Warda: Roman uit het oude Egypte

Part 40

Chapter 403,883 wordsPublic domain

De oude priesters, die met den dienst der godin belast waren, hadden de dochter van Ramses eerbiedig ontvangen. Door middel van het heldere en koele water der beek uit het gebergte, die de palmen der Amalekieten drenkte, door berookingen, vrome spreuken en ontelbare ceremoniën, hadden zij getracht aan de prinses hare reinheid terug te geven. Ten laatste verklaarde de godin zich bevredigd, en Bent-Anat wilde nu opbreken, ten einde noordwaarts naar haren vader te trekken. Doch de bevelhebber der soldaten, die haar geleide uitmaakten, een in den dienst vergrijsd Ethiopisch veldoverste, wiens zonen Ani tot hooge rangen had bevorderd, verklaarde den ceremoniemeester, dat hij bevel had de prinses zoolang in de oase terug te houden, tot de stadhouder haar zou toestaan te vertrekken. Bent-Anat hoopte nu op den bijstand haars vaders, die dagelijks kon verwacht worden, wanneer Rameri ten minste geen onheil was overkomen. Maar, te vergeefs!

De vrouwen verkeerden inderdaad in een zeer pijnlijken toestand, want zij gevoelden, dat men haar in een hinderlaag had gelokt en dat zij gevangenen waren. Er kwam nog bij, dat de Ethiopische soldaten zich tegen de bewoners der oase vergrepen hadden. Dagelijks hadden er onder hunne oogen vechtpartijen plaats, waarbij in de laatste dagen zelfs bloed had gevloeid.

Bent-Anat was krank naar de ziel. De beide machtige vleugels, die haar in staat hadden gesteld zich zoo hoog te verheffen boven al hare zusters, namelijk haar vorstelijke trots en hare opgeruimde helderheid van geest, schenen gebroken te zijn. Zij gevoelde dat zij eenmaal had liefgehad, om nimmer weder lief te hebben; dat zij, die geene luchtkasteelen had willen bouwen, maar alles gezocht in de werkelijkheid, ten slotte toch het beste deel van haar wezen had gewijd aan een droombeeld. Het beeld van Pentaoer stond haar nog altijd levendig voor den geest, en scheen steeds grootere en reinere vormen aan te nemen. Hijzelf was voor haar als gestorven. Er was nog maar een enkele brief uit Egypte tot haar gekomen, en deze had vrouwe Katoeti aan Nefert gericht, om haar mede te deelen, hoe nieuwe berichten hadden bevestigd, dat haar echtgenoot eene gevangene vorstendochter als zijn aandeel in den buit in zijne tent had genomen. Het schrijven van de weduwe hield verder in, dat de tot dwangarbeid veroordeelde dichter Pentaoer niet in de steengroeven van Chennoe was aangekomen, zoodat men allen grond had om te onderstellen, dat hij onderweg gestorven was.

Nefert wankelde ook ditmaal geen oogenblik in de overtuiging, dat haar echtgenoot haar trouw was gebleven. Zij hield onveranderlijk vast aan het geloof in zijne liefde. De veerkracht harer natuur, die door een grooten en reinen hartstocht geheel werd beheerscht, en daarom meer harmonisch was ontwikkeld, bleek juist in deze bange en moeielijke dagen. Het scheen wel dat zij en Bent-Anat van rollen hadden verwisseld. Altijd vol hoop, verzekerde zij van den eenen dag op den anderen, dat er wel hulp van den koning zou opdagen. Daarbij vleide zij zich dan dat Mena, als hij van Rameri vernam dat zij bij Bent-Anat was, zelf zou komen om haar te halen, wanneer zijn dienst het ten minste toeliet. In uren van blijmoedige verwachting ging zij zelfs zoover, dat zij zich voorstelde hoe de bewoners van de tent verdeeld moesten worden: wie Bent-Anat gezelschap zou moeten houden, wanneer Mena haar bij zich in zijne legerplaats nam; in welk gedeelte van de oase hij het best zijne tenten zou opslaan; en zoo al verder.

Warda, meende Nefert, kon gevoeglijk bij Bent-Anat haar plaats vervangen, want het meisje had zich op deze reis merkwaardig ontwikkeld. Zij droeg de deftige gewaden, die de prinses haar gaf, alsof zij nooit andere had gedragen. Zij wist met bescheidenheid te luisteren, zich ter rechter tijd te verwijderen, en aardig te praten, wanneer men met haar in gesprek trad. Daar was een reine zilvertoon in haar lachje, dat meer dan iets anders Bent-Anat kon vertroosten. Ook luisterden de vriendinnen gaarne naar hare gezangen, hoewel de weinige liederen, die het meisje kende, ernstig en zwaarmoedig waren. Zij had ze afgeluisterd van de oude Hekt, die dikwijls in ’t donker op eene luit speelde. Toen de tooveres opmerkte, dat Warda hare melodieën nazong, wees zij haar op enkele gebreken, en gaf haar goede wenken. »Zij valt toch eens in mijne handen,” dacht de heks, »en hoe beter zij zingen kan, des te duurder wordt zij betaald.”

Bent-Anat beproefde ook Warda onderwijs te geven, maar het viel de jeugdige leerlinge bijzonder zwaar te leeren lezen, hoeveel moeite zij zich ook gaf. Toch liet de prinses de lessen in de spelkunst niet varen. De werkeloosheid waartoe zij gedoemd was, hier aan den voet van dien majestueuzen heiligen berg, tot welks toppen zij dikwijls met huivering zoowel als met verlangen opzag, drukte haar des te zwaarder, naarmate er meer in hare ziel omging, dan zij zou wenschen te uiten. Warda kende de oorzaak van de smart harer meesteres, en zij had haar om zijnentwil lief als eene heilige. Dikwijls vertelde zij van Pentaoer en zijn vader al wat zij wist, en altijd zóo, dat de prinses niet vermoeden kon hoezeer zij was ingewijd in het geheim harer liefde.

Toen de gevangenen voorbij Bent-Anat’s tent werden gevoerd, zat zij met Nefert daar binnen, en sprak, zooals gewoonlijk in de schemering geschiedde, over haar vader en zijn wagenmenner Mena, over Rameri en Pentaoer.

»Hij leeft nog,” zeide Nefert, doelende op den dichter, »al schrijft mijne moeder ook, dat men niet zeker weet waar hij gebleven is. Wanneer hij ontkomen is, dan tracht hij ongetwijfeld het leger van den koning te bereiken, wanneer wij daar eens zijn, dan vindt ge hem zeker bij uw vader.”

De prinses staarde met een droef gelaat op den grond. Doch Nefert zag haar vriendelijk aan en vroeg: »Denkt gij misschien aan het onderscheid van stand, dat u scheidt van den uitverkorene uws harten?”

»Wien ik mijne hand schenk,” antwoordde Bent-Anat met vastheid, »dien maak ik tot een vorst. Doch al kon ik Pentaoer ook verheffen tot heerscher over de geheele wereld, zoo zou hij toch altijd meer zijn en beter dan ik.”

»Maar uw vader?” vroeg Nefert bescheiden.

»Hij is mijn vriend; hij hoort en verstaat mij. Als ik bij hem ben, zal hij alles vernemen. Ik ken zijn vaderlijk en koninklijk hart.”

Beiden zwegen een geruimen tijd. Eindelijk zeide Bent-Anat: »Ik verzoek u licht te laten brengen, want ik wil mijn weefsel afmaken.”

De vrouw van Mena stond op. Buiten de deur van de tent kwam zij Warda tegen, die dadelijk haar hand greep en haar zwijgend met zich mede trok.

»Wat hebt gij, meisje? Gij beeft,” zeide Nefert.

»Mijn vader is hier,” antwoordde Warda gejaagd. »Hij bewaakt gevangenen uit de mafkat-groeven. Onder hen zijn twee aan elkander vastgeketende mannen. Een van dezen ― gij moet niet schrikken ― een van dezen is de dichter Pentaoer. ― Blijf! om den wil der goden, blijf, en hoor mij verder! Ik heb mijn vader reeds tweemaal gezien en met hem gesproken, toen hij met andere dwangarbeiders hierlangs kwam. Pentaoer moet heden bevrijd worden, maar Bent-Anat mag nog van niets weten; want wanneer mijn plan mislukt....”

»Kind! Meisje!” viel Nefert haar met levendigheid in de rede. »Hoe kan ik u helpen?”

»Beveel den hofmeester, dat hij aan den drijver der gevangenen, uit naam der prinses, een vollen lederen zak wijn moet brengen. Neem dan uit Bent-Anat’s reis-apotheek[306] het fleschje, dat den drank tegen de slapeloosheid bevat, waarvan zij ondanks uw herhaald verzoek nooit iets wil nemen. Ik wacht hier buiten en zal er gebruik van weten te maken.”

[306] Zulk eene reis-apotheek, en wel eene die uit veel ouder tijd afkomstig is dan de eeuw van Ramses, wordt in het museum te Berlijn bewaard.

Nefert vond den hofmeester dadelijk en beval hem Warda met een zak wijn te volgen. Daarna keerde zij tot de prinses terug en opende de reis-apotheek.

»Wat zoekt gij?” vroeg Bent-Anat.

»Een middel tegen hartkloppingen,” antwoordde Nefert. Zij stak heimelijk het verlangde fleschje hij zich, dat eenige oogenblikken later in Warda’s handen was overgegaan. Het meisje verzocht den hofmeester den zak te willen openen, en haar den wijn te laten proeven. Terwijl zij scheen te drinken, goot zij den slaapdrank in het druivensap, en liet vervolgens het geschenk van Bent-Anat aan de dorstige drijvers brengen.

Toen dit bezorgd was, ging Warda naar de keukentent, waarvoor zij een jongen Amalekiet op den grond vond zitten, te midden van de dienaars der prinses. Hij sprong op, zoodra hij het meisje gewaar werd, en zeide: »Heden breng ik vier schoone patrijzen[307], die ik zelf heb geschoten, en voor u dezen fraaien turkoois, dien mijn broeder bij eene rots heeft gevonden[308]. Deze steen brengt geluk en is goed voor de oogen. Hij schenkt overwinning op vijanden en verdrijft booze droomen”[309].

[307] Op den top van den Sinaï der monniken, die Gebel Katherin wordt genaamd, ontspringt een beekje, dat „ma’yan esch schoennâr” of patrijzenbron heet, en waarvan allerlei sagen in omloop zijn. God zou het bijv. voor de patrijzen hebben doen ontspringen, die de engelen waren gevolgd, toen deze het lichaam van de heilige Katharina van Alexandrië naar den Sinaï brachten.

[308] De Serbal-turkooizen zijn schooner en houden beter kleur, dan die van Wadi Maghara.

[309] Deze eigenschappen worden heden door de Arabieren aan de turkooizen toegeschreven.

»Ik dank u,” zeide Warda en vatte, terwijl zij den hemelsblauwen steen aannam, den jongeling bij de hand en trok hem met zich in het donker.

»Hoor eens, Salich!” sprak zij zacht, zoodra zij zich ver genoeg van de anderen meende verwijderd te hebben. »Gij zijt een brave jongen, en de dienstmaagden hebben mij verteld, dat ge mij eene ster[310] hebt genoemd, die van den hemel op aarde was gevallen om eene vrouw te worden. Dat zegt men alleen van iemand, die men gaarne mag lijden. Dat ge mij genegen zijt en aan mij denkt, toont gij dagelijks, door de bloemen die ge mij brengt, als gij het wild, dat uw vader heeft geschoten, aan den hofmeester aflevert. Zeg mij nu eens: wilt ge mij en tevens de prinses een grooten dienst bewijzen? Ja? En gaarne?” ― »Ja! O, dat wist ik wel. Nu hoor dan. Een vriend van de verhevene vrouw Bent-Anat, die heden nacht hierheen zal komen, moet éen dag, misschien wel gedurende meerdere dagen, voor zijne vervolgers verborgen worden gehouden. Zou hij, of zouden zij, want het zijn er misschien twee, in het huis van uw vader, dat hoog boven aan den heiligen berg moet liggen, een onderkomen en bescherming kunnen vinden?”

[310] De bewoners van het schiereiland van den Sinaï waren in den oudsten tijd Cabiërs, d.i. zij vereerden de hemellichten. Dit verkondigen ons de door Beer ontcijferde Nabatheïsche opschriften, waarvan de oudste schrijvers zich „dienaars,” „vereerders” of „priesters” noemen van de „zon,” de „maan,” „Baäl,” enz. De zonnegod heette bij hen Doesaris. De oudste van deze opschriften behooren eerst tot de tweede eeuw v. Chr.

»Wien ik mijn vader breng,” zeide de jongeling, »is hem welkom, en wij verdedigen eerst onze gasten en dan ons zelven. ― Waar zijn die vreemdelingen?”

»Zij zullen binnen weinige uren komen. Wilt gij hier wachten tot de maan hoog aan den hemel staat?”

»Totdat de laatste van al de duizende manen, die achter de bergen verdwijnen, ondergaat.”

»Goed dan. Wacht aan gene zijde van de beek, en breng hen naar uw huis, die u driemaal mijn naam noemen. Gij weet toch hoe ik heet?”

»Ik noem u de zilverster, maar zij noemen u met den naam Warda.”

»Juist! Gij brengt de vreemdelingen naar uwe hut, en wanneer zij daar door uw vader zijn opgenomen, komt gij terug om het mij mede te deelen. Ik houd hier aan de deur van de tent de wacht. Het spijt mij dat ik arm ben en het u niet vergelden kan, maar de prinses zal uw vader vorstelijk weten te beloonen. Wees waakzaam, Salich.”

Het meisje verdween en begaf zich naar de drijvers der gevangenen, wenschte hen even een genotvollen avond en ijlde daarna naar Bent-Anat terug, die haar met bezorgdheid over de volle lokken streek, en vroeg waarom zij toch zoo bleek zag. »Ga wat liggen,” zeide de prinses vriendelijk. »Gij hebt de koorts. Zie maar, Nefert, men kan de beweging van het bloed zien in de blauwe aderen op haar voorhoofd!”

Intusschen waren de drijvers aan het drinken. Zij prezen den koninklijken wijn en dezen gelukkigen dag. Toen Warda’s vader voorsloeg ook de gevangenen een slokje te laten proeven, riep een zijner gezellen: »Komaan dan, het arme vee mag zich ook wel eens vroolijk maken.”

De roodbaard vulde een grooten beker en reikte dezen het eerst aan een falsaris, die met den man die hem had aangegeven was saamgeklonken. Daarop naderde hij Pentaoer en fluisterde hem in het oor: »Drink niet, maar blijf wakker!” Toen hij ook naar den arts wilde gaan om dezen te waarschuwen, kwam een zijner gezellen hem voor en riep, terwijl hij Nebsecht den beker toestak: »Daar roerdomp, drink ook eens! ― Kijk eens hoe hij slurpt! Thans kan zich zijn stotterend mondwerk vlug genoeg bewegen.”

VIJFDE HOOFDSTUK.

Nadat de drinkende soldaten een uur in uitgelaten vroolijkheid hadden doorgebracht, begonnen zij zich al meer en meer vermoeid te gevoelen. De maan stond nog niet hoog aan den hemel, toen allen reeds waren ingeslapen, behalve Kaschta en Pentaoer. De eerste stond voorzichtig op, luisterde naar de ademhaling van elk zijner gezellen, naderde daarop den dichter, ontsloot de ringen, waarmede de ketting aan zijne en Nebsecht’s enkels bevestigd was, hoewel hij te vergeefs beproefde den arts te wekken.

»Volg mij,” riep hij den dichter toe, nam Nebsecht op zijne schouders en haastte zich naar de plek aan de beek, die Warda hem had uitgeduid.

Zoodra hij driemaal den naam zijner dochter had genoemd, kwam de jonge Amalekiet te voorschijn. »Volg dezen,” riep de soldaat den dichter toe, »voor den arts zal ik wel zorgen.” »Hem laat ik niet achter!” zeide Pentaoer beslissend. »Mogelijk kan het water hem wakker maken.”

Zij dompelden Nebsecht in de beek, die zoowat half ontwaakte en door zijne begeleiders, nu eens ondersteund dan weder gedragen, langs het ruwe rotspad wankelend en struikelend naar boven werd gebracht, zoodat zij met hem voor middernacht aan het doel hunner wandeling, de hut van den Amalekiet, aanlandden.

De oude jager sliep reeds, maar zijn zoon wekte hem, en deelde hem mede wat Warda hem gezegd en beloofd had. Doch de brave bergbewoner behoefde door geen uitzicht op belooning tot gastvrijheid opgewekt te worden. Hij ontving den dichter met trouwhartige vriendelijkheid, legde den arts, die weder vast was ingeslapen, op eene mat neder, en spreidde Pentaoer een leger van loof en dierenvellen. Hij riep zijne dochter, liet hem de voeten wasschen, en toen hij de lompen zag die zijn lichaam bedekten, gaf hij hem zijn eigen feestkleed.

Pentaoer vlijde zich op dit eenvoudig rustbed neder, dat hem zachter voorkwam dan het zijden bed eener koningin. Toch kon hij den slaap niet vatten. De afwisselende aandoeningen, die zijn hart vervulden, overmeesterden en verwarden zijn verstand. De sterren stonden nog aan den hemel, toen hij van zijn leger opsprong en, nadat hij den arts daarop had nedergelegd, naar buiten snelde.

Naast de woning van den jager ontsprong eene frissche bron. Hij ging daarheen en dompelde zijn gezicht in het ijskoude water. Daarna liet hij het een en andermaal over zijn gansche lichaam stroomen. Het kwam hem voor, dat hij zich tot in het diepst zijner ziel moest reinigen, niet enkel van het stof van zoovele weken, maar ook van spijt en moedeloosheid, van smaad en bitterheid, van elke aanraking met al wat laag en gemeen is. Toen hij eindelijk de bron verliet en naar de hut terugkeerde, gevoelde hij zich zoo rein als aan den morgen van een feestdag in het Seti-huis, wanneer hij zich gebaad en frissche kleederen van sneeuwwit linnen aangetrokken had. Hij greep nu naar het feestkleed van den jager, trok het aan en ging toen weder verder onder den blooten hemel.

Voor hem verhieven zich ontzaglijke rotsgevaarten als zwarte onweerswolken, en daarboven welfde zich de donkerblauwe hemel, waaraan duizenden sterren vonkelden. Het zalig gevoel van vrijheid en reinheid verhief zijne ziel, en de lucht die hij inademde was zoo frisch en fijn, dat hij, als door vleugels of onzichtbare handen gedragen, langs het steile pad naar de donkere massa van bergtoppen opklom.

Hij ontmoette een steenbok, die schuw voor hem uit den weg ging. Het beest beklauterde vluchtend met zijn wijfje een steilen rotswand. Hij riep het echter toe: »Ik zal u niets doen, ik niet.”

Toen hij op een klein plateau, aan den voet van een veeltandigen graniettop, was aangekomen, bleef hij stilstaan. Wederom hoorde hij eene bron in zijne nabijheid murmelen. Het gras, dat door zijne voeten werd betreden, was vochtig en met eene dunne glinsterende ijslaag bedekt, waarin de sterren zich spiegelden, die gaandeweg begonnen te verbleeken. Hij zag op naar de nimmer rustende en toch eeuwig stilstaande hemellichten. Hij liet zijn blik dwalen langs de toppen der bergen, in de diepte en de oneindige verte.

Langzamerhand kwam er licht in de duisternis. Het verdwijnen van den nacht bracht teekening in de donkere massa. Al duidelijker traden de vormen van het gebergte te voorschijn met zijne schemerende toppen, omgeven door lichte wolkjes, gelijk aan den rook van een smeulend vuur. Uit de oase en de andere dalen aan zijne voeten stegen grijze dampen op. Eerst hingen zij zwaar en in groote massa neder, daarna verdeelden zij zich en zweefden als spelende wolkjes tot hem en den helderen hemel op.

Laag beneden hem dreef een groote adelaar op zijne wieken, het eenig levend wezen, dat zijn oog in den ganschen omtrek bespeurde. De geheele natuur rondom hem bewaarde een plechtig stilzwijgen, dat door geen geluid werd gestoord. En toen de adelaar neerstreek en uit zijn oog verdween, toen de nevelen al lager schenen te zinken, zeide hij tot zichzelven, dat hij hier alleen stond, hoog verheven boven al het geschapene; dat hij de godheid nabij was.

Eene diepe ademtocht bewoog zijne borst. Hij gevoelde zich gestemd als in de ure, die op zijne wijding was gevolgd, toen hij voor het eerst in het allerheiligste was geleid. Maar het was toch nog iets geheel anders. In plaats van zware wierookgeuren, ademde hij thans eene reine en fijne lucht in, en machtiger dan weleer het gezang der priesters, greep hem hier de indrukwekkende stilte van dit gebergte in de ziel. Het kwam hem voor dat de godheid thans zelfs het geringste stamelen van zijne lippen moest vernemen. En toch was zijn hart zoo vervuld van eerbied en dankbaarheid, dat het hem drong in een luid gezang uitdrukking te geven aan al de verhevene aandoeningen die hem overweldigden. Maar zijn mond verstomde, en zwijgend knielde hij neder om te bidden en te danken.

Eerbiedig zag hij rondom zich heen. Waar was hier het oosten, dat in Egypte door eene lange heuvelreeks zoo duidelijk was aangewezen? Ja, daar ginds, waar thans boven de oase de hemel. begon op te klaren. Aan zijne rechterhand lag het zuiden, het heilige land van den Nijl en van de goden der watervallen. Doch hier golfde geen waterstroom; en waar was hier een plekje voor de zichtbare werkzaamheid van Osiris en Isis, en voor den uit eene lotusbloem te midden van het dichte papyrus-riet opwassende Horus, of voor de zegenende godinnen Rennoet en Zefa[311]! Tot welke van al de godheden kon hij hier de handen opheffen?

[311] De godinnen van den oogst en van de voedingsmiddelen. Rennoet is meestal gekenmerkt door de Uraeus-slang die, het menschelijk hoofd vervangt. Met den naam van Zefa wordt in de teksten een overvloed van voedsel aangeduid. Vert.

Er verhief zich een zachte luchtstroom; de nevelen losten zich op, gelijk rustelooze schaduwen voor het woord van den bezweerder. De kroon van den heiligen berg Sinaï met zijne vele inzinkingen vertoonde zich aan zijn oog in scherpe omtrekken, en beneden hem kwamen de kronkelingen der dalen en verder de donkerkleurige, zachtbewogen oppervlakte der zee steeds duidelijker te voorschijn. Alles bleef stil. Zonder door eene menschelijke hand te zijn aangeraakt, was alles zoo wonderbaar samengevoegd tot een groot en heerlijk geheel. Maar was alles niet aan de wetten van het Al onderworpen, alles niet vol van de godheid?

Hij wilde zijne handen dankbaar opheffen tot Apheroe[312], den wijzer der wegen; maar hij gevoelde zich daartoe niet in staat. De goden, wier lof hij zoo dikwijls aan het volk had verkondigd in bezielende woorden, en die toch alleen aan de boorden van den Nijl beteekenis, een vaderland, een gebied voor hunne heerschappij bezaten, schenen hem nu zoo oneindig klein toe.

[312] Apheroe is wegwijzer, een vorm van Anubis, door den jakhals vertegenwoordigd. Hij werd meer bijzonder in de stad en den nomos Chesschent of Lycopolis in Opper-Egypte vereerd. Vert.

»Tot u,” prevelde hij, »bid ik niet! Hier, waar mijn blik als die eener godheid het oneindige omvat, hier voel ik den Eenen, hier is hij mij nabij, hier roep ik hem aan, hier wil ik hem danken!”

En wederom verhief hij zijne handen en bad overluid: »Gij Eenige! ― Gij Eenige! ― Gij Eenige!”

Meer kon hij niet uitbrengen, maar een verheven lof- en danklied vervulde zijn borst, terwijl hij deze woorden uitsprak.

Toen hij eindelijk oprees, zag hij een man naast zich staan van hooge gestalte, met doordringde oogen. Zijn uiterlijk was vol waardigheid als dat eens konings, ofschoon hij een eenvoudig herderskleed droeg.

»Heil u!” zeide de onbekende, op diepen en plechtigen toon. »Gij zoekt den waren god.”

Pentaoer sloeg een onderzoekenden blik op den zwaar gebaarden man. »Nu herken ik u,” zeide hij ten laatste. »Gij zijt Mesoe[313]. Ik was nog maar een knaap, toen gij het Seti-huis verliet, maar uwe trekken bleven onuitwischbaar in mijne ziel geprent. Even als u, heeft Ameni ook mij ingewijd in de leer van den Eenen.”

[313] De Egyptische naam van Mozes.

»Hij kent hem niet,” antwoordde de andere, nadenkend, en zag naar den oostelijken gezichteinder, die reeds helderder begon te lichten.

Daar kleurde zich den hemel purperrood en de toppen van den met een ijssluier omhangen granietberg begonnen te vonkelen en stralen te schieten, zooals een donkere diamant, die de zonnestralen heeft ingedronken. De zon werd zichtbaar, en Pentaoer keerde zijn aangezicht naar het groote hemellicht, om te bidden zooals hij gewoon was.

Toen hij weder opstond, knielde ook Mesoe neder, maar hij keerde zich van de zon af.

Na zijn gebed voleindigd te hebben, vroeg Pentaoer hem: »Waarom hebt gij u afgewend van de verschijning van den zonnegod? Ons werd toch geleerd hem tegen te zien als hij nadert.” »Omdat ik,” antwoordde zijn metgezel ernstig, »tot een ander bid dan gij. De zon en alle gesternten zijn in zijne hand, wat de ballen zijn voor spelende kinderen. De aarde is de voetbank zijner voeten, de stormwind is zijn adem, en de zee is in zijne oogen het drupje gelijk, dat aan dit grasscheutje hangt.”

»Leer mij dien machtige kennen, tot wien gij bidt,” zeide Pentaoer.

»Zoek hem!” hernam de ander, »en gij zult hem vinden, want gij komt uit de school van het lijden en de beproeving. Op deze plaats, op een morgen als dezen, heeft hij zich aan mij geopenbaard.”

De vreemdeling keerde zich om, en weldra verdween hij achter eene rots voor het oog van den dichter, die nadenkend in de verte staarde.