Weggeloopen!

Part 3

Chapter 34,142 wordsPublic domain

Op eens de grootste vrienden van de wereld gingen ze er arm in arm op af. Gevangenissen, booze vaders, bijtende honden, ze bestonden niet meer voor hen, alles was vergeten door de kermistenten daar in de verte.

Onderwijl had de oude veldwachter zijn kopje koffie gedronken, zijn pijp gestopt en zette zich daarna in een gemakkelijken stoel bij het raam, om eens diep na te denken. Hij was weduwnaar en niemand stoorde hem in zijne overpeinzingen.

Toen de pijp was opgerookt, klopte hij er de asch uit, deed zijn uniformjas aan, zette zijn steek op en met de sabel op zij stapte hij naar de cel van Paul om te zien of deze zich den naam van zijn ouders al herinnerde.

Daar stond hij bij de open deur. Waar was de gevangene? Gevlogen!....

„Wat weerga!” riep hij: „wie ter wereld heeft dàt gedaan? Zou die kwâjongen van mij....? Holà! Dick!”

Maar hij kreeg natuurlijk geen antwoord.

„Hij heeft mijn jongen meegenomen en samen zijn ze weggeloopen!”

Ja, Roybon, zoo is het, je sloeg daar juist den spijker op den kop. Als een dolleman stampte hij met zijn houten been op den vloer, maar opeens bedacht hij zich en klom met moeite boven in de duiventil. Van hier uit kon hij de landstreek een heel eind ver overzien en ja waarlijk, daar heel in de verte daar zag hij twee kleine zwarte stippen. „Daar heb je ze waarachtig,” mompelde hij. Op gevaar af van zijn nek te breken, strompelde hij weer naar beneden.

[Illustratie: .... stommelde Roybon den stoffigen weg langs.]

„Kom mee, Pak-an.”

„Dat had ik al veel eerder bedacht,” meende Pak-an, „maar je wou niet naar me luisteren. Ik zal je nou wel wijzen waar ze zijn. Ik weet 't precies.”

Eenige oogenblikken later strompelde Roybon den stoffigen weg langs.

Hij was nog niet ver, toen iemand hem met luide stem toeriep: „Halloo!”

Hij keek om en zag een forschen man met lange zwarte knevels en groote doordringende oogen, die haastig achter hem aan kwam stappen. Toen begon een levendig gesprek. Roybon scheen het in den beginne niet met den ander eens te zijn, maar langzamerhand scheen hij van meening te veranderen tot de man met de knevels gelijk kreeg.

Ze stapten daarna samen voort, maar maakten niet veel haast tot groote verontwaardiging van Pak-an, die hier niets van begreep.

[Illustratie]

[Decoratieve illustratie]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

De kermis.

De kermispret was in vollen gang toen Paul en Dickie het dorpje bereikten.

Er waren draaimolens met valsche orgels; er was een wildebeestenspel met verschillende dieren, een schietspel, een hoofd van Jut, een poffertjeskraam. Er waren honden, die op twee beenen konden loopen net als menschen, en er waren menschen die op handen en voeten konden loopen, net als honden. Kooplieden en straatmuzikanten, goochelaars en oliekoekenverkoopers, alles gilde en toeterde door elkaar met het gelach en het gejuich der vroolijke kermisbezoekers.

[Illustratie: De Kermis.]

Dickie had geen oogen genoeg om al het moois te zien, Paul sprong, danste, maakte rare grimassen en beiden hadden de dolste pret.

[Illustratie: De man met het boevengezicht.]

Daar zag Paul een tafeltje met allerlei lekkernijen. Zijn maag trok hem daarheen. Hij kon er gemakkelijk wat van koopen, want hij had immers een kwartje, en voor een kwartje kan men op een dorpskermis genoeg koopen om z'n heele maag van streek te maken. Paul stond nog in tweestrijd wat hij van al de heerlijkheden zou kiezen, toen zijn oog viel op een rood en zwart geschilderd draaibord, met een groote draaiende naald in 't midden.

„Komaan jongeheer, beproef je geluk eris,” riep de man, die er bij stond, „als je 't wint krijg je meer koek dan je in een morgen op kunt eten.”

Paul bezweek voor de verzoeking. Met bevende hand zette hij zijn eersten stuiver op rood. De naald draaide, draaide eerst vlug, toen langzamer en stond eindelijk stil op zwart. Dadelijk zette Paul nog een stuiver in, ditmaal op zwart, maar de naald koos nu rood als eindstation. De man van het draaibord met zijn boevengezicht was Paul te slim af. Telkens als de naald bijna stilhield, gaf hij een klein zetje aan de tafel, waardoor ze steeds op een andere kleur dan de gekozene bleef stilstaan.

„Vooruit jongeheeren, vooruit, den moed niet opgeven, waag nog een kansje,” riep de man en Paul zette in en weer in tot zijn laatste stuiver in den zak van den bedrieger verdwenen was. Paul stond het schreien nader dan het lachen.

„Kom mee,” zei Dickie, „wat kan 't jou schelen,” en hij greep Paul's hand en trachtte hem mee te trekken, maar Paul leek wel als vastgenageld aan de plek. Hij bleef staren naar het roode en zwarte bord, waarop nu een nieuw slachtoffer zijn geluk beproefde.

„O Paul, kijk eens, een vechtpartij,” riep Dick.

Dit woord bracht Paul uit zijne verdooving. Hij keek in de richting, waarheen Dickie wees en ja, daar waren ze aan 't vechten. Mannen, vrouwen en kinderen sloegen elkaar met vuisten, parapluies en stokken.

Daar moest Paul het zijne van hebben. Hij was in een oogenblik midden in 't gedrang en zijn strijdlustige aard deed hem ook links en rechts klappen en stompen uitdeelen en... in ruil ontvangen.

[Illustratie: ... een hevig straatgevecht.]

De vroolijke kermisdrukte had op eenmaal plaats gemaakt voor een hevig straatgevecht. En de oorzaak? Ja, die wist eigenlijk niemand. Ik geloof, dat er iemand in 't gedrang zijn buurman op de eksteroogen had getrapt.

Daar verscheen op het tooneel van den strijd onze vriend met zijn stevige vuisten, zwarten knevel en groote donkere oogen. We zullen hem voortaan maar „de Zwarte” noemen. Met een vervaarlijke stem gebood hij: „Stilte!” en elk gehoorzaamde terstond aan die bevelende stem. Het vechten was uit als met een tooverslag. Men keek elkander eens verbaasd aan, want, zooals ik zei, de oorzaak van het algemeene gevecht kende eigenlijk niemand.

„De Zwarte” nam Paul en Dickie bij den kraag en bracht hen buiten het gedrang. Daar liet hij hen aan hun lot over. 't Was Paul of hij vol blauwe plekken zat en hij dacht juist eens even kalm te bekomen van al dat lawaai, toen hij bijna verlamd werd van schrik, want wie zag hij daar? Pak-an, die al snuffelend recht op hem toe kwam loopen en achter Pak-an: Roybon.

't Scheen een oogenblik of Paul's beenen niet voort wilden, maar 't duurde niet lang. Toen vloog hij heen als een pijl uit den boog, op de hielen gevolgd door Dickie.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

NEGENDE HOOFDSTUK.

De storm.

De jongens draafden een tijdlang voort alsof ze hardloopers van beroep waren. Eindelijk konden ze niet meer en vielen uitgeput neer op het gras aan den kant van den weg.

Dickie zat een poos in diepe gedachten verzonken: „Ik geloof eigenlijk dat ik wel graag weer naar huis wou,” zei hij als resultaat van zijne overpeinzingen.

„Nou, doe wat je niet laten kunt, er is niemand die je tegenhoudt,” riep Paul, „ga naar huis, dan krijg je een lekker pak slaag.”

Dickie gaf geen antwoord. Eindelijk zei hij met tranen in de oogen: „Ze hebben me zoo gestompt, mijn arm doet zoo'n pijn.”

„Zóó,” riep Paul, „och heden, stompten ze jou? Kijk hier dan eens en hier en hier,” en hij wees op de schrammen in zijn gezicht en een groote dikke buil op zijn voorhoofd. „Huil ik? en jij zit te grienen om een beetje pijn aan je elleboog.”

Paul's gezicht vervulde Dick met medelijden.

„Ja,” zei hij, „je hebt ook wel gelijk, maar zie je, het duurt ook zoo lang voor we de wereld rond zijn. Is het nog een heel eind?”

't Was Paul niet de moeite waard om hierop te antwoorden.

„Kom, vooruit,” zei hij, „in plaats van malle vragen te doen deedt je beter wat aan te stappen, anders krijgt je vader je nog te pakken.”

Maar Dickie voelde zich ellendig, hij had niet het minste plan om op te staan en begon vervaarlijk te huilen. Goede raad was duur, elk oogenblik kon Roybon in zicht komen, ze moesten weg, het kostte wat 't wilde. Nog eens beproefde Paul Dickie door allerlei mooie beloften over te halen, maar 't hielp niet.

„Je houdt toch nooit je woord,” zei Dick.

„Wat blief? Hebben we dan geen hoop plezier gehad?”

„Wat je maar plezier noemen wil! 'n Raar plezier, slagen te krijgen, je geld te verliezen en honger te hebben.”

Ja, hiertegen kon Paul weinig inbrengen. Zwijgend boorde hij met den hiel van zijn schoen een kuil in den grond.

Eindelijk stond Dickie met een zucht op. Hij moest kiezen of deelen. Of meegaan óf terugkeeren en van zijn vader een pak slaag oploopen en hij koos het eerste. Op een paar moede beenen trok hij weer verder met zijn ondeugenden leidsman.

[Illustratie: „Och heden, stompten ze jou?”]

Zonder een woord te zeggen liepen ze een eindje voort. Daar zag Paul een braamstruik vol heerlijke rijpe bramen. „En wie zei nou, dat we niks te eten hadden!” riep hij. „Zie daar eens!” Hij vloog er heen en beiden begonnen te eten tot er geen braam meer over was. 't Was een karig maal, doch honger maakt rauwe boonen zoet en bramen zijn toch nog beter dan rauwe boonen.

„Nu maar weer voorwaarts,” zei Paul, toen de struik geplunderd was.

„Maar waar gaan we dan toch eigenlijk heen?”

„O, dat zal je wel zien.”

„Maar zeg het dan toch.”

„'t Komt er niet op an. Je zult het wel zien.” En voort gingen ze weer.

Daar zagen ze in de verte een stadje. „Neen, daar niet heen,” zei Paul, „daar vangen ze ons,” en ze sloegen links af een zijpad in en kwamen zoodoende aan den oever van een groote rivier.

„Ziezoo,” zei Paul, „daar zijn we er eindelijk, al den tijd heb ik naar dit plekje gezocht. Nou begint de pret. Kijk eris hier, kan je dit?”

Hij nam een plat kiezelsteentje op en liet het over de oppervlakte van het water scheren.

Dickie vond het grappig, probeerde het ook en ze vermaakten zich een tijdlang met dit spelletje, tot ze hun armen door het gooien bijna ontwricht hadden. Toen slenterden ze verder langs den rivieroever.

Plotseling stond Paul stil.

„Da's flink,” riep hij uit, „ze hebben hem gezonden!”

„Wat gezonden?” vroeg Dickie.

„Wel dàt, heb je dan je oogen in den zak!” zei Paul en hij wees naar een bootje, dat aan den stronk van een wilgeboom was vastgebonden. „Ik had bevel gegeven om het hierheen te zenden,” vervolgde hij met een zeldzame gave van onwaarheden te verzinnen. „Nu begint eerst echt onze reis om de wereld.”

Het bootje was een oud wrak ding, dat er uitzag alsof het uit elkaar zou vallen als iemand er een beetje hardhandig mee omging.

Maar Paul had geen verstand van booten en was dus heelemaal niet bang.

„Kom je er niet mee in?” riep hij, nadat hij er zelf in was gekropen.

Maar Dickie keek niet naar hem. Hij staarde naar de lucht, die er onrustbarend donker begon uit te zien. Zwarte wolken pakten zich in het zuid-oosten samen en het water van de rivier zag er uit als inkt.

„Ik ben bang, Paul, dat het zal beginnen te regenen,” zei hij.

„Nou, wat hindert dat? We zullen niet smelten. Hier! Geef me 'n hand.”

Dickie was gerustgesteld. Hij greep de uitgestoken hand en sprong in de boot.

In 't eerst vermaakten ze zich met de boot op en neer te laten schommelen. Maar daar had Paul gauw genoeg van. 't Duurde niet lang of hij maakte het touw los en probeerde te roeien. Dit ging niet gemakkelijk. Het bootje dreef hoe langer hoe meer naar 't midden van de rivier; daar werd het door den stroom meegesleept, sneller en sneller!

Dickie was een goede weerprofeet geweest. Na een korte poos voelden ze reeds een paar dikke regendroppels en spoedig viel de regen bij stroomen neer. De lucht zag pikzwart; een ijskoude wind gierde over het water.

Daar schoot op eenmaal een bliksemstraal uit de wolken; vreeselijk ratelde de donder; een hevig onweer barstte los boven hunne hoofden. De orkaan loeide, dikke hagelsteenen kletterden neer en verwondden hun gezicht en hunne handen. De eene donderslag volgde op den andere, het vuur was niet van den hemel, en 't werd avond, nacht bijna...

[Illustratie]

In doodelijken angst klampten de knapen zich aan de boot vast; ze dachten elk oogenblik te verdrinken.

Maar er was redding nabij. Zonder dat de beide kinderen hem zagen, was „de Zwarte” hen op grooten afstand gevolgd. Van een visscher, die dicht bij den oever woonde, leende hij een stevige boot. Met zijn gespierde armen roeide hij, met krachtige slagen, door het hevig golvende water. Als een bliksemflits den geheelen omtrek electrisch verlichtte, zag hij de plaats waar de ongelukkige jongens dobberden. Zelfs te midden van het ratelend donderen hoorde hij hun hulpkreten. Daar sloeg een hoog opschuimende golf over de oude boot; zij steunde en kraakte en vloog in splinters. Bij een volgende lichtstraal was er noch van de jongens noch van de boot iets meer te ontdekken.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

TIENDE HOOFDSTUK.

Aan 't werk.

Een gevoel van warmte en een gewaarwording van schel licht deed de beide kleine zwervers langzaam bijkomen uit hun toestand van volslagen bewusteloosheid. Allengs bemerkten ze, dat ze in lakens gewikkeld plat op den grond lagen voor een groot vlammend houtvuur.

Langen tijd bleven ze stil en onbewegelijk liggen zonder ook maar een enkel woord te spreken.

Eindelijk richtte Paul zich halverwege op en keek liggende op zijn ellebogen, om zich heen.

Zij bevonden zich in een groote ouderwetsche keuken; allerlei ouderwetsch keukengereedschap hing aan den wand, voor zoover Paul dien kon zien. Het vuur brandde op een groote vuurplaat. Men zou er gemakkelijk een schaap boven hebben kunnen braden aan 't spit, zoo'n groot vuur was 't.

Ander licht dan dat van het vuur was er niet en dit glansde op een gedeelte van de muren en tegen den zolder, maar liet de hoeken in 't donker.

Plotseling vlamde een houtsplinter hoog op en verlichtte voor een oogenblik het geheele vertrek.

Tot zijn groote verbazing zag Paul in een der hoeken twee gestalten: één dik en rond, één groot en forsch.

Weg was het licht weer, maar Paul meende toch nog te kunnen zien hoe beide gestalten zich naar elkaar toebogen en met hun hoofden duidden in de richting waar hij lag. Toen hoorde hij de eene zeggen:

„Dus dat heeft u dan goed begrepen?”

„Zeker, zeker,” zei de andere.

„Nou, goeien avond dan.”

Er ging een deur open en een groote, donkere gestalte ging naar buiten.

Daarop kwam de dikke nader bij het vuur en bleef vlak bij de jongens staan. Het licht van de houtvlammen speelde over zijn gezicht en 't leek wel, dacht Paul, of hij hen stilletjes stond uit te lachen.

Eindelijk zei de dikke oude man: „Ik verwed er een dubbeltje onder dat jelui niet weet waar je bent.”

Daar Paul blijkbaar geen lust aan wedden had en boe noch bah zei, vervolgde de man: „Wel, dan zal ik 't je maar vertellen. Jelui benne in 'n molen en ik ben de molenaar.”

„Zijn we dan niet verdronken?” vroeg Dickie droomerig.

„Nee hoor, je bent zoo springlevend als 'n vischje in 't water, doch 't had maar weinig gescheeld of je was er geweest. Er was toevallig iemand vlak bij jullie en die heeft je nog net precies bij de haren uit 't water kunnen halen en in z'n boot zetten.”

Tot groote verwondering van de beide jongens schaterde de molenaar het uit na deze redeneering.

„Ik vind dat nou heelemaal niets om te lachen,” zei Paul.

„Nee, dat is 't ook eigenlijk niet, nee warempel niet; het spijt me, neem me niet kwalijk,” zei de molenaar.

En waarschijnlijk om te toonen hoe 't hem speet, barstte hij weer in zoo'n lachbui uit, dat de porceleinen kopjes op de latafel er van begonnen te rammelen.

„Hè, hè!” zei hij, en veegde zich de tranen van 't lachen uit de oogen.

„Nou moet je maar gaan slapen. Morgen vroeg zal juffrouw Boks, dat is m'n wijfje, jullie wel helpen en je droge kleeren brengen. En als je dan wat eten naar binnen gespeeld hebt, dan motten we eris samen praten. Goeie nacht.”

Daar ging de vroolijke dikkert en liet Paul en Dickie alleen. Ze waren te moe om samen nog een woord te wisselen en vielen spoedig in een diepen slaap.

Den volgenden morgen verscheen juffrouw Boks, op elken arm een stel droge kleeren, in de eene hand een waschkom met warm water en in de andere een handdoek met een dik stuk zeep.

[Illustratie: ... ik ben de molenaar.]

Juffrouw Boks was de dikste, goedigste en vroolijkste vrouw die men zich maar kan voorstellen.

In een oogenblik waren de jongens gekleed en gereed. Ze voelden zich gezond en vroolijk, maar ze hadden een razenden honger. Doch daarvoor wist juffrouw Boks raad.

Zij bracht aan ieder een dik stuk bruin brood en zette een groote schotel met aardappelen voor hen op de tafel en boven op de aardappelen lag een stuk varkensvleesch zoo malsch en sappig, dat men er wel zóó in had willen bijten. De jongens lieten zich dan ook niet lang nooden, maar vielen als een paar uitgehongerde wolven op den maaltijd aan, terwijl de molenaarsvrouw naar hen stond te kijken met zoo'n breeden glimlach op haar vergenoegd gezicht, dat de ooren bijna visite kregen van haar mondhoeken.

Eindelijk was alles opgegeten, de borden waren zelfs schoon gelikt.

„Nou? hoe heb je 't nou bij me?” fluisterde Paul zijn metgezel in 't oor, met een zegevierend glimlachje.

„Op 't oogenblik best,” zei Dickie, „maar wie zegt, dat het zoo blijven zal.”

Vóór Paul nog had kunnen antwoorden, kwam de molenaar de keuken binnen met een gezicht stralend van innerlijke vergenoegdheid.

„Goeie morgen jeugdige zeerobben,” zei hij, „nou heb ik eigenlijk alles voor jelui gedaan wat ik met den besten wil kàn doen en ik weet nou niets beters dan jelui 'n voorspoedige reis toe te wenschen, wanneer je plan hebt voor de tweede maal een watertochtje te maken.”

Paul keek wat teleurgesteld.

„Ja, ja, ik begrijp er alles van, jelui hebt genoeg gekregen van 't water. Nou 't is niet te verwonderen. Maar, te drommel wat zijn dat voor ouders van jelui, die je zoo moederziel alleen laten rondzwerven?”

[Illustratie: Juffrouw Boks.]

De jongens voelden zich bij die vraag blijkbaar niet erg op hun gemak.

„Wij hebben geen ouders meer,” zei Paul botweg.

De molenaar en zijn vrouw zagen elkaar eens van terzijde aan.

„Och heer!” zei de eerste en draaide zich halverwege om, want hij kon z'n lachen niet laten.

„Weesjes! Och hoe treurig! 't Zijn twee weezen, vrouw, denk 's even lieve, och, och!”

De „lieve” hield op eens haar schort voor 't gezicht en liep de keuken uit, want ze lachte zoo onbedaarlijk, dat haar dikke rug schudde.

De jongens begrepen er niets van.

„Ja,” zei de molenaar, alle moeite doende om ernstig te blijven, „mijn vrouw is zoo erg gevoelig; ze heeft zoo met jelui te doen, ze huilt over je treurig lot. Nou, en wij hebben geen kleine piepkuikens zooals jelui, wil je soms bij ons blijven? Maar op ééne voorwaarde.”

Paul luisterde met open mond.

„Ik heb een sterken jongen noodig om mij bij 't werk te helpen en jelui tweetjes zijn, denk ik, samen wel zoo sterk als één zoo'n jongen. 't Schijnt dat jelui de kokerij van juffrouw Boks nogal lekker vinden, hè?” en hij keek naar de ledige schotels. „Als je nou bij mij je kostje wilt verdienen, dan zal ik 't je altijd zoo goed geven als vandaag en krijgen jelui nog wat zakgeld ook voor de Zondagen. Nou? Wat zeg je daar nou van?”

Paul keek Dickie aan en wist niet wat te zeggen.

„Je behoeft niet zoo dadelijk te antwoorden,” zei de molenaar, „over 'n minuut of tien kom ik terug en dan mot je beslissen: òf de molen, òf goeie reis verder.”

Toen ze alleen waren zei Paul: „Wel da's 'n gelukje; wat zeg jij?”

Maar Dickie was in diep nadenken verzonken.

„_Ik_ wil naar huis,” zei hij eindelijk.

„Ga dan maar heen, en krijg 'n lekker pak van je vader!” riep Paul, en hij verzon allerlei vreeselijke dingen, die gebeuren konden wanneer Dickie weer naar zijn vader terugkeerde.

[Illustratie: ... trokken zakken naar de hoogte.]

„Jij moet weten wat je doet,” zoo besloot hij, „maar ik blijf hier; ik eet net zooveel als ik wil; ik krijg een hoop zakgeld; daarmee koop ik allerlei moois op kermissen en 'k heb plezier voor zes.”

„Zouden we echt zooveel plezier hebben,” zei Dickie weifelend.

„Natuurlijk! Heb je ooit grappiger lui gezien dan die goedige dikkert en z'n vrouw?”

„Ze _lijken_ wel aardig,” zei Dick voorzichtig.

„Nou, blijf je?”

„Ja, als we dan ook echt een boel plezier hebben.”

En zoo kwam het, dat Paul, toen de molenaar na tien minuten terugkwam, uit naam van hen beiden kon zeggen dat ze bleven.

Wat later op den dag waren de jongens al aan 't werk. Ze trokken zakken koorn aan een katrol in de hoogte en lieten zakken meel naar beneden. Ze vonden het 'n allerprettigst werk en als de molenaar hen wat vroeg, dan liepen ze niet, neen, ze vlogen om het gevraagde te halen of te brengen.

Met etenstijd kwamen ze vroolijk de keuken binnen, alsof ze van 'n feestje kwamen.

De aardappelen met 't varkensvleesch en het bruine brood, wat smaakte dat alles weer verrukkelijk. Nog nooit hadden ze zóó lekker geslapen als dien nacht.

Den volgenden morgen waren ze wat stijf en pijnlijk van 't ongewone werk en toen ze weer, maar altijd door zakken op en neer moesten trekken, ging dit niet met zooveel geestdrift als den eersten dag.

Den derden dag was de ijver aanmerkelijk bekoeld en hij was nòg minder op den vierden, en _weer_ minder op den vijfden dag.

Daarbij kwam dat ze elken dag op nieuw varkensvleesch met aardappelen kregen. Het was den eersten dag een prachtige schotel geweest, toen ze met hun maaltijden zoo'n eind achterop waren, maar nu begon de steeds terugkeerende lekkernij hun tegen te staan.

Paul vooral kòn het bijna niet meer eten. Zoo nu en dan betrapte hij er zichzelf op, dat hij in z'n gedachten vergelijkingen zat te maken tusschen zijn maaltijden van nu en vroeger, toen zijn moeder nog allerlei lekkere schoteltjes voor hem klaarmaakte.

En het was niet het steeds weer opgedischte varkensvleesch met de aardappelen alléén die hem hinderden, maar Dickie hield niet op hem met verwijtingen te overladen, want de beloofde pret liet nog steeds op zich wachten.

De molenaar scheen het er in tegendeel op gezet te hebben de beide jongens vooral geen gemakkelijk leventje te laten leiden. Steeds kregen ze meer en zwaarder werk. Ze moesten de graanzolders vegen, hout hakken en den tuin omspitten, ja, de molenaar gelastte Paul zelfs eens om den stal van de ezels schoon te vegen en de beesten te roskammen.

Dat was iets verschrikkelijks voor Paul. Hij, het verwende zoontje van een rijk man; hij, van wien men altijd gezegd had, dat hij nooit handenarbeid zou behoeven te verrichten, hij moest... ezels roskammen!

Maar de molenaar gaf zijne bevelen op eene wijze, die geen ongehoorzaamheid toeliet.

Wat echter zoo wonderlijk was; wanneer hij 't een of ander vuile werkje aan de jongens had opgedragen, kon hij soms op eens hard wegloopen en als ze hem niet meer konden zien, hoorden ze toch nog dikwijls een geluid, alsof iemand stikte van 't lachen.

[Illustratie: ... in een groote tobbe met water.]

Toen dit weer eens gebeurde en mijnheer Boks in de keuken gevlucht was, sloop Paul op de teenen naar het keukenraam en zag daar den molenaar vuurrood van 't ingehouden lachen en zijn vrouw, die hem maar steeds op den rug klopte, alsof ze bang was, dat hij in de lachbui zou blijven.

„Waarom zouden ze toch altijd zoo lachen?” zei Paul, toen hij van zijn verkenningstocht terugkwam.

„Om ons!” antwoordde Dickie.

Nog scheen Paul niet genoeg vernederd. Toen hij eens 's avonds bezig was den ezel te roskammen sloeg hij het beest, voor de variatie, met den roskam op 'n beenig gedeelte van zijn achterpoot.

[Illustratie: „Een paardenspel, een paardenspel.”]

De ezel sloeg achteruit en 't volgend oogenblik zat Paul, proestend en spartelend, in een groote tobbe met water, die bij de staldeur stond.

Hij probeerde er gauw uit te kruipen en net te doen, alsof er niets gebeurd was, maar wie stond daar voor hem?

't Was „de Zwarte.” Hij stond daar, zijn beenen uitgespreid, de armen over elkaar en brulde letterlijk van 't lachen. 't Scheen wel of die man altijd getuige moest zijn van Paul's ongelukken.

Paul schaamde zich diep, doch toen hij zijn oogen weer durfde opslaan was de geheimzinnige Zwarte verdwenen.

[Illustratie]