Warda: Roman uit het oude Egypte
Part 44
»Zeker kan zij dit niet!” riep Mena in volle oprechtheid. »Doch eer zij op reis ging, zijn er ergerlijke dingen gebeurd. Gij weet dat zij, voordat gij hare hand voor mij hebt gevraagd, bestemd was voor haar neef den Mohar Paäker. Deze nu ging, gedurende zijn oponthoud in Thebe, in mijn huis uit en in. Hij heeft Katoeti met eene ontzaglijke som bijgestaan, ten einde de schulden van mijn lichtvaardigen zwager te betalen, en heeft gelijk de overste der stoeterij met eigen oogen gezien heeft, Nefert bloemen geschonken.”
De koning glimlachte, legde zijne hand op den schouder van zijn wagenmenner en zeide, terwijl hij hem recht in het gelaat zag: »Uwe vrouw zou u vertrouwen, niettegenstaande gij eene vreemde vrouw in uwe tent hebt genomen, en gij meent Nefert te mogen verdenken, omdat haar neef haar bloemen schonk! Is dat verstandig en rechtvaardig? Ik geloof dat gij ijverzuchtig zijt op den onbevalligen, breedgeschouderden man, dien een nijdige demon in het nest van den edelen gestorven Mohar schijnt te hebben gelegd.”
»IJverzuchtig ben ik niet,” antwoordde Mena, »en geen twijfel aan Nefert verontrust mijne ziel. Maar mij kwelt, en pijnigt, en beleedigt reeds de gedachte alleen, dat juist die Paäker, die mij tegenstaat als eene giftige spin, haar geschenken geeft en haar aanziet en dat in mijn eigen huis!”
»Wie vertrouwen verlangt, moet ook vertrouwen schenken!” zeide de koning. »Moet ik het ook niet voor lief nemen, wanneer ellendige sukkels mij en de mijnen met lofliederen prijzen? Komaan, strijk dadelijk de plooien op uw voorhoofd glad, en denk aan de naderende overwinning en den terugkeer naar het vaderland. Vergeet daarbij niet, dat gij Paäker minder te vergeven hebt, dan hij u. Ga nu naar de paarden, en stap morgen op mijn wagen, met vroolijken moed, zooals ik u het liefst zie.”
Mena verliet de tent en ging naar den vorstelijken paardenstal. Daar trof hij Rameri aan, die hem wachtte. De levendige jongeling bekende den wagenmenner, dat hij hem liefhad en eerde, als een schitterend voorbeeld, dat hij wilde navolgen. Maar hij begon te twijfelen aan zijne huwelijkstrouw, want hij had nu eerst gehoord, dat Mena eene vreemde vrouw in zijne tent had genomen, niettegenstaande hij verbonden was aan de schoonste en beminnenswaardigste vrouw in Thebe. »Ik heb,” zoo besloot hij, »met haar als een broeder omgegaan en weet dat zij het besterven zou, indien zij hoorde, dat gij haar zoo diep beleedigt. Ja, beleedigt, want zulk eene openbare trouwbreuk onteert de vrouw van een Egyptenaar! Vergeef mij mijne openhartigheid maar wie weet wat de dag van morgen brengt, en ik zou niet met slechte gedachten van u ten strijde willen trekken!”
Mena liet Rameri uitspreken, zonder hem in de rede te vallen en antwoordde: »Gij spreekt rond en open als uw vader, en hebt zeker ook van hem geleerd den aangeklaagde te hooren, alvorens hem te veroordeelen. Eene vreemde vrouw, de dochter van den koning der Danaërs[335], slaapt op mijne legerstede, maar ik houd sedert maanden mijn nachtverblijf bij de deur van uws vaders tent, en heb mijne eigene niet meer betreden, sedert het meisje daarin huist. Zet u een oogenblik bij mij neer, en laat ik u vertellen, hoe dat gekomen is!”
[335] Naam van de Grieken in den tijd van den Trojaanschen oorlog. Zij komen in de opschriften uit den tijd van Ramses III voor als bondgenooten van de bewoners der eilanden in de Middellandsche zee tegen Egypte. De Dardaniërs, bewoners van het Trojaansche landschap Dardania, welker naam ook voor de Trojanen gebruikt wordt, komen naast de volken van Pisada (Pisidië), Masa (Mysië) en Ilioena (Ilion) in het epos van Pentaoer voor als bondgenooten der Cheta. Het is zeer waarschijnlijk, dat de vorsten van de Grieksche eilanden, die nabij de kusten van Klein-Azië gelegen waren, zich hebben aangesloten bij het groot verbond der volken van Westelijk Azië tegen de Egyptenaars.
»Wij hadden het leger voor Kadesch opgeslagen, en er was weinig voor mij te doen, want Ramses lag nog lijdende aan zijne wonden. Dikwijls zocht ik eenig tijdverdrijf met te jagen aan de oevers van het meer. Eens ging ik, als gewoonlijk slechts met pijl en boog gewapend en vergezeld van mijne hazewinden[336], naar de vlakte en vervolgde onbezorgd een haas. Daar werd ik onverwachts door een bende Danaërs overvallen, die mij met strikken bonden en in hunne legerplaats voerden. Ik werd als verspieder voor hunne rechters gebracht. Reeds was het oordeel over mij geveld en een strop om mijn hals gelegd, toen hun koning daar langs kwam, en mij ziende mij nogmaals in het verhoor nam. Ik vertelde hem geheel naar waarheid, dat ik op de dierenjacht zijnde, zonder eenige vijandige bedoeling te hebben, in de handen der zijnen was gevallen. Hij geloofde mij, schonk mij niet alleen het leven, maar ook de vrijheid. Hij had in mij den edelman herkend, behandelde mij ook als zoodanig en liet mij aan zijne eigene tafel spijzigen. Toen hij mij liet vertrekken, deed ik stilzwijgend de gelofte, dat ik hem deze grootmoedige daad zou vergelden.
[336] Hazewindhonden, afgericht voor de jacht op hazen, vindt men reeds in de alleroudste graven, bijv. bij den Mastaba te Meydoem, die tot den tijd van Snefroe behoort (4000 jaren v. Chr.) Over de honden, waarvan de Egyptenaars zich bedienden, handelt S. Birch in de =Transactions of the society of biblical Archaeology=, 1875, p. 172-195.
De Mastaba of Moesatbet el Faroen, troon van Pharao, is een pyramidevormig gebouw te Saqqarah, door de Arabieren met dien naam onderscheiden, volgens de overlevering, dat een der oude Egyptische koningen het tot zijn troonzetel bestemde. Vert.
»Een maand later gelukte het ons, de legerplaats der met de Cheta verbondene volken te overrompelen, en Lybische soldaten roofden uit de tent van den koning der Danaërs, benevens andere schatten, ook zijne dochter. Ik had mij dapper gedragen, en toen het tot de verdeeling van den buit kwam, vergunde de koning mij het eerst te kiezen. Dadelijk legde ik de hand op de dochter van mijn redder en gastvriend, en voerde haar naar mijne tent, waar ik haar ongedeerd met hare dienstmaagden laat leven om haar bij het sluiten van den vrede aan haren vader terug te geven.”
»Vergeef mij!” riep Rameri, en reikte den wagenmenner de hand. »Nu begrijp ik eerst, waarom de koning mij zoo met nadruk vroeg, of Nefert aan uwe trouw gelooft!”
»En wat hebt gij hem ten antwoord gegeven?” vroeg Mena.
»Dat zij dag en nacht aan u denkt, en geen oogenblik aan u twijfelt. Dat scheen ook mijn vader groot genoegen te doen, en hij zeide tot Chamoes: ‚Dan heeft hij het gewonnen’!”
»Hij wil mij eene groote gunst bewijzen,” zeide Mena, om het antwoord van Ramses op te helderen, »wanneer zij, na vernomen te hebben dat ik eene vreemde vrouw in mijne tent opnam, mij toch nog vertrouwt. De koning houdt dit schier voor onmogelijk, maar ik weet dat ik het winnen zal. Zij =moet= op mij vertrouwen!”
NEGENDE HOOFDSTUK.
Vóor den aanvang van den slag[337] waren bij elke troepenafdeeling gebeden uitgesproken en offers geslacht. Men had heilige godenbeelden in feestbarken voorbij de gelederen gedragen, en aan de soldaten wonderdoende reliquieën getoond. Herauten verkondigden, dat de opperpriesters bij de groote offers des konings gunstige voorteekenen had gevonden, en de Horoscopen hoop hadden gegeven op eene schitterende overwinning.
[337] Bij onze schildering van het geheele beloop van den slag hebben wij het epos van Pentaoer gevolgd.
Ieder Egyptisch legioen zag met bijzonder vertrouwen op naar de standaarden met het beeld van een of ander heilig dier, of het symbool van de provincie, waaruit het afkomstig was. Doch ook ieder soldaat afzonderlijk voorzag zich van voorbehoedmiddelen en amuletten van allerlei aard. Deze droeg eene spreuk, die hulp kon verleenen, in een zakje verborgen om den hals of aan den arm, gene weder heilaanbrengende mystische oogen, en de meesten scarabeën aan hunne vingerringen. Velen achten zich het best beschermd door de haren of de vederen van een heilig dier, en niet weinigen lieten zich vrijwaren voor alle onheil door eene levende slang of kever, die zij zorgvuldig in het taschje van hun schortkleed of in hun spijszak verborgen.
Toen de koning, voor wien de beelden van den godentrias van Thebe, Amon, Mat en Choensoe, van den krijgsgod Menth en van de godin der overwinning Necheb, werden gedragen, de troepen monsterde, was hij gezeten in een draagstoel, die op de schouders van vier-en-twintig aanzienlijke jongelingen rustte. Zoodra hij naderde viel het gansche leger op de knieën en stond niet op voordat Ramses, na van den draagstoel te zijn afgedaald, voor aller oogen aan de goden een rook- en drankoffer had gebracht, en zijn zoon Chamoes, de opperpriester van Memphis, hem in naam der hemelsche goden de symbolen van leven en macht had overhandigd. Eindelijk zongen de priesterkoren lofliederen op den zonnegod Ra, en zijn zoon en vertegenwoordiger op aarde, den koning.
Toen de troepen opbraken, werd de hemel, die weinige uren te voren door zware wolken was bedekt, weder helder, en vertoonde zich het reeds verbleekend licht der sterren. Dit verschijnsel aan het firmament werd als een gunstig voorteeken beschouwd, en de priesters verkondigden het leger, dat evenals de naderende Ra de wolken voor zich uitdreef, zoo ook de koning zijne vijanden zou verstrooien.
De voetknechten trokken in de voorgeschrevene orde den vijand tegemoet, zonder trommelslag of trompetgeschal, ten einde de Aziaten niet te wekken. De wagenstrijders reden in lange rijen af, elk op een lichten tweeradigen, met twee paarden bespannen wagen. Ramses stelde zich aan het hoofd van dezen. Aan beide zijden van het vergulde voertuig dat hem droeg, zag men een schitterend met edelgesteenten bezet foudraal voor pijlen en bogen, Zijne schoone paarden waren rijk getuigd. Halzen en ruggen waren gedekt door purperen, met turkooizen bestikte schrabrakken, en op hunne hoofden was een sieraad geplaatst, dat veel op een kroon geleek, en waarvan eene menigte witte struisvederen nederwaaiden. Aan het einde van den ebbenhouten disselboom waren kleine, van kussens voorziene jukken aangebracht, die op de nekken der paarden rustten. Als spelend met hun lichten last, huppelden de glimmende slanke dieren voor den wagen. Zij trappelden op den grond met hunne kleine stevige hoeven, en bewogen hunne sierlijk gebogene zwanenhalzen met fierheid op en neer.
Achter zijn heer, die met de kroon van Opper- en Neder-Egypte was getooid, en een pantserrok[338] droeg, waarover de breede purperkleurige draagband rondom zijne lenden was geslagen, stond Mena. Hij hield met de linkerhand de paarden strak in toom. Zijne rechterhand leunde op het schild, waarmede hij in den strijd zijn gebieder moest beschutten. Gelijk een door stormen nog vaster gewortelde eik, naast welken een slanke esch opwascht, zoo stond de pharao daar naast zijn wagenmenner.
[338] De overblijfselen van zulk een pantser, dat afkomstig is uit den tijd van den eersten Sheshenk (Sesonchis), die tot de 22e dynastie behoorde, worden in het Britsch museum bewaard. Het bestaat uit leder, waarop bronzen schubben bevestigd zijn.
De oostelijke horizont begon zich te kleuren met roodachtige tinten, toen zij de omheining van de legerplaats verlieten. Daar ter plaatse reed de gids Paäker den koning te gemoet, wierp zich vóor hem neder en kuste den bodem. Op de vraag van Ramses, waarom hij zonder zijn broeder kwam, gaf hij ten antwoord, dat deze plotseling ziek was geworden. De morgenschemering was oorzaak, dat de koning niet kon opmerken, hoe de wangen van den verrader, die niet gewoon was te liegen, nu eens rood en dan weder vaalbleek werden.
»Hoe staat het met den vijand?” vroeg Ramses.
»Hij weet,” antwoordde Paäker, »dat het weldra tot een slag zal komen, en trekt zijne tallooze volken in de legerplaatsen ten zuiden en ten oosten van de stad bijeen. Gelukt het u Kadesch van de noordzijde van achter aan te vallen, terwijl het voetvolk het leger der Aziaten van de zuidzijde aangrijpt, dan zal de vesting nog heden in uwe handen zijn. De bergengte, die gij moet doortrekken, om niet ontdekt te worden, is niet slecht.”
»Zijt gij ziek als uw broeder?” vroeg de koning, »Uw stem beeft.”
»Ik ben gezonder dan ooit,” antwoordde de Mohar.
»Wijs ons den weg!” beval Ramses.
Paäker gehoorzaamde. Zwijgend reden zij met een gevolg van tallooze wagenstrijders in de frissche morgenkoelte over de bedauwde vlakte, en zoo het gebergte in. Het met bogen en zwaarden gewapende korps van Ra marcheerde in de voorhoede en opende den weg. Nadat zij de smalle en drooge bedding van een stroom waren doorgetrokken, zagen zij voor zich een breed dal, dat links en rechts door bergen was ingesloten.
»De weg is goed,” zeide Ramses, terwijl hij zich tot Mena richtte. »De Mohar heeft van zijn vader geleerd zijn ambt goed te vervullen. Hij heeft ook voortreffelijke paarden. Nu eens wijst hij de gidsen van onze voorhoede den weg, dan weder is hij in onze nabijheid.”
»Het zijn geelvossen uit mijne stoeterij,” zeide Mena, en de aderen op zijn voorhoofd zwollen. »De opzichter zeide, dat Katoeti ze hem voor zijn vertrek heeft gezonden. Zij moeten voor Nefert’s wagen loopen, en heden ment hij ze om mij te trotseeren.”
»De vrouw is de uwe, laat hem de paarden,” antwoordde de koning goedig.
Opeens werd de morgenstilte gestoord door het geluid van bazuinen. Men zag niet uit welke richting het kwam, en toch klonk het niet uit de verte.
Ramses richtte zich op in al zijne lengte, en haalde de strijdbijl uit zijn gordel. De rossen staken de ooren op en Mena zeide: »Dat waren trompetten der Cheta; ik ken den toon.”
Achter het voertuig van Ramses reed een gesloten vierwielige wagen, waarin de koninklijke leeuwen naar het tooneel van den strijd werden gevoerd.
»De leeuwen los!” riep de koning, zoodra hij het krijgsgeschreeuw hoorde aanheffen, en spoedig daarop zag hij zijne door vijandelijke wagens doorbrokene voorhoede, het dal weder in en hem tegemoet vluchten. De roofdieren schudden woest de manen en sprongen brullend naast den wagen van hun meester. Mena zwaaide de zweep; de paarden steigerden en galoppeerden nu moedig tegen de vluchtenden, die door geen woorden tot stilstaan waren te brengen, en de hen vervolgende vijanden in.
»Waar is Paäker?” vroeg Ramses.
Doch de gids was verdwenen, als had de aarde hem plotseling met zijn wagen verslonden.
De vluchtende Egyptenaars en de vijandelijke wagenstrijders, die dood en verderf in hunne gelederen verspreiden, kwamen al nader en nader. De grond dreunde; de hoefslag der paarden en het ratelen der wielen klonk luider en luider, als het rollen van een snel opkomend onweder.
Nu verhief Ramses zijn stem en liet een oorlogskreet hooren, die als bazuingeschal door de rotsen ter linker- en rechterzijde werd herhaald. Zijne wagenstrijders stemden in met dien kreet. De vluchtenden kwamen nu een oogenblik tot staan, maar om terstond daarop met verdubbele snelheid een goed heenkomen te zoeken. Want onverwachts hoorde men ook het krijgsgeschreeuw en de trompetten van den vijand achter den koning. Uit een dwarsdal, waarop Ramses geen acht had geslagen, en waarin Paäker verdwenen was, stormden onafzienbare drommen wagenstrijders te voorschijn, die voordat de koning het beletten kon, de rijen der hem volgende strijders doorbraken, en hem van zijne hoofdmacht afsneden.
Ramses hoorde achter zich het geweldig gedruisch van den aangevangen strijd; vóor zich zag hij de zijnen vluchten en vallen, en den vijand, die met klimmende woede en steeds talrijker op hem aanstormde. Hij overzag het gansche gevaar en rekte zijne kolossale leden, als wilde hij beproeven, of zij opgewassen waren tegen een niet minder sterken tegenstander. Andermaal verhief hij zijne stem, doch nu zoo krachtig, dat zij het geschreeuw en gesteun der soldaten, het commando der aanvoerders, het gehinnik der paarden, het gekraak der wagens die verbrijzeld werden, het dof geluid van de door lansen en zwaarden getroffen schilden en helmen, kortom het oorverdoovend geraas van den slag luide overstemde. Hij hief den boog op en doorboorde met zijn eersten pijl een opperhoofd der Cheta.
Nu sprongen zijne leeuwen vooruit, en brachten verwarring onder de vijandelijke scharen, die hem van voren bedreigden. Want vele paarden der Cheta keerden zich op het gebrul der woedende roofdieren dadelijk om, wierpen de wagens omver en verhinderden het voortdringen hunner strijdgenooten.
Ramses schoot den eenen pijl na den anderen af, en Mena beschutte hem met het schild, wanneer een vijandelijk schot op hem werd gericht.
Thans hadden de rossen van den pharao den vijand bereikt en had zijne strijdbijl den eersten der Aziaten geveld. Rameri en drie andere zonen des konings streden aan zijne zijde op hunne wagens, en vóor hen de leeuwen. Wild was het gedrang, vreeselijk de woede der strijders; zinverbijsterend het gejoel van den slag, gelijk het bulderen der branding van den oceaan, die door een fellen orkaan tegen hooge granietrotsen wordt opgezweept.
Het was of Mena zich wist te verdubbelen, want terwijl hij in zijne linkerhand de teugels hield geklemd, waarmede hij de rossen nu eens vooruit deed snellen, dan achteruit trok, dan weder opzij wendde, al naar het noodig was in den drang van het gevecht, ontging hem geen enkele pijl, die op den koning werd gericht. Zijne oogen en zijn schild waren overal. De jonge held vertrok geen wenkbrauw, terwijl Ramses woedender nog dan zijne leeuwen onder steeds luider krijgsgeschreeuw en met vlammende blikken, zich, links en rechts er op inhouwende, al dieper en dieper waagde onder de drommen der vijanden.
In het schild van den wagenmenner staken reeds drie pijlen, die op Mena, niet op den koning waren gericht, en op de schacht van den eenen zag hij toevallig in Egyptisch schrift niet onduidelijk de woorden: »Dood aan Mena.”
Daar snorde een vierde pijl!
Hij volgde met de oogen de richting, van waar het wapen kwam, en terwijl een vijfde schot zijn schouder verwondde, riep hij den koning toe: »Wij zijn verraden! Zie daar, aan de overzijde! Paäker strijdt met de Cheta!”
De gids spande juist opnieuw zijn boog en kwam den wagen van Ramses zoo nabij, dat men hem verstaan kon, toen hij de pees aantrekkende, met krijschende stem uitriep: »Thans rekenen wij af, gij dief en roover! Nog is mijne bruid uwe vrouw, maar met dit schot maak ik Mena’s weduwe tot de mijne!”
Met geweldige kracht doorkliefde de pijl de lucht en trof den helm van den wagenmenner. Deze liet zijn schild zinken en bracht de hand aan zijn hoofd, dat dreunde van den schok. Hij hoorde Paäkers woedenden schaterlach, en voelde hoe een nieuwe pijl van zijn vijand hem door het handgewricht sneed. Zichzelven niet meer meester, wierp hij de teugels ver van zich weg, greep zijn strijdbijl, sprong, zijn plicht en zichzelven vergetende, van den wagen en stormde op den gids los.
Paäker wachtte hem af met zijn opgeheven slagzwaard. Zijne lippen waren doodsbleek, zijne oogen bloedrood, zijne wijduitstaande neusvleugels bewogen zich als die van een snuivend paard, en met giftig schuim op zijn schreeuwenden mond, wierp hij zich op zijn doodvijand.
De koning zag beiden met elkander worstelen, doch hij kon in dezen strijd niet tusschen beiden komen, want de teugels, die Mena had vastgehouden, sleepten langs den grond, en onbestuurd trokken zijne paarden, de leeuwen volgende, hem met zich voort.
De meeste zijner strijdgenooten waren gevallen. Voor hem en achter hem woedde het vreeselijk gevecht; doch Ramses stond vast als een rots, dekte zich met Mena’s schild, en zwaaide zijne doodelijke strijdbijl.
Daar zag hij hoe Rameri zich met zijn tweespan dicht bij hem aansloot. De jongeling streed heldhaftig, en Ramses riep hem toe: »Goed zoo, gij kleinzoon van Seti!”
»Ik wil heden een nieuw zwaard verdienen!” antwoordde de kroeskop zijn vader, en spleet een vijand den schedel.
Doch reeds waren zij van alle zijden door vijandelijke wagens omringd. De vader zag, hoe Danaërs de paarden van den jongeling neerhieuwen, en hoe al zijne metgezellen, en onder hen de beste strijders, hunne paarden omwendden en op de vlucht sloegen.
Daar werd ook een zijner leeuwen met eene lans doorboord. Het edele dier zonk neder, met een gehuil van woede en smart, dat boven alles uit werd gehoord. Reeds was hij zelf door een pijl licht verwond, had een zwaardhouw zijn schild gespleten, en was de laatste pijl afgeschoten.
Hoewel hij nog altijd links en rechts dooden deed vallen, zag Ramses toch zijne laatste ure naderen. Zonder de worsteling te staken, verhief hij zijne stem om luide te bidden en Amon’s hulp met hartstochtelijke woorden in te roepen.
Terwijl hij alzoo in doodsgevaar den heer des hemels om bijstand smeekte, ziet, daar vertoonde zich midden in het strijdgewoel naast zijne paarden een Egyptenaar van hooge gestalte. Hij nam de teugels op, en terwijl hij den koning eerbiedig groette, sprong hij achter hem op den wagen.
Ramses beefde voor de eerste maal. Geschiedde hier een wonder? Had Amon zijn gebed verhoord? Terwijl hij eenigszins schuw den blik richtte op zijn nieuwen wagenmenner, en op zijn gelaat de trekken van den afgestorven Mohar, den vader van den verrader Paäker, meende te herkennen, geloofde hij werkelijk, dat Amon diens gedaante had aangenomen, dat de god in eigen persoon tot hem was gekomen, om hem te redden.
»Er is hulp nabij!” riep zijn nieuwe wagenstrijder. »Nog maar een wijle stand gehouden, dan zijt gij gered, en voert gij de uwen ter overwinning!”
Toen verhief Ramses opnieuw zijn krijgsgeschreeuw. De dichtst bij zijnde Chetiet, die hem naderde, zonk ter aarde met verbrijzelden schedel, terwijl de raadselachtige helper aan zijne zijde hem nu eens met het schild, dat de koning hem had overgegeven, dekte, dan weder verschrikkelijke slagen uitdeelde.
Zoo gingen er met deze nieuwe worsteling eenige oogenblikken voorbij.
Daar liet zich weder boven het luid gewoel van den strijd trompetgeschal hooren. Ditmaal herkende Ramses zijne Egyptische hoornblazers, en van den lagen bergwand aan zijne rechterzijde wierpen, zonder zich over weg of steg te bekommeren, duizende lichtgewapende voetknechten van het legioen van Ptah onder aanvoering van Horus, zich in de flank der vijandelijke wagenstrijders.
De Egyptenaars zagen in welk gevaar de koning verkeerde. Met ware doodsverachting stormden zij op den vijand los, de wagenstrijders nederhouwende of op de vlucht jagende. Weldra stond de pharao gered onder de zijnen.
Maar de raadselachtige persoon, die hem in den nood had geholpen, was verdwenen. Hij was, door een pijl getroffen, ter aarde gezonken. Zoo is het einde van een mensch; en toch meende de koning, dat Amon zelf zijn redder was geweest.
Ramses gunde zichzelven, zijnen rossen en zijnen strijders maar een oogenblik rust; toen wendde hij zijn strijdwagen, reed den weg terug langs welken hij gekomen was, overviel de vijanden, die hem van zijne hoofdmacht hadden afgesneden, greep hen in den rug aan, terwijl zij nog worstelden met zijne reeds terugwijkende wagenstrijders, en voerde de meeste Aziaten, die aan de Egyptische pijlen en zwaarden ontkomen waren, als gevangenen mede.
Nadat hij zich wederom met zijne overige troepen vereenigd had, drong hij dieper in de vlakte door, stiet hier op Aziatische voetknechten en wagenstrijders, die met de zwaar gewapende Egyptenaars streden, en dreef hen in de wateren van den Orontes of van het meer van Kadesch. Het aanbreken van den nacht maakte een einde aan den strijd, die echter den volgenden morgen vroeg weder aanving.