Warda: Roman uit het oude Egypte

Part 39

Chapter 393,708 wordsPublic domain

De sombere schare bewoog zich voorwaarts alsof het zoovele schimmen waren, dàn alleen met het oor waar te nemen, wanneer een zacht gesteun aan de borst van een der gemartelden werd ontperst. De zandige weg maakte geen geluid, als de naakte voet van den wandelaar dien betrad. De bergen weigerden schaduw te geven. Het licht was hier eene plaag. Alles in het rond scheen onbezield, en toch den mensch vijandig. Wijd en zijd vertoonde zich op deze doodsche grauwe en bruine oppervlakte geen plant, geen worm. Zelfs geen vogel, die klapwiekend zich in de lucht verheft, lokte de bedrukten uit den blik eens omhoog te heffen.

Daags te voren, op den middag, waren zij met hunne lading van de havenbocht opgebroken. Twee uren lang waren zij voortgetrokken langs den oever van de Schelfzee, met hare helder blauwgroene wateren[288]. Zij hadden eene vooruitspringende rots moeten overtrekken, om daarna door eene smalle vlakte te marcheeren. Bij den ingang van het dal, dat naar de groeve leidde, werd nachtkwartier gehouden. De aanvoerders en de soldaten ontstaken vuren, schaarden zich daarom en legden zich in de bocht van eene rots te slapen neder. De gevangenen strekten zich midden in het dal op den bodem uit, ongedekt, ofschoon de vorst hen deed verstijven, toen de bittere koude van den nacht plotseling de gloeiende hitte van den dag verving. De half bevrozenen begroetten waarlijk de drukkende ellende van den dagelijkschen arbeid weder als eene verlossing, hoewel zij weinige uren te voren naar de rust van den nacht hadden gesmacht.

[288] De Roode zee, in ’t Hebreeuwsch en in ’t Koptisch de Schelfzee geheeten, heeft eene heerlijke blauw-groene kleur. Volgens de schrijvers der oudheid werd zij aldus genoemd, òf naar hare roode oevers, òf naar de Erythraeërs, „de Rooden,” die rondom hare kusten woonden. In een oud opschrift heet zij Atoer set Descher, d. i. de wateren van het Roode land. Zie Ebers =Durch Gosen=, u.s.w. S. 518, Anm. 37.

Alvorens men opbrak, werd onder de gevangenen linzenbrij en hard brood in overvloed uitgedeeld, maar het water werd hun toegemeten. Dan ging het weder verder door de bergengte, die al heeter en heeter werd, van het eene keteldal in het andere. In elk scheen het pad dood te loopen, maar overal werd een uitweg gevonden. Het pad liep onafgebroken door; het had geen einde, zoo min als de kwelling der ongelukkigen.

Sommige reusachtige rotswanden zagen er uit, als waren zij uit vierkante, rechthoekig gehouwen steenblokken laagsgewijze opgestapeld. Doch er was maar éen onder de mijnwerkers, maar éen die een oog had voor deze wonderbare vormen te midden van zoovele andere, waar in de natuur zich openbaarde. De schouders van dien éenen schenen sterker te zijn dan die zijner lotgenooten, en zijn last drukte maar weinig.

»In deze eenzame woestenij, die de menschen alle levensonderhoud weigert en hen van zich weert,” dacht hij bij zichzelven, »hebben de Chnemoe[289], de werklieden die de aarde bouwden, zich de moeite bespaard de voegen aan te vullen en de vormen behoorlijk af te ronden. Hoe komt het toch, dat men dit gruwzaam oord, waarin ook de menschenharten zonder eenig gevoel van medelijden schijnen te versteenen, gewijd heeft aan de goedige Hathor[290]? Misschien wel omdat deze plek het meest behoefte heeft aan de gaven van de vriendelijke godin der liefde en der vreugde.”

[289] Zie Dl. I bl. 82.

[290] Zie Dl. I bl. 8. De gedenkteekenen, die bij de beide voormalige steengroeven Wadi Maghara en Sarboet el Chadem op het Sinaïtisch schiereiland bewaard zijn gebleven, leeren, dat Hathor hier boven alle goden werd geëerd.

»Blijf in het gelid, Hoeni!” riep een der drijvers op strengen toon.

Hij die alzoo toegesproken werd, sloot zich dichter aan bij den man die naast hem liep, den zuchtenden arts Nebsecht.

Wij kennen den sterken gevangene. Het is Pentaoer, die op de lijst der mijnwerkers onder den naam Hoeni voorkwam, en alzoo aangeroepen werd.

De tocht ging verder. De rotsen werden steeds steiler. Op den weg, die onmerkbaar meer en meer klom, lagen groote hoopen roode en zwarte steenbrokken, zoo klein alsof de menschelijke hand ze had afgeslagen. Wederom opende zich een nieuw keteldal, maar ditmaal was er geen uitweg.

»De last der ezels verlichten!” riep de aanvoerder van het transport den gevangenen toe. Daarop wendde hij zich tot de soldaten en beval hen, nadat zij de lastdieren hadden afgeladen, de mannen zwaarder te belasten. Onder de uiterste inspanning hunner krachten klouterden de arme lieden, die tot bezwijkens overladen waren, het bergpad op[291], dat nauwelijks te onderkennen was.

[291] Tegenwoordig Naqb el Boeddrah. De Engelsche majoor Macdonald, die in de uitgegraven mijnen turkooizen liet delven, en eerst sedert eenige jaren gestorven is, heeft gezorgd, dat het oude bergpad werd hernieuwd.

Pentaoer’s voorman, een magere grijsaard, zonk ter halver hoogte onder zijn last ineen. Een drijver, die op het smalle pad de dragers niet voorbij kon loopen, wierp hem met steenen, om den oude te dwingen opnieuw al zijne krachten te verzamelen. De grijsaard schreeuwde van pijn. Pentaoer dacht aan den Paraschiet, die onder de slagen der woedende volksmenigte neerzonk, aan zijne worsteling en aan Bent-Anat. Met innig medelijden vervuld, en in het gevoel van zijne eigene gezonde kracht, was zijn besluit spoedig genomen. Hij tilde de zakken van ’s grijsaards schouders, wierp hen op de zijne, en hielp den oude weer op de been. Menschen en dieren kwamen gelukkig ongedeerd over den berg heen.

Pentaoer’s slapen klopten geweldig. Hij hijgde naar adem en huiverde, toen hij van den hoogen bergpas neerzag in den bergketel beneden hem, en zijn oog liet gaan langs de hem omringende scherp getande rotspunten, de klippen en hoogten, hier wit en grauw of zwavelgeel, daar bloedig rood en akelig zwart gekleurd. Hij dacht aan het heilige meer van Moeth te Thebe[292], met de honderden beelden van de godin met den leeuwenkop, uit zwart bazalt gehouwen, op hunne postamenten. De klippen die dit dal omgaven namen dergelijke vormen aan, zij schenen zich te bewegen en den muil te openen. Het was hem of hij in het wild gesuis om zijne ooren haar gebrul hoorde, en de dubbele last, die ook voor zijne schouders te zwaar was, gaf hem het gevoel, als drukten zij hare handen tegen zijn borst.

[292] Van dit meer heeft Karel Werner in zijne =Nilbildern=, in kleurendruk uitgegeven bij Seitz te Wansbeck, eene zeer getrouwe voorstelling gegeven.

Eindelijk bereikte hij toch zijn doel. De andere gevangenen wierpen de zakken van hunne schouders en gingen rusten. Hij deed werktuigelijk hetzelfde. Zijn bloed kwam tot bedaren, de visioenen verdwenen, zijne oogen zagen, zijne ooren hoorden weder, en in zijne hersenen keerde de oude denkkracht terug. De grijsaard en de arts Nebsecht rustten naast hem uit.

De oude man streelde de hooggezwollen aderen van zijn hals en bad den zegen aller goden over hem af. Doch de aanvoerder van de wachters sneed den grijsaard de gelegenheid af verder te spreken, daar hij, de rustende voorbij wandelende, riep: »Gij hebt kracht voor drie, Hoeni; wij zullen je in het vervolg zwaarder belasten!”

»Hoe liefderijk verhooren toch uwe vriendelijke goden de vrome zegenwenschen,” zeide de arts Nebsecht scherp, »en hoe weten zij eene goede daad te beloonen!”

»Ik ben genoeg beloond,” antwoordde Pentaoer, terwijl hij den grijsaard vriendelijk aanzag. »Maar gij eeuwige spotter, hoe gevoelt gij u? Gij ziet er zoo bleek uit.”

»Ik gevoel mij als een dier ezels daar,” antwoordde de natuurvorscher. »Mijne knieën beven, evenals de hunne, en ik denk aan niets anders dan waaraan zij denken, en ik wensch niets meer of niets minder dan zij. Dat wil zeggen: ik wenschte dat wij in den stal lagen.”

»Nu, als gij nog denken kunt,” zeide Pentaoer lachend, »dan ziet het er nog zoo kwaad niet uit.”

»Eéne wijze gedachte had ik ten minste, terwijl gij zooeven in de lucht tuurdet. Het verstand, zoo leeren de priesters, is een lichtende adem van den eeuwigen wereldgeest, en onze ziel is de vorm van het stuk materie, dat men mensch noemt. Ik zocht den geest eerst in het hart, vervolgens in de hersenen: maar nu weet ik dat zij in armen en beenen schuilt, want sedert ik deze lichaamsdeelen bovenmatig moet vermoeien, is het gedaan met het denken. Ik ben te lui om mij met verdere bewijzen in te laten, maar zal in het vervolg mijne beenen met meer achting behandelen.”

»Zijt gij beiden weer aan ’t twisten? ― Op mannen!” riep de drijver.

De vermoeide ongelukkigen stonden langzaam op, de dieren werden opnieuw beladen, en de beklagenswaardige troep zette zich weder in beweging, om tegen den avond bij de mafkat-groeven aan te komen.

Het einddoel van den tocht der gevangenen was een breed dal, door twee hooge en rotsachtige berghellingen ingesloten. De Egyptenaren noemden die plaats Ta Mafka, de Hebreën Dophka[293]. De zuidelijke rotswand bestond uit donker graniet, de noordelijke, waarin de turkoois-mijnen werden gevonden, uit ronden zandsteen. In een dwarsdal op eenigen afstand lagen de metaalgroeven[294], waarin vooral koper werd gevonden. Midden in het dal verhief zich een heuvel[295], door een muur omgeven, waarop kleine van steen opgetrokken huisjes stonden voor de wachters, officieren en opzichters[296]. Volgens een oud voorschrift moesten zij van boven open zijn, doch daar vele arbeiders door den nachtvorst waren ziek geworden en gestorven, had men ze een weinig gedekt, met palmtakken uit de oase der Amalekieten in de nabijheid.

[293] Numeri XXXIII, 13. Ebers, =Durch Gosen=, u. s. w. S. 140.

[294] Palmer en Wilson hebben ze ontdekt, en wel in Wadi Oemm Themâïm. Gaarne verwijzen wij hier naar het zeer belangrijke werk van M. A. Palmer, =The desert of the Exodus=, Cambridge 1871.

[295] Het tegenwoordige Wadi Maghara.

[296] Er zijn nog eenige bouwvallen bewaard gebleven.

De smeltovens bevonden zich op de uiterste toppen van den heuvel, die het meest aan den wind blootstonden. Daar stond ook de fabriek, waarin men het groene vloeispaath vervaardigde, dat onder den naam mafkat, dat is smaragd, in den handel werd gebracht. De echte edelsteen van dezen naam werd aan de westkust van de Schelfzee, verder naar het zuiden gevonden, en in Egypte hoog gewaardeerd.

Onze vrienden behoorden reeds langer dan een maand onder de mijnwerkers van het mafkat-dal, en Pentaoer wist nog altijd niet, hoe hij, in plaats van in de zandsteen-groeven van Chennoe, hierheen en met Nebsecht samen was gekomen. Ongetwijfeld had Warda’s vader deze verwisseling bewerkt, en de dichter kon niet anders gelooven, of de ruwe maar eerlijke soldaat had dit met de beste bedoelingen gedaan. Hij was nog altijd in zijne nabijheid, maar sedert zij van Thebe waren opgebroken, had hij nog maar een enkele maal gelegenheid gehad hem te naderen.

Dadelijk, in den eersten nacht, was de zoon van den Paraschiet bij hem gekomen, en had hem in het oor gefluisterd: »Ik zal voor u zorgen! Gij zult den arts Nebsecht hier wedervinden. Doet alsof gij elkander vijandig zijt, indien gij niet wilt, dat men u van elkander zal scheiden.”

Pentaoer had zijn vriend den raad van den soldaat medegedeeld, en de arts volgde dien op zijne manier. Heimelijk schepte hij er behagen in, te zien, hoe de werkelijkheid thans Pentaoer’s geloof aan eene rechtvaardige en liefderijke beschikking van ’s menschen lotgevallen logenstrafte. Hoe zwaarder werkzaamheden hem en den dichter werden opgelegd, met des te meer verbittering, ja, met eene tot het uiterste gedrevene ironie viel de anders zoo vreedzame natuuronderzoeker, den laatste telkens aan.

Nebsecht had Pentaoer lief, want deze bewaarde in zijne ziel de sleutels, die toegang verleenden tot eene schoonere wereld, helaas, voor het oog zijns geestes altijd gesloten. Toch viel het hem gemakkelijk, zoo vaak hij bemerkte dat men het oog op hem had, zijne rol te spelen en den dichter allerlei woorden naar het hoofd te werpen, die de drijvers voor onzinnig hielden en hun lachlust opwekten, omdat zij hun zoo zonderling in de ooren klonken, en zoo hortend en stootend over zijne stamelende lippen kwamen. »Afgeranseld omhulsel van goddelijk zelfbewustzijn;” »Op den bek geslagen advocaat der gerechtigheid;” »Goochelaar, die deze wereld, de slechtste die men zich bij mogelijkheid denken kan, op den kop zet, om te bewijzen dat zij de beste is;” »Bewonderaar van de schoone kleur zijner blauwe plekken!” zulke en dergelijke schimpwoorden, die alleen voor hemzelven en den gesmaden verstaanbaar waren, kon hij gedurig uitwerpen, onuitputtelijk in nieuwe combinatiën.

Daardoor prikkelde hij Pentaoer tot antwoorden, die altijd doel troffen, niet zelden zeer puntig waren, en door oningewijden niet konden begrepen worden. Dikwijls gingen hunne smaadredenen in een formeel twistgesprek over. En dit had een dubbel nut. Vooreerst vond hun geest, aan ernstig denken gewoon, gelegenheid tot vrije beweging, ondanks den last van den dwangarbeid, die alle geestelijk leven dreigde te vermoorden. Ten andere hield men hen hierdoor werkelijk voor vijanden.

Beiden sliepen in denzelfden hof, en wisten elkander daar nu en dan heimelijk te spreken. Overdag werkte Nebsecht in de turkoois-groeven, Pentaoer echter in de kopermijnen. De zwakkere arts was juist berekend voor het omzichtig uitbeitelen van het edelgesteente uit de rotslagen. Het verbrijzelen van den harden steen was eene bezigheid, die meer geschikt was voor Pentaoer’s reuzenkracht. De drijvers beschouwden den geweldigen jongeling niet zelden met verbazing, wanneer hij met het houweel wild op het gesteente lossloeg.

Niemand kon vermoeden welke beelden zich in zulke uren van woedenden arbeid voor de ziel des dichters plaatsten, welke vreeselijke en tevens verleidelijke tonen hij in zijn binnenste vernam. Gewoonlijk vertoonde Bent-Anat’s gestalte zich voor zijne levendige verbeeldingskracht, omringd door een leger, dat hij meende te verslaan, man voor man, terwijl hij op de rotsen hamerde. Soms wierp hij te midden van zulk een arbeid het houweel weg en breidde hij zijne armen uit, maar om diep te steunen, en het zweet, dat van zijn voorhoofd gutste, met de hand weg te vegen.

De opzichters wisten eigenlijk niet, waarvoor zij dezen sterken jongeling moesten houden, die soms zoo vriendelijk was als een kind, maar toch reeds onder den invloed bleek te komen van den demon, waarvan zoovele dwangarbeiders het slachtoffer werden[297].

[297] Het schrikkelijk lot der Egyptische mijnwerkers wordt uitvoerig geschilderd in eene beroemde plaats van den rethor Agatharchides van Knidus, die men bij Diodorus (III, 12-14) vindt. Daar wordt echter niet gesproken van bovenstaande steengroeven, maar van de Ethiopische goudmijnen, waarvan reeds meermalen is gewag gemaakt, en die in de jaren 1832 en 1833, door Linant-Bassa en Bonomi, tusschen den Nijl en de Roode zee zijn weergevonden. De goudlagen in de kwartsrotsen van het Bischari-gebied zijn tegenwoordig geheel uitgeput.

Hij was zichzelven een raadsel geworden, want vanwaar kwam in hem, den in den vrede van het Seti-huis opgevoeden tuinmanszoon, sedert het gebeurde van dien nacht voor de hut van den Paraschiet, dat altijddurend verlangen naar worsteling en strijd?

De afgematte werklieden hadden zich ter ruste begeven; vóor het huis van den overste der bergwerkers brandde echter nog een helder vuur. De opzichters en onderbevelhebbers der soldaten waren in een kring er om neergehurkt.

»Doe thans de bekers weg,” zeide de overste, »want wij hebben ernstig raad te houden. Gisteren heb ik, op bevel van den stadhouder, de helft der manschappen van de wacht naar Pelusium moeten zenden. Hij heeft soldaten noodig. Maar wij zijn zoo zwak in aantal geworden, dat, als de veroordeelden het wisten, zij zelfs zonder wapenen ons te sterk zouden worden. Steenen liggen er hier beneden genoeg, en overdag hebben zij beitel[298] en hamer. Het ergst ziet het er uit bij de Hebreën in de kopermijn. Het is een zeer oproerig volk, dat men kort moet houden. Gij kent mij genoeg, om te weten dat ik waarlijk niet bang ben. Maar ik maak mij over iets bezorgd. Hier in dit vuur branden de laatste kolen, en de smeltovens en glasgieterijen mogen niet stilstaan. Morgen moeten er dus lieden naar Raphidim[299] worden uitgezonden, om kolen van de Amalekieten te eischen. Zij zijn ons nog honderd ladingen schuldig[300]. Belast de gevangenen met wat koper, om ze te vermoeien en de bewoners der oase welwillend te stemmen. ― Wat zullen wij echter aanvangen om te verkrijgen wat wij noodig hebben, en de manschappen hier toch niet al te zeer te verzwakken?”

[298] Deze beitels hadden den vorm van zwaluwstaarten.

[299] De oase aan den voet van den berg Choreb, bij welke, volgens de bijbelsche overlevering, de uitgetrokken Israëlieten onder aanvoering van Jozua de Amalekieten overwonnen, terwijl Aäron en Hur de armen van den biddenden Mozes ondersteunden. Exodus XVII, 8, vv.

[300] De Bedoeïnen op het Sinaïtisch Schiereiland branden thans nog vele kolen uit het hout van den Sejâl-boom (Acacia tortilis Hayne), en brengen ze naar Kaïro ter markt.

Men overwoog nu eens dit, dan weder dat. Eindelijk werd besloten, dat dagelijks eene zeer kleine afdeeling, door weinige soldaten geëscorteerd, zou opmarcheeren, om zoo van den eenen dag op den anderen in behoefte aan kolen te voorzien. Men achtte het voorts geraden, dat de gevaarlijkste dezen vrachtdienst zouden verrichten, twee aan twee met ketens aan elkander geklonken.

De overste gaf in bedenking, dat twee sterke mannen, aan elkander verbonden, dubbel gevaarlijk konden worden, wanneer zij eendrachtig handelden.

»Zoo verbinde men een sterken met een zwakken,” zeide de man die de rekening van de mijnen hield en dien men den schrijver der metalen noemde. »Smeed ook zooveel mogelijk de zoodanigen aaneen, die elkander vijandig zijn.”

»Hoeni bij voorbeeld, die zoo sterk is als een boom, aan den spottenden musch, den stotterenden Nebsecht,” riep een onderbevelhebber.

»Aan die twee dacht ik ook juist,” zeide de schrijver lachend.

Nog drie andere paren werden eerst al schertsend maar daarna met klimmenden ernst gekozen, en eindelijk ook Warda’s vader onder de drijvers opgenomen.

Den volgenden morgen smeedde men Nebsecht en Pentaoer met een koperen keten aan elkander vast. Toen de zon ter middaghoogte stond, braken vier paar gevangenen op, met zware baren koper belast, om door zes soldaten en den Paraschieten-zoon geleid, uit de oase der Amalekieten brandstof voor de smeltovens te halen.

Bij de halt Aloes[301] hielden zij rust. Daarna trokken zij verder tusschen kale, steeds hooger oprijzende, grauwachtig groene en bruine rotswanden van porfier. Van tijd tot tijd konden zij den scherpen top van een reus in dit gebergte waarnemen, die hoog boven de lagere bergen uitstak. Doch daar zij gebukt gingen onder den zwaren last van het koper dat zij droegen, hadden zij weinig lust er acht op te slaan. De zon neigde reeds ten avond, toen zij het kleine heiligdom van de Smaragden-Hathor voorbijkwamen.

[301] Numeri XXXIII, 13, 14.

Hier vlogen eenige grijze en zwarte vogels klapwiekend hun te gemoet. Pentaoer zag met blijdschap naar hen op. Hoe lang had hij reeds het gezicht dezer dieren en het geluid hunner stem moeten missen!

»Daar zijn vogels,” sprak Nebsecht, »wij moeten dus in de nabijheid van water zijn.”

Daar stond werkelijk de eerste palmboom. Weldra hoorde men duidelijk het murmelen eener beek, en deze zachte tonen deden de gemoederen der woestijn-wandelaars even weldadig aan, als de regen het dorrende gras.

Aan de linkerzijde van het water was, in een wijden kring, eene afdeeling Egyptische soldaten gelegerd, in wier midden zich drie groote tenten verhieven, van kostbare, blauw en rood gestreepte en met goud doorwerkte stoffen. Van de bewoners der tenten was niets te zien; toen de gevangenen er echter voorbij waren, en hunne drijvers de wachtposten hadden begroet, kwam hun een meisje te gemoet in het lange gewaad eener Egyptische, en beschouwde hen met opmerkzaamheid.

Pentaoer ging van schrik achteruit, als ware er een geest voor hem opgerezen; maar Nebsecht kon niet nalaten een luiden kreet van verrassing te doen hooren, daarbij eene beweging met zijne handen makende.

Op hetzelfde oogenblik zwaaide een drijver zijn zweep over de schouders der twee vrienden, hun lachend toeroepende: »Met je tongen mag je elkaar klappen toedienen, zoo veel je wilt, maar niet met je handen!”

Daarop keerde de soldaat zich tot een zijner metgezellen, vragende: »Hebt ge dat mooie meisje daar bij de tent gezien?”

»’t Geeft ons niet veel!” antwoordde de ander. »Zij behoort tot het gevolg der prinses, die reeds sedert drie weken den tempel van de Smaragden-Hathor bezoekt.”

»Zij moet zware misdaden begaan hebben,” hernam de eerste spreker. »Behoorde zij tot ons gelijken, dan zou zij bij de groeven zand moeten spitten of kleurstoffen fijnstooten, en zeker niet hier in vergulde tenten wonen. ― Waar is de roodbaard?”

Warda’s vader was een weinig achter den trein gebleven, want het meisje had hem gewenkt en eenige woorden met hem gewisseld.

»Hebt ge ook nog oogen voor de meisjes?” vroeg hem de jongste der drijvers, toen hij zich weder bij hen had gevoegd.

»Zij is eene dienstmaagd der prinses,” antwoordde Kaschta, niet zonder verlegenheid. »Wij zullen morgen van haar een brief aan den schrijver der metalen medenemen, en daarvoor wil zij ons wijn schenken, wanneer wij ons ten minste legeren in de nabijheid der tenten.”

»Zie me dien ouden roodbaard!” riep een der jongere drijvers. »Hij ruikt den wijn als een vos de ganzen. Laat ons hier rusten! Men weet bovendien nimmer, hoe men het met de Mentoe[302] heeft, en de overste heeft bevolen, dat wij buiten de oase ons nachtkwartier zullen houden. ― De zakken af, mannen! Hier is frisch water, en misschien vallen er nog wel wat dadels voor je af, en zoet Man[303] op het brood. Maar pas op dat je vrede onder elkaar houdt, gij kemphanen Hoeni en Nebsecht!”

[302] De goden der onderwereld.

[303] „Man” noemen heden de Bedoeïnen van het Sinaïtisch schiereiland de zoete uitzweeting van de tamarinde (tamarix mannifera), die in de wadis of dalen hunner woonplaats groeit. De uitzweeting heeft gewoonlijk plaats in Mei. Het ‚man’ kon echter bewaard worden. Niet ten onrechte wordt het gehouden voor hetzelfde als het manna waarvan in den bijbel wordt gesproken.

Bent-Anat’s reis naar de Smaragden-Hathor had lang geduurd. Zij was met die haar begeleidden tot Keft[304] den Nijl afgezakt. Vandaar waren zij in kleine dagmarschen de woestijn dwars doorgetrokken. Eindelijk aangekomen in de grootendeels door Phoeniciërs bewoonde havenstad aan de Schelfzee[305] hadden zij aldaar eene volle week moeten wachten op het schip, dat hen naar Pharon overbracht, een dorpje alleen door visschers bewoond. Vandaar trokken zij door het gebergte naar de oase, bij welker noordelijken toegang het heiligdom van de Smaragden-Hathor werd gevonden.

[304] Zie boven bl. 371.

[305] Het latere Berenice.