Part 2
Een diepe rimpel vertoonde zich op het voorhoofd van den burgemeester. „Gevangene,” zei hij, „bedenk u nog eens goed; het is voor 't laatst.”
„Ik ben 't vergeten; dat heb ik nu al tweemaal gezegd,” barstte Paul woedend los. „Schrijf ze een briefje dan kunnen ze 't u zelf vertellen.”
Bleek van verontwaardiging leunde de burgemeester in zijn stoel. Het duurde eenigen tijd, voor hij weer kon spreken. Toen stond hij op en sprak plechtig:
„Daar deze gevangene naar het schijnt noch den naam, noch de woonplaats zijner ouders weet op te geven, en dus zonder tehuis is en zonder middel van bestaan, zie ik mij genoodzaakt hem als een landlooper te beschouwen en als zoodanig tijdelijk in het gevangenhok van het dorp te doen opsluiten. Later zal hij naar de hoofdstad der provincie worden opgezonden, vanwaar hij wegens landlooperij naar de koloniën zal worden overgebracht.”
Daarop verzamelde de burgemeester zijne papieren en verliet met statigen tred de kamer.
Daar stond Paul als door den bliksem getroffen. Hij had de geheele zaak eigenlijk meer beschouwd als een kostelijke grap en gedurende de zitting had hij een innerlijke pret gehad van belang, maar die vreeselijke woorden: „gevangenis,” „koloniën” brachten hem geheel van zijn stuk.
„Alla vooruit,” riep de veldwachter spottend, „sta daar nu niet alsof je geen tien kunt tellen. Je bent er bij, jeugdige schobbejak! Komaan: Rechts uit de flank! Voorwaarts... marsch!”
Paul stond juist op het punt den burgemeester achterna te loopen, om hem te zeggen, dat hij nu wel zijn _eigen_ naam en woonplaats wou opgeven en alle namen en woonplaats wel van ieder, die hij kende, toen hij de spottende woorden van den veldwachter hoorde.
Dadelijk waren zijn goede voornemens in rook vervlogen. Hij sprong op Roybon toe, schopte, sloeg en beet, totdat hij stevig was vastgebonden en de kamer werd uitgesleept.
Er stonden nog een massa menschen voor het gemeentehuis; daarom bracht de veldwachter Paul door een achterdeur en langs een omweg naar het hok, dat vlak naast zijn eigen woning lag.
„Ziezoo, hier zijn we er eindelijk,” zei hij, terwijl hij Paul voor zich uit duwde. „Het is hier wel wat donker, maar als je van plan bent ergens te gaan logeeren, dan zou ik je raden, dat voortaan vooruit te schrijven. Als ik geweten had dat je kwam, dan zou ik zeker voor electrisch licht gezorgd hebben. 't Is hier echter toch niet zoo heel ongezellig en 't is hier rustig en dat is een voornaam ding, want rust is een uitstekend iets als men zijn memorie kwijt is. Ja, ja, met die memorie daar kan je mee sukkelen.”
Met deze woorden ging de oude soldaat heen, schuddend van 't lachen over zijn eigen geestigheid.
Paul sloeg de oogen niet op, hij hoorde slechts hoe de zware deur toeviel en dat de sleutel tweemaal werd omgedraaid in het slot.
[Illustratie]
[Decoratieve illustratie]
VIERDE HOOFDSTUK.
In de gevangenis.
Daar zat Paul alleen, achter slot en grendel. Hij schaamde zich diep, maar was te trotsch om dit te erkennen.
„'k Geef er niet zóóveel om,” riep hij, terwijl hij met duim en vinger in de lucht knipte, „wat heb ik dien ouden, stijven stok van een burgemeester lekkertjes beet gehad!” en hij lachte luid, maar 't was geen vroolijke lach, dat voelde hij zelf ook wel.
Zijn vroolijkheid was dan ook niet van langen duur. Als hij opkeek zag hij niets dan de kale vochtige muren van zijn gevangenis, een bed van stroo, een kan met drinkwater en een driepootig bankje om op te zitten. 't Was droeve werkelijkheid, hij zat gevangen en 't hart zonk hem in de schoenen. Wezenloos staarde hij een poos voor zich uit tot hem een gevoel bekroop van machtelooze woede en wraak. In dolle razernij voer hij uit tegen den veldwachter en den burgemeester, die hem gelukkig niet konden hooren; hij greep zijn kan met drinkwater en smeet die in gruizelementen op den vloer. De pooten van zijn stoel brak hij in stukken en met zijn hielen en vuisten begon hij een waar bombardement op de dikke houten deur.
[Illustratie: Hier is je „souper.”]
Toen hij ten lange leste bemerkte, dat al dit lawaai geen ander gevolg had dan dat hij zichzelf de knokkels bont en blauw sloeg, wierp hij zich op zijn stroobed en barstte in een vloed van tranen los. Dit bracht hem eenigszins tot kalmte.
Toen hij daar zoo lag kwam de veldwachter met zijn avondeten.
Het was geen uitgebreid souper, want het bestond uit niets dan een korst droog brood.
„Is 't je al te binnen geschoten hoe je naam is?” vroeg de oude soldaat op langzamen sarrenden toon. „Niet? Da's vreemd! 't Is hier zoo'n rustig hoekje om goed na te denken. Maar 't komt er niet op aan hoor! Maak 't je maar niet te druk: de herinnering zal wel gauw komen. Ik hoop, dat de nieuwe springmatras je mag bevallen, de lakens en dekens zijn pas gelucht. Om negen uur morgenochtend zal het kamermeisje je komen wekken met een sterk kopje thee. Hier is je „souper.” 't Is wel niet veel, maar je moet maar denken: weinig doch uit een goed hart. Misschien zou je er wel een appel bij lusten. Nou? Zoo'n groote roode, je weet wel... hé?” en de oude plaaggeest ging de deur weer uit.
Paul's bloed kookte bij deze spotternij. Hij had Roybon wel willen vermorselen. Hij pakte de korst brood en gooide hem die achterna. De korst vloog juist over het hoofd van den veldwachter en viel op de steenen van de binnenplaats.
O, wat had hij daar gedaan! Hij had zijn avondeten weggegooid. Zijn waterkan was stuk; hij had dus geen enkele droppel water om zijn dorst te lesschen. De avond viel, de schaduwen werden langer. De nacht kwam. Paul was natuurlijk bang in 't donker en in dit pikduistere gevangenishok vermeerderde zijn vrees met het oogenblik. Allerlei schrikbeelden doemden voor hem op. In de stilte van den nacht kwamen er allerlei geluiden tot hem, die hem angst aanjoegen en toch niet anders waren dan het ritselen van het stroo of het zwiepen van een, door den wind bewogen, tak tegen den muur van zijn gevangenis.
[Illustratie: .... kon hij niet nalaten eens even door zijn vingers te kijken.]
Daar keek de maan nieuwsgierig door een opening tusschen de pannen van het dak en verlichtte Paul's gezicht. Hevig schrok hij: hij meende een geest te zien! Minder aangenaam gezelschap dan het zachte maanlicht was een dikke rat, die over zijn rug liep.
Het koude zweet brak hem uit. Het was een nacht om nooit te vergeten. Hoe verlangde hij nu om thuis te zijn. Thuis bij zijn lieve moeder, die altijd voor hem zorgde, hem 's nachts een nachtlicht gaf omdat hij bang was in 't donker. Wat was hij toch dom geweest om dat alles te verlaten: zijn warm bed, de lekkernijen die hij 's avonds kreeg, de gezellige huiskamer!
Diep was zijn berouw over alles wat hij gedaan had. Maar het was een zelfzuchtig berouw, hij had spijt, omdat zijne dwaasheden hemzelf zooveel ellende berokkenden, maar niet omdat ze anderen verdriet deden.
Toen dan ook de dag weer aanbrak, verdween het berouw met al de verschrikkingen van den nacht.
Hij dacht er nu slechts over, hoe hij uit zijn gevangenis zou kunnen ontsnappen.
Nauwkeurig liet hij zijn blik gaan langs de vier muren, of hij ook ergens eene opening zag, toen hij op eens een hoofd gewaar werd, enkel een hoofd zonder het lichaam, dat door een kleine opening beneden aan de deur, naar hem gluurde.
Op eenmaal kwamen al de akelige droombeelden van den nacht hem weer in de gedachten en met beide handen voor 't gezicht sprong Paul naar den anderen kant van het hok.
Na een poosje kon hij niet nalaten eens even door zijn vingers heen te kijken of het vreeselijke hoofd er nog lag. Ja, het lag er nog en de oogen volgden hem overal waar hij ging, op dezelfde manier als de oogen van een portret iemand steeds door de geheele kamer schijnen te volgen.
Ten langen leste waagde hij het, 't hoofd opmerkzamer te bekijken. Gelukkig! Het rolde niet naar hem toe. Stil bleef het op zijn plaats liggen en Paul verzamelde al zijn moed en kwam met een kloppend hart wat dichter bij de deur.
[Illustratie]
[Decoratieve illustratie]
VIJFDE HOOFDSTUK.
Dick.
Het was een kinderhoofd met dikke bolle wangen en groote ronde oogen.
„Wat mot je?” vroeg Paul nijdig.
„Niks,” zei 't hoofd.
„Waarom kijk je dan zoo naar me?”
„Om dààrom! Vader zei, dat 'k eris moest zien hoe je 't maakte.”
„Wat heeft jouw vader met mij te maken?”
„Nou laat naar je kijken! Alsof je dat niet wist.”
„Maar ik weet 't echt niet.”
„Vader is veldwachter.”
Paul keek het hoofd eens van terzijde aan. „Fuut” floten zijn lippen in een lang gerekten toon.
Daarop vroeg hij, alsof 't hem eigenlijk heelemaal niet schelen kon: „Enne... gaf je vader je den sleutel?”
„Nee; maar ik nam 'm weg, want ik wou je graag 's van dichtbij bekijken, want vader zei, dat je 'n erge kwâ-jongen was.”
„Och?” 't Was wat waard geweest wanneer men dat Paul had kunnen hooren zeggen.
Na een poosje zei hij, zoo onverschillig mogelijk: „Nou...., wat ik wou zeggen, jij hebt dus den sleutel?”
„Ja.”
„Kom dan eris binnen. 't Is hier zoo leuk.”
„Nee hoor. Vader zei, dat ik niet met je mocht praten.”
„Wat heeft dat er nou meê te maken, domkop? Doe je dan altijd alles wat je vader zeit?”
„Ja zeker, want hij slaat me als ik 't niet doe.”
„Dan is ie 'n leelijke aap van 'n vent, en 'k zou wel lust hebben hem eens een opstopper te geven! Waar zit-ie op 't oogenblik?”
„Hij zet koffie.”
„Mooi zoo. Hij ziet dus niet wat jij uitvoert: dus je komt bij mij binnen. Voor één tel maar. We zullen zoo'n pret maken samen. Ik zal 'n heeleboel kunstjes voor je vertoonen. Ik kan 't wit van m'n oogen verdraaien en met beide oogen tegelijk scheel zien en mijn haar bewegen en mijn ooren ook.” Hij zei dit met een trots alsof niemand dan hij die kunstjes kon vertoonen. „En dan,” zei hij geheimzinnig fluisterend, want hij had zijn mooiste kunsten voor 't sloteffect bewaard, „kan ik ook nog in 't rond draaien, zóó hard dat je zoudt zweren dat ik een karrewiel was: ik kan op mijn handen loopen en... op... mijn hoofd _staan_!”
Het kereltje met de groote ronde oogen was een braaf jongetje, maar hij had zijn gebreken en een van de grootste was: nieuwsgierigheid. Een tijdlang streed zijn beter ik tegen de verzoeking, maar deze behaalde de overwinning, zooals helaas maar al te dikwijls gebeurt.
Toen hij het hok binnenging dacht hij weinig hoe duur hem deze dwaasheid zou te staan komen.
„Komaan,” riep Paul, „zoo mag ik 't zien. Niemand zal 't ooit te weten komen. Hoe heet je?”
„Dickie.”
„En ik heet Paul.”
Hiermede was de wederzijdsche voorstelling afgeloopen en begon Paul zijn kunsten te vertoonen. Eerst trok hij wel vijf minuten lang allerlei rare gezichten. Toen hij al zijn kunsten met oogen, neus, haar en ooren had vertoond, begon hij met de acrobatische toeren. Hij draaide het hok rond, nu op de handen en dan weer op de voeten, alsof zijn ledematen spaken van een wiel waren. 't Ging zoo gauw, dat Dickie niet eens kon tellen hoeveel wielen en hoeveel spaken er wel waren. Hij wandelde op zijn handen met de beenen in de lucht. Ten slotte stond hij zóó lang op zijn hoofd dat hij een hoestbui kreeg van benauwdheid.
Dickie stond met open mond en jaloersche blikken naar hem te kijken.
Paul was slim genoeg om dit op te merken. De vertooning had in alle opzichten een buitengewoon succès. „Hé ja!” riep hij opeens, alsof het denkbeeld hem daar zoo juist te binnen kwam: „Zou 't geen leuke mop wezen als je er mij eens uitliet?”
[Illustratie: .... alsof zijn ledematen spaken van een wiel waren.]
„Nee, nee, dat mag ik niet!” zei Dickie snel, „dan krijg ik slaag.”
„Dan behoef je niet te denken, dat ik nog maar één kunst voor je vertoon; en wàt je gezien hebt, haalt niet bij de kunsten die ik nog kan—als ik ze namelijk _wil_ vertoonen.”
Als Dickie het had mogen zeggen, dan was Paul direct in vrijheid gesteld. Hij had er geen begrip van hoe een gewoon mensch zulke kunsten kon maken; hij beschouwde Paul als 'n soort wonder en had graag uit dankbaarheid voor de mooie vertooning de deur wagenwijd voor hem opengezet, maar... vader sloeg niet zacht; in gedachte voelde hij de pijn al.
Paul zag dat de eerste aanval op Dickie mislukte. Hij hernieuwde hem niet, maar beproefde het nu met een zijdelingsche manoeuvre.
„Slaat je vader je altijd als je niet precies doet wat hij wil? Daar zou ik ook lekker voor passen! Waarom loop je niet weg? Als je lust hebt met mij meê te gaan, dan doe je maar.”
Eenige oogenblikken liet hij Dickie tijd om dit geheel nieuwe denkbeeld in zijn kleine hersenen op te nemen.
Toen vervolgde hij: „Lijkt het je niet heerlijk toe om alles te doen waar je lust in hebt? Geen lessen leeren; niet altijd te moeten hooren: Maar Paul, met zulke vieze handen mag je niet aan tafel komen of Paul, nu mag je geen snoeperijen meer eten, als je juist trek aan wat lekkers hebt; en dan: Paul, zeg je taalles eens op. Wat kunnen mij die taallessen schelen! Als ik aan mijn moeder vraag: Mag ik een boterham? dan ga ik niet eerst bedenken: ik—onderwerp, mag—gezegde, een boterham—lijdend voorwerp. 't Is allemaal larie en daarom ben ik weggeloopen en nu ben ik vrij!”
„Vrij!?” riep Dickie, „en je zit in de gevangenis!”
Met een wanhopig gelaat keerde Paul zich af en schopte een scherf van zijn gebroken waterkan naar 't andere einde van 't hok. Toen hij Dickie weer aanzag, zwommen zijne oogen in tranen.
Die tranen deden meer dan de langste redevoeringen. Dickie kreeg medelijden met den armen gevangene.
„En als ik er jou nou uitlaat en ik loop met je weg, zou vader me dan niet slaan? Denk je van _zeker_ niet?”
„Nee natuurlijk niet,” riep Paul, „hij zal denken dat je verloren bent geraakt en als je dan weer thuiskomt is hij zóó blij, dat hij heelemaal niet aan slaan zal denken. Ja, het zou best kunnen gebeuren dat... hij je tien stuivers gaf van louter plezier.”
„Maar wat gaan we eigenlijk samen doen?” vroeg Dickie. Hij was het nog niet met zichzelven eens en hield den sleutel stijf vast in zijn kleine dikke handjes.
„Samen doen? O jé, een heeleboel gaan we doen. Ik heb geld genoeg bij me om pret te maken. Ik heb wel een heel kwartje!”
„Maar wat voor pret?”
„Nou, pret, gewoon pret. We hollen wat rond en dan laten we vliegers op. Vliegers! Prachtstukken! Geen gewone, maar die op draken gelijken en op visschen!”
Paul had zulke vliegers wel eens gezien in een boek van zijn vader over China.
„Maar waar kan je zoo'n vlieger krijgen?” vroeg Dickie.
„Die maak ik natuurlijk,” zei Paul, op een toon alsof hij zijn geheele leven niets anders gedaan had dan vliegers maken.
„Heb je dan vroeger wel eens meer zoo'n vlieger gemaakt, Paul?”
„Millioen van zulke vliegers!”
Paul werd ongeduldig, want elke minuut was kostbaar en door al het gepraat gingen er vele kostbare minuten verloren.
„Zanik nou niet lang. Ik weet wat ik zeg. Als de vliegers opgaan, ga ik boven op den rug van den draak zitten en ga dan al wuivend mee naar boven.”
„Maar Paul, kan je dat dan?”
„Ja, uilskieken! Dat heb ik al vier en zeventig keer gedaan en dan neem ik vuurwerk meê naar boven, en als 't donker is steek ik dat boven in de lucht af, en dan denkt iedereen dat het een komeet is en dan trek ik jou mee naar boven en we vliegen samen ver, ver weg misschien wel naar Parijs, en daar zijn zoo'n boel mooie speelgoedwinkels. Maar als je nu niet 'n beetje voortmaakt met me er uit te laten, dàn zie je van dit alles niets niemendal.”
Kleine Dick was geheel en al verbouwereerd. Met het grootste vertrouwen gaf hij Paul den sleutel, vol verlangen al dat moois en schitterends te zien.
De deur was open, maar er was nog een hooge muur dien ze over moesten voor ze buiten waren en in vrijheid.
Op handen en voeten, met ingehouden adem, slopen ze voort tot onder de ramen van Roybon's woonkamer. Op eenmaal echter begon Pak-an vervaarlijk te blaffen; hij had hen opgemerkt, vloog uit zijn hok, rukte aan zijn ketting en maakte een leven als een oordeel.
[Illustratie: „Nu of nooit,” dachten de jongens.]
Tegelijk hoorden ze het stomp, stomp, van het houten been over den vloer van de woonkamer. Onbewegelijk en doodstil bleven de jongens staan.
Gelukkig voor hen was Roybon te veel verdiept in het koffiedrinken om veel aandacht te schenken aan het geblaf van Pak-an. Hij keek wel eens even uit het raam maar zag niet naar omlaag.
„Stil hond,” snauwde hij hem toe en ging toen weer weg van het venster.
„Nu of nooit,” dachten de jongens en zij haastten zich weg te komen, maar hun angst was zóó groot, dat ze net als in een benauwden droom het eene been bijna niet voor het andere konden krijgen.
[Illustratie]
Pak-an blafte maar steeds door. Het was verschrikkelijk om aan te hooren. Zijn haren stonden rechtovereind en hij liet al zijn tanden zien.
Toch kwamen de vluchtelingen eindelijk bij het hek, maar o ramp, de klink zat te hoog. „Zet de handen op je knieën,” fluisterde Paul Dickie toe en hij beet hem haast in zijn oor van zenuwachtigheid.
Het scheen een eeuwigheid vóór Paul op Dick's rug stond en de klink met bevende vingers had losgemaakt.
Het groote hek ging open, doch zonder een afscheid aan Pak-an kon Paul niet vertrekken. Hij greep een dikken steen en mikte dien precies op den neus van den hond. Zelfs Willem Tell zou eer ingelegd hebben met zulk treffen.
Een oogenblik later waren de beide jongens verdwenen.
[Decoratieve illustratie]
[Decoratieve illustratie]
ZESDE HOOFDSTUK.
In zorg en angst.
Mijnheer Steenvoorde vond het in den beginne niet zoo heel erg, dat Paul weggeloopen was en 't eerste uur niet terugkwam. „'t Is mijn eigen schuld ook eigenlijk, dat de jongen zoo brutaal en ongezeggelijk is,” zoo dacht hij, „ik heb hem te weinig gestraft, hij is in den grond bedorven.” En papa Steenvoorde nam zich, hoewel een weinig laat, ten stelligste voor om Paul bij zijn terugkomst eens duchtig onder handen te nemen en hem ook in 't vervolg niet te sparen. Dàt Paul terug zou komen hieraan twijfelde niemand. Paul had altijd veel te veel eetlust om niet tegen etenstijd berouw te krijgen over zijn slecht gedrag.
Het was overigens wel een heele rust, dat men niets van den deugniet hoorde of zag. Het was zóó stil en kalm in huis, zóó vredig als het in tijden niet geweest was.
Het werd etenstijd, maar er kwam geen Paul.
Het werd avond... nòg was Paul nergens te zien.
Toen begonnen allen ongerust te worden. „Waar was hij? Wat deed hij? Was hem een ongeluk overkomen?”
Men vroeg het elkander herhaaldelijk zonder een antwoord te verwachten en voortdurend werd de angst grooter.
Men zocht door het huis, in het dorp, langs den weg; men vroeg, men riep, maar niemand had den jongen gezien.
't Werd steeds later, doch geen der familieleden dacht aan slapen.
Mijnheer Steenvoorde was misschien nog wel het minst van allen op zijn gemak, maar hij wilde dit niet toonen en trachtte de anderen zooveel mogelijk gerust te stellen en tot bedaren te brengen. Daarbij liep hij voortdurend de kamer op en neer als een wild dier in zijn kooi, keek elk oogenblik op zijn horloge en riep elke tien minuten, zoo hard hij maar kon, aan de voordeur: „Paul!”
't Was dus niet te verwonderen, dat het hem niet gelukte het vrouwelijk gezelschap te kalmeeren.
Mama Steenvoorde en de zusjes zaten dan ook jammerlijk te huilen, en alle drie herinnerden zich, dat ze wel eens een voorgevoel gehad hadden of heel vroeger eens gedroomd hadden, dat er Paul 'n groot ongeluk zou overkomen en telkens als papa tevergeefs buiten de deur stond te roepen, hieven ze een luid geweeklaag aan.
Eindelijk was de nacht voorbij. 't Was nog nauwelijks licht of daar werd aan de voordeur gescheld. Mijnheer Steenvoorde deed dadelijk open en stond tegenover een grooten stevigen man van om en bij de veertig jaar, met een lange zwarte snor en groote zwarte doordringende oogen.
De vreemdeling scheen iets zeer belangrijks aan den heer Steenvoorde mede te deelen.
Beide mannen spraken ten minste langen tijd samen.
Mama en de meisjes keken door de deur, maar ze hoorden niets, want mijnheer Steenvoorde was met den vreemdeling naar buiten gegaan en druk sprekende, liepen ze samen nog geruimen tijd voor het huis op en neer.
Toen de lange man met de donkere oogen heenging, namen ze hartelijk afscheid. De vreemdeling liep den weg op, die buiten het dorp voerde en mijnheer Steenvoorde kwam weer binnen bij zijn vrouw en kinderen, maar zijn gezicht was geheel veranderd; het glom van plezier en straalde zóóveel blijdschap uit, dat men het in de mistige morgenschemering best voor de opgaande zon had kunnen houden.
Hij werd verwelkomd met een kruisvuur van vragen.—„Wie was dat?” „Wist hij iets?” „Wat is er gebeurd?” „Wat zei die man?”
„Gaat allen hier eens kalm om de tafel zitten,” zei de heer Steenvoorde, met een veelbeteekenend glimlachje, „en dan zal ik je alles vertellen.”
[Illustratie: ... met een veelbeteekenend glimlachje.]
Nog dienzelfden avond verhuisde de familie voor eenige maanden naar een groot buitenverblijf, dat mijnheer Steenvoorde een paar dagen geleden gehuurd had om van het buitenleven te kunnen genieten.
In welk verband dit met de vroolijkheid van mijnheer Steenvoorde stond, en wat zijn plannen waren, zullen wij later vernemen.
[Decoratieve illustratie]
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De vlucht en de vervolging.
Doodsbenauwd dat iemand hen zou achtervolgen liepen Paul en Dickie wel een mijl ver aldoor hard voort zonder om te zien. Ze waren zoo beangst, dat ze iedere oude vrouw die ze met een koe aan een touw langs den weg zagen loopen, voor Roybon hielden en Pak-an en ze liepen dan nog eens zoo hard.
Eindelijk konden ze niet meer en uitgeput vielen ze, buiten adem, in een greppel aan den kant van den weg, neer. Paul hijgde als een jonge hond, die lang achter een rijwiel gehold heeft. Toen hij een beetje bekomen was, kroop hij voorzichtig bij de glooiing van den greppel op en keek rond.
Er was niets of niemand te zien. Paul ging behagelijk op zijn rug liggen en keek naar de lucht. Maar wat was dat? Vlak boven hem hingen een menigte appelen aan een boom.
„Zie je die?” zei hij.
„Ja, maar daar mag je niet aankomen.”
„Waarom niet?”
„Da's stelen.”
„'t Mocht wat!” en Paul klom haastig in den boom.
[Illustratie: Ze liepen dan nog eens zoo hard.]
„O! toe, doe dat niet, toe Paul laat 't, anders kom je weer in de gevangenis!”
In een ommezien stond Paul weer op den grond.
„Wat zei je daar?” riep hij.
„Je zat immers gevangen omdat je appels gestolen hadt.”
„Wie zat in de gevangenis?”
„Jij.”
„Ik?”
„Ja, jij.”
„Wie zei dat?”
„Vader zei 't. Hij zei dat je in de gevangenis zat omdat je een dief was.”
Paul werd vuurrood. In een opwelling van woede en schaamte vloog hij op Dickie aan.
Maar Dickie was niet voor een kleintje vervaard en Paul bemerkte, dat hij aan 't kortste eind trok.
„Daar komt je vader aan,” riep hij op eens en beiden holden weer een eind voort. Toen ze even stilstonden om adem te scheppen, zei Dickie: „Waar is vader dan?”
„In zijn vel!” lachte Paul, „ik houd je maar wat voor de mal.”
Dickie voelde zich teleurgesteld; in zijn hart had hij berouw en 't zou hem eene verlichting geweest zijn, als zijn vader werkelijk was komen aanstappen. Hij barstte in tranen uit.
„Als je nou gaat zitten grienen,” zei Paul, „dan helpt je dat toch niks.”
„Maar wat gaan we dan doen?”
„Doen? We maken een reis om de wereld samen en beleven een massa avonturen,” riep Paul uit op den toon van iemand die het leven en de wereld kent. „Maak je daar maar niet bezorgd over. 'k Heb immers een hoop geld bij me. 'k Heb wel 'n kwartje.”
„En je zou 'n vlieger maken.”
[Illustratie: Maar Dickie was niet voor 'n kleintje vervaard.]
„Dat zal ik ook—maar 'k mot toch eerst wat hebben om 'm te maken. Ik kan toch geen vlieger maken van een straatweg.”
„Maar wanneer zal je er dan een maken?”
„Hoor eens,” zei Paul, „als je doorgaat met zoo te zaniken, dan maak ik er heelemaal geen,—dààr!”
„Wat is dat?” riep Paul op eenmaal. „Muziek geloof ik! Ja, 'k zie 't, 't is 'n draaiorgel! 't Is kermis daar!”
„Kermis!” riep Dickie en dat eene woord verdreef als bij tooverslag al zijn verdriet. „Gauw, gauw er heen!”