Warda: Roman uit het oude Egypte

Part 48

Chapter 483,963 wordsPublic domain

Hekt greep op eens naar haar hart en prevelde: »Daar is het weer!” ― »Aan de andere zijde, Assa!” ― En weder: »Assa!” Nog eens vertrok zij de lippen om ze voor altijd te sluiten.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Katoeti had haar ongelukkigen neef Paäker verborgen gehouden in eene der tenten van hare bedienden. De man had, na op het slagveld van Kadesch zwaar verwond te zijn, onder onlijdelijke smarten langs hem alleen bekende paden zich voortgesleept tot aan het hol, dat Kaschta aan Pentaoer had gewezen. Met behulp van een ezel, dien hij van een Syrischen boer had gekocht, kon hij het zoover brengen. Hier vond hij zijn trouwen Ethiopischen slaaf, die hem verpleegde, tot hij zich sterk genoeg gevoelde, om zijne reis naar Egypte te vervolgen.

Onder de grootste ontberingen kwam hij verkleed als een Ismaëlitisch kameeldrijver, te Pelusium. Zijne dienaren, die hem zouden kunnen verraden, had hij in het hol achtergelaten. Eer men hem de sterkten liet passeeren, op bepaalden afstanden gebouwd, op de landengte, die de Middellandsche- en Schelfzeeën aan elkander verbonden, ten einde Egypte te verdedigen tegen de invallen der nomadische Schaoe-stammen[356], werd hij aan een streng verhoor onderworpen. Men vroeg hem onder anderen, of hij den Mohar, die den koning had verraden, en van wien men eene beschrijving gaf, niet had ontmoet. Niemand dacht in dien uitgeteerden, vuilen eenoogigen kameeldrijver den breedgeschouderden en sterkgespierden wegverkenner van den pharao voor zich te zien. Om zich nog meer onkenbaar te maken, kocht hij van een arts een in dien tijd veelvuldig gebruikt middel om het haar te verven[357], en smeerde daarmede zijn lichaam in.

[356] Ebers, =Aegypten und die Bücher Mose’s=. S. 78.

[357] In den papyrus-Ebers vind men vele recepten tot bereiding van middelen om het haar te verven. Van een dier middelen zou Schesch, de moeder van Teta, en gemalin van den eersten pharao van Egypte, de uitvindster geweest zijn. Het oudste van alle voorhandene recepten is dus een voorschrift, hoe men het haar verft.

Katoeti was met den stadhouder Ani lang vóor hem te Pelusium aangekomen, om toezicht te houden op den bouw van het paleis. Als een bedelende neger, met een palmtak in de hand, waagde Paäker het haar te naderen. Zij gaf hem een aalmoes en vroeg hem naar zijn vaderland; want ook den geringste zocht zij hier voor zich te winnen. Maar ofschoon zij zijn antwoord met schijnbare deelneming aanhoorde, zoo herkende zij hem toch niet. Dit gaf hem moed. Hij kwam den volgenden dag opnieuw tot haar, en noemde haar eindelijk zijn naam.

De weduwe bleef niet ongeroerd voor de vreeselijke verandering, die er met haar neef was geschied. Hoewel zij wist dat Ani zelfs allen met den dood had bedreigd, die gemeenschap mochten houden met den verrader, zoo nam zij hem toch in haar dienst, want zij kon den tot wanhoop gebrachten vijand van den koning en van haren schoonzoon nooit beter gebruiken dan thans. De verminkte, de vervolgde en vogelvrij verklaarde gids, trok zich geheel in zichzelven terug, en hield zich op een afstand van de overige bedienden. Uit de minachting waarmede hij op geringe lieden neerzag, bleek, dat zijn hoogmoed nog niet gebroken was. Aan Katoeti’s dochter dacht hij maar zelden, en dan als in een droom, want de haat had de liefde geheel uit zijne ziel gedrongen. Slechts éen ding was er dat hem het leven nog waarde deed hebben, het was de hoop om te mogen medewerken tot het verderf en getuige te kunnen zijn van den dood zijner vijanden.

Zoo bood Paäker zich der weduwe als een welkom werktuig aan. De eigenaardige glans, die zijn overgebleven oog deed schitteren, toen zij hem deelgenoot maakte van het plan, om ’s konings vertrekken in brand te steken en te beletten, dat zoowel Mena als de pharao ontkwam, gaf haar te verstaan, dat zij in den gids den zekersten van alle helpers had gevonden.

Vóor de aankomst van Ramses had Paäker het tooneel zijner werkzaamheid nauwkeurig onderzocht. Onder de vensters van de koninklijke vertrekken, die wel veertig voet boven den beganen grond verheven waren, liep eene smalle borstwering. Deze bedekte de uiteinden der balken, waarop het met pek verzadigde en met stroo gedekte roosterwerk rustte, dat de planken van de verdieping droeg, in welke zich ’s konings vertrekken bevonden. De openingen, waartusschen de brandende lont moest worden ingeschoven, zou de gids teruggevonden hebben, ook al ware hij aan beide oogen blind geweest.

Toen Katoeti voor de eerste maal haar fluitje deed hooren, sloop hij naar zijn post. Geen schildwacht riep hem aan, want de weinige wachters, die in de onmiddellijke nabijheid van het houten gebouw op post waren gesteld, sliepen vast, door den zwaren wijn van den stadhouder bevangen. In den vorm van versieringen waren in het hout van de buitenzijde eenige insnijdingen aangebracht. Met behulp hiervan klouterde Paäker naar boven tot op eene hoogte van twee manslengten. Dáar was eene touwladder vastgemaakt, langs welke hij verder klom. Weldra stond hij op de borstwering, waarboven zich de vensters der koninklijke vertrekken bevonden, en waaronder het vuur moest worden aangebracht.

Ramses’ slaapkamer was helder verlicht. Zonder gezien te worden, kon Paäker er een blik in slaan, en elk woord verstaan, wat daar binnen werd gesproken. De koning zat in een leuningstoel en zag naar den grond. De stadhouder Ani stond voor hem en de wagenmenner Mena naast zijne legerstede, met ’s konings slaaprok in de hand.

Thans hief Ramses het peinzend hoofd op, en zeide, terwijl hij den stadhouder met oprechte hartelijkheid de hand reikte: »Laat mij, waarde neef, dezen schoonen dag goed besluiten! Terwijl ik reeds op het punt was geloof te slaan aan hetgeen tot uw nadeel werd verteld, door hen die zich al te bezorgd over mij maken, heb ik u een trouw vriend bevonden. Wantrouwen is mijn hart anders ten eenemale vreemd, maar hier werkten velerlei dingen te zamen, die mijne ziel benevelden, en zoo kwam ik er toe u onrecht te doen. Dat doet mij leed, oprecht leed, en ik schaam mij niet u vergeving te vragen, dat ik aan uwe goede gezindheid heb kunnen twijfelen. Gij zijt mijn vriend, en dat ik de uwe ben, dat zult gij ondervinden! Ziedaar mijn hand! Geef mij de uwe, en geheel Egypte zal weten, dat Ramses geen man zoo onvoorwaardelijk vertrouwt als zijn stadhouder Ani. ― Ik draag aan u de eerewacht over mijn slaapvertrek op. Wij deelen dezen nacht dit vertrek te zamen. Ik rust hier, neem gij, wanneer ik mij ter ruste leg, plaats op het bed daartegenover!”

Ani had Ramses de hand gereikt, thans stond hij bleek tegen over hem. Paäker zag hem vlak in het gezicht, en het kostte hem moeite niet in een luiden schaterlach uit te barsten.

Ramses merkte niet op in welk een onrust de stadhouder verkeerde, want hij had Mena reeds een wenk gegeven, om dichter bij hem te komen.

»Ook met u,” zeide hij, »wensch ik af te rekenen, voor ik mij heden ten ruste begeef. Gij hebt het geloof van uwe trouwe gemalin op eene harde proef gesteld, en daar zij u oprecht liefheeft, en zelve de ontrouw niet kent, heeft zij vast op u gebouwd, met een kinderlijken eenvoud, die dikwijls verstandiger is dan het overleg der wijzen. Ik beloofde u de vervulling van een wensch, wanneer het blijken zou dat ik mij vergiste, toen ik meende dat Nefert na het gebeurde aan u zou twijfelen. Zeg mij nu, wat gij verlangt!”

Mena zonk op de knieën, kuste herhaaldelijk het gewaad van zijn vorst en sprak: »Ik smeek om vergeving; niets anders verlang ik dan vergiffenis! Ik heb zwaar misdreven, dat weet ik, maar hoonend werd ik uitgedaagd. Ik zag de eerlooze hand van den nijdigen verrader, dien men thans, gelijk ik weet, als eene pad verafschuwt, zich onbeschaamd uitstrekken naar mijne reine vrouw.”

»Wat was dat?” zeide de koning. »Het kwam mij voor dat ik buiten gesteun hoorde.”

Hij stond op, en ging naar het venster, zag naar buiten, maar kon den gids niet opmerken, want deze had met zijn oog elke beweging des konings gevolgd, en ging zoodra het klagend geluid aan zijne boezem was ontsnapt, languit op de borstwering liggen.

Mena knielde nog altijd, toen Ramses hem weder naderde. »Vergeef mij!” riep hij opnieuw, »Laat mij weder aan uwe zijde op den wagen staan en uwe paarden mennen! Ik leef slechts en ben alleen iets waard door u en uwe genade, mijn koning, mijn heer, mijn vader!”

Ramses gaf zijn vriend een teeken om op te staan, en zeide: »Uwe bede was reeds vervuld, vóor zij door u werd uitgesproken. Ik acht mij toch uw schuldenaar ter wille van uwe brave vrouw! Breng Nefert, niet mij, uw dank. En wij allen, laat ons heden met buitengewone geestdrift de hemelsche goden prijzen. Wat heeft deze dag mij niet al gegeven! Hij deed mij u beiden, twee verloren gewaande vrienden, terugvinden, en eindelijk schonk hij mij een nieuwen zoon!”

Een zacht gefluit drong door de nachtlucht. Het was het derde teeken van Katoeti. Paäker blies den tonder aan, stak dien in de opening onder de borstwering, en richtte zich daarna op om weder te luisteren, zonder te denken aan het gevaar waarin hij zichzelven bracht.

»Ik bid u,” zeide de stadhouder, den pharao naderende, »mij te vergunnen heen te gaan. Ik weet de eer die gij mij bewijst te waardeeren, maar de inspanningen der laatste dagen hebben mijne krachten uitgeput. Ik kan mij ter nauwernood op de been houden, en de eerewacht...”

»Zal aan Mena zijn toevertrouwd,” viel Ramses hem in de rede. »Slaap hier gerust, waarde neef! De anderen zullen des te meer overtuigd worden, dat ik alle mistrouwen jegens u verre van mij heb gezet! ― Geef mij mijn nachtgewaad, Mena! ― Nog dit éene moet ik u zeggen: De jeugd zoekt de jonkheid, Ani! Bent-Anat heeft zich een echtgenoot gekozen, harer waardig, den redder van mijn leven, den dichter Pentaoer. Hij ging door voor een man van geringe afkomst, voor een zoon van den hovenier, die in dienst staat van het Seti-huis. En wat ben ik nu te weten gekomen van den opperpriester Ameni? Hij is de echte zoon van den edelen Mohar zaliger, en die eerlooze en boosaardige verrader Paäker is het kind van den hovenier. Eene heks uit de Nekropolis heeft de kinderen verwisseld! Dat is het beste geschenk van dezen dag, want reeds is de weduwe van den Mohar, de edele vrouw Setchem, herwaarts gebracht, en ik zou gedrongen zijn geweest tusschen twee vonnissen te kiezen: of haar als moeder van den gevluchten booswicht naar de Ethiopische steengroeven te zenden, óf haar voor de oogen van geheel het volk te laten onthoofden. ― Om der goden wil, wat was dat?”

Door het open venster was de rauwe kreet uit de borst van een man naar binnen gedrongen. Terstond daarop volgde een slag, als viel er eene zware massa van een groote hoogte naar beneden.

Ramses en Mena vlogen naar het venster, maar verschrikt traden zij terug, want een dikke rook kwam hen tegemoet.

»Roept de wachters!” beval Ramses.

»Vlieg naar beneden, Ani!” riep Mena. »Ik verlaat mijn heer niet weder in het gevaar.”

De stadhouder ijlde de deur uit, als een veroordeelde uit zijn kerker. Doch hij had nog maar weinige schreden voorwaarts gedaan, daar stortte de eenige trap die naar de bovenverdieping voerde in elkaar, vóor hij dien bereiken kon. Katoeti had deze door een enkelen hamerslag doen vallen, toen zij het binnengedeelte van het paleis in brand had gestoken. Ani zag nog het fladderen van haar kleed, terwijl zij de vlucht nam. Hij balde de vuisten bij het uitroepen van haar naam, en zonder te weten waar hij terecht zou komen, vloog hij het lange voorportaal door waarop de kamers van den pharao uitkwamen.

Het vreeselijk geweld, veroorzaakt door het instorten van den trap, drong den koning en zijn wagenmenner insgelijks het vertrek te verlaten.

»Daar ligt de trap! Dat wordt ernst!” zeide Ramses gelaten. Hij ging in zijne kamer terug en plaatste zich voor het venster, om vandaar het gevaar te overzien. Reeds sloegen de vlammen helder uit aan den noordelijken vleugel van het paleis, zoodat de nacht, die reeds voor de morgenschemering begon te wijken, daghelder werd. Alleen de zuidelijke vleugel van het groote gebouw was nog ongedeerd.

Mena vestigde zijne aandacht op de borstwering, van welke Paäker naar beneden was gestort. Hij klom het venster uit, onderzocht het hout onder zijne voeten en bespeurde dat het stevig genoeg was om onderscheidene personen te dragen. Hij zag overal rond en richtte zijn oog met gespannen aandacht naar den vleugel, die nog niet door de vlammen was aangetast.

»Het gebouw wordt met boosaardig opzet in brand gestoken,” schreeuwde hij opeens uit. »Zie daarheen! Daar zit een man, die bezig is vuur tusschen het hout te steken.”

In een oogwenk sprong hij weder in het vertrek, dat zich reeds met rook begon te vullen, rukte ’s konings pijlkoker en boog, die hijzelf boven zijn bed had opgehangen, van de wand, legde een pijl aan de pees, mikte lang en met een gil viel de brandstichter neder.

Later vond men den dwerg Nemoe met den pijl van den wagenmenner midden in het hart. Na den vloer onder Bent-Anat’s vertrekken in brand gestoken te hebben, had hij den vleugel van het paleis, waarin Warda’s vriend Rameri en de andere zonen des konings sliepen, insgelijks willen aansteken.

Mena sprong opnieuw uit het venster en onderzocht het uitstek. Het vertrek van den pharao vulde zich inmiddels meer en meer met rook. Reeds drongen de vlammen hier en daar door de voegen der planken heen.

Zoowel buiten als binnen het paleis begon beweging te komen.

»Brand! Brand! Moord! Hulp! Redt den koning!” schreeuwde de roodbaard uit al zijne macht, gevolgd door eenige lijfwachten, die hij ijlings had gewekt.

Warda was in het paleis gevlogen, om Bent-Anat, welker vertrekken zij kende, te roepen.

De koning was achter Mena het venster uitgeklommen en riep de soldaten van de borstwering toe: »De helft van ulieden ga het gebouw binnen, en trachtte allereerst de prinses te redden. De andere helft zorge, dat het vuur den zuidelijken vleugel niet aantast. Ik zal beproeven daarheen te komen!”

Maar Nemoe’s vuur had brand doen ontstaan en ook daar vertoonden zich de vlammen, waartegen nu de soldaten worstelden met inspanning van alle krachten. Hun luid geschreeuw werd gehoord te midden van het knetteren en knappen van het droge hout, dat door de laaie vlammen werd verteerd, van het geschetter der bazuinen en geroffel der trommen, waarmede de troepen werden gewekt.

Thans verschenen ook de prinsen aan de vensters hunner vertrekken. Zij hadden in allerijl hunne mantels tot eene lijn aan elkander geknoopt, waarlangs zij zich een voor een aflieten. Ramses moedigde hen aan door zijn woord, maar hijzelf zag zich in zijn voortgang belemmerd. De tamelijk breede borstwering die hen droeg omgaf wel-is-waar het geheele gebouw, doch was bij elke tien schreden afgebroken door afstanden van eene manslengte. Daarbij woekerde het vuur steeds voort. De knetterende vonken spatten over hem en Mena heen, als het kaf rondom den landman, die met zijn schudgavel de graanhalmen op een hoop werpt[358].

[358] Men bedenke, dat het graan in Egypte niet gedorscht, maar door ossen getreden werd. De halmen, die rechts en links uit den cirkel werden gestooten, moesten door een arbeider met zijn schudgavel of riek weder naar het midden worden geworpen, waarbij het kaf en de graankorrels naar alle zijden heen vlogen. Vert.

»Laat hieronder stroo op een hoop brengen,” beval Ramses met eene stem, die boven het geweld van den brand uit werd gehoord. »Alleen een sprong naar beneden kan ons redden!”

Reeds sloegen de laaie vlammen uit het koninklijk vertrek. Het was onmogelijk daar weder binnen te gaan. Maar noch Ramses noch Mena verloren hunne tegenwoordigheid van geest.

Toen de wagenmenner den laatsten der twaalf prinsen den grond zag bereiken, bracht hij zijne handen aan den mond en riep uit al zijn macht, als door een roeper, Rameri, den laatsten die de reddende lijn zou gaan gebruiken, toe: »Haal de lijn in de hoogte, en pas op dat zij niet beschadige, totdat ik kom!”

Rameri volgde het bevel, en eer Ramses het verhinderen kon, was Mena over den afstand gesprongen, die het eene gedeelte der borstwering van het andere scheidde. Den koning en den prinsen, die van beneden toezagen, stolde het bloed in de aderen, toen Mena ten tweede male den ontzettenden sprong waagde. Eene enkele misstap, en het zou hem gaan als zijn doodvijand Paäker.

Terwijl zij die beneden waren hem met ingehouden adem volgden, en er niet anders werd gehoord dan het sissen en knetteren der vlammen, het knappen der berstende houtkwasten, het dof gedreun der neerstortende binten, en in de verte het gezang van een priesterkoor, dat uit de legerplaats het tooneel van den brand naderde, knielde Nefert, die door den kleinen Scheraoe was gewekt, op den grond, en bad uit het diepst harer ziel tot de reddende goden. Hare oogen volgden daarbij elken sprong van haar echtgenoot, en zij beet zich de lippen aan bloed, om toch geen kreet te slaken. Zij gevoelde dat hij grootmoedig en goed handelde, en dat hij verloren zou zijn, wanneer zijne opmerkzaamheid ook maar voor éen oogenblik werd afgetrokken van dien afgrijselijken weg.

Daar stond hij naast Rameri. Hij bond zich het eene einde van de uit mantels en doeken saamgebondene lijn om het lichaam. Thans gaf hij Rameri, die zich aan het vensterkozijn vasthield, het andere eind in de hand, en maakte zich gereed om andermaal de gevaarlijke sprongen te wagen. Nefert zag hoe hij een aanloop nam. Zij hield beide handen op de saamgeklemde lippen, om toch niet te schreeuwen. Zij kneep de oogen dicht, en toen zij ze weder opende was de eerste sprong gelukt. Ook bij den tweeden bewaarden de hemelsche goden hem voor vallen. Bij den derden sprong strekte Ramses nog intijds de handen uit, om hem te grijpen en voor vallen te bewaren. Nadat hij het einde der lijn van zijne heupen had losgemaakt, maakte hij haar stevig vast aan een uitstekenden balk, waarbij de koning hem ondersteunde en hielp. Nu liet Rameri het andere einde van den breeden en zwaren mantelketen los en volgde Mena. Ook den prins, die in het Seti-huis niet te vergeefs zich bij de gymnastische spelen geoefend had, gelukten de vreeselijke sprongen.

Weldra stond nu de pharao gered op den grond. Rameri volgde hem en ten laatste ook Mena. Zoodra zijn voet den vasten bodem betrad, kwam zijne teergeliefde vrouw hem het zweet van de kloppende slapen wisschen.

Ramses vloog terstond naar den noordelijken vleugel van het paleis, waarin Bent-Anat had vertoefd. Hij vond haar behouden terug, maar handenwringende, want haar jeugdige lieveling Warda was in de vlammen verdwenen, nadat het meisje zelve haar gewekt en met de hulp haars vaders gered had.

Kaschta liep langs den brandenden buitenwand van het paleis heen en weer, en rukte wanhopig zich de borstelige haren uit het hoofd. Nu eens riep hij met luider stem zijn kind bij den naam, dan weder stond hij te luisteren met ingehouden adem. Het zou waanzin zijn geweest, op goed geluk in het ontzaglijk groote brandende gebouw te gaan zoeken.

De koning had den beklagenswaardigen vader nauwelijks opgemerkt of hij stelde hem aan het hoofd der soldaten, wien hij bevolen had den wand van het gewezen verblijf van Bent-Anat in te slaan, om te beproeven of het nog mogelijk was het verloren kind te redden. Kaschta liet zich eene bijl geven, en hief dien reeds op om het hout te verbrijzelen. Daar meende hij bij een luik van de onderste verdieping, dat op Katoeti’s bevel stevig gesloten was, geklop te hooren, dat van binnen uit het gebouw kwam. Hij volgde het geluid aandachtig. Er was geen twijfel aan, er werd geklopt.

Met inspanning van al zijne krachten wrong Kaschta den bijl tusschen den wand en het luik, dat eindelijk open sprong. Dichte zwarte rookgolven drongen door deze nieuwe opening naar buiten. Daar zag hij, te midden van dichte nevelen een man op het punt van te bezwijken, terwijl hij Warda in zijne armen hield. Op hetzelfde oogenblik sprong Kaschta naar binnen, en rukte, te midden van rook en vonkenregen, zijne dochter uit de armen van haren redder, die reeds half gestikt ineen zeeg. Hij sprong met zijn dierbaren lichten last weder naar buiten, en toen hij, op veiligen bodem gekomen, zijne lippen zacht op hare geslotene oogleden drukte, werden zijne oogen vochtig. In zijne verbeelding zag hij weder het beeld der vrouw, die haar ter wereld bracht, die als eene eenzame palmboom de dorre woestijn zijns levens had opgeluisterd.

Doch maar enkele oogenblikken liet hij aan zijne gewaarwordingen den vrijen loop, Bent-Anat zelve nam Warda uit zijne armen over, en hij ijlde naar het brandende gebouw terug. Hij had den redder van zijn kind maar al te goed herkend; het was de priester Nebsecht, die sedert het gebeurde bij den Sinaï de prinses niet had verlaten, en als haar lijfarts, met haar gevolg in hare vertrekken een onderkomen had gevonden. Nu het luik weg was, kwam er een sterke luchtstroom door de opening het vertrek binnen. De heldere vlammen sloegen reeds het venster uit. Toch leefde Nebsecht nog, want zijn gekerm drong door rook en vuurgloed naar buiten.

Kaschta drong andermaal door het venster binnen. Die achter hem stonden zagen, dat de zolderbalken van het vertrek reeds begonnen te buigen, en waarschuwden hem. Ja, de koning zelf gebood hem terug te keeren. De roodbaard zat echter reeds op het kozijn, en terwijl hij naar beneden riep: »Ik heb mij met mijn bloed tot zijn schuldenaar verklaard. Tweemalen heeft hij mijn kind gered, thans betaal ik hem mijne schulden!” verdween hij in het brandend vertrek.

Een oogenblik later vertoonde hij zich weder met Nebsecht, wiens wit gewaad reeds door de vlammen gezengd was, op de armen. Men zag nog hoe hij met zijn last meer en meer het venster naderde. Een menigte soldaten, en onder hen ook Pentaoer, drongen naar voren om te helpen, en vingen den bewusteloozen arts dien Kaschta het venster uittilde, in hunne armen op.

De roodbaard maakte zich gereed hem te volgen, maar eer hij den sprong had gedaan, stortten de balken der zoldering boven hem in elkaar, en begroeven den rechtschapen zoon van den Paraschiet.

Pentaoer liet zijn bewusteloozen vriend Nebsecht in een tent dragen, en hielp de artsen, die zijne brandwonden verbonden.

De dichter was in een ernstig gesprek met den opperpriester verdiept, toen het brandalarm werd vernomen. Ameni had hem medegedeeld, dat hij niet de zoon was van een hovenier, maar dat hij uit een der edelste huizen van het land was gesproten. De grondvesten van zijn uitwendig leven werden als onder zijne voeten weggerukt. Ameni’s verhaal verplaatste hem als uit een hut in een paleis, en toch toonde Pentaoer zich noch buitengewoon verrast, noch uitermate verheugd. Zoo zeer was hij gewoon lief en leed niet van buiten, maar van binnen te ervaren. Zoodra hij het geroep van brand had gehoord, was hij naar het toneel van het onheil gevlogen, en had zich, toen hij het gevaar overzag waarin Ramses verkeerde, aan het hoofd gesteld van de vele soldaten, die uit de legerplaats kwamen toeschieten, ten einde te beproeven of het ook mogelijk was den pharao van binnen uit het gebouw ter hulp te komen.

Onder de wagenstrijders die hem volgden, was ook Katoeti’s lichtzinnige zoon, die zich voor Kadesch gunstig had onderscheiden en deze nieuwe gelegenheid aangreep om zijn moed te toonen. Het instorten der wanden belemmerde deze schare, die met ware doodsverachting trachtte voort te dringen, ten laatste verder te gaan. Zij trok zich echter eerst terug, nadat velen uit hun midden gestikt en onder brandende balken verpletterd waren. De eerste die hier om het leven kwam, was Nefert’s broeder, Katoeti’s zoon.