Warda: Roman uit het oude Egypte

Part 45

Chapter 453,704 wordsPublic domain

Groote moedeloosheid had zich van de Aziatische bondgenooten meester gemaakt. Zich van de overwinning zeker wanende waren zij naar het slagveld opgetrokken. De gids Paäker had hun immers zijn koning verraden? Toen de pharao uittrok waren de beste wagenstrijders der Cheta heimelijk achter de stad geschaard en tegen Ramses afgezonden door de noordelijke opening van het dal, waardoor hij tegen Kadesch optrok. Gelijktijdig waren andere uitgelezen troepen, in het geheel twee duizend vijfhonderd wagens, door een dwarsdal getrokken, dat zij in den nacht bezet hadden, ten einde hem in de flank te vallen. Al deze plannen waren uitgevoerd, en desniettemin hadden de Aziaten eene geduchte nederlaag geleden en hunne voornaamste helden verloren, waaronder Titoere, den kanselier, en Chiropasar, den boekenschrijver van den koning der Cheta[339], die het zwaard zoo goed kon hanteeren als het schrijfriet, en bestemd was de zege der Aziaten te schilderen en tot de nakomelingschap over te brengen. Ramses had den een, en zijn onbekende metgezel in den strijd, den ander met eigene handen verslagen, en behalve deze nog vele andere aanvoerders der Cheta en hunner bondgenooten.

[339] Op de afbeelding van den slag op de pylonen van het Ramesseum te Thebe, is boven een der gevallen Cheta deze naam en deze titel te lezen.

De koning werd als een god met gejuich en lofgezangen in het leger begroet. Zelfs de tempelboeren en de in Opper-Egypte gelichte burgers, die door Ani omgekocht en den langdurigen strijd moede waren, werden door de algemeene geestdrift medegesleept. Zij prezen vroolijk den grooten held en koning, den machtige, die den nek van elken weerspannige wist te buigen. Zij brachten hulde aan den gelukkigen uitslag.

Nu werden de dooden en gewonden op het slagveld opgezocht. Onder de laatsten had men ook Mena gevonden.

Rameri werd vermist; in de eerstvolgende dagen werd het bekend, dat hij als gevangene in handen der vijanden was gevallen. Hij werd terstond tegen de in Mena’s tent teruggehoudene dochter van den vorst der Danaërs uitgewisseld.

Paäker was verdwenen, maar de geelvossen, die hem in den strijd hadden gevoerd, werden ongedeerd vóor zijn verbrijzelden en met bloed bevlekten wagen gevonden.

De Egyptenaars bezetten Kadesch. Chetasar, de vorst der Cheta, wendde pogingen aan, in zijn eigen naam en dien zijner bondgenooten, om met den pharao in vredesonderhandeling te treden. Doch het stond bij Ramses vast, dat hij hen niet hier, maar aan de grenzen van Egypte zijne vredesvoorwaarden zou voorschrijven. Er bleef voor de overwonnenen geene keuze, en de plaatsvervanger van den koning der Cheta, ― hijzelf was gewond, ― benevens twaalf vorsten van de aanzienlijkste volken, die tegen den pharao in het veld waren getogen, moesten zich bij zijn zegetocht aansluiten. Men bewees hun alle eer, en behandelde hen, alsof zij de koning zelf waren. Maar zij waren toch niets meer en niets minder dan zijne gevangenen.

De pharao wenschte geen tijd te verliezen, want zijn hart was vervuld van zwaarmoedige voorgevoelens. Over zijn anders zoo zonnig gemoed had zich een sluier uitgebreid van somberheid, die hem te voren geheel vreemd was. Voor de eerste maal was hij aan den vijand verraden door een Egyptenaar, die hem zoo na stond.

De daad van Paäker had het blijmoedig vertrouwen van den pharao geschokt. Toen de vorst der Cheta om vrede smeekte, had hij niet onduidelijk laten blijken, dat Ramses in zijn eigen huis veel met geweld van wapenen zou moeten beslechten. De koning voelde zich tegen Ani, de priesterschap en allen die hij in Egypte had achtergelaten meer dan opgewassen, maar het smartte hem diep wantrouwen te moeten gevoelen, en de onzekerheid viel hem zwaarder te dragen dan het ongeluk. Daarom verlangde hij naar Egypte terug.

Ook om nog iets anders gevoelde hij tegenzin den krijg voort te zetten. Mena, dien hij liefhad als zijn eigen zoon, die zijne minste wenken begreep, die, zoodra hij den wagen betrad aan hem behoorde, als ware hij een deel van zijn lichaam, bestuurde zijne rossen niet meer. Hij was door eene uitspraak van de legeraanvoerders van zijn ambt ontzet geworden. Hijzelf had dit oordeel moeten bevestigen als rechtvaardig en zacht, want door zijn gebieder prijs te geven om eigen wraak uit te oefenen had de wagenmenner een daad gepleegd, die eigenlijk met den dood gestraft moest worden. Sedert zijne worsteling met Paäker had de koning Mena niet wedergezien, maar met deelneming luisterde hij naar allen, die hem gedurig kwamen berichten, dat de zwaar gewonde in beterschap toenam.

Het opgewekt, beslist en wakker karakter van den pharao was wars van alle droomerij. Niemand had hem, zelfs in uren van de zwaarste vermoeienis, ooit aangetroffen in sombere en nevelachtige mijmeringen. Thans kon hij bijwijle strak voor zich staren, als ware zijn geest omfloersd, en schrikte hij dikwijls wakker, als iemand die plotseling uit den slaap wordt gewekt, wanneer de buitenwereld hare eischen aan hem deed gelden. Ontelbare malen had hij den dood in het aangezicht gezien en zijne dreigende blikken getrotseerd als die van elk anderen vijand, doch ditmaal was het hem geweest, als had hij reeds de kille hand van den overmachtigen tegenstander aan zijn hart gevoeld.

Ook het gevoel van machteloosheid, dat zich van hem had meester gemaakt, toen hij aan de willekeur van zijne onbeteugelde paarden was prijsgegeven, gelijk een blad dat door den wind wordt medegevoerd, en door een wonder gered werd, wilde hem maar niet verlaten. ― Een wonder! ― Was Amon werkelijk in menschelijke gedaante op zijn geroep verschenen; was hij inderdaad een zoon der goden en vloeide er goddelijk bloed in zijne aderen?

De hemelsche goden hadden hem buitengewone gunst bewezen, maar hij was toch niet meer dan een mensch; dat leerden hem de smarten zijner wonden, en de misleidingen, waarvan hij bijna het slachtoffer was geworden. Ja, hij moest zichzelven wel beschouwen als een veroordeelde, die genade had ontvangen in het oogenblik, waarop het vonnis zou worden voltrokken. Hij was een mensch als alle andere menschen, en hij wilde een mensch zijn. Hij verblijdde zich er over, dat ook voor hem de toekomst in nevelen was gehuld; dat hij tallooze zwakheden had, die hij deelde met hen die hij liefhad, vooral dat hij het bewustzijn in zich omdroeg, onder gelijke omstandigheden toch meer te vermogen dan al zijne tijdgenooten.

Spoedig na zijne overwinning brak Ramses met de vorsten der overwonnen volken in zijn gevolg naar Egypte op, nadat alle belangrijke bergpassen en vaste plaatsen in Syrië door zijne krijgslieden waren bezet. Hij zond twee zijner zonen naar Bent-Anat te Megiddo, om haar over zee naar Pelusium te brengen. Hij wist dat de bevelhebbers, die de havens der verste grondvesting in het oostelijkste gedeelte van zijn rijk bewaakten, hem trouw waren toegedaan. Tevens gaf hij zijne dochter bevel het schip niet te verlaten, tot hij zou aangekomen zijn, ten einde haar voor elken aanslag van den stadhouder te vrijwaren. Ook een groot deel van het oorlogsmaterieel en de meeste gekwetsten werden over zee naar Egypte gezonden.

TIENDE HOOFDSTUK.

Sedert den beslissenden slag bij Kadesch waren er bijna drie maanden verloopen. Heden werd de pharao, met zijne als overwinnaars terugkeerende troepen, gewacht in het sterke Pelusium, den sleutel van Egypte voor alle legers, die uit het oosten kwamen[340].

[340] Zie Lepsius, =Chronologie der Aegypter=, S. 338 f. waar alle aanvallen, die het Nijldal uit het oosten heeft moeten verduren, opgeteld worden.

Er waren schitterende toebereidselen gemaakt om den koning te ontvangen, en hij die de maatregelen voor het feest leidde, met een ijver die dubbel verrassend was, omdat hij anders zoo kalm van aard scheen te zijn, was niemand minder dan de stadhouder Ani. Overal zag men zijn wagen, nu eens bij de werklieden, die de triumfbogen met frissche bloemen moesten tooien, dan weder bij de slaven, die de houten leeuwen langs de straten, opzettelijk voor deze gelegenheid vervaardigd, met kransen omslingerden. Het meest en het langst zag men hem bij het kolossale houten paleis, in korten tijd opgetimmerd op de plaats waar vroeger de Hyksos gelegerd waren[341]. Daar zou het eigenlijk welkomstfeest worden gevierd en de pharao voorloopig met de zijnen verblijf houden.

[341] Het Abaris van Menotho is Pelusium, zooals wij in ons =Aegypten und die Bücher Mose’s=, I. S. 209, bewezen hebben. Van de oude wallen met inspringende hoeken, die aan eene vesting doen denken, zijn nog sporen bewaard gebleven. Zie Lepsius in de =Sitzungsberichte der Berliner Akademie der Wissenschaften=, 17 Mai 1866.

Door samenwerking van vele duizende menschenkrachten was het gelukt in weinige weken dit prachtig gebouw te voltooien[342]. Er ontbrak werkelijk niets, wat een koning, die aan weelderigen glans gewoon was, maar in eenig opzicht begeerlijk kon toeschijnen. Een hooge op zichzelf staande trap leidde uit een keurig aangelegden tuin, die als uit het niet te voorschijn was geroepen, naar eene voorzaal, waarachter de eigenlijke feestzaal gelegen was. Deze laatste was buitengewoon hoog opgetrokken. Het houten dakgewelf, dat duizende sterren op een blauwen grond vertoonde en het firmament voorstellen moest, rustte op zuilen, waarvan sommige de gedaante hadden van dadelpalmen, andere van ceders van den Libanon. De breede bladeren en de fijnvertakte naalden er aan, bestonden uit kunstig vastgehecht en beschilderd weefsel. De zuilen waren over de geheele breedte van de zaal aan elkander verbonden door blauwachtig gaas. Alleen midden aan den oostelijken achterwand van deze zaal was dit gaas saamgestoken in den vorm van eene schelp, die, bezaaid met groen en blauw vloeispaath, paarlemoer, plaatjes van spiegelblank Moscovisch glas en andere blinkende sieraden, zich als een baldachijn over den hoogen troon van den pharao uitbreidde. Deze koninklijke zetel had de gedaante van een schild dat door leeuwen werd bewaakt, die aan zijne beiden zijden als leuningen rustten. Het geheel werd gedragen door vier geboeide Aziatische vorsten, die onder het gewicht van dezen last schenen te bezwijken.

[342] Volgens Herodotus (II, 107) zou dit houten gebouw te Daphne bij Pelusium zijn opgetrokken, volgens Diodorus (I, 57) te Pelusium zelf. Wij kunnen niet instemmen met hen, die meenen dat het verraad van den stadhouder gericht was tegen Ramses III en niet tegen Sesostris (Ramses II). Werkelijk heeft er onder Ramses III (vgl. Deveria, =Le papyrus judiciaire de Turin=) een samenzwering van den harem plaats gehad, die ten doel had, den broeder van den pharao op den troon van Egypte te plaatsen. Maar van dergelijke paleis-revoluties vinden wij telkens gewag gemaakt, bijv. reeds in het oude rijk, onder Amenemha I (12e dynastie), in den papyrus-Sallier (II).

De vloer van deze feestzaal was bedekt met zware tapijten, die eene voorstelling moesten geven van den zeebodem; want men zag op den blauwen grond de meest verschillende gedaanten van mosselen, visschen en waterplanten. Hier stonden rondom sierlijke tafels wel driehonderd zetels voor de grooten van het rijk en de aanvoerders van het leger. Overal hingen ontelbare lampen in de gedaante van leliën en tulpen, en in de voorzaal stonden groote korven met rozen gereed, die bij de aankomst voor den koning moesten uitgestrooid worden.

Ook de slaapvertrekken van den koning en de zijnen waren prachtig gemeubeld. Rijk geborduurde purperen weefsels hingen als tapijten langs de wanden neer. De zoldering was gedekt door blauw-wit gaas, in doffen opgenomen, alsof het lichte boven het hoofd zwevende wolkjes waren. De grond was in plaats van met tapijten, met giraffen-vellen belegd.

Meer naar de zijde van de stad waren de barakken opgeslagen voor de garden en lijfwachten des konings, alsmede de vorstelijke stallen, die van het paleis gescheiden waren door den tuin, die het van alle zijden omgaf. Een afzonderlijk, fraai verguld en met bloemen versierd paviljoen was bestemd om de paarden te herbergen, die den koning in den slag gereden hadden, en door hem aan den zonnegod waren gewijd.

Op dit oogenblik doorwandelde de stadhouder Ani met vrouwe Katoeti deze in allerijl opgetrokken feestzalen.

»Mij dunkt dat alles goed geslaagd is,” zeide de weduwe.

»Eén ding alleen weet ik niet uit te maken,” antwoordde de stadhouder. »Wat moet ik het meest bewonderen: uw vindingrijke geest, of uw smaak?”

»Laten wij daarover thans niet spreken,” hernam de weduwe met een glimlach. »Indien ik in eenig opzicht lof verdien, dan is het voor mijn ijver om u te dienen. Wat moest er in dit moerassig oord[343], waar de lucht vervuld is van hinderlijke insecten, al niet wordt uitgedacht, gewaagd, geordend en afgedaan, eer dit gebouw er stond! Nu is het voltooid, maar voor hoe lang?”

[343] Volgens eene, hoewel onjuiste etymologie bij Strabo p. (802) zou Pelusium, afgeleid van het Grieksche woord „pelos,” beteekenen „moerasstad.”

Ani zag naar den grond, terwijl hij herhaalde: »Voor hoe lang?” ― Daarna ging hij aldus voort: »Eén groot waagstuk is reeds mislukt. Ameni is koel geworden en verroert zich niet meer. De troepen, waarop ik reken, zijn mij misschien nog toegedaan, maar veel te weinig in aantal. De Hebreën, die hier hunne kudden hoeden, en die ik voor mij heb gewonnen door hen van dwangarbeid te ontheffen, hebben nimmer wapenen gedragen. Bovendien, gij kent dit volk! Zij kussen de voeten van den roemrijken overwinnaar, al moesten zij ook om hem te naderen door het bloed hunner kinderen waden. Het ontbreekt mij aan vertrouwen. En behalve dit.... het is,... er heeft zich... nu ja, de sperwer, die de oude Hekt voor mij verzorgt, is juist heden zoo ziek en afgemat....”

»Hij zal zich morgen des te trotscher weer oprichten, als gij een man zijt,” zeide Katoeti, en hare oogen vonkelden van toorn. »Gij kunt thans niet meer terug! Hier in Pelusium neemt Ramses, die als een god door u ontvangen wordt, uw feest aan. Ik ken den koning! Hij is te trotsch om wantrouwend te zijn, en zoo ingenomen met zichzelven, dat hij niets moeielijker toegeeft, dan dat hij zich in een mensch, onverschillig of het een vriend is of een vijand, zou hebben vergist. Hij zal den man, die hijzelf, toen hij hem tot zijne stadhouder benoemde, voor den waardigsten in het land verklaarde, ongaarne verdoemen. Heden nog behoort zijn oor aan u, morgen reeds aan uwe vijanden, en er is in Thebe te veel geschied, dan dat het zou kunnen uitgewischt worden. Gij zijt den leeuw gelijk, die tusschen zijn wachter en de traliën staat. Laat gij thans den tijd ongebruikt voorbijgaan, dan zit gij in de kooi; maar voelt gij heden uw kracht en toont gij een leeuw te zijn, dan is het met hem die u temde gedaan!”

»Gij houdt niet op mij aan te zetten,” hernam Ani. »Maar wanneer nu, nadat Paäker’s zoo voortreffelijk uitgevoerd plan is mislukt, ook uw aanslag eens verkeerd uitvalt?”

»Zoo staat het met uw zaak niet slimmer dan thans,” antwoordde Katoeti. »De goden, niet de menschen besturen de elementen. Is het waarschijnlijk, dat gij zulk een prachtig gebouw met zooveel zorg zult hebben doen voltooien, om het te verbranden? Wij hebben en behoeven niemand, die van ons plan kennis draagt!”

»Maar wie zal den brand steken in de vertrekken, die door Nemoe en mijn stommen slaaf met stroo en pek zijn gevuld?” vroeg Ani.

»Ik,” antwoordde Katoeti vastbesloten, »en met mij nog iemand die van Ramses niets te verwachten heeft.”

»En wie zal dat zijn?”

»Paäker.”

»Is de Mohar dan hier?” vroeg de stadhouder verschrikt.

»Gij hebt hem zelf gezien.”

»Gij vergist u,” zeide Ani. »Ik zou ...”

»Herinnert gij u dien eenoogigen zwarte, met zijn grijs hoofd, die u gisteren mijn schrijven overbracht? ― Dat is de zoon mijner zuster.”

De stadhouder bracht de hand aan zijn voorhoofd, en prevelde, terwijl eene rilling hem door de leden voer: »Die arme!”

»Hij is vreeselijk veranderd,” zeide Katoeti. »Hij had zich niet eens behoeven te verven, om zelfs voor zijne moeder onkenbaar te zijn. In het gevecht met Mena heeft hij een oog verloren. Een zwaardsteek van mijn schoonzoon verwondde zijne longen, zoodat hij moeilijk spreekt en ademhaalt. Het vleesch van zijne breede schouders is verdwenen, en zijne stevige beenen, waarop hij vroeger zoo pochte, zijn thans dunner dan die van een neger. Zonder aarzelen liet ik hem onder mijne dienaars verwijlen. Mijn aanslag kent hij nog niet, maar ik weet dat hij ons helpen zal, al bedreigden hem ook duizend dooden. Om der goden wil, draal en wankel nu niet langer! Wij zullen den boom voor u schudden, zorg gij slechts bij de hand te zijn, als het er morgen op aan zal komen de vruchten op te rapen. Eén ding echter moet ik verlangen. Beveel den opzichter der wijnschuren dat hij het druivennat niet spare, opdat de garde en de Sardische wachters ons niet storen. Ik weet dat gij bevel hebt gegeven, van de vijf schepen, die den inhoud van uwe wijnschuren hierheen brachten, maar drie te ontladen. Ik dacht dat de toekomstige beheerscher van Egypte ten minste niet zoo angstvallig spaarzaam zou zijn!”

Om Katoeti’s lippen speelde een trek van minachting, terwijl zij deze woorden sprak.

Ani merkte het op en zeide: »Gij houdt mij voor schroomvallig. Nu ja, ik stem het toe, het zou mij wel zoo lief zijn, wanneer ik kon maken dat vele dingen, die ik op uw aandrijven heb gedaan, niet gebeurd waren. Ik zou ook gaarne van dezen nieuwen aanslag afzien, hoe zorgvuldig wij alles ook bij den aanleg en de versiering van dit gebouw hebben voorbereid. Den wijn wil ik er aan geven. Inderdaad, er zijn wijnkruiken bij, die nog uit den tijd van mijn vader afkomstig zijn. Doch het moet zoo zijn. Gij hebt gelijk! Er is reeds te veel gebeurd, dat ’s konings toorn gaande zal maken. Gij zijt verstandig! Doe wat gij goed acht. Ik slaap na het feest in het kamp der Ethiopiërs.”

»Zij zullen u tot koning uitroepen, zoodra die overweldigers verbrand zijn,” riep Katoeti. »Als er maar eenigen schreeuwen, zoo volgen de anderen vanzelf, en al hebt gij Ameni ook vertoornd, hij huldigt u altijd nog liever dan Ramses. ― Daar komt hij, zie, daarboven wapperen reeds de vanen!”

»Zij naderen,” zeide de stadhouder. »Nu nog éen ding! Zorg gij er persoonlijk voor, dat de prinses Bent-Anat de voor haar bestemde vertrekken betrekt. Zij mag niet in den brand omkomen.”

»Nog altijd dezelfde?” vroeg Katoeti schalks en toch niet zonder bitterheid lachende. »Wees niet bezorgd; hare vertrekken liggen gelijkvloers en zij zal gewaarschuwd worden.”

Ani zeide haar vaarwel. Hij wierp nog een blik in de groote zaal en sprak daarna zuchtende: »Mijn gemoed is beklemd; ik wenschte dat deze dag en nacht voorbij waren!”

»Het komt mij voor,” zeide Katoeti met een glimlach, »dat er veel overeenkomst is tusschen u en deze schoon versierde feestzaal, die er thans zoo verlaten, haast huiveringwekkend uitziet. Maar dat alles zal heden avond veranderen, wanneer zij met gasten gevuld is. Tot koning zijt gij geboren, en toch nog geen koning. Gij zult eerst geheel uzelf zijn, wanneer kroon en schepter u toebehooren.”

Ani dankte haar met een lachje en verliet haar. Katoeti prevelde echter voor zichzelve: »Bent-Anat zal met de overigen verbranden; ik heb geen lust de heerschappij over dezen met haar te deelen!”

* * * * *

Uit alle deelen van Egypte waren mannen en vrouwen saamgestroomd, om den terugkeerenden overwinnaar en zijne troepen aan de grenzen van zijn rijk te ontvangen[344].

[344] Aan den noordelijken wand van den tempel van Karnak is ons de schoonste voorstelling van zulk eene feestelijke ontvangst bewaard gebleven. Deze gold den vader van onzen Ramses, toen ook hij uit Syrië terugkeerde.

Elk eenigszins aanzienlijk priestercollege had Ramses eene deputatie tegemoet gezonden. Het college van de Nekropolis van Thebe zond vijf zijner medeleden, met den opperpriester Ameni en den tweeden profeet van het Seti-huis, den ouden Gagaboe, aan het hoofd. De in het wit gekleede dienaars der godheid naderden in statigen optocht de brug, die over den oostelijken, den Pelusinischen Nijlarm voerde in het eigenlijke, door de wateren van den heiligen stroom bevruchte Egypte[345].

[345] Het orakel van Amon gaf aan de bewoners van Marea en Apis, twee steden aan de Lybische grenzen, ten antwoord, dat alles tot Egypte behoorde, wat door den Nijl, wanneer hij buiten zijn oevers trad, overstroomd werd, Herodotus II, 18.

De trein werd geopend door de afgevaardigden van den eerwaardigen Ptah-tempel te Memphis, welken Mena, de eerste koning wiens hoofd de kroon van Opper- en Neder-Egypte sierde, reeds gesticht zou hebben, en tot welks opperhoofd de oudste zoon van Ramses, Chamoes, was benoemd. Hierop volgden zij, die door het niet minder eerwaardige Heliopolis waren afgezonden. Daarachter kwamen zij, die den rijkstempel en die de Nekropolis van Thebe vertegenwoordigden. Maar weinige leden dezer gezantschappen droegen het eenvoudig witte kleed van de dienaars der godheid, daar de meesten getooid waren met het panthervel der profeten. Elk hield een langen staf in de hand die met rozen, leliën en groen loof was omwonden. Velen droegen gouden armen met gebogene handen, in welker holte, bij de nadering des konings, kostbaar reukwerk zou worden ontstoken. Onder de afgevaardigden van de Amon-priesters van Thebe bevonden zich ook enkele aanzienlijke vrouwen[346], die bij den dienst van den god werkzaam waren. Daarbij zag men ook Katoeti, die kort geleden, op uitdrukkelijk verlangen van den stadhouder, onder haar was opgenomen.

[346] De zoogenaamde Pallakieden, die wij het menigvuldigst aantreffen bij de vereering van Amon, maar ook bij den dienst van godinnen, als Isis en Bast. Hoewel zij op den gedenksteen van Tanis „Jonkvrouwen” genoemd worden, zoo kon Katoeti toch wel onder haar gerekend worden daar in ouderen tijd vele Pallakieden gehuwd waren.

De opperpriester Ameni liep nadenkend naast den profeet Gagaboe voort.

»Wat is toch alles gansch anders uitgekomen dan wij dachten en wenschten!” zeide de laatste zacht. »Wij zijn boden met verzegelde brieven; wie kent den inhoud?”

»Ik begroet Ramses met een blijmoedig hart,” antwoordde Ameni op beslisten toon. »Na alles wat hem voor Kadesch wedervoer, keert hij niet terug, gelijk hij was toen hij te veld trok. Hij weet nu wat hij aan Amon verschuldigd is. Zijn zeer geliefden zoon heeft hij reeds in dienst gesteld van den god van Memphis. Hij heeft beloofd prachtige tempels te bouwen, en den hemelschen goden rijke geschenken te geven. En Ramses is gewoon zijne geloften beter gestand te doen, dan die lachende zwakhoofd daar op den wagen.”

»Ik maak mij beangst over Ani,” zeide Gagaboe.

»De pharao zal hem niet straffen, zeker niet,” verzekerde de opperpriester. »En hij heeft niets van hem te vreezen, want dit wankelend riet is, zonder krachtigen steun, een speelbal der winden.”

»Wat groote dingen hebt gij toch niet van hem verwacht!”