Warda: Roman uit het oude Egypte
Part 46
»Niet =van= hem, maar =door= hem, als hij door ons werd geleid,” hernam Ameni zacht, maar met nadruk. »Dat ik hem opgaf, is geheel zijne eigene schuld. Hij heeft onzen eersten wensch, den dichter Pentaoer te sparen, in den wind geslagen; geen eedbreuk ontzien om ons te bedriegen, en een der heerlijkste werken der goden, want dat was de dichter, te vernietigen, om eene nietsbeduidende beleediging. Het valt moeilijker te strijden tegen arglistige zwakheid dan tegen redelijke kracht. Zouden wij den man, die ons Pentaoer ontstolen heeft, met eene kroon beloonen? Het valt ieder mensch zwaar een weg, dien men eenmaal heeft ingeslagen, te verlaten en een beteren te kiezen, een reeds half ten uitvoer gelegd plan op te geven om een ander te volgen, dat beter uitzichten opent. Doet hij het, dan loopt hij gevaar door de menschen van onbestendigheid beschuldigd te worden. Doch wij zien noch rechts noch links, en wanneer wij handelen in het algemeen belang, behoeven wij ons niet te houden binnen de perken, die door wet of gewoonte voor de daden van gewone menschen zijn gesteld. Wij treden terug even voor de bereiking van het doel; wij laten hem vallen, dien wij omhoog hieven, en verheffen den man, dien wij zelven hadden neergeworpen, tot de hoogste hoogte. Om kort te gaan, wij bekennen voor onszelven, en hebben ons sedert eeuwen aan die leer gehouden. Elke weg is goed, die tot het groote doel voert, namelijk om der priesterschap de heerschappij over dit land te verzekeren. Ramses, door een wonder gered, die komt met de belofte om tempels te bouwen, zal zijn dorst naar groote daden niet meer als krijgsman maar als bouwmeester trachten te lesschen. Hij zal ons noodig hebben, en hem die ons noodig heeft, kunnen wij leiden. Ik huldig thans met blijdschap den zoon van Seti.”
Ameni had nog niet uitgesproken, toen de vlaggen aan de masten vóor de eerepoorten werden geheschen. Aan gene zijde van den Nijl gingen stofwolken op, en het geklank van bazuinen liet zich hooren. Daar vertoonden zich de paarden, die Ramses naar het slagveld hadden gereden. De koning mende ze zelf en zijn aangezicht straalde van vreugde, toen de zijnen hem aan de andere zijde van de brug met een onbeschrijfelijk gejuich begroetten, toen tienduizenden hem met tranen van ontroering en geestdrift ontvingen, en een regen van tallooze geurige bloemen en knoppen, van groen loof en palmtakken voor zijne voeten neder viel.
Ani ging allen die den pharao ontvingen vóor. Hij wierp zich deemoedig voor de paarden in het stof, kuste de aarde, en overhandigde den koning den op een zijden kussen liggenden gouden schepter, die hem zoolang was toevertrouwd.
De koning riep hem genadig tot zich, en toen Ani zijn gewaad greep om het te kussen, boog Ramses zich tot hem neder en raakte met zijne lippen het voorhoofd van zijn plaatsvervanger aan. Hij verzocht hem vervolgens zijn wagen te bestijgen en de teugels van zijne rossen in handen te nemen.
In ’s konings oogen parelden tranen van dankbaarheid. Men had hem dus niet misleid. Als een gelukaanbrengend en geliefd vader, niet als een straffend gebieder, kon hij het land weder betreden, voor welks grootheid en welvaart hij leefde. Tot in het diepst zijner ziel bewogen, ontving hij den welkomstgroet der priesters, en met hen bad hij voor het oog van de verzamelde volksmenigte.
Vervolgens liet hij zich naar het voltooide praalgebouw brengen. Vroolijk besteeg hij den hoogen voortrap. Boven gekomen, begroette hij vandaar de zich verdringende menigte zijner saamgestroomde onderdanen. Tweeduizend rijk getooide stieren en even zooveel tamme antilopen[347], die als een dankoffer aan de goden voor zijn behouden terugkomst zouden geslacht worden, getemde leeuwen en luipaarden, vreemde boomen, op welker takken bontgevederde vogels zich wiegden, giraffen, wagens met struisvogels bespannen, dat alles en nog meer zag hij voorbij voeren, terwijl hij den stoet wachtte, die van de haven kwam, met Bent-Anat, in een draagstoel gezeten, aan het hoofd.
[347] De pracht van het feest, dat wij Ani laten geven, zinkt geheel in het niet, wanneer wij het vergelijken met hetgeen Ptolemaeus Philadelphus bij eene feestelijke gelegenheid voor de bewoners van Alexandrië ten toon spreidde, volgens het verhaal van een ooggetuige. Kallixenos (bij Athenaeus).
Ten aanzien van het geheele volk omarmde Ramses zijne dochter. Hij meende, dat hij zijne onderdanen moest laten deelen in het geluk en de hartelijke dankbaarheid, die hem vervulden. Zoo schoon als heden was zijn meest geliefd kind hem nog nooit voorgekomen. Zijn hart werd ontroerd, want zij herinnerde hem zijne gestorvene gemalin[348], op welke zij hoe langer hoe meer scheen te gelijken.
[348] Zij heette Isis Nefert.
De vrouw van Mena was hare vorstelijke vriendin gevolgd als draagster van haar waaier. Zij knielde voor den pharao, terwijl deze zich verheugde over het wederzien van zijne dochter. Thans merkte hij ook Nefert op, en beval haar vriendelijk op te staan, zeggende: »Wat moet ik heden al niet beleven! Ik heb ondervonden, dat hetgeen ik weleer voor het grootste geluk hield, toch nog overtroffen kan worden. En nu zie ik, dat ook het schoonste zich nog tot hooger schoonheid kan ontwikkelen. Mena’s ster is eene zon geworden.”
Bij deze woorden gedacht Ramses zijn wagenmenner. Een oogenblik rimpelde zich zijn voorhoofd, toen boog hij langzaam het hoofd, met nedergeslagen oogen. Bent-Anat kende deze beweging haars vaders. Zij was de voorbode van een dier vriendelijke, ook weleens ondeugende plannen, waarmede hij de zijnen placht te verrassen. Ditmaal zag hij echter langer dan gewoonlijk naar beneden.
Eindelijk hief hij het hoofd weder op, en liefderijk schitterden zijne groote oogen, toen hij zijne dochter vroeg: »Wat heeft uwe vriendin wel gezegd, toen zij hoorde dat haar gemaal eene vreemde schoone in zijne tent genomen en daar maanden lang geherbergd heeft? Ik vraag de volle waarheid, Bent-Anat!”
»Ik ben Mena dankbaar voor deze daad,” antwoordde de prinses, »die zeker licht te vergeven zal zijn, omdat gij er over spreekt met een glimlach, want zij bracht zijne vrouw tot mij. Hare moeder schold op haar echtgenoot met bittere hardheid, maar zij bleef gelooven in zijne trouw en verliet zijn huis, daar zij niet kon verdragen hem te hooren belasteren.”
»Is dat waar?” vroeg Ramses.
Nefert knikte toestemmend met het schoone hoofd, en een tweetal tranen rolde langs hare blozende wangen.
»Hoe goed moet hij zijn,” riep de koning, »wien de goden zulk een geluk laten te beurt vallen! Ceremoniemeester! Beveel Mena, dat hij mij heden aan tafel bediene, gelijk vóor den slag bij Kadesch. Hij wierp in het gevecht de teugels weg, toen hij zijn vijand zag; laat hij nu oppassen, dat hij met den beker niet hetzelfde doe, wanneer zijne geliefde meesteres[349] hem aan den maaltijd met deze beide oogen zal aanzien. Gij vrouwen zult aan het maal deelnemen.”
[349] Zie boven bl. 219.
Nefert zonk dankend voor den koning op de knieën, doch hij keerde zich van haar af, om de waardigheidsbekleeders te begroeten, die gekomen waren om hem te verwelkomen, en reed daarna naar den tempel, waar hij het slachten der offers bijwoonde, en zijne gelofte, namelijk dat hij uit dankbaarheid voor zijne redding uit doodsgevaar een prachtigen tempel te Thebe zou stichten, voor de priesterschap en geheel het volk plechtig herhaalde. De geestdrift waarmede hij ontvangen werd, waar hij zich ook vertoonde, was zonder wederga. Zijn weg voerde hem ook voorbij de haven en de tenten, waarin de gewonden verpleegd werden, die te scheep naar Egypte vooruitgezonden waren. Hij groette allen van zijn wagen met bijzondere vriendelijkheid.
De stadhouder Ani mende weder de paarden. Hij liet de edele dieren langzaam door de rijen der herstellenden stappen. Maar plotseling gaf hij de teugels een hevigen ruk. De paarden steigerden en waren met moeite weder rustig in gang te brengen. Getroffen zag Ramses om. Waar de paarden waren geschrikt, had ook hem eene huivering aangegrepen, want hij meende den persoon gezien te hebben, die te Kadesch zijn leven had gered.
Had de blik eener godheid de paarden doen schrikken? Moest het eene zinsbegoocheling heeten, of was zijn redder inderdaad een sterfelijk mensch, en als gewonde van het slagveld teruggekeerd? De man, die naast hem de teugels hield, had de oplossing kunnen geven, want Ani had Pentaoer herkend, en daarbij vol ontzetting in de teugels gegrepen.
ELFDE HOOFDSTUK.
De zon was reeds ondergegaan, toen de koning andermaal bij het houten praalgebouw aankwam. In de dagheldere feestzaal, die door ontelbare lampen werd verlicht, bewogen zich thans in bonte mengeling de gasten, die den koning met ongeduld wachtten. Bij Ramses’ verschijning bogen zij zich, elk naar zijn rang, meer of minder diep. De pharao zette zich op zijn troon met al zijne kinderen in een breeden halven cirkel om hem heen. Dáar gingen zijne getrouwen vóor het begin van den maaltijd, hem een voor een voorbij. Hij had voor elk een vriendelijk woord of ten minste een blik, waardoor hij ieder wist te eeren en voor zich te winnen, en blijde hoop wekte in aller harten.
»Indien er,” zeide hij tot zichzelf, »in mijne koninklijke waardigheid iets is, dat stellig goddelijk mag heeten, dan is het zeker dit, dat het mij zoo gemakkelijk valt anderen gelukkig te maken. De voorvaderen kozen zich de giftige Uraeus-slang tot symbool hunner vorstelijke waardigheid, omdat wij even snel als zij kunnen dooden[350]. Toch rust het vermogen om gelukkig te maken op onze eigene lippen en in onze eigene oogen, terwijl wij een werktuig noodig hebben, wanneer wij straffen moeten.”
[350] Zie boven bl. 47.
»Neemt mij de Uraeus-kroon van den schedel,” zeide hij, toen hij van zijne troon afdaalde, om aan den feestdisch plaats te nemen, »legt mij heden een bloemenkrans om het voorhoofd.”
Onder de plechtigheid der begroeting verwijderden zich twee mannen uit de zaal, de stadhouder Ani en de opperpriester Ameni. De eerste gaf aan eenige veiligheidsbeambten bevel in de legerplaats, voor de gewonden bij de haven opgeslagen, den dichter Pentaoer op te zoeken, dezen, zonder opzien te wekken, naar zijne tent over te brengen en daar te bewaken tot hij terug zou keeren. Hij bezat den drank nog van de oude Hekt, die den scheepsgezagvoerder het verstand had moeten benemen, en het stond hem vrij den dichter daar als gast en niet als gevangene te begroeten. Pentaoer kon hem kwaad doen, hetzij dat Katoeti’s aanslag gelukte of mislukte.
Ameni had het gebouw verlaten, om den ouden Gagaboe een bezoek te brengen. Deze had bij de feestelijke ontvangst te lang in de brandende zon moeten staan, en was bewusteloos naar de tent gedragen, waarin hij met den opperpriester verblijf hield, en die op geringen afstand van die des stadhouders was opgeslagen. De overste van het Seti-huis vond den grijsaard geheel hersteld, en maakte zich gereed zijn wagen te bestijgen en tot het feest terug te keeren, toen de gerechtsdienaars van den stadhouder Pentaoer langs hem heen voerden.
De gevangene trok, door zijne deftige gestalte, onwillekeurig Ameni’s aandacht. De dichter herkende den opperpriester, riep hem bij zijn naam, en weldra stonden beiden hand in hand tegenover elkander. Toen de wachters zich hierover schenen te verontrusten, gaf de opperpriester te kennen wie hij was. Hij verheugde zich oprecht over het behoud en het wederzien van den meest geliefden zijner leerlingen, wiens dood hij sedert maanden had betreurd. Met vaderlijke teederheid beschouwde hij zijne mannelijke gestalte, en beval de dienaars, die zich voor zijne hooge waardigheid bogen, »zijn vriend” op zijne verantwoording niet in de tent van Ani maar in zijne eigene te brengen.
Pentaoer vond daar den ouden Gagaboe, die onder het herhaald uitroepen van »Ach!” en »Helaas!” van vreugde over zijne redding weende als een kind. Alles wat Ameni den dichter zou hebben kunnen verwijten, scheen vergeten te zijn. Ameni liet hem terstond bekleeden met een nieuw wit gewaad, hield niet op hem met bewondering aan te zien, en klopte hem gedurig met zijne trotsche hand op den schouder, als ware Pentaoer zijn eigen verloren en teruggevonden zoon.
Haastig moest de dichter mededeelen al wat hij had doorleefd. Hij vertelde van zijne gevangenschap en van zijne bevrijding bij den heiligen Sinaï, van zijne ontmoeting met Bent-Anat, en dat hij mede gestreden had in den slag bij Kadesch, dat hij door een pijl was gewond, maar door Warda’s vader gevonden. Hij verzweeg alleen wat hij voor Bent-Anat gevoelde, en dat niemand anders dan hij den koning had gered.
»Een uur geleden,” zoo besloot hij, »zat ik alleen in mijne tent en zag naar de lichten in het paleis daarginds, toen de veiligheidsbeambten, die daar buiten wachten, mij het bevel overbrachten, dat ik hen volgen moest naar Ani’s tent. Wat wil hij toch van mij? Ik heb allen grond te onderstellen, dat hij mij kwalijk gezind is.”
Gagaboe en Ameni wisselden een blik, dien zij wederkeerig verstonden. De laatste ging daarop in allerijl heen, want reeds te lang was hij van het feest weggebleven. Alvorens zijn wagen te bestijgen, gebood hij de wachters hunne posten weder te betrekken; hij nam op zich den stadhouder mede te deelen, dat zijn gast tot het einde van het feest in zijne tent zou vertoeven. De soldaten voldeden hieraan, zonder zich verder over Pentaoer te bekommeren.
Ameni bereikte vóor hen het paleis en trad de feestzaal in, toen de stadhouder reeds aan zijne gasten hunne plaatsen had aangewezen.
De opperpriester ging rechtstreeks op Ani toe, boog zich voor hem en zeide: »Vergeef mij mijn langdurig uitblijven; maar eene buitengewone verrassing hield mij terug. De dichter Pentaoer leeft, gelijk gij weet, en ik noodigde hem tot uw terugkeer als gast in mijne tent, om den profeet Gagaboe op te passen.”
De stadhouder verbleekte, terwijl hij Ameni sprakeloos en met glazige oogen toelachte. Maar spoedig herstelde hij zich en zeide: »Gij ziet, door welk eene onwaardige verdenking gij mij gekrenkt hebt. Ik wilde morgen uw lieveling weder bij u brengen.”
»Vergeef ons dan, dat wij u zijn voorgekomen,” zeide Ameni en nam zijn plaats in, in de nabijheid van den pharao.
Honderde slaven vlogen de zaal binnen, beladen met kostelijk tafelgereedschap. Gouden en zilveren mengvaten, uitmuntende door sierlijk drijfwerk, werden op raderen de zaal ingereden, en op de schenktafels geplaatst. In keurig beschilderde houten schelpen en lotusbloemen, die van de zoldering afhingen, waren kinderen geplaatst. Zij wierpen over het doorzichtig gaas, dat de zalen verbond, als uit de wolken rozen en viooltjes op de gasten neder. Uit voor het oog onzichtbare bijzalen weerklonk harpspel en gezang, en van een zes el hoog gouden altaar in het midden van de zaal, steeg de geur op van kostelijk en bedwelmend reukwerk.
De koning, onder wiens titels die van »zoon van den zonnegod” behoorde, straalde als ware hijzelf de zon. Zijne kinderen waren weder allen rondom hem; Mena schonk heden als in vroeger dagen den beker voor hem in. Al wat er aanzienlijk was in het land zag hij om zich heen geschaard, en verheugde zich met hem over zijne overwinning en zijne terugkomst.
Tegenover hem zaten de vrouwen, en vlak voor hem zij, die hij het liefst zag, Bent-Anat en Nefert. De raad aan Mena gegeven, dat hij den beker goed vast moest houden, scheen niet overbodig geweest te zijn, want maar al te dikwijls richtte hij zijn blik van de koninklijke bokaal op zijne aanminnige vrouw, uit wier mond hij nog geen welkomstgroet had kunnen vernemen, wier hand hij nog niet weder had aangeraakt.
Al de gasten verkeerden in eene feestelijke stemming.
Ramses verhaalde van den slag bij Kadesch, waarop de opperpriester van Heliopolis zeide: »Nog tot in later tijd zullen de zangers uwe daden prijzen.”
»Niet hetgeen ik verricht heb,” viel de koning hem in de rede, »moet hun lied verheffen, maar de genade van den god, die uw gebieder wonderbaar redde en de Egyptische wapenen de zege verleende over tallooze vijanden.”
»Zaagt gij den god met eigene oogen, en in welke gedaante verscheen hij u?” vroeg Bent-Anat.
»Het was een wonder,” antwoordde Ramses ernstig, »maar hij geleek den overleden vader van den verrader Paäker. Mijn redder was hoog van gestalte en schoon van gelaat. Hij had eene zware stem die door de ziel drong, en hij slingerde de strijdbijl als een speeltuig.”
Ameni had opmerkzaam naar ’s konings woorden geluisterd. Onder eene diepe buiging zeide hij nu met bescheidenheid: »Indien ik jonger was, zou ikzelf misschien beproeven, gelijk het de gewoonte was bij de vaderen, deze heerlijke daad van een god en zijn verheven zoon bij het feestmaal in een lied te verheerlijken. Maar het zoetvloeiende van onze stem verdwijnt met de jaren, en het oor van den hoorder luistert liever naar jongere zangers. Niets ontbreekt aan uw feest, milde Ani, als de dichter, die in geestdrift bij snarenspel de groote daad van onzen vorst bezingt. Toch vertoeft in onze nabijheid de door de godheid begenadigde Pentaoer, de edelste kweekeling van het Seti-huis.”
Bent-Anat verbleekte, en de aanwezige priesters, die het verlies van den door geheel Egypte gewaardeerden jongen dichter hadden betreurd, gaven niet onduidelijk hunne vreugde en verbazing te kennen.
De koning had door zijne zonen, met name door Rameri, Pentaoer hooren roemen, en gaf gaarne zijne toestemming, toen Ameni hem vroeg, of hij den dichter, die in den slag bij Kadesch had medegestreden, roepen en tot het voordragen van een feestgezang uitnoodigen mocht.
De stadhouder was niet zeer op zijn gemak, en zag met een bleek gelaat in zijn beker. Ameni stond echter op, om Pentaoer zelf te halen, en voor den koning te brengen.
Gedurende Ameni’s afwezigheid werden nieuwe gerechten opgedragen. Achter elken gast was een zilveren bekken met rozenwater, waarin zij van tijd tot tijd de vingers doopten om ze te reinigen. De dienende slaven stonden met rijk gestikte doeken om de handen af te drogen[351] gereed, terwijl andere de verwelkte kransen van het hoofd en den hals der gasten wegnamen, om ze door frissche te doen vervangen.
[351] In meer dan een griekschen papyrus van het Louvre werden servetten (ekmageia) vermeld. Ook op de afbeeldingen van gastmalen uit den ouden tijd dragen dienaars ze op den arm.
»Gij zijt bleek, mijn kind,” zeide Ramses, zich tot Bent-Anat richtende. »Wanneer gij u vermoeid gevoelt, zal onze neef u zeker veroorloven het feest te verlaten. Maar ik dacht, gij moest toch blijven, tot de algemeen geprezen dichter zijn lied zal hebben gezongen. Wie zoo geroemd wordt als hij, heeft eene zware taak, als hij de hoorders wil bevredigen. ― Doch waarlijk, mijne dochter, gij maakt mij ongerust. Wilt gij ook heengaan?”
De stadhouder was opgestaan en zeide dringend: »Door uwe tegenwoordigheid hebt gij mijn feest eer aangedaan. Daar het u echter schijnt te vermoeien, bid ik u mij te veroorloven u met de vrouwen naar de voor u bestemde vertrekken te geleiden.”
»Ik blijf,” antwoordde Bent-Anat zacht, maar beslist, en zag met een kloppend hart naar den grond, want het goedkeurend gemompel der gasten zeide haar, dat Pentaoer de zaal was binnengekomen.
Bescheiden, maar toch in verwarring gebracht door den ongewonen glans, die hem hier omgaf, trad de dichter, door Ameni geleid, vóor den koning. Hij droeg weder het lange witte gewaad van de priesters van het Seti-huis, en de struisveder, die de ingewijden onderscheidde, op het voorhoofd. Eerst toen hij vlak voor den koning stond sloeg hij de oogen op, wierp zich voor hem neder, en wachtte op een wenk van den pharao om weder op te staan.
Maar Ramses talmde lang, want de aanblik van dezen tot hem opzienden jongeling ontroerde hem. Was dit de gewaande god? Was dit dan zijn redder? Werd hij weder door de gelijkheid bedrogen, of droomde hij?
Alle feestgenooten zagen zwijgend naar den pharao, die daar roerloos zat, en den dichter.
Eindelijk gaf Ramses een wenk, Pentaoer stond op en zijn aangezicht werd donkerrood gekleurd, toen hij Bent-Anat in zijn nabijheid aanschouwde.
»Gij streedt voor Kadesch?” vroeg Ramses met bewogen stem.
»Zooals gij zegt,” antwoordde Pentaoer.
»Men roemt u als dichter,” ging de koning voort, »en wij verlangen mijne wonderbare redding in een lied te hooren verheerlijken. Wilt gij het beproeven, laat u dan een snarenspeeltuig brengen en zing.”
De dichter boog en zeide: »Mijne gaven zijn bescheiden, maar ik wil het beproeven, de schoonste daad te prijzen voor den held zelven die haar volbracht met den bijstand der goden.”
Ramses gaf een wenk en Ameni liet zijn leerling eene groote gouden harp overhandigen.
Pentaoer tokkelde de snaren zacht met zijne vingers, liet zijn hoofd rusten tegen den top van den krommen balk der harp, staarde lang in de ruimte, verhief zich toen in al zijn lengte, greep krachtig in de snaren, en ontlokte daaraan volle tonen, die in stoute rythmen als krijgsmuziek ver door de zaal klonken. Daarna begon hij in recitatief te berichten, hoe Ramses voor Kadesch zijn legerplaats had opgeslagen, hoe hij zijne troepen had geordend en tegen de Aziatische bondgenooten der Cheta in het veld had gebracht.
Gaandeweg nam zijne stem toe in omvang en kracht; geweldiger klonken de tonen, zoodra hij het keerpunt van den strijd, de redding van den koning, toen hij door de vijanden omsingeld was, begon te bezingen. Zich hoog oprichtende luisterde de pharao, toen Pentaoer zong[352].
[352] Bijna woordelijke vertolking van een gedeelte van het oud-Egyptisch heldendicht, „het epos van Pentaoer” geheeten. Zie boven bl. 415.