Warda: Roman uit het oude Egypte
Part 41
Vervuld van allerlei gedachten, daalde Pentaoer af naar het dal en naderde de hut van den jager. Weldra bleef hij stilstaan, want hij hoorde menschelijke stemmen. Doch rotsen hielden de naderenden voor zijn oog verborgen. Eindelijk verschenen de zoon van zijn gastvriend, een man in Egyptische kleeding, eene vrouw van hooge gestalte, naast welke een meisje vlug voortliep, en nog eene andere vrouw, die door slaven in een draagstoel werd gedragen. Pentaoer ontroerde, want hij herkende Bent-Anat en die haar vergezelden. Zij verdwenen echter weder bij het jagershuis.
Diep ademhalend bleef Pentaoer staan, als ware hij aan den rotswand genageld. Zoo stond hij lang, zeer lang, zonder zich te verroeren. Hij hoorde niet dat zachte schreden hem naderden en zich weder verwijderden; hij voelde niet dat de zon hem en den porfierwand achter hem, met gloeiende stralen bescheen; hij merkte de vrouw niet op, die hem langzaam te gemoet kwam. Doch evenals een doove, die opeens het gehoor terug ontvangt, zoo schrikte hij op, toen hij zijn naam hoorde noemen, en ― van welke lippen!
»Pentaoer!” riep Bent-Anat andermaal. De dichter opende zijne armen; de dochter des konings zonk aan zijne borst, en hij trok haar tot zich, als wilde hij haar vasthouden en levenslang niet meer loslaten.
* * * * *
Intusschen rustten zij, die de prinses begeleidden, voor de hut van den jager uit.
»Zij vloog hem om den hals; ja dat heb ik gezien,” zeide Warda. »Ik zal het nooit vergeten! Het was alsof de blinkende zee daarginds zich had opgericht en den heiligen berg omhelsd!”
»Kind! Hoe komt ge toch aan zulke gedachten?” vroeg Nefert.
»Uit het hart, diep uit het hart!” zeide Warda. »Ik ben zoo onuitsprekelijk gelukkig!”
»Gij hebt hem gered en zijne weldaad vergolden. Ik begrijp dat u dit reden tot blijdschap geeft.”
»Dat is het niet alleen,” zeide Warda. »Ik vreesde reeds den moed te zullen verliezen, maar nu zie ik toch weder, dat de goden rechtvaardig zijn en goed.”
De vrouw van Mena knikte haar toe en zuchtte: »Deze twee zijn gelukkig!”
»En zij verdienen het te zijn,” hernam het meisje. »Als Bent-Anat stel ik mij de godin der waarheid voor, en er is geen ander man in Egypte aan Pentaoer gelijk.”
Nefert zweeg een poos; toen vroeg zij zacht: »Hebt gij Mena ook gezien?”
»Hoe zou ik?” antwoordde Warda. »Wacht maar, ook uw tijd zal komen. Ik geloof, dat ik heden als eene profetes een blik in de toekomst kan slaan! Maar laten wij gaan zien of de arts Nebsecht nog altijd ligt te slapen. De drank dien ik in den wijnzak heb uitgegoten, moet wel sterk zijn.”
»Dat is hij,” hernam Nefert, en volgde het meisje in de hut.
Daar lag de arts nog altijd op zijn leger en sliep met wijd-geopenden mond.
Warda knielde bij hem neder, zag hem in het aangezicht en zeide: »Hij is zoo verstandig en weet alles, toch ziet hij er nu zoo onnoozel uit! Ik zal hem wekken.”
Zij trok een grashalm uit het stroo, en zeer ondeugend begon zij daarmede zijn neus te streelen.
Nebsecht hief het hoofd even op, niesde en sliep weder in. Warda schaterde het uit van lachen met haar zilver stemmetje. Daarna bloosde zij en zeide: »Dat was toch verkeerd van mij. Hij is zoo goed en grootmoedig!”
Nauwelijks had zij dit gezegd, of zij greep de hand van den slapende, bracht die aan hare lippen, en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Nu ontwaakte hij. Hij sloeg de oogen op, en prevelde, nog half droomend: »Warda, lieve Warda!”
Het meisje stond op en vloog weg, gevolgd door Nefert.
Toen Nebsecht weder op zijne voeten stond en rondzag, bevond hij zich alleen in de vreemde jagershut. Hij ging naar buiten, waar hij het gevolg van Bent-Anat aantrof, dat niet zonder bezorgdheid de dingen besprak, die gebeurd en die nog te verwachten waren.
ZESDE HOOFDSTUK.
Eeuwen geleden hadden de bewoners der oase zich reeds aan de pharao’s onderworpen, en betaalden zij hun schatting. Daarvoor was hun als een voorrecht toegestaan, dat geen Egyptisch soldaat zonder hun verlof hun grondgebied mocht betreden. De Ethiopiërs hadden Bent-Anat’s tenten en hunne eigene legerplaats dan ook opgeslagen buiten de eigenlijke oase. Het kwam echter weldra tot allerlei vechtpartijen tusschen de soldaten, die met hun tijd geen weg wisten, en de Amalekieten. Die twisten liepen nu en dan bloedig af, en kregen een zeer ernstig aanzien, toen op zekeren avond eenige dronken soldaten Amalekietische meisjes bij het waterputten overvielen.
Heden morgen vroeg had een der drijvers, toen hij wakker geworden was, Pentaoer en Nebsecht gemist. Hij had hierop zijne kameraden, waaronder Warda’s vader zijne plaats weder had ingenomen, dadelijk gewekt. De bewakers der dwangarbeiders snelden woedend over het gebeurde naar den bevelhebber der Ethiopiërs. Zij deelden hem mede, dat twee gevangenen ontkomen waren, en dat het wel niet anders kon, of ze werden door de Amalekieten verborgen gehouden. Deze beantwoordden den eisch om de vluchtelingen, waarvan zij trouwens niets wisten, uit te leveren met spottende woorden. De hoofdman werd hierdoor zoo verbitterd, dat hij besloot de oase met geweld te doorzoeken, ja werkelijk rukte hij, nadat men zijn bode had gehoond, met de grootste helft zijner manschappen de vrijplaats der Amalekieten binnen.
De zonen der woestijn waren te wapen gevlogen. Zij weken terug voor de gesloten gelederen der Egyptenaars, die, zich zeker wanende van de overwinning, hen vervolgden tot aan de plaats, waar het dal wijder wordt, en zich om een rotsheuvel[314] heenbuigt. Hierachter stond de hoofdmacht der Amelekieten verborgen, die, zoodra de Ethiopiërs zonder eenig kwaad vermoeden den heuvel voorbij gemarcheerd waren, opeens voor den dag kwamen en hen in den rug vielen. Tegelijk keerden de vervolgden zich om, en schoten hunne pijlen en wierpen hunne lansen op de in verwarring gebrachte soldaten, van welke er maar weinigen ontkwamen. Onder deze laatsten was ook de hoofdman, die licht gewond en razend van woede zich aan het hoofd stelde van de afdeeling, die tot bewaking van Bent-Anat was achtergebleven. Hij beval de drijvers der gevangenen hem insgelijks te volgen en drong opnieuw de oase binnen.
[314] De tegenwoordige heuvel Meharret, met de ruïne der kerk van het bisdom Pharan.
Aan de mogelijkheid dat de prinses zou kunnen ontvluchten, dacht hij niet. Nauwelijks had zij echter den laatsten harer wachters zien verdwijnen, of de ceremoniemeester en allen die haar begeleidden verklaarden, dat nu het tijdstip gekomen was om te vluchten. Het dienstbaar personeel was de koningsdochter geheel toegedaan. De lieden belastten zich met hetgeen men voor dagelijksch gebruik het meest noodig had, namen draagstoelen en lastdieren mede, en terwijl het gevecht in de oase woedde, voerde de jonge Salich hen naar de hoogten van Sinaï en de woning zijns vaders. Onderweg bereidde Warda de prinses voor op de ontmoeting, die haar bij den jager wachtte. Wij weten reeds hoe Bent-Anat den dichter vond.
Beiden wandelden hand in hand langs het bergpad, tot zij gekomen waren aan een schaduwrijk plekje, bij eene vooruitspringende rots. Pentaoer belegde die met mos, zij zetten zich daarop naast elkander neder, openden voor elkander hunne harten en vertelden de geschiedenis van hunne liefde en hun lijden, van hunne omzwervingen en hunne redding.
Toen de dochter van den jager tegen den middag voorbijkwam met eene kan vol geitenmelk, en hun aanbood hiervan te drinken, vulde Bent-Anat een en andermaal de schaal van eene kalebas voor den geliefde. Haar hart gevoelde zich trotsch, toen zij hem zoo bediende, en het zijne werd vervuld met den ootmoedigen wensch, dat hij zijn bloed, ja zijn leven voor haar mocht kunnen geven.
Aanvankelijk hadden zij, verdiept in het verledene en genietende van het tegenwoordige, weinig aan de toekomst gedacht. Terwijl zij elkander honderdmaal herhaalden wat ze sedert lang wisten, en toch nimmer genoeg konden hooren, vergaten zij het onmiddellijk gevaar, waarin zij nog verkeerden. Na het eenvoudig maal kwam de golfslag van ’s dichters ziel, die sedert zijn morgengebed zoo hoog ging, langzamerhand tot bedaren. Had hij tot dusverre gemeend te kunnen vliegen, nu voelde hij dat zijn voet nog de aarde drukte. Bedaard begon hij met Bent-Anat te overleggen, wat hun in de naaste toekomst te doen stond. In ernstig gesprek, dat veel had van eene beraadslaging, en waarbij de zalige vreugde die uit hunne oogen straalde weinig paste, daalden zij hand in hand naar de hut van hun gastvriend af.
Halverwege kwam de jager hun reeds tegemoet, geleid door zijne dochter. Naast hen ging een deftig man, in de volle wapenrusting van het hoofd der Amalekieten, die de oase bewoonden. Beiden bogen zich en kusten den grond voor de voeten van Bent-Anat en Pentaoer.
Zij zeiden vervolgens vernomen te hebben, dat de prinses door de Ethiopische troepen met geweld in de oase werd teruggehouden. Nadat de vorst der woestijn, Abocharabos[315], aan Pentaoer, dien hij voor een zoon des konings hield, en Bent-Anat de verzekering had gegeven, dat hij en de zijnen den pharao Ramses, die hunne rechten steeds geëerbiedigd had, geheel waren toegedaan, verhaalde hij niet zonder trots, dat de Ethiopiërs, op enkelen na, die door hem gevangen werden gehouden, allen door zijne manschappen waren neergeschoten.
[315] Deze naam is echt, want volgens Procopius schonk de hoofdman der Saracenen Abocharabos, het palmbosch midden op het schiereiland van den Sinaï aan Justinianus. De handschriften hebben Abocharagos; dit werd echter, ongetwijfeld met recht, door Tuch in Abocharabos veranderd.
»Zij zijn gewoon,” zeide hij, »tegen de zwarte hondsche lafaards van Koesch te vechten. Maar wij zijn mannen en weten ons te verweren, als de leeuwen in onze dalen. Moeten wij voor de overmacht wijken, dan weten wij ons als de steenbok in de rotskloven van het gebergte te verschuilen.”
Bent-Anat, wien de vreemde man met zijne bliksemende oogen en zijn adelaarsneus, terwijl zijne bruine wangen nog de sporen droegen van een zwaardhouw, wel beviel, beloofde hem, dat zij hem en de zijnen bij haar vader zou aanbevelen. Zij sprak den wensch uit, zich onder leiding van Pentaoer, haar verloofde, zoo spoedig mogelijk naar het leger des konings te begeven.
Het opperhoofd had Bent-Anat, terwijl zij sprak, en Pentaoer met zijne oogen goed opgenomen, en zeide nu: »Gij, koningsdochter, gelijkt de maan, en uw metgezel den zonnegod Doesaris[316]. Behalve Abocharabos,” en hij sloeg op zijne borst, »en zijne vrouw, ken ik geen paar menschen gelijk aan u beiden. Tot Hebron zal ikzelf u geleiden met eenige van mijne beste krijgslieden. Maar er is haast bij het werk, want ik moet terug zijn, eer de verraderlijke man, die thans over Mitzraïm[317] gebied voert en die u vervolgde, nieuwe troepen tegen u uitzendt. Trekt nu naar beneden. Geen hoen wordt bij uw tenten gemist! Morgen breken wij op, eer de dag aanlicht.”
[316] Doesares of Dysares, Grieksche vorm van de Nabatheïsche godheid Dhû-l-shará, den god van den berg Seïr, door de Grieksche schrijvers met Dionysos vergeleken. Zie boven bl. 388. Vert.
[317] De Semitische naam voor Egypte.
Bij de jagershut begroette Pentaoer het gevolg der prinses. De ceremoniemeester kon hem niet zonder schroom aanzien. De koning had hem wel toen hij opbrak bevolen, Bent-Anat in alles te gehoorzamen, als ware zij de koningin zelve, maar zulk eene keus van een toekomstig gemaal was ongehoord. Hoe zou Ramses dat alles opnemen?
Nefert verheugde zich over de edele gestalte van den dichter, en gaf telkens de verzekering, dat hij als een jongere broeder geleek op haar gestorven oom, den vader van den gids Paäker.
Warda werd niet moede hem en de prinses in stilte te beschouwen. Zij zag hem niet meer aan voor een hooger wezen, maar het schoone paar vertoonde zich aan haar als een tastbaar gelukkig voorteeken van Nefert’s en mogelijk ook van hare eigene liefde.
De arts Nebsecht hield zich op een behoorlijken afstand. De hoofdpijn, die hem lang geplaagd had, was door de frissche berglucht voorbijgegaan. Toen Pentaoer hem de hand drukte, zeide hij: »Nu is er een einde gekomen aan ons lustig schelden! Het gaat toch zonderling toe met den loop van ’s menschen levenslot! Van nu aan trek ik altijd in den strijd met u aan het kortste einde, want de groote orchestmeester, tot wien gij bidt, heeft de disharmonieën in uw leven werkelijk heel aardig opgelost.”
»Het klinkt waarlijk als deed u dit leed; maar ook voor u zal alles ten beste keeren.”
»Dat betwijfel ik,” antwoordde de arts, »want ik zie nu duidelijk, dat ieder mensch een instrument op zichzelf is, uit goed of slecht hout, bruikbaar of onbruikbaar, reeds voor zijne geboorte zoo gemaakt in een geheimzinnige werkplaats. Zeker iets, ik weet niet hoe ik het noemen zal, speelt er rondom hem, en naarmate dat het instrument gemaakt is, klinkt het goed of kwaad. Gij zijt een windharp. Hoe lieflijk klinkt het, wanneer de adem van het lot u in beweging brengt! Maar ik ben een windwijzer, en tracht altijd juist aan te duiden uit welken hoek de wind waait, maar daarbij knars ik, dat u en anderen de ooren er van zeer doen. Ik ben al tevreden, wanneer het aan dezen of genen schipper gelukken mag, naar mijne aanwijzing het zeil goed te richten. Maar in den grond is mij dit ook onverschillig! Ik wil draaien zonder mij van de wijs te laten brengen; of anderen het opmerken of niet, wat doet het er toe?”
* * * * *
Toen Pentaoer met Bent-Anat en haar gevolg afscheid namen van den jager, wien de koningsdochter rijkelijk met geschenken had overladen, ging de zon reeds ter ruste. De getande kroon van den Sinaï baadde in een gloed, als bestond zij enkel uit robijnen, waarachter een brandend gedeelte van het aardrijk lag te smeulen.
Den volgenden morgen brak men op voor de reis naar het leger des konings. Abocharabos, het Amalekieten-hoofd, begeleidde de karavaan, waartoe nu ook Warda’s vader behoorde. Hij was door de bewoners der oase gevangen genomen, maar op verzoek der prinses in vrijheid gesteld. Bij het eerste halt moest Kaschta vertellen, hoe het hem gelukt was Pentaoer in plaats van naar de steengroeven van Chennoe naar de bergwerken van het Sinaïtisch schiereiland te doen brengen.
»Ik wist,” zoo begon de soldaat op zijne eenvoudige manier, »door Warda, waarheen deze man gebracht moest worden, die zijn leven voor ons, arme schepsels, in de waagschaal had gesteld; en ik zeide tot mijzelven, dat ik hem redden moest. Maar denken is mijne zaak niet, en ik kon nooit plannen maken. Het zou dan ook gekomen zijn tot eene of andere daad van geweld, die waarschijnlijk slecht ware afgeloopen, wanneer een ander mij niet op een denkbeeld had gebracht, nog voordat Warda mij vertelde welk gevaar Pentaoer bedreigde.
»De zaak heeft zich aldus toegedragen. Ik zou de mannen, die veroordeeld waren tot den dwangarbeid in de mafkat-groeven over den Nijl leiden, naar de plaats waar het schip in de Nekropolis zou afvaren. Die arme schelmen mogen hunne betrekkingen aan de haven van Thebe aan de overzijde vaarwel zeggen. Honderdmaal heb ik dat aangezien, maar ik kon er nooit aan wennen, ofschoon men toch anders voor zooveel onverschillig wordt. Dat luid gejammer, dat wild gehuil is nog het ergste niet. De ondervinding heeft mij geleerd, dat zij die het hardst schreeuwen, zich het eerst in hun lot weten te schikken. Maar hen grijpt de ellende het meest aan die er doodsbleek uitzien, wier lippen wit worden, wier kin beeft alsof het vroor, wier droge oogen strak in de ruimte staren. Er was toen ook weer veel naarheid te zien en te hooren. Het meest had ik te doen met een man, dien ik sedert lang kende. Hoeni heet hij, en hij behoorde bij den tempel van Amon, waar hij opzichter was van hen, die den heiligen ram moeten verplegen. Ik had hem dikwijls ontmoet, als ik de arbeiders bewaakte, die de groote zuilenzaal moesten voltooien. Hij was bij iedereen geacht, en vervulde onberispelijk zijn plicht. Doch eens verzuimde hij dien. Het was juist in den nacht, gij zult het u nog herinneren, toen de wolven in den tempel doorbraken en den ram verscheurden en het heilige hart in de borst van den profeet Roeï werd overgebracht. Eén moest er voor boeten, en dit trof den ongelukkigen Hoeni, die voor zijne nalatigheid werd veroordeeld tot dwangarbeid in de mafkat-groeven. Zijne opvolgers zullen nu wel oppassen.
»Er was niemand die Hoeni uitgeleide deed. Toch wist ik dat hij eene vrouw had en vele kinderen. Hij zag zoo bleek als dit doek, en was een dergenen wien de smart het hart verteert. Ik ging naar hem toe, en vroeg waarom de zijnen niet kwamen? Hij had in zijn huis afscheid genomen, gaf hij mij ten antwoord, want zijne kinderen mochten hem niet zien onder moordenaars en falsarissen. Acht onverzorgde schapen waren bij de moeder te huis, en nog kort geleden had een brand al wat zij bezaten vernield. Er was geen kruimel in huis, om zoovele van honger gapende monden te voeden. Dat vertelde hij mij niet zoo geregeld, neen, het eene woord viel hem zoo na het andere uit den mond, gelijk dadels uit een gescheurden zak. Ik moest ze stuk voor stuk oprapen, en toen hij zag dat ik medelijden met hem gevoelde, toen brak hij los en zeide: ‚Mij kunnen ze voor mijn part naar de goudmijnen sturen, of in stukken hakken; maar dat mijne kinderen nu honger moeten lijden, dat.... dat!’ Daarbij sloeg hij zich tegen het voorhoofd. ―
»Ik ging heen om Warda vaarwel te zeggen, en op weg tot haar herhaalde ik gedurig: ‚dat, dat!’ Daarbij zag ik den man vóor mij en die acht schapen van kinderen. Als ik rijk was, dacht ik, zou ik dezen helpen! Ik kom bij mijn dochtertje, zij vertelt mij van al het geld, dat de arts Nebsecht haar geschonken had en stelt mij voor Pentaoer te redden. Daar komt ineens de gedachte bij mij op: het geld krijgen de kinderen van Hoeni, en hijzelf laat zich daarvoor naar Ethiopië sleepen. Ik loop naar de haven, spreek met den man, vind hem volgaarne bereid, geef het geld aan de vrouw, en in den nacht bij de inscheping gelukt het mij de verwisseling te doen plaats hebben. Pentaoer kwam bij mij op mijn schip onder den naam van den ander, en Hoeni voer naar het zuiden onder den naam van Pentaoer. Ik had den man niet verzwegen, dat hij niet naar Chennoe, maar naar de goudmijnen zou worden gevoerd. Niets valt zwaarder dan iemand te bedriegen, dien men het gemakkelijkst bedriegen kan. Dat gebeurt dan ook zelden. Men heeft er pleizier in een sluwen of een sterken beet te nemen, maar wie kan een kind of een zieke misleiden? Trouwens, Hoeni zou toen vanzelf in een der vuurpotten van de hel zijn afgedaald, zonder te klagen. Hij heeft dan ook vol goeden moed van mij afscheid genomen.
»Het overige, en hoe wij hierheen gekomen zijn, weet gij zelve. ― In Syrië zult gij in dit jaargetijde veel van den regen te lijden hebben. Ik ken het land, want ik heb vandaar vele krijgsgevangenen naar Egypte gebracht. Ik ben daar vijf jaren geweest onder de afdeeling van den grooten Mohar, den vader van den gids Paäker.”
Bent-Anat dankte den braven man. Hierop zetten Pentaoer en Nebsecht zijn verhaal voort.
»Gedurende de vaart,” zeide de arts, »was ik zeer bezorgd voor Pentaoer, want ik zag dat hij innerlijk verkwijnde. Maar in de woestijn kwam hij weder bij, en als wij halt hielden fluisterde hij mij dikwijls schoone liederen in het oor, die hij op marsch had gedicht.”
»Vreemd!” voegde Bent-Anat er bij. »Ook ik heb mij beter gevoeld, sedert ik in de woestijn was.”
»Zeg ons het versje toch eens op van de beytherân-plant”[318], verzocht Nebsecht.
[318] De bussaran- of bederan- of beytherân-struik (Cantolina fragrantissima Forsk) is een aromatisch kruid der woestijn, dat in groote menigte voorkomt, zoodat het soms den bodem als thijm bedekt. Zie Ebers, =Durch Gosen= u.s.w., S. 129, 206, 224. Vert.
»Kent gij dat kruid?” vroeg de dichter aan de prinses. »Het groeit hier op vele plaatsen. ― Daar is het! Ruik maar hoe het geurt, wanneer men den vetten stengel op de blaadjes wrijft. Mijn versje is zeer eenvoudig. Het viel mij in, na vele andere liederen, waarvan gij de beste reeds kent.”
»Zij prezen alle dezelfde godin,” zeide Nebsecht lachend.
»Maar uw versje?” vroeg Bent-Anat.
De dichter sprak zacht:
„Vaak zag ik ’t needrig plantje beytherân Rijk bloeiend in het dor woestijnzand staan; Geen vezeltje, geen blad dat zich onthult Of ’t spreidt dien zoeten geur die ’t gansch vervult, Hoe kan in d’armen bodem der woestijn Een plant zoo rijk aan zulke gaven zijn? En hoe ontwaakt het lang ontslapen lied In ’t aaklig oord waar slechts de dood gebiedt?”
»Schrijft gij aan de woestijn niet toe, wat gij aan de liefde verschuldigd zijt?” vroeg Nefert.
»Ik heb beiden te danken. Maar ik moet bekennen, dat de woestijn een uitnemende arts is voor eene kranke ziel. Uit de eindelooze eentonigheid rondom ons, trekken wij ons geheel terug in ons binnenste. De zinnen rusten; ongestoord en zonder inwerking van buiten is het ons hier gegeven elke gedachte tot het laatste uit te spinnen, elk gevoel na te sporen tot in zijne fijnste ontleding. In de steden is ieder altijd maar een deel van een groot geheel, waarvan hij afhankelijk is, waaraan hij geeft en waarvan hij terugontvangt. De eenzame wandelaar door de woestijn is echter geheel aan zichzelven overgelaten. Nagenoeg afgezonderd van elken grooten kring van menschen, moet hij zich met zijn eigen ik tevreden stellen, en daarin zoeken wat inhoud en kleur kan geven aan zijn bestaan. Hier, waar het tegenwoordige bescheiden op den achtergrond treedt, vindt ook de denkende geest, die zich gaarne in het oneindige verliest, geene grenzen.”
»Ja, in de woestijn kan men goed denken,” bevestigde Nebsecht. »Hier is mij duidelijk geworden, wat ik in Egypte slechts vermoedde.”
»En dat is?” vroeg Pentaoer.
»Vooreerst,” antwoordde de arts, »dat ik en wij allen inderdaad niets goeds weten. Vervolgens, dat de ezel de roos wel mag liefhebben, maar de roos niet den ezel. Het derde moet ik voor mij zelven houden, want dat is juist mijn geheim, en ofschoon het ook alle menschen aangaat, niemand bekommert zich daarom. Ceremoniemeester, hoe komt dat toch? Gij weet precies hoe diep de menschen zich naar hun stand voor de prinses te buigen hebben, en gij vermoedt niet hoe zoo’n ruggegraat is samengesteld!”
»Wat zou mij dat ook geven?” antwoordde de andere met eene wedervraag. »Ik heb alleen op het uitwendige te letten, terwijl gij zeker dag en nacht het inwendige beschouwt. Anders zou uw haar wel gladder en uw kleed minder morsig zijn.”
* * * * *
Het reisgezelschap kwam zonder buitengewone wederwaardigheden bij de oude stad der Chetieten, Hebron, nam daar afscheid van Abocharabos en de zijnen, en trok nu verder naar het noorden, onder het zeker geleide van Egyptische troepen.
Hier nam Pentaoer van de prinses afscheid, en Bent-Anat zeide hem zonder eene klacht vaarwel. Warda’s vader, die in den dienst van den ouderen Mohar alle wegen en paden in Syrië nauwkeurig had leeren kennen, begeleidde den dichter, terwijl de arts Nebsecht bij de vrouwen terugbleef. Hun goed gesternte scheen met het vertrek van Pentaoer te zijn ondergegaan, want in het Samaritaansch gebergte vielen hevige regens, die de wegen bijna onbruikbaar maakten, de tenten doornat deden worden en hen dikwijls dwongen tot een minder wenschelijk oponthoud. In Megiddo[319] werden zij door den bevelhebber der Egyptische bezetting met hooge eer ontvangen, en zij waren gedwongen hier langer te vertoeven, want Nefert, die met bijzonderen ijver tot spoed had aangedrongen, was ziek geworden, en de arts Nebsecht moest haar verbieden in dit jaargetijde verder te reizen.