Warda: Roman uit het oude Egypte

Part 47

Chapter 473,988 wordsPublic domain

»Toen verhief zich de koning met vroolijker moed, De wapenen grijpend, omgord met het pantser, Gelijk aan den Baäl in ’t uur van den strijd. De rossen, zoo edel, bestemd hem te dragen ― „In Thebe de zege”, zoo heette het eene, Het andere werd „Bevredigde Noera” genoemd. Zij waren gesproten van ’s Zonnegods rossen, Den liev’ling van Amon, den koning der waarheid, Dien zich de god Ra tot een stadhouder koos. Vooruit dringt de koning, hij stort zich te midden Der golvende rijen ellendige Cheta. Hij, =geheel onverzeld, want geen ander was met hem=! En toen hij gezien werd door de oogen der zijnen, Die achter hem waren, toen werd hij omsingeld Door meer dan twee duizend vijandelijke wagens. Versperd was hem de aftocht door tallooze benden Ellendige Cheta, en allerlei volken, Met dezen verbonden: de krijgers van Arad, Het Mysische heer en Pisidische strijders, Er waren drie mannen op iederen wagen En broederlijk waren zij allen vereenigd. „Geen vorst bleef bij mij, geen hoofdman der troepen, Geen leider der schutters, geen menner der wagens! Verlaten zelfs had mij ’t ontmoedigde voetvolk, De ruiters zelfs vloden, geen hunner hield stand, Om met mij getrouw aan mijn zijden te vechten.” Zoo sprak de Verhevene en riep in gebede: „God Amon, mijn vader, ik weet wie gij zijt! Vergat ooit de vader den zoon dien hij liefheeft? Vergat ik u ooit bij al wat ik deed? Heb ik niet gewandeld en stond ik niet stille, Uw woord steeds gehoorzaam, ’t gebod van uw mond? Wel is hij verheven, de heer van Egypte, Toch is hij voor uw’ onuitspreek’lijke grootheid Zoo klein als een zwervende stam der woestijne. Wat dan beteek’nen voor u die Semieten? Amon maakt kracht’loos al wie hem miskennen, Maar ik? Schonk ik u niet ontelbare gaven? Met gevangenen vulde ik uw heilige woning, Ik stichtte u een tempel zoo prachtig, zoo hecht, Dat hij zelfs millioenen van jaren kan duren. Ik vulde uwe schuren met alles wat mijn is. Ik bood u heel de aarde om uw rijk te vergrooten, En dertigmaal duizend der krachtigste stieren Liet ik voor u slachten op geurige houtmijt. Ook liet ik verrijzen verheev’ne pylonen En plantte daarvoor de bewimpelde masten. Ik deed obelisken u wijden uit Aboe[353] En eeuw’ge steenen u ter eere bewerken. Voor u doorklieven mijn schepen de golven Opdat zij u brengen de schatting der volken. Zoo deed ik bestendig, want wel is rampzalig Het lot van die tegen uw raad zich verzetten. En nochtans regeert gij, met goedheid en liefde Als een zoon zijnen vader, zoo roep ik u, Amon Zie neder op mij, wien tallooze benden Van volken omringen, zoo vreemd aan uw harte. Tegen mij zijn verbonden de natiën alle, =Ik sta hier alleen en geen ander is bij mij=. Ik hen hier door al mijn voetvolk verlaten, Mij zoekt zelfs geen ruiter met angstigen blik, Ik riep hen, en niemand vernam mijne woorden, Toch weet ik: de wil van den machtigen Amon Heeft grooter kracht dan millioenen soldaten, Dan honderdmaal duizende wagens en ruiters, Dan tienmalen duizend der eigene broeders En bloeiende zonen in ’t hechtste verbond. Het werk van de menschen, hoe groot hun getal zij, Wordt nietige schaduw bij ’t werk van uw hand, Het woord uit uw mond bestuurde mijn daden, Ik was steeds gehoorzaam als Amon gebood. Zoo roep ik u aan, en mijn lof zal weerklinken Tot verr’ heen aan de uiterste grenzen der aarde.” Ja! tot aan Hermonthis drong door zijne stemme[354] En Amon verscheen op zijn smeekende bede. Hij reikte de hand hem. Hij juichte van vreugde En achter hem sprak hij: „Ik snel u ter hulp, O Ramses, en zal aan uw zij met u strijden! Ik ben het, uw vader, wiens handen u dragen. Meer ben ik voor u dan honderdmaal duizend. De dapperheid eer ik, als sterkste der sterken, Een heldenhart vond ik, dat geef ik mijn zegen. En dat, wat ik voorneem, wordt zeker vervuld.”

[353] Elephantine.

[354] In den Egyptischen tekst wordt ook het volgende door Ramses in den eersten persoon gesproken.

Toen wierp hij, den krijgsgod gelijk, met zijn rechter De gevleugelde lans, en hief op met zijn linker De wichtige strijdbijl en velde den vijand. Hij sloeg hem als Baäl in ’t uur van den slag. Vijand’lijke wagens, ze vlogen in stukken; Tweeduizend vijfhonderd. De rijders versagen; Niet een hunner vindt meer een hand om te vechten; De vrees grijpt hen aan en verlamt hunne leden. Zelfs weten zij niet meer hun pijlen te richten, Tot ’t slingeren der lanzen ontbreken de krachten, Nu dringt hij de scharen, zij storten in ’t water....”

In de ruime feestzaal was eene doodelijke stilte.

Ramses had den dichter onafgebroken aangestaard, als wilde hij zijn beeld geheel in zijne ziel opnemen, om het daar te plaatsen naast en te vergelijken met een ander, dat hem sedert dien dag van Kadesch onvergetelijk was. Er was geen twijfel meer aan, zijn redder stond voor hem!

Eene oogenblikkelijke opwelling volgende, viel hij den dichter midden in het gezang, dat hem zoo diep trof, in de rede en riep zijnen feestgenooten toe: »Eere zij dezen man, want de godheid koos zijne gestalte om uw koning te redden, =toen hij alleen stond, en de duizenden hem omringden=!”

»Heil Pentaoer!” ruischte het door de wijde zaal.

Daar stond Nefert op en overhandigde den dichter blozend den ruiker, dien zij op haar boezem had gedragen. Ramses gaf haar zichtbaar zijne goedkeuring te kennen en richtte een vragenden blik op zijne dochter.

Bent-Anat beantwoordde zijn blik met al de innigheid eener oprecht kinderlijke liefde. Zij had hem begrepen en scheen alleen zijne goedkeuring te vragen, toen zij den krans, die hare schoone haren had gesierd, van het hoofd nam, en dezen, naar den dichter toegaande, om zijne slapen legde, gelijk eene bruid haar verloofde tooit voor de bruiloft.

Ramses was getroffen door deze daad van zijn kind, die door de aanwezige gasten met luide teekenen van bijval werd beantwoord. Met een ernstigen blik beschouwde hij Bent-Anat en den jongen man. Aller oogen waren vol spanning op den koning en den dichter gericht, het scheen als had Ramses de tegenwoordigheid der feestgenooten vergeten, en stond hij daar alleen met zijne gedachten.

Langzamerhand was er verandering in zijne trekken te bespeuren. Zijn gelaat klaarde op, als een in nevelen gehuld landschap, wanneer de stralen der lentezon doorbreken. Toen hij zijne oogen weder ophief, verkondigden zij dat er blijdschap was in zijn helder gemoed. En Bent-Anat wist, wat hij haar wilde zeggen, toen hij eerst haar, daarna haar vriend, wiens hoofd nog altijd den bloemenkrans droeg, met welgevallen aanzag.

Eindelijk keerde Ramses zich van de twee geliefden af en riep hij de feestgenooten toe: »Het middernachtelijk uur is reeds voorbij, en ik verlaat u thans. Morgenavond noodig ik u allen, en u Pentaoer in het bijzonder, als mijne gasten in deze zelfde feestzaal. Vult nog eens de bekers, wij willen ze ledigen op den langen duur van den vrede, die volgen zal op overwinningen, met behulp der goden bevochten. Laten wij ook met dezen dronk mijn vriend Ani danken, die ons hier zoo heerlijk heeft onthaald, en die het rijk, terwijl wij in het buitenland toefden, getrouw en zorgvuldig heeft bestuurd.”

De gasten beantwoordden den dronk des konings, die den stadhouder trouwhartig de hand schudde. Hierop verliet Ramses de zaal, omstuwd door zijne stafdragers en kamerheeren, nadat hij Ameni, Mena en de vrouwen een wenk had gegeven hem te volgen.

Nefert mocht nu eerst Mena begroeten, om dadelijk weer afscheid van hem te nemen. Zij had gehoor gegeven aan de dringende bede van Katoeti, om dezen nacht niet bij Bent-Anat door te brengen, maar bij hare moeder, die haar in vertrouwen zooveel had mede te deelen. Katoeti’s wagen bracht haar haastig naar hare tent.

In de voorzaal, die tot zijn bijzondere vertrekken leidde, nam Ramses van de zijnen afscheid. Nadat zijn gevolg zich verwijderd had, wenkte hij Bent-Anat, en vroeg haar op goedigen toon: »Wat dacht ge wel bij uzelve, toen gij uw krans den dichter op het hoofd druktet?”

»Wat ieder ander meisje in Egypte denkt, die hetzelfde doet,” antwoordde de prinses met vertrouwelijke openhartigheid.

»En uw vader?” vroeg Ramses.

»Mijn vader weet, dat ik hem gehoorzaam zou zijn, ook wanneer hij het zwaarste van mij mocht verlangen, namelijk dat ik mijn levensgeluk aan hem ten offer zou brengen. Maar ik geloof dat hij.... dat gij mij hartelijk liefhebt, en ik vergat de ure niet, waarin ge mij gezegd hebt, dat gij, na den dood mijner moeder, voor mij vader en moeder te gelijk wildet zijn, en dat gij zoudt trachten mij te begrijpen, gelijk zij mij zeker begrepen zou hebben. Doch waartoe zijn er tusschen ons vele woorden noodig! Ik bemin Pentaoer, met de eerste liefde van geheel mijn hart, en niet sedert heden. Hij heeft getoond, dat hij de hoogste eere waardig is. Maar al ware hij ook nog zoo nederig van afkomst, de hand uwer dochter zou toch macht genoeg bezitten, om hem te verheffen boven alle vorsten des lands.”

»Zij heeft deze macht, en gij moogt er gebruik van maken,” sprak de koning. »Gij zijt, gedurende den tijd dat uw leidsman en vader u aan uzelve moest overlaten, trouw gebleven aan uwe beginselen en aan de waarheid. Ik heb in u het beeld uwer moeder lief, en van haar leerde ik, dat een rechtschapen vrouwenhart beter dan mannelijke wijsheid den goeden weg weet te vinden. Ga nu ter ruste en bestel voor morgen een nieuwen krans, want gij zult dien noodig hebben, mijn lieve dochter!”

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Maan en sterren schitterden aan het onbewolkte hemelgewelf boven de Pelusinische vlakte. De witte koppen der duizende tenten, waarin hier de teruggekeerde krijgslieden sliepen, ginds de Egyptenaars, die herwaarts waren gekomen om den koning mede te ontvangen, zagen er in de nachtelijke schemering als zoovele sneeuwheuvels uit.

In de legerplaats der soldaten was het bijzonder vroolijk toegegaan. Drie ontzaglijke, met kransen getooide wijnzakken, geplaatst op een wagen, die door niet minder dan dertig ossen werd getrokken, waren door de straten, die de tenten van elkander scheidden, onophoudelijk heen en weder gereden. Bij elke beweging vloeide het druivennat, en toen de duisternis begon te vallen, werden op vele plaatsen van het kamp schenktafels opgeslagen, waarbij de dienaars van den stadhouder de troepen met kwistige hand van rooden en witten wijn voorzagen.

De tenten van de Egyptische burgers, die den pharao kwamen begroeten, waren van het prachtige gebouw, dat Ani liet optrekken, alleen gescheiden door den in allerijl aangelegden tuin, in het midden van welken het zich verhief. Dit terrein was rondom door rasterwerk afgesloten. Het verblijf van den stadhouder zelven onderscheidde zich van alle andere door grootte en pracht. Aan zijne rechterzijde waren de lichte woningen opgeslagen van de afgevaardigden der priestercollegies, aan de linkerzijde die van het personeel van zijn hofstaat. Onder de laatsten waren ook de tenten van zijne vriendin Katoeti, eene grootere voor haar eigen gebruik en verschillende kleinere voor haar dienstpersoneel.

Achter Ani’s woning stond nog eene tent, die geheel omgeven was door een hoogen loozen wand van lijnwaad. Daarin hield de oude Hekt haar verblijf, die Ani heimelijk in zijne eigene boot had medegevoerd. Alleen Katoeti en zijne meest vertrouwde dienaars wisten, wie achter de linnen omheining van die geheimzinnige tent haar bijzonder leven leidde.

Terwijl de gasten in Ani’s feestzaal maaltijd hielden, zat Hekt neergehurkt op den zandigen bodem van hare enge woning, die door een kegelvormig linnen-dak was bedekt. Zij haalde zwaar adem. De krampachtige aandoeningen van het hart, waaraan zij sedert lang had geleden, herhaalden zich menigvuldiger en brachten haar leven ernstig in gevaar. Vóór haar brandde een klein lampje uit roode gebakken aarde, en in haar schoot zat een zieke sperwer. Het diertje dook telkens in zijne veeren en sloot zijne witachtige oogleden, maar grimmig opende het de oogen, zoo vaak Hekt het in hare dorre hand nam, om wat lucht te blazen in zijn krommen snavel, die nog altijd lust gevoelde om van zich af te bijten.

De kleine Scheraoe lag aan de voeten der tooveres op eene mat te slapen. Zij gaf thans het kind een schop met den voet, en zeide, toen het zich slaapdronken oprichtte: »Gij hebt jonge ooren. Het kwam mij voor dat er in Ani’s tent eene vrouw schreeuwde. Hoort ge wat?”

»Waarlijk,” zeide de kleine. »Dat klinkt als gehuil. ― Maar nu was het een gil. Het kwam van dáár, uit Nemoe’s tent.”

»Kruip hier door,” beval de oude, »en zie wat er gaande is?”

Het kind gehoorzaamde. De heks hield zich inmiddels weder met den vogel bezig, die nu niet meer zat, maar op zij gevallen was, doch nog altijd zijne klauwen trachtte te gebruiken, wanneer zij hem aanpakte.

»Hij sterft,” prevelde de oude, »en die ik Ramses noemde wordt steeds glanziger. Dat is nu alles onzin, en toch.... toch! Het spel van den stadhouder loopt op zijn eind en hij verliest het! Daar rekt het gedierte zich nog eens uit, daar zinkt zijn kop op zij, daar kruipt het ineen, daar bijt het nog eens in mijn kleed, en ― nu is het dood!”

Een tijdlang bleef zij met den dooden sperwer in haar schoot zitten, eindelijk nam ze hem op, en wierp hem in een hoek van de tent, daarbij roepende: »Goeden nacht, koning Ani, er komt niets van je kroon!”

De oude zag peinzend naar den grond en mompelde weder in zichzelve: »Wat zouden ze nu nog in het schild voeren? Wel twintigmaal heeft hij gevraagd, of het groote plan al of niet gelukken zou. Alsof ik dat beter wist dan hij! Ook Nemoe zinspeelt op allerlei dingen, maar voor de eerste maal wil hij niet spreken. Er wordt iets voorbereid, en ik, ik..? Daar komt het weer.”

Hekt drukte de hand op haar hart, sloot hare oogen, en op haar aangezicht vertoonde zich trekken van hevige smart. Zij merkte niet dat Scheraoe terugkwam; zij hoorde niet dat hij haar bij den naam riep, en haar weder verliet, toen zij geen antwoord gaf. Zoo bleef zij wel een uur lang bewusteloos; toen ontwaakte de levensgeest weder, doch het was haar als vloeiden, in plaats van warm bloed, koude druppels haar langzaam door de aderen.

»Als ik voor mij een sperwer had bewaard,” zoo prevelde zij verbitterd in zichzelve, »dan zou deze weldra den ander in den hoek volgen! ― of Ani woord zal houden en mij zal laten balsemen? Hoe zal hij dat kunnen, nu het ook met hem op het eind loopt! Zij zullen mij laten verrotten en vergaan, en voor mij is er geen leven na dit leven, geen wederzien van Assa.”

Lang zweeg de oude, ten laatste begon zij weder te mompelen, op den grond starende: »De dood brengt toch verlossing, al ware het enkel van de kwelling der herinnering. ― Maar er is toch een leven aan gene zijde des grafs; ik laat de hoop daarop niet varen, ik wil het niet! Alle afgestorvenen zullen daar gelijke rechten hebben en aan dezelfde wetten onderworpen zijn. ― Waar zal ik hem dan vinden, bij de zaligen of bij de verdoemden? En waar zal ik komen, ik? ― ’t Is mij onverschillig! Hoe dieper de afgrond is, waarin zij mij neerstooten, des te beter! ― Kan Assa, als hij zalig geworden is, zich zalig blijven gevoelen, als hij ziet, tot hoever hij mij gebracht heeft? Ze moeten mij balsemen, ik mag niet verderven en verwaaien, mij niet oplossen in niets!”

Terwijl zij deze woorden mompelde, trad Nemoe zacht hare tent binnen. Toen Scheraoe de oude vrouw bewusteloos had gevonden, was hij naar Nemoe geloopen, om hem mede te deelen, dat zijne moeder met geslotene oogen en stervende op den grond lag.

Zoodra de oude den dwerg bemerkte, zeide zij: »Het is goed dat gij komt. Ik zal wel dood zijn vóor de zon opgaat.”

»Moeder!” riep de kleine man verschrikt. »Gij zult leven, en een beter leven leiden als gij tot hiertoe hebt gedaan, want groote gebeurtenissen zijn er op til.”

»Ik weet het, ik weet het,” zeide de heks. ― »Naar buiten Scheraoe! ― Fluister mij nu in het oor wat gij voornemens zijt te doen.”

De dwerg kon zich niet onttrekken aan den blik harer oogen, waarmede zij hem aan zich kluisterde! Hij naderde haar en zeide zacht: »Het gebouw, waarin de koning met de zijnen slaapt, is van hout. Tusschen de wanden en onder den vloer is stroo en pek aangebracht. Zoodra zij ter ruste gegaan zullen zijn, steken wij de lont in brand. De wachters zijn smoordronken en slapen.”

»Goed verzonnen,” prevelde Hekt. »Hebt gij dit plan uitgedacht?”

»Mijne meesteres en ik,” zeide Nemoe niet zonder trots.

»Gij verstaat de kunst om aanslagen te smeden,” zeide de oude, »maar in de uitvoering zijt gij niet zoo sterk. Bleef het plan geheim? Hebt gij degelijke helpers?”

»Niemand weet er iets van,” antwoordde de dwerg, »behalve Katoeti, Paäker en ik. Wij steken met ons drieën het gebouw op de afgesproken plaatsen in brand. Ik ben bezig bij de vertrekken van Bent-Anat; Katoeti, die men overal toelaat, begeeft zich binnen in het gebouw naar de trap, die tot de hoogere verdieping leidt, en door een slag op een veer in elkander stort. Paäker plaatst zich onder de vertrekken des konings.”

»Goed, goed, dat kan gelukken,” zeide de oude, steunend. »Maar wat was dat voor eene vrouwenstem, die schreeuwde in je tent?”

De dwerg draalde met zijn antwoord.

»Spreek zonder schroom,” zeide Hekt. »Doode vrouwen zwijgen!”

De dwerg, die beefde van innerlijke ontroering, onderdrukte de bedenkingen die hij nog had, en zeide haastig: »Ik heb Warda, de verdwenen kleindochter van den Paraschiet Pinem, teruggevonden en hierheen gelokt, want zij en geene andere zal mijne vrouw worden, als Ani koning is, en Katoeti groot wordt, en mij vrijlaat en rijk maakt. Zij staat in dienst van de prinses Bent-Anat, slaapt in haar voorvertrek en moet niet met hare meesteres verbranden. Zij wilde volstrekt naar het paleis terug, en daar zij als eene mug in het vuur zou vliegen, en zij daarin niet mag omkomen, zoo bond ik haar vast.”

»Heeft zij zich niet verweerd?” vroeg de oude.

»Als eene waanzinnige,” antwoordde de dwerg, »maar de stomme slaaf van den stadhouder, die op bevel van zijn heer mij heden in alle dingen moet gehoorzamen, heeft mij geholpen. Wij hebben haar ook den mond dichtgebonden, opdat men haar schreien niet zou hooren.”

»Laat gij haar alleen, wanneer gij aan het werk gaat?” vroeg de tooveres.

»Haar vader blijft bij haar.”

»De roodbaard Kaschta?” vroeg de tooveres verbaasd. »Maar heeft hij ulieden dan niet in stukken geslagen als aarden potten?”

»Hij verroert zich niet,” zeide Nemoe lachend, »want toen ik hem vond, maakte ik hem met Ani’s ouden wijn zoo smoordronken, dat hij neerligt als een mummie. Door hem ben ik te weten gekomen, waar Warda zich schuil hield. Ik ging naar haar toe en lokte haar mede, terwijl ik haar vertelde, dat haar vader doodelijk ziek was geworden, en liet haar bidden hem nog eens te bezoeken. Zij liep naast mij voort als een gazel, en toen zij den roodbaard daar roerloos zag liggen, wierp zij zich naast hem op den grond en verlangde water om zijn voorhoofd af te koelen. Want hij redeneerde als in eene ijlende koorts van ratten en muizen, die hem overvallen hadden. Toen het later werd, wilde zij tot hare meesteres terug, en wij moesten wel geweld gebruiken. ― Wat is zij schoon geworden, moeder! Gij zoudt het nauwelijks kunnen gelooven!”

»O, zeker kan ik het begrijpen,” zeide Hekt. »Gij zult wel op haar mogen passen, wanneer zij eens de uwe is.”

»Ik zal haar behandelen als de vrouw van een aanzienlijke,” sprak Nemoe, »en eigene vrouwen betalen om haar te bewaken! Maar Katoeti is zoo even met de vrouw van Mena teruggekeerd, de sterren dalen en zoo straks.... Dat was reeds het eerste teeken! Als Katoeti ten derde male fluit, gaan wij aan ’t werk. Leen mij uwe tonderdoos, moeder, ze is beter dan de mijne.”

»Ziedaar,” zeide Hekt, »ik heb haar niet meer noodig. Gewis, het is met mij gedaan! Hoe beven uwe handen! Houd de doos goed vast, anders valt zij op den grond, vóor gij vuur gemaakt hebt.”

De dwerg zeide de oude vaarwel, en zonder zich te verroeren, liet zij toe, dat hij haar bij het afscheid nemen kuste.

Toen hij haar verlaten had, luisterde zij, diep ademhalend, in de stilte van den nacht. Hare verstandige oogen vonkelden en allerlei gedachten schoten pijlsnel door haar rusteloos brein. Toen zij het tweede teeken uit het zilveren fluitje der weduwe vernam, richtte zij zich hoog op en prevelde: »De ongeluksvogel Paäker, zijne ijdele tante en die dreumes zijn ook tegen Ramses niet opgewassen. Ani’s sperwer is dood; hij heeft niets van de toekomst te wachten, en ik niets van hem. Maar als Ramses wilde, als de ware koning verplichting aan mij had, dan, ja dan kon mijn oud lijk.... Juist, dat is het! Ja waarlijk, zoo moet het zijn!”

Zoo sprekende richtte zij zich met moeite op, hinkte, krom gebogen en bevende, op haar stok naar het midden van de tent, stak daar een fleschje en een mes bij zich, en sleepte zich met inspanning harer laatste krachten naar Nemoe’s tent, op het oogenblik dat het laatste gefluit werd gehoord. Hier vond zij Warda aan handen en voeten gebonden, en Kaschta in diepen dronkemans-slaap op den grond liggende. Het meisje rilde van schrik, toen zij de heks zag, en de naast haar knielende kleine Scheraoe stak zijne handen smeekend en afwerend naar de oude uit.

»Daar, neem dit mes, jongen,” zeide de heks, »snijd de banden door, waarmede ze dat arme ding gebonden hebben. De papyrus-touwen[355] zijn stevig, gebruik het lemmet als zaag!”

[355] Uit de papyrus-plant werden niet enkel bladen om te schrijven, maar ook touwen vervaardigd. Met papyrus-strikken waren ook de schipbruggen saamgekoppeld, die Xerxes over den Hellespont liet slaan.

Terwijl de kleine blijmoedig zijne krachten inspande, om haar bevel te gehoorzamen, wreef zij met het geestrijke vocht uit het fleschje dat zij medenam Kaschta’s slapen, en druppelde een weinig op zijne lippen. De roodbaard kwam langzaam bij, rekte zich uit en nam met verbazing wat hem omringde op. Zij reikte hem water en beval hem te drinken.

Toen Warda, van hare banden bevrijd, voor haar stond, zeide zij: »De goden hebben u, blank meisje, tot gewichtige dingen uitverkoren. Luister goed naar hetgeen de oude Hekt u zegt. Het leven van den koning en zijne kinderen is in groot gevaar. Ik wil u en de zijnen redden, en verlang daarvoor geen ander loon, dan dat hij mijn lijk laat balsemen en in Thebe begraven. Zweer mij, dat gij dat aan hem zult overbrengen, wanneer gij hem gered hebt.”

»Om der goden wil, wat zal er dan gebeuren?” riep Warda, buiten zichzelve van angst.

»Zweer, dat gij voor mijne begrafenis zult zorgen,” herhaalde de tooveres.

»Ik zweer!” schreeuwde Warda. »Maar bij uw leven....”

»Katoeti, Paäker en Nemoe zijn uitgegaan, om het paleis, waarin Ramses slaapt, aan drie zijden in brand te steken. Hoort ge het, Kaschta? ― IJlt nu beiden de brandstichters achterna! Wekt de bedienden! Tracht den koning te redden!”

»Voort, vader, voort!” riep het meisje, en beiden vlogen in de duisternis weg.

»Zij is braaf en zal woord houden,” prevelde de oude, en beproefde of zij zich naar haar tent terug kon slepen. Maar halverwege begaven haar de krachten. De kleine Scheraoe wilde haar ondersteunen, maar hij was te zwak om haar te helpen. Zij strekte zich uit in het zand op den weg en tuurde in de verte. Daar zag zij, hoe uit het feestpaleis, dat als eene donkere massa voor haar lag, eerst eene al lichter en lichter wordende wolk te voorschijn kwam, en vervolgens zwarte rook, hoe daarna eene heldere vlam hoog uitsloeg en een dichte regen van vonken opsteeg.

»Loop naar de legerplaats, jongen!” riep zij. »Roep ‚brand!’ en wek allen die slapen!”

Scheraoe holde luid schreeuwende weg.