Warda: Roman uit het oude Egypte
Part 4
»Hij zal niet gaarne medegaan naar den Paraschiet, want die is arm, en de oude zou eer die schorpioenen-familie in gindschen pot aangrijpen, dan een stuk brood aannemen uit de hand van een onreine. Zeg hem, dat hij mij mag komen halen en mijn wijn opdrinken. Daar staan de porties nog van drie dagen. Bij de tegenwoordige hitte benevelt de drank mijne oogen te zeer. Woont de Paraschiet in het noorden of zuiden van den Nekropolis?”
»Ik meen in het noorden. ― Paäker, de gids des konings, zal u den weg wijzen.”
»Hij?” hernam de geleerde spottend. »Wat staat er dan toch heden in den kalender[28]? Een Paraschieten-kind moet als eene prinses behandeld worden, en een arts geleid, alsof hij de pharao was in eigen persoon! Ik had echter mijne drie overkleederen maar moeten aanhouden.”
[28] Er zijn nog kalenders bewaard; de volledigste vindt men in den papyrus-Sallier IV, door F. Chabas uitgegeven en verklaard. Bij elken dag staat aangeteekend, of hij gunstig is of niet, enz. In de tempels heeft men een groot aantal feestkalenders gevonden. De volledigste, van Medinet-Haboe, werd uitgegeven door Dümichen.
»De nacht is warm,” zeide Pentaoer.
»Doch Paäker heeft zonderlinge gewoonten. Eergisteren werd ik bij een armen jongen geroepen, dien hij met zijn staf het sleutelbeen kort en klein had geslagen. Als ik een paard van de prinses was geweest, zou ik liever hem dan zoo’n arm meisje hebben getrapt.”
»Ik ook!” hernam Pentaoer lachend, en verliet het vertrek, om den tweeden profeet van den tempel, Gagaboe, die tegelijk het hoofd der artsen in het Seti-huis was, te verzoeken zijn vriend den blinden Pastophoor Teta, als litanieën-zanger mede te geven.
VIERDE HOOFDSTUK.
Pentaoer wist zeer goed, waar hij den aanzienlijken priester zoeken moest, want hijzelf was bij het gastmaal genoodigd, dat deze had aangericht ter eere van twee nieuwe geleerden, die uit de hoogeschool van Chennoe[29] in het Seti-huis waren overgeplaatst. In een open hof, door bont beschilderde houten zuilen omgeven en door vele lampen verlicht, zaten de smullende priesters in twee lange rijen op gemakkelijke leuningstoelen. Voor ieder was een tafeltje geplaatst, en vlugge dienaars waren druk in de weer, hen van spijzen en dranken te voorzien, die in grooten overvloed gereed stonden op een soort van buffet in het midden van den hof. Men zag er gazellenbouten[30], gebraden ganzen en eenden, vleeschpastijen, artisjokken, asperges en andere groenten, voorts allerlei soorten van koeken en suikergebak. De gasten werden van alles bediend en hunne bekers telkens tot den rand gevuld met de fijnste wijnen, waaraan nooit gebrek was in de luchtige schuren[31] van het Seti-huis. Na het ronddienen van elk gerecht gingen de dienaars met metalen bekkens en fijn geweven handdoeken rond, opdat ieder zich de handen kon wasschen. Toen de honger gestild was begon men lustiger te drinken, en iederen gast werden welriekende bloemen aangeboden, welker geur het gesprek scheen te verlevendigen. Allen die aan dit gastmaal deelnamen droegen lange sneeuwwitte kleederen, en behoorden tot de ingewijden in de mysteriën. Zij waren derhalve de aanvoerders der verschillende priesterorden van het Seti-huis.
[29] Gelegen bij eene stroomversmalling van den Nijl, niet verre van de Nubische grenzen, tegenwoordig Gebel Silsileh geheeten, oudtijds beroemd door eene bloeiende priesterschool.
[30] De gazellen werden tot huisdieren getemd. Op de monumenten vinden wij ze onder de kudden van rijke Egyptenaars en onder het slachtvee. Dit gastmaal is beschreven naar de afbeeldingen, zooals men er vele in de graven heeft aangetroffen.
[31] De kelders zijn in Egypte heet, men kan den wijn dus het best in de schaduw van luchtige schuren bewaren.
De tweede profeet Gagaboe, aan wien heden de leiding van het feest was opgedragen door den opperpriester, die zich bij zulke gelegenheden altijd maar voor enkele oogenblikken vertoonde, was een klein, stevig gebouwd man, met een kalen bijna kogelronden schedel. Zijne gelaatstrekken waren goed gevormd, hoewel hij al oud begon te worden, en zijne gladgeschoren bolle wangen goed gevuld. Met zijne grijze oogen zag hij vroolijk en opmerkzaam in het rond, en zij tintelden van vuur wanneer hij zich opgewekt gevoelde, en zijne dikke zinnelijke lippen begonnen te trillen. Naast hem stond de prachtige maar ledige zetel van den opperpriester Ameni, en aan zijne andere zijde waren de uit Chennoe overgeplaatste priesters gezeten, twee deftige bejaarde mannen, met donkerkleurige huid. Aan de overige gasten waren plaatsen aangewezen naar den rang, dien zij bekleedden bij het priestercollege van den tempel, en die afhankelijk was van hun leeftijd.
Was er bij het plaats nemen der dischgenooten streng op de rangorde gelet, toch stond het ieder vrij aan het gesprek deel te nemen, zoo vaak hij maar wilde. »Wij weten onze beroeping naar Thebe op prijs te stellen,” zeide Toeauf, de oudste der twee priesters, die uit Chennoe naar het Seti-huis was overgeplaatst, en wiens leerbrief[32] in de scholen dikwijls werd geraadpleegd. »Aan den eenen kant brengt zij ons in de nabijheid van den pharao wien de godheid leven, heil en gezondheid geve! Aan den anderen kant schenkt zij ons de eer in uw kring opgenomen te worden. Ofschoon ook het college van Chennoe in vroeger tijd menig beroemd man tot de zijnen rekende, en het voorrecht had dien in zijne scholen te vormen, zoo kan het tegenwoordig toch niet meer met het Seti-huis wedijveren. Zelfs Heliopolis en Memphis moeten voor u de vlag strijken. Indien ik mij desniettemin in alle nederigheid en vol goeden moed durf scharen in de rij van zooveel groote mannen, dan is het omdat ik uw welslagen toeschrijf èn aan de goddelijke kracht, die in uw tempel werkt, en ook mijne zwakke pogingen zal ondersteunen, èn aan uwe groote bekwaamheden zoowel als aan uwe inspanning. Aan de laatste zal het hoop ik, ook mij niet ontbreken. Reeds zag ik den opperpriester Ameni. Welk een man! Wie kent uw naam niet Gagaboe; wie niet den uwen, Meriapoe!”
[32] Sommigen zijn bewaard gebleven.
»En wie uwer,” vroeg de andere nieuweling, »mogen wij begroeten als den dichter van de schoonste hymne aan Amon, welke ooit in het sykomoren-land gezongen is? Wie uwer is Pentaoer?”
»Die ledige stoel daar ginds,” gaf Gagaboe ten antwoord, wijzende op een zetel aan het benedeneinde, »staat op hem te wachten. Hij is de jongste van ons allen, maar eene schoone toekomst wacht hem.”
»En niet minder zijne gezangen,” voegde de oudste der uit Chennoe gekomen geleerden er bij.
»Zonder twijfel,” sprak de eerste voorzitter der Horoscopen[33], een bejaard man met een vervaarlijken grijzen kroeskop, die te zwaar scheen voor zijn dunnen hals, waarschijnlijk zoo lang uitgerekt, omdat zijne dagelijksche bezigheden was naar teekenen uit te zien. »Zonder twijfel,” zeide hij, terwijl zijne oogen in hunne hooggewelfde kassen van fanatisme vonkelden, »hebben de goden onzen jongen vriend rijke gaven verleend. Doch wij zullen nog moeten afwachten hoe hij ze gebruiken zal. Ik heb bij dezen jongeling zekere ongebondenheid van den geest opgemerkt, die mij doet vreezen. Wanneer hij dicht, dan blijft zijne buigzame taal wel binnen de voorgeschreven vormen, maar zijne gedachten gaan blijkbaar veel verder. In zijn hymne, die ook voor de ooren des volks bestemd is, vind ik uitdrukkingen, die men met den naam van verraad aan de mysteriën zou kunnen bestempelen, niettegenstaande nog zoo weinige maanden zijn voorbijgegaan, sedert hij ze bezworen heeft. Daar zegt hij, en wij zingen het hem na en de leeken hooren het:
Eenig zijt Gij, Gij Schepper der wezens En alleen Gij, die ’t al maakt wat geworden is.
En verder:
Hij is eenig, alleen, zonder gelijken, Wonende in het Allerheiligste[34].
[33] Leden van eene priesterorde in de Egyptische hiërarchie, die zich met de studie der hemellichamen, tijdrekenkundige verklaring van uurteekens, enz. bezig hield.
[34] Uit de hymne van Amon, bewaard op een papyrus, die te Boelaq aanwezig is. Grebaut en L. Stern hebben dien verklaard.
Zulke plaatsen moesten niet openlijk gezongen mogen worden, allerminst in een tijd als de onze, nu er toch reeds zooveel nieuwigheden uit den vreemde binnendringen, als de sprinkhaanzwermen die uit het oosten komen.”
»Dat is mij uit het hart gesproken!” riep de schatmeester des tempels. »Ameni heeft dezen jongeling te vroeg in de mysteriën ingewijd.”
»Op voordracht van mij, zijn leermeester,” zeide Gagaboe. »Ons gezelschap mag trotsch zijn op een medelid, dat den roem van onzen tempel zoo schitterend verhoogt. Het volk hoort zijne hymnen, maar dringt niet door tot den diepen zin zijner woorden. Ik zag de leeken nooit zoo aandachtig, als toen het diep gevoelde en schoone loflied gezongen werd bij het feest van den trap[35].”
[35] Een groot feest, dat bijzonder luisterrijk werd gevierd in de Nekropolis, in den tempel van Medinet Haboe.
»Pentaoer was sedert lang uw lieveling,” riep de voorzitter der Horoscopen. »Vele dingen, die ge u van hem laat welgevallen zoudt gij anderen niet veroorloven. Zijne hymne is in mijn oog en ook dat van anderen een gevaarlijk gewrocht. Of kunt gij loochenen, dat er grond bestaat om ernstig bezorgd te zijn; dat wij dingen zien gebeuren en veranderingen plaats grijpen, die ons in den weg treden, en eindelijk ons te machtig zullen worden, wanneer wij ze niet onverbiddelijk bestrijden, zoolang het nog tijd is?”
»Gij draagt zand in de woestijn en strooit suiker op den honing,” hernam Gagaboe, en zijne lippen begonnen te beven. »Er is thans niets meer zooals het wezen moest, en wij zullen hard moeten vechten, niet met zwaarden, maar hiermede en daarmede” ― en de levendige man sloeg zich terwijl hij dit zeide op het voorhoofd en den mond. »Wie is er hier en dáar beter toegerust dan mijn leerling? Hij zal een voorvechter zijn voor onze zaak, een tweede Hor Hoet, die als gevleugelde zonneschijf den booze ter aarde wierp. Daar komt gij nu en wilt hem de vleugels binden, en zijne klauwen afsnijden! Ach, Ach! Kunt gij mannen dan nooit leeren begrijpen, dat een leeuw harder brult dan een kater, en de zon helderder schijnt dan eene traanlamp? Laat mijn Pentaoer ongemoeid, zeg ik u, anders handelt gij als de man, die zich als vrees voor tandpijn de gezonde tanden liet uittrekken. Helaas! wij zullen in de eerst volgende jaren wat te bijten krijgen, dat de stukken vleesch eraf vliegen en het bloed stroomt, wanneer wij niet willen beleven, dat men ons opeet.”
»De vijand is ook ons niet onbekend gebleven,” zeide de Chennoe-priester Toeauf, »niettegenstaande wij aan de afgelegen zuidelijke grens des rijks veel van ons verwijderd kunnen houden, wat in het noorden als een kanker aan ons lichaam knaagt. Het vreemde wordt hier ternauwernood meer voor onrein en typhonisch[36] gehouden.”
[36] Wat Typhon of Seth toebehoort.
»Ternauwernood?” riep de voorzitter der Horoscopen. »Het wordt hierheen gelokt, liefgekoosd en vereerd. Evenals stof, wanneer de heete woestijnwinden waaien door de naden van een houten huis, zoo dringt het door tot onze zeden en in onze taal[37]. Onze huizen, zelfs den tempel sluipt het binnen, en op den troon van den navolger van Ra zetelt een afstammeling....”
[37] In geen tijdperk gebruikten de Egyptische schrijvers meer vreemde Semitische woorden, dan onder de regeering van Ramses II en zijn zoon Mernephtah.
»Vermetele!” zoo deed zich op eens de stem van den opperpriester hooren, die juist de zaal was binnengekomen. »Bedwing uw tong en waag het niet dien te gebruiken tegen hem, die onze koning is, en als plaatsvervanger van Ra in deze landen den scepter voert.”
De voorzitter der Horoscopen zweeg en boog. Alle feestgenooten waren inmiddels opgerezen om Ameni te begroeten, die hen vriendelijk en vol waardigheid toeknikte. De opperpriester nam plaats op zijn zetel, en zich tot Gagaboe wendende, vroeg hij kalm: ― »Ik zie dat gij in eene stemming verkeert, die ons priesters weinig voegt. Wat verstoorde het evenwicht uwer zielen?”
»Wij spraken over de nieuwigheden, die met alle geweld Egypte binnendringen, en hoe noodig het wordt hieraan weerstand te bieden.”
»Gij zult mij in de eerste gelederen zien strijden,” zeide Ameni.
»Veel hebben wij reeds gedragen, doch er zijn nieuwe tijdingen uit het noorden gekomen, die mij zeer verontrusten.”
»Hebben onze troepen eene nederlaag geleden?”
»Zij behielden het veld. Maar andere duizendtallen onzer landslieden zijn in veldslagen en op marschen een offer des doods geworden. Ramses vraagt nieuwe hulptroepen. De gids Paäker heeft mij een brief gebracht van onzen ambtgenoot, die in de omgeving des konings is, en den stadhouder een van den pharao zelven, het bevel inhoudende hem vijftigduizend strijdbare mannen te zenden. Daar echter de geheele caste der krijgslieden en alle troepen der verbonden volken reeds onder de wapenen staan, moeten de onderhoorigen van den tempel, die onze akkers bebouwen, worden gelicht en naar Azië gezonden.”
Bij het vernemen dezer woorden werden algemeen teekenen van afkeuring gegeven. De voorzitter der Horoscopen stampvoette en Gagaboe vroeg: »Wat denkt gij te doen?”
»Alles gereed te maken om het koninklijk bevel uittevoeren,” antwoordde Ameni, »en onverwijld de hoofden van alle tempels in de Amonstad tot eene raadsvergadering bijeen te roepen. Ieder moet in zijn allerheiligste de godheid om wijze inzichten bidden. Hebben wij een besluit genomen, dan zal het eerste zijn wat ons te doen staat, den stadhouder op onze zijde te brengen. Wie was er gisteren tegenwoordig bij zijne gebeden?”
»De beurt was aan mij,” zeide de voorzitter der Horoscopen.
»Volg mij na den maaltijd in mijne woning,” beval Ameni. »Maar waarom mis ik onzen dichter in uwen kring?”
Op ditzelfde oogenblik verscheen Pentaoer in de zaal en verzocht, nadat hij zich ongedwongen en waardig voor de dischgenooten, en diep voor Ameni gebogen had, hem toe te staan den blinden Pastophoor Teta met den arts Nebsecht naar het dochtertje van den Paraschiet te mogen zenden. Ameni gaf een teeken van toestemming en voegde er bij: »Zij moeten zich wat haasten. Paäker wacht hen aan de groote poort en zal hen met mijn wagen wegbrengen.”
Zoodra Pentaoer de gasten verlaten had, sprak de oudere priester uit Chennoe, terwijl hij zich tot Ameni wendde: »Waarlijk, heilige vader, zoo en niet anders heb ik mij uw dichter voorgesteld. Hij gelijkt den zonnegod en zijne houding is die van een vorst. Hij is gewis van aanzienlijke afkomst?”
»Zijn vader is een eenvoudige hovenier,” antwoordde de opperpriester, »die het land, dat hem door onzen tempel wordt toegewezen, ijverig en goed verzorgt. Overigens munt hij niet uit door eene edele gestalte en is hij vrij onbeschaafd. Hij zond Pentaoer reeds vroeg naar de school[38]. De knaap had een voortreffelijken aanleg, en wij voedden hem op tot hetgeen hij nu is.”
[38] Het blijkt uit meer dan éen papyrus met zekerheid, dat ook de zonen van mindere lieden, in zooverre zij aan de gestelde bepalingen voldeden, in den priesterstand konden opgenomen worden. Afgeslotene casten, zooals de Indiërs, hadden de Egyptenaars niet.
»Welke ambten bekleedt hij hier in den tempel?”
»Hij geeft onderricht aan de oudste kweekelingen van de hoogeschool in de spraakleer en de welsprekendheid. Hij is ook een uitmuntend waarnemer van den sterrenhemel en de scherpzinnigste onder onze droomuitleggers,” gaf Gagaboe ten antwoord. »Doch daar is hij weder terug. Naar wien moet Paäker onzen stamelenden chirurg en zijn medehelper heenbrengen?”
»Naar het dochtertje van den Paraschiet, dat overreden is,” sprak Pentaoer. »Maar wat is die gids een ruw man! Mijne gehoorvliezen doen nog pijn van zijn stemgeluid, en hij begroette onzen arts, alsof deze zijn slaaf ware.”
»Hij was gemelijk over den last, dien de prinses hem opdroeg,” merkte de opperpriester vergoelijkend op. »Het is echter jammer, dat ’s mans oprechte vroomheid tot hiertoe zijn onvriendelijken gemoedsaard niet wat heeft verzacht.”
»Dit is te meer te verwonderen,” bracht een bejaarde priester in het midden, »daar zijn broeder, die mij tot zijn leermeester koos en ons voor eenige jaren verliet een zeer beminnelijke jongen was, die zich gemakkelijk liet leiden.”
»En zijn vader,” voegde Ameni er bij, »was een voortreffelijk man, kloek in het handelen, en daarbij zeer vrijzinnig.”
»Zoo zal hij die kwade eigenschappen van zijne moeder geërfd hebben.”
»Ook dit is niet het geval. Zij is eene zachtaardige, voorkomende, gevoelige vrouw.”
»Moet dan,” vroeg Pentaoer, »een kind, altijd op zijne ouders gelijken? Men zegt toch dat de zonen van den heiligen stier nog nooit het heilig teeken huns vaders hebben gedragen.”
»Derhalve, als Paäker’s vader een Apis was,” zeide Gagaboe, »dan behoorde de gids naar uw oordeel, helaas, in een boerenstal te huis!”
Pentaoer sprak niet tegen, maar vervolgde lachend: »Hij is zichzelf gelijk gebleven, sedert hij de schoolbanken verliet, toen zijne makkers hem wegens zijne stugheid den woudezel noemden. Hij was sterker dan de meesten hunner, en toch kenden zij geen grooter genot, dan hem woedend te maken.”
»Kinderen zijn onmeedoogend,” sprak de opperpriester. »Zij letten alleen op de uitwendige verschijnselen en vragen nooit naar hunne oorzaken. De gebrekkig ontwikkelde is in hun oog even schuldig als de trage, en Paäker had geene eigenschappen, die hem aanspraak konden geven op hunne toegevendheid. Ik ben een voorstander” ― en Ameni richtte bij deze woorden zijn oog op de priesters van Chennoe ― »van vrijheid en vroolijkheid onder onze kweekelingen, legt men hunne jeugdige dartelheid aan banden, dan verlamt men juist hetgeen ons bij de opvoeding het meest te stade komt. De uitspattingen van de neigingen en driften der knapen kunnen het zekerst en het minst pijnlijk worden uitgeroeid bij hunne wilde spelen. De schoolknaap is de beste opvoeder van zijne makkers.”
»Doch Paäker,” merkte de priester Meriapoe aan, »is door den overmoed zijner medescholieren niet beter geworden. In voortdurenden strijd met hen is die onhandelbaarheid steeds toegenomen, waardoor hij een schrik is van allen die onder hem gesteld zijn, en vele harten van hem vervreemd.”
»Hij was de ongelukkigste van het groot aantal jongens,” vervolgde Ameni weder, »dat aan mijne zorg werd toevertrouwd, en ik meen de oorzaak er van doorgrond te hebben. Hij miste den eenvoudigen kinderzin, toen hij naar zijn leeftijd nog kind was, en de godheid onthield hem de hemelsche gave der onbedachtzaamheid. De jeugd moet met weinig tevreden zijn, en hij deed reeds van kindsbeen allerlei hooge eischen gelden. De grappen van zijne medeleerlingen nam Paäker in ernst op, hunne scherts hield hij voor dwaasheid, hunne plagerijen voor bewijzen van vijandschap, en zijn vader, die op het punt van opvoeding zeer bekrompen was, prikkelde hem tot tegenstand, in plaats van hem te leeren toegeven, meenende dat hij op deze wijze zich zou harden tot het leven vol strijd en inspanning van een Mohar.”
»Ik heb dikwijls hooren gewagen van de daden van zulk een Mohar”[39], zeide de oudste der Chennoe-priesters. »Toch weet ik niet juist wat zijn ambt van hem vordert.”
[39] Wij kennen de zware taak van den Mohar (held) en zijne verplichtingen nauwkeurig uit den papyrus-Anastasi I in het Britsch Museum, voortreffelijk uitgegeven door F. Chabas in zijne =Voyage d’un Egyptien=.
»Hij moet,” antwoordde Gagaboe, »met eene keurbende van onverschrokken manschappen het vijandelijk land doorkruisen, ten einde zich op de hoogte te stellen van den aard en het aantal der bevolking, alsmede de richting van bergen en dalen en den loop der rivieren onderzoeken. De waarnemingen, zorgvuldig door hem opgeteekend, moet hij den bestuurder der oorlogszaken[40] overhandigen, die daarnaar de marschen zijner troepen regelt.”
[40] Men kan hem met onzen minister van oorlog vergelijken. Reeds in den vroegsten tijd komt deze waardigheid op de gedenkteekenen voor.
»Derhalve moet de Mohar wel zeer knap zijn, èn als krijgsman èn als schrijver.”
»Juist; en Paäkers vader is niet alleen een held maar tevens een schrijver geweest, wiens duidelijke berichten, die blijken droegen van groote kennis van zaken, ons in staat stelden het land dat hij doorreisd had te overzien, als beschouwden wij het van een bergtop. Hij was de eerste, die den naam van Mohar ontving. De koning achtte hem zóo hoog, dat hij alleen van hem en den bestuurder der krijgsaangelegenheden bevelen had te wachten.”
»Behoorde hij tot een adellijk geslacht?”
»Tot een der oudste en edelste van het geheele land,” antwoordde de voorzitter der Horoscopen. »Zijn vader was de dappere krijgsman Assa, en nadat hijzelf tot groot aanzien was gekomen en vele schatten had verworven, huwde hij de nicht van koning Hor-em-heb, die evengoed als de stadhouder aanspraak op den troon zou hebben, wanneer niet de grootvader van Ramses haar geslacht door geweld van de heerschappij had beroofd.”
»Pas op uw woorden,” zeide Ameni, den heftigen grijsaard in de rede vallende. »Ramses I is en blijft de grootvader van den regeerenden koning, in wiens aderen door zijne moeder het bloed vloeit van de echte nakomelingen van den zonnegod.”
»Maar nog meer en zuiverder stroomt het door de aderen van den stadhouder,” waagde de Horoscoop nog hiertegen in te brengen.
»Nochtans draagt Ramses de kroon,” riep Ameni, »en hij zal die dragen, zoolang de goden het willen. Bedenk dat gij reeds grijze haren hebt, en dat oproerige woorden gelijk zijn aan vonken, die met den wind wegwaaien, doch wanneer zij ongelukkig terecht komen, ons huis in brand kunnen steken. ― Geniet nu verder van den maaltijd, mijne vrienden, alleen bid ik u dezen avond niet meer over den koning en de nieuwe verordening te spreken. ― Gij, Pentaoer, vervul morgen stipt en met wijs overleg mijn bevel!”
De opperpriester nam hierop van de gasten afscheid. Zoodra de deur achter hem gesloten was, zeide de priester uit Chennoe, Toeauf: »Wat wij zooeven omtrent den koninklijken wegwijzer, die zulk een gewichtig ambt bekleedt, vernomen hebben, heeft mij niet weinig verwonderd. Munt hij dan uit door bijzondere scherpzinnigheid?”
»Hij was een blokker die maar een middelmatigen aanleg bezat.”
»Is dan de waardigheid van Mohar erfelijk, evenals die van de vorsten des rijks?”
»De hemel beware ons!”
»Maar hoe kon dan...?”
»Het gebeurde zooals het wel meer gaat,” viel de oude Gagaboe den vrager in de rede. »De zoon van den wijngaardenier heeft den mond vol druiven, en het kind van een portier weet de sloten met woorden te openen.”
»In elk geval,” voegde een oudere priester, die tot hiertoe gezwegen had, er bij, »heeft Paäker zich als Mohar verdienstelijk gemaakt, en bezit hij eigenschappen, die allen lof verdienen. Hij is taai en onvermoeid, laat zich door geen gevaar uit het veld slaan, en onderscheidde zich reeds als knaap door zijne vroomheid en groote werkzaamheid. Wanneer de andere scholieren hun zakgeld naar de fruitverkoopers en suikerbakkers aan de tempelpoort brachten, kocht hij ganzen, en wanneer zijne moeder hem bijzonder rijkelijk met geschenken bedacht, jonge gazellen, om die op het altaar neer te leggen voor de hemelsche goden. Geen aanzienlijke des lands bezit een rijkere verzameling van amuletten en godenbeeldjes. Ook nog heden moet hij onder de godsdienstigsten worden gerekend, en de doodenoffers, die hij aan zijn gestorven vader wijdt, zijn inderdaad koninklijk te noemen.”
»Wij zijn hem voor deze gaven dank schuldig,” zeide de schatmeester, »ook is de wijze waarop hij zijn vader na diens dood vereert buitengewoon, en kan niet genoeg worden geroemd.”