoe beter. Ik ga 'n wilde van je maken mijn jongen, een echte wilde!”

Al pratend duwde de Markies Paul in een dichtbijzijnden stal, die als algemeene kleedkamer van den troep dienst deed. Hij had daar even te voren een stuk of wat kippen opgemerkt, die kalm naast elkaar zaten te slapen. De dieren te grijpen en ze meteen den nek om te draaien was het werk van een oogenblik. Het gebeurde zoo gauw, dat de arme kippen, geloof ik, zelf niet eens wisten, dat ze dood waren. Even handig en vlug waren de beesten geplukt en nu begon de Markies Paul van top tot teen met de veeren te bedekken, die overal op en in de kleverige eimassa bleven zitten. Van de vleugels en de staart maakte hij een soort diadeem, dien hij in het haar van den jongen vastplantte. Op een paar pas afstand beschouwde hij met welgevallen zijn „schepping.” „Wel, wel, je lijkt nog veel meer op 'n wilde dan Vrijdag van Robinson,” zei hij. „'t Is altijd gevaarlijk om de toekomst te voorspellen, maar ditmaal ben ik er zoo goed als zeker van, dat je succes zult hebben, zeldzaam succes! Nu zal ik je nog leeren hoe je je tegenover het publiek als wilde moet gedragen. Zet je rechtervoet vooruit—zóó. Kom nu een paar stappen voorwaarts—zóó. Hier is 't handvat van een ouden mattenklopper, neem dat voor oorlogswapen en nu vooruit, de linkerhand in de zij, in de rechterhand het wapen—zóó. Wat zei je daar? Speel je niet voor mal?”

De Markies nam, dit zeggend, als bij toeval een stevig touwtje van den grond op en zweepte dit heen en weer.

Paul zette dadelijk den rechtervoet vooruit, de linkerhand in de zijde en sloeg woedend met zijn wapen in het rond.

„Zoo is 't goed.” zei de Markies, „ik verstond je zoo juist bepaald verkeerd.”

„Rol nu je oogen en schud je hoofd, alsof je het geheele publiek wel dadelijk zoudt willen verslinden.

Prachtig! uitstekend! Nu moet je nog maar alleen de taal van je land leeren. Luister, je moedertaal is: „Acasa! Bojador! Draa!” Zeg mij dat na: „Acasa! Bojador! Draa!””

Paul keek even naar het eindje touw en zei toen zijn lesje op.

„Dat gaat wel voor een nieuweling, maar in dat „Draa” zit nog niet genoeg klank. Je moet het meer laten rollen. „Dra...a.” Probeer 't nog eens.”

Paul gehoorzaamde.

„Dat gaat veel beter. Denk er nu om, dat je het op het tooneel net zoo goed doet! Je opvoeding is nu bijna voltooid, er mankeert nog maar 'n kleinigheid aan; zie je die kippen, die ik zoo juist plukte? Nu, die vette diertjes zal ik je voor 't publiek laten zien en zoodra je ze in 't oog krijgt moet je er op aanvallen als 'n wild beest en ze met huid en haar verslinden. 't Zal 'n groot ongeëvenaard succes zijn. Wees dankbaar, dat ik je in de gelegenheid stel je groote gaven door het publiek te laten waardeeren. Waarlijk dat overkomt iemand maar zelden in de wereld.”

„En denkt ge soms, dat ik van plan ben die rauwe kippen op te eten?” zei Paul.

„Waarom niet? De meeste menschen zouden overgelukkig zijn als ze zoo'n kippetje op hun tafel kregen.”

[Illustratie: „Acasa! Bojador! Draa!”]

„'n _Rauwe_ kip,” verbeterde Paul, „'n gebraden kip zou 'k ook wel lusten.”

„'n Gebraden kip! Dat wil ik wel gelooven. Maar daar is heelemaal geen kunst aan. Daar behoeft men geen artiest van beroep voor te zijn om dat te kunnen doen. Elke dilettant doet dat met 't grootste genoegen. Maar _rauwe_ kippen te eten dat is _kunst_, dat doet de eerste de beste je niet na!”

„Je kunt daar nu wel staan praten als Brugman, maar ik ben niet van plan rauwe kippen te eten.”

„En je eet ze _wel_, Vrijdag.”

„Ik eet ze niet.”

„Ja,” zei de Markies kalm, „wanneer je zoo vast op je stuk staat, dan zal ik weer mijne onfeilbare onderwijs-methode moeten toepassen, waarmee men jonge wilden heel gemakkelijk leert niet al te kieskeurig te zijn...”

De Markies nam toen een paar veeren die nog op den grond lagen en stak ze doodbedaard, alsof er niets bijzonders gebeurde, in Paul's blooten nek.

„Nu, Vrijdag, wat heb je liever, rauw vleesch of gebraden?”

„R-r-auw!”

„Je houdt dus ook heel veel van rauwe kippen?”

„J-j-a!”

„Dat dacht ik ook wel. 't Had me waarlijk erg gespeten wanneer je door al die eieren geen trek meer had in andere lekkere dingen. Zie zoo ik geloof, dat je nu wel 'n volleerde wilde zijt. Wanneer je nog 't een of ander weten wilt dan moet je me maar waarschuwen.”

Met deze woorden bracht de Markies Paul in een groote kooi en sloot de deur achter hem dicht.

„En nu nòg 'n wonder.” zeide hij. „Dick kom eens hier. Ja, laat eens zien, wat kan ik eigenlijk van jou maken?”

„Ik wil niet dat er wat van mij gemaakt wordt,” stotterde Dickie, „ik wil naar huis.”

„Nu nog mooier. Paul maakt zich nuttig voor zijn medemenschen en jij zoudt niets doen! Dat kan je zoo denken! Luiheid, mijn kleine man, is de bron van alle kwaad. Toen ik een kleine jongen was heb ik dat nooit begrepen, ik leerde de waarheid van dat spreekwoord helaas te laat in 'n zeer harde en bittere leerschool.”

Hij had de laatste woorden meer tot zichzelf dan tot Dick gesproken en een oogenblik bleef hij stil nadenkend voor zich uit staren.

„Komaan mijn jongen,” vervolgde hij weer op zijn gewonen toon, „wat moet er van jou worden? Ik weet het! Een man zonder hoofd, dat is gemakkelijk te maken en het effect zal schitterend zijn. Kom hier, dan zal ik je het hoofd afnemen.”

Dickie keek doodsbenauwd, want hij dacht niet anders of zijn laatste uur was geslagen.

„Gevonden, gevonden!” riep de Markies, „daar heb ik 'n schitterend idee, 'n geniaal denkbeeld! 'n Openbaring! Ik zal je hoofd afslaan, je vrouwenkleeren aantrekken en je aan het publiek voorstellen als het Grootste Wonder op Aarde, de Eenige Zwijgende Vrouw. Uit alle deelen van de wereld zullen de getrouwde mannen naar mijn spel komen om dat wonder te zien. Dickie ons fortuin is gemaakt.”

Maar het vooruitzicht op rijkdom en fortuin maakte blijkbaar heelemaal geen indruk. Dickie begon te huilen.

„Nou, nou! wat is dat nou!” zei de Markies op 'n vriendelijker toon, dan men van hem verwacht zou hebben, „wanneer je er geen lust in hebt, dan zullen we wat anders moeten bedenken. Ik weet 't al. Je moet optreden als vliegenvanger. 't Is 'n rol van weinig beteekenis en gemakkelijk te vervullen ook. Kom, laat mij je armen en beenen afnemen. Voortaan heb je die aanhangsels niet meer noodig.”

Dickie begreep niet, dat de spellebaas hem voor de grap bang maakte; hij meende in ernst dat zijn ledematen afgehakt zouden worden en smeekte om genade.

De Markies lette daar echter niet op, pakte hem beet, drukte hem de armen recht tegen het lijf en liet hem neerknielen in een grooten meelzak, dien hij verder geheel opvulde met stroo. Het bovengedeelte bond hij met een stevig koord om Dickie's hals en op zijn hoofd zette hij een oud fluweelen kalotje, waarin hij een paar pauweveeren stak. Daarna schilderde hij een roode ster op zijn voorhoofd en duwde en trok zoolang aan den zak, tot er geen vouwtje meer in was en niemand kon zien waar de jongen eindigde en de opgevulde zak begon.

Toen zette hij hem op 'n soort van voetstuk en bracht hem in 'n andere kooi naast die van Paul.

„Ik ben trotsch op mijn werk!” riep hij uit. „Nog nooit zag ik twee zoo volmaakte wonderen te zamen! Maar 't publiek wordt ongeduldig. Ik moet naar voren. Houdt jelui bedaard en kalm en denkt maar eens goed over je rollen na. Dadelijk kom ik weer terug en ik hoop, dat ik jelui geheugen niet behoef op te frisschen.”

En haastig liep hij weg, blijkbaar zeer voldaan over zijn arbeid.

[Illustratie]

[Decoratieve illustratie]

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Groote voorstelling.

Paul en Dick bleven alleen en de voorstelling begon. Zij begon als gewoonlijk met de goocheltoeren van den Markies van Galimedes. Hij raakte slechts even het knoopsgat van zijn jas aan en... een prachtige roos kwam te voorschijn. Hij leende een horloge, hamerde dit aan kleine stukjes en haalde het dan weer gaaf en wel uit den zak van een ouden mijnheer, die bij hoog en laag gezworen had, dat hij geen horloge bij zich droeg. Dan vulde hij een glas met water, en als hij het in den schoot van een dame omkeerde was de inhoud in bloemen veranderd. Hij schonk uit dezelfde flesch een glas port, een glas sherry en een glas cognac; en de dames en heeren, die op zijn verzoek den inhoud der glazen mochten proeven, vonden dit vooral 'n prachtige toer. Hij sneed den kop van 'n duif af, sprak eenige hocus-pocussen en... de vogel was weer levend. Hij klutste eieren in 'n geleenden hoed en bakte er een ommelet in, die hij onder het publiek verdeelde. Daarna gaf hij den hoed geheel ongeschonden, weer aan zijn eigenaar terug, die al dat geknoei had aangezien met 'n gezicht bleek van angst, voor 't verlies van zijn hoofddeksel. Al deze toeren en nog een heeleboel meer hadden het succes dat ze altijd en overal hadden.

[Illustratie: ... tot groote schade van de horloges, hoeden en duiven.]

Wel 'n dag of veertien lang probeerden de dorpsbewoners of ze den goochelaar ook na konden doen tot groote schade van de horloges, hoeden en duiven uit het dorp, maar het gelukte hun niet. Treurig keken ze dan naar de slachtoffers, krabden zich achter de ooren en zeiden: „Maar wat drommel hoe deed hij dat dan toch?”

Na den Markies traden „de onvergelijkelijke en bewonderenswaardige gezusters Sylpha” op.

Het waren een paar leelijke dochters van de nog veel leelijker moeder en hunne verrichtingen bleven ver beneden het middelmatige. Het mooiste van de vertooning was, toen een van de zusters net deed of ze haar evenwicht verloor, bijna viel, maar gelukkig nog juist bij tijds het koord vastgreep. Het publiek begreep in 't geheel niet dat alles slechts voorgewend was. Het meende, dat een van de zusters werkelijk een oogenblik tusschen leven en dood zweefde en 't was een algemeen gejuich en handgeklap toen alles zoo gelukkig afliep.

De Slangenmenschen, die onderwijl van uit een hoek naar de kunsten van hare zusters hadden staan gluren, kwamen nu op het tooneel en deden het publiek „verstomd staan door hare buitelingen, draaiingen en wendingen.” Ook Komus, de Groote Clown, vertoonde zich. Hij beproefde na elke gymnastische toer de gezusters na te doen, maar natuurlijk gelukte dit hem nooit. Na elke mislukte poging boog hij diep voor het publiek, dat niet op hield te schaterlachen over zijn geestigheden. De vroolijkheid bereikte haar toppunt toen Komus overal liep te zoeken naar zijn muts, die hij in de hand hield; toen hij bij ongeluk tegen een paal aanliep met zoo'n schok, dat hij ervan op den grond tuimelde, waarna hij zichzelf weer ophielp bij het achterste gedeelte van zijn groote, wijde broek; toen hij zich een klinkenden slag op de wang gaf, om een denkbeeldige vlieg dood te slaan, en meer grappige kunsten vertoonde, die even geestig zijn als oorspronkelijk en waarover de toeschouwers zich bijna een ongeluk lachten.

[Illustratie: .... tegen een paal aanliep.]

Thans achtte de Markies het geschikte oogenblik gekomen, om den dorpelingen de eerste groote teleurstelling mee te deelen.

Met doodelijk verschrikt gelaat kwam hij plotseling van achter de coulissen te voorschijn.

„Ik moet u allen een hoogst treurig voorval meedeelen,” riep hij uit.