Warda: Roman uit het oude Egypte
Part 38
»Ga je gang maar!” hernam Rameri. »Gij kunt met uw kleine hand geen zeer doen, maar ― wel met woorden. Pentaoer is zeker wijzer en beter dan ik. Gij zijt ook veel aan hem verschuldigd en ik mocht wel....”
»Ga niet verder!” viel Warda hem in de rede. Op ernstigen toon ging zij voort: »Er zijn geen twee menschen geheel aan elkander gelijk. Als hij mij wilde kussen, dan zou ik als stof ineen vallen, gelijk door de zon geblakerde asch, die men met den vinger aanraakt. Ik zou zijn lippen kunnen vreezen als die van een leeuw. Al drijft gij er misschien den spot mede, zoo geloof ik toch altijd, dat hij een van de hemelsche goden is. Zijn eigen vader heeft mij gezegd, dat er reeds op den dag zijner geboorte een groot wonder met hem heeft plaats gehad. De oude Hekt heeft mij dikwijls naar den hovenier gezonden met den last naar zijn zoon te vragen. De man is wat ruw, maar goed. In den beginne was hij niet vriendelijk, maar toen hij zag hoeveel schik ik had in zijne bloemen, kreeg hij mij lief en gaf mij wat te doen. Want hij liet mij kransen vlechten en ruikers maken, en dan naar zijne klanten brengen.
»Als wij zoo bij elkander zaten en het eene bloempje naast het andere legden, vertelde hij altijd van zijn zoon, en van zijne schoonheid, wijsheid en goedheid. Toen hij nog een kleine jongen was, kon hij reeds dichten. Hij heeft leeren lezen, zonder dat iemand hem daarin onderwezen had. De opperpriester Ameni kwam dit te weten, en daarom nam hij hem in het Seti-huis op. Daar ontwikkelde hij zich zoo buitengewoon, dat de hovenier ervan verbaasd stond. Nog kort geleden wandelde ik met den ouden man langs de bloembedden. Hij sprak over Pentaoer als altijd, en bleef staan voor een heerlijken heester met breede bladeren, zeggende: ‚Mijn zoon is gelijk aan deze plant, die bij mij opgroeide, ik weet zelf niet hoe. Het zaad ervan heb ik tegelijk met andere zaadkorrels, die ik in Thebe had gekocht, in den grond gelegd. En nu kan niemand zeggen, van waar die struik afkomstig is, en toch is hij mijn eigendom. Uit Egypte is hij zeker niet afkomstig. En overtreft Pentaoer niet mij en zijne moeder, en zijne broeders en zusters, gelijk deze struik de andere bloemen? Wij zijn allen grof en klein, en hij is slank; onze huidkleur is donker en de zijne is roodachtig; ruw is onze spraak en zijne stem klinkt als gezang. Ik blijf er bij, hij is het kind eener godheid, dat de hemelsche goden in mijn nederig huis hebben neergelegd. Wie begrijpt hunne raadsbesluiten?’
»Menigmaal heb ik Pentaoer bij de feesten gezien, en dan zeide ik tot mij zelve: Welke andere priester uit het Seti-huis kan in houding en gestalte met hem vergeleken worden? Ik hield hem voor een god, en nu ik gezien heb, toen hij mijn leven redde, hoe hij door bovenmenschelijke kracht gansche scharen van aanvallers weerstond, zou ik hem niet als een hooger wezen, beschouwen? Ik zie tot hem op als tot zulk een goddelijk wezen maar ik zou hem nooit in de oogen kunnen zien als u. Deed ik het, dan zou mij het bloed in de aderen stollen, in plaats van sneller te vloeien. Hoe zal ik het uitdrukken? U vindt mijne ziel, wanneer ik vooruit zie, maar om hem te vinden, moet zij den blik naar boven richten. Gij zijt voor mij een frissche rozenkrans, waarmede ik mij tooi, en hij is een heilige Persaboom[281], waarvoor ik mij nederbuig!”
[281] De Persea is een der heilige boomen, en meer bepaald aan Hathor gewijd. Op de hartvormige vruchten, zooals de Persea op de gedenkteekenen is afgebeeld, schreven de goden de namen van den door hen begunstigden koning. In de benedenwereld wordt Hathor voorgesteld als in de Persea gezeten, en daaruit den overledene met spijs en drank lavende, op dezelfde wijze waarop dit door Noe in den aan haar gewijden vijgenboom (ficus sycomorus) geschiedt. De Persea, in het oud-Egyptisch „schaoeaboe, schoeab” geheeten, is de balanites aegyptiaca.
Rameri had zwijgend naar haar geluisterd en zeide nu: »Ik ben nog jong, en heb nog geen gelegenheid gehad te toonen wie ik ben. Doch er zal een tijd komen, waarin gij ook tot mij zult opzien als tot een boom, wel niet als tot een heiligen, maar als tot een sykomore, onder welks schaduw wij het liefst rusten. Ik ben niet vroolijk meer en wil u verlaten, want ik heb een heiligen plicht te vervullen. Pentaoer is in allen deele een man, en dat wil ik ook worden. Gij zult echter de rozenkrans zijn, die mij siert. Mannen, die men met bloemen vergelijkt, staan mij tegen.”
De prins stond op en reikte Warda zijne rechterhand.
»Gij hebt eene sterke hand,” zeide het meisje. »Gij zult zeker een voortreffelijk man worden, en deze hand gebruiken tot iets goeds en iets groots. Zie maar, mijne vingers zijn rood geworden van uw handdruk. Al zijn zij teeder, zij zijn toch niet geheel onnut. Het is zoo, zij hebben nooit zware dingen gehanteerd, maar wat zij aanraken en verzorgen, zeide grootvader dikwijls, dat gedijt, en hij noemde ze daarom ‚gelukkig.’ Zie maar eens die schoone leliën en dien granaatstruik dáar in den hoek. Grootvader heeft voor mij aarde van den Nijl hierheen gedragen. Pentaoer’s vader heeft mij de zaden geschonken en elk plantje, dat waagde boven den grond als een groen scheutje zich te vertoonen, heb ik zoo lang gekoesterd, verpleegd en met moeite begoten ― want ik moest er in mijn kruikje het water voor gaan halen ― tot het levenskracht bezat om voor zichzelve te zorgen en mij met bloemen kon danken. Neem deze granaat. Zij is de eerste, die aan mijn struik bloeide, en heeft eene bijzondere beteekenis. Want toen de stevige knop in de lengte uitgroeide, zich begon te ronden en van dag tot dag zich rooder kleurde, toen heeft grootmoeder gezegd: Nu zal uw hartje ook weldra kloppen en beginnen lief te hebben. Thans begrijp ik ook wat zij bedoelde. U komen dan ook de beide eerste bloemen toe, die roode van dezen struik hier, en die andere, die men wel niet ziet, maar die nog oneindig vuriger schittert.”
Rameri drukte den granaatbloesem aan zijne lippen, en strekte zijne hand naar Warda uit, maar zij week terug, want er sloop onverwacht iemand door de opening van de heining.
Het was niemand anders dan de kleine Scheraoe, die de oude Hekt tot dwerg opvoedde. Zijn aardig gezichtje gloeide, en hij haalde snel adem, omdat hij zoo hard geloopen had. Een tijdlang deed hij te vergeefs zijn best om woorden uit te brengen, terwijl hij angstig tot den prins opzag.
Warda zag het den kleine wel aan, dat hij iets bijzonders op het hart had. Zij sprak hem vriendelijk toe, en zeide, toen hij verlangde haar te spreken, dat Rameri haar beste vriend was, waarvoor hij niet bang behoefde te zijn.
»Maar het betreft niet u of mij,” antwoordde het knaapje, »maar den goeden heiligen vader Pentaoer, die zoo vriendelijk voor mij was, en die u het leven heeft gered.”
»Ik ben Pentaoer zeer genegen,” zeide de prins. »Niet waar, Warda? Hij mag gerust in mijne tegenwoordigheid over hem spreken.”
»Mag ik?” vroeg Scheraoe. »Dan is het goed. Ik ben stillekens weggeslopen. Hekt kan ieder oogenblik terugkomen, en wanneer zij bemerkt, dat ik van huis ben gegaan, dan krijg ik zeker slagen en geen eten.”
»Wie is dan toch die schandelijke Hekt?” vroeg de prins met eenige ongerustheid.
»Dat mag Warda u later vertellen,” zeide de kleine hijgend. »Hoort nu naar mij. Zij had mij op mijn plank in de hut gelegd, en mij met een zak verborgen. Eerst kwam Nemoe en toen een ander man, dien zij hofmeester noemde. Met dezen heeft zij veel gesproken. In den beginne luisterde ik niet, maar toen ik den naam van Pentaoer verstond, maakte ik mijn hoofd vrij en hoorde alles. De hofmeester zeide, dat Pentaoer een slecht man was, en dat hij hem in den weg stond. Hij vertelde dat de opperpriester Ameni hem naar de steengroeven van Chennoe wilde zenden, maar dat die straf veel te gering was. Toen heeft Hekt hem aangeraden, dat hij den scheepsgezagvoerder heimelijk zou bevelen, hem voorbij Chennoe en naar Ethiopië te brengen, naar die vreeselijke mijnwerken, waarvan zij mij dikwijls verteld heeft. Want haar vader en haar broeder zijn daar zoo lang gemarteld tot zij dood waren.”
»Van allen die daarheen gingen is nooit iemand wedergekeerd,” riep de prins. »Maar vertel verder!”
»Ja, wat er nu kwam, dat kon ik maar half verstaan. Maar zij sprak van een drank, die waanzinnig maakt. O, wat heb ik al niet moeten zien en hooren! Ik zou liever levenslang op mijn plank willen liggen, maar dit alles is toch te afgrijselijk. Ik wou dat ik dood was!”
De kleine begon bitter te weenen. Warda, die onder zijn verhaal al bleeker en bleeker was geworden, streelde hem liefderijk.
»Dat is vreeselijk en ongehoord,” riep Rameri echter. »Wie was dan toch die hofmeester? Hebt gij zijn naam niet verstaan? Kom wat tot u zelven, beste jongen, en houd op met weenen. Het is hier om eens menschen leven te doen. Wie was die schurk? Noemde hij zich niet? Bedenk u eens wel!”
Scheraoe beet zich op de roode lippen, en deed al zijn best om tot bedaren te komen. Zijne tranen hielden op te vloeien en plotseling riep hij, terwijl hij in de borstopening van zijn versleten kleedje greep: »Wacht even, misschien zult gij hem wel herkennen. Ik heb hem nagemaakt.”
»Wat hebt gij?” vroeg de prins.
»Wel, ik heb hem nagemaakt,” vervolgde Scheraoe, en haalde voorzichtig eene in een lapje gewikkelde massa te voorschijn. »Ik kon zijn hoofd juist zeer scherp van terzijde zien, terwijl hij sprak, en mijne klei lag naast mij. Ik moet altijd boetseeren, als mijn hart zoo klopt, en ditmaal maakte ik haastig zijn gezicht na. Daar het portret niet slecht gelukt was, stak ik het bij mij, om het als Hekt de hielen zou lichten, aan mijn meester te toonen”[282]!
[282] De portretten op de gedenkteekenen, en vooral de koppen in profiel, die in bas-relief zijn uitgebeiteld, zijn bijzonder scherp en karakteristiek gemodelleerd. In de onvoltooide zaal van het graf van Seti I te Biban el Moeloek worden teekeningen in omtrek gevonden, die nog heden ten dage de bewondering van onze kunstenaars wekken. In Lepsius’ =Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien=, is eene schoone verzameling van karakteristieke portretten der pharao’s opgenomen.
De kleine had, terwijl hij deze woorden sprak, met bevende vingers de lappen van het model afgenomen, dat hij thans aan Warda overhandigde.
»Ani!” riep de prins. »Hij is ’t en geen ander! Wie had het kunnen denken! Wat wil hij van Pentaoer? Wat heeft de priester hem in den weg gelegd?”
Een oogenblik stond hij na te denken; toen sloeg hij zich met de hand voor het voorhoofd en riep in heftige beweging: »Ik gek! Kind, dat ik ben! ― Ja, zoo is ’t, zoo is ’t! Ik weet alles! Ani heeft aanzoek gedaan om de hand van Bent-Anat, en zij.... Ja, nu eerst, sedert ik u liefheb, Warda, begrijp ik wat er in haar omgaat. ― Weg met alle bedrog! Ik wil niet langer liegen. Ik hen geen edelknaap van Bent-Anat; ik ben haar broeder, koning Ramses’ eigen zoon. ― Bedek uw aangezicht niet met uwe handen, Warda, want al had ik ook niet het kleinood uwer moeder gezien, al ware ik geen prins, maar Horus zelf, de zoon van Isis in eigen persoon, dan zou ik u toch moeten liefhebben en niet loslaten. Maar thans heb ik wat anders te doen dan met u te keuvelen. Thans zal ik u toonen dat ik een man ben. Thans is de vraag Pentaoer te redden. Vaarwel, Warda, blijf aan mij denken!”
Hij wilde zich haastig verwijderen, doch Scheraoe hield hem bij zijn kleed vast en sprak schuchter: »Gij zegt dat gij een zoon van Ramses zijt. Nu, ook over dezen heeft de oude Hekt met hem gesproken. Zij vergeleek hem bij onzen ruienden sperwer.”
»Weldra zal hij de klauwen van den koningsadelaar gevoelen,” riep de prins. »Nog eenmaal, vaarwel!”
Hij reikte Warda de hand, en zij drukte hare brandende lippen erop. Doch hij trok de hand terug, kuste haar op het voorhoofd en ijlde heen.
Sprakeloos en bleek zag het meisje hem achterna. Zij merkte op hoe hij een man voorbij vloog, en herkende in dezen haren vader. Dadelijk ging zij hem te gemoet. De soldaat kwam om van haar afscheid te nemen, want hij moest gevangenen wegbrengen.
»Naar Chennoe?” vroeg Warda.
»Neen, naar het noorden,” antwoordde de roodbaard.
Zijne dochter vertelde hem nu wat zij gehoord had, en vroeg of hij den priester, die haar leven gered had, helpen kon.
»Ja, als ik geld had, als ik geld had!” prevelde Kaschta nadenkend.
»Dat hebben wij!” riep Warda. Zij vertelde hem wat Nebsecht haar geschonken had en zeide: »Breng mij over den Nijl, en in twee uren hebt gij wat een mensch rijk kan maken[283].... Doch neen, ik kan mijne zieke grootmoeder toch niet alleen laten! Neem gijzelf den ring, en vergeet niet dat zij Pentaoer straffen, omdat hij het waagde mij in zijne bescherming te nemen.”
[283] Hier dient opgemerkt te worden, dat de vrouwen in Egypte over haar vermogen konden beschikken. Hierover kan men bijv. nazien den VIIden grooten papyrus in het Louvre te Parijs. Daarin toch sluiten de dochter van een schuldenaar en de zoon van een schuldeischer eene overeenkomst. Beiden behooren tot denzelfden kring waarin Warda leefde, want Arsiësis is de zoon van een Kolchyt in Thebe, en Asklepias, genaamd Senîmoethis, de vrouw of dienstmaagd van een lijkbezorger in dezelfde stad.
»Dat zal ik wel in gedachte houden,” zeide de soldaat. »Ik heb maar éen leven, en dat wil ik er gaarne aan wagen om het zijne te redden. Aanslagen kan ik niet verzinnen, maar iets weet ik toch, en wanneer mij dat gelukt, behoeft hij niet naar de goudmijnen te gaan. Ik laat mijne wijnkruik hier; geef mij een dronk water, want in de eerstvolgende uren heb ik een nuchter hoofd noodig.”
»Daar hebt gij het water, maar ik giet er toch een scheut wijn bij! Komt gij weder om mij bericht te brengen?”
»Dat zal moeielijk gaan, want tegen middernacht breken wij op. Doch wanneer iemand u den ring terugbrengt, dan is mijn voornemen gelukt.”
Warda ging in de hut, gevolgd door haar vader, die afscheid nam van zijne zieke moeder en zijne dochter. Toen hij weer buiten kwam, zeide hij: »Gij kunt van de geschenken der prinses leven tot ik terugkom, en ik heb maar de helft noodig van het geschenk van den arts. ― Maar waar zijn uwe granaatbloemen?”
»Die heb ik geplukt, en op een geliefkoosd plekje bewaard.”
»Wonderlijke wezens zijn die vrouwen toch!” prevelde de gebaarde man, kuste voorzichtig zijn kind op het voorhoofd, en keerde naar den Nijl terug, vanwaar hij gekomen was.
* * * * *
De prins was intusschen voortgesneld, en deed in de haven van de Nekropolis onderzoek ― want van daar voeren gewoonlijk de schepen met gevangenen in den nacht af ― waar het voor Chennoe bestemde vaartuig voor anker lag. Daarna liet hij zich den Nijl overzetten, en spoedde hij zich naar Bent-Anat. Hij vond haar en Nefert in buitengewone spanning, want de trouwe ceremoniemeester was door vrienden des konings in Ani’s omgeving te weten gekomen, dat de stadhouder alle naar Syrië bestemde brieven, en daaronder ook die van Ramses’ kinderen, in Thebe had opgehouden. Een kamerheer, die den koning geheel was toegedaan, had daarop, door den ceremoniemeester aangemoedigd, aan Bent-Anat nog een en ander medegedeeld, dat haar bijna niet langer kon doen twijfelen aan Ani’s eerzuchtige plannen.
Men had de prinses ook gebeden zich voor Nefert te wachten, wier moeder de vertrouwdste raadgeefster van den stadhouder was, doch Bent-Anat had bij deze mededeeling gelachen. Zij had terzelfder ure een bode tot Ani gezonden om hem mede te deelen, dat zij bereid was de bedevaart naar de Smaragden-Hathor te ondernemen, en zich in den tempel dezer godin te laten reinigen. Haar voornemen was vandaar boden naar haar vader te zenden, en hem, als hij het toestond, in het legerkamp te volgen. Zij had dit plan aan hare vriendin medegedeeld, en Nefert hield elken weg voor de beste, die haar nader zou brengen bij haar gemaal.
Rameri werd haastig in alles ingewijd. Hij berichtte daarentegen op zijn beurt al wat hij vernomen had, en liet Bent-Anat vermoeden, dat hij het geheim van haar hart doorzag. Zoo waardig was zijne houding, zoo ernstig waren de woorden, die de anders zoo overmoedige wildzang sprak, dat Bent-Anat bij zichzelve dacht: het gevaar dat dit huis bedreigt, heeft dezen knaap opeens tot een man doen rijpen.
Zij had dan ook niets tegen zijne beschikking in te brengen. Hijzelf wilde, alleen vergezeld door een enkel getrouw dienaar, na zonsondergang, met vlugge paarden naar Keft[284] rijden, en vandaar in aller ijl door de woestijn naar de Schelfzee, ten einde daar een Phoenicisch schip te huren en naar Alia[285] te zeilen. Vandaar wilde hij door het rotsgebergte van het Sinaïtisch schiereiland heen met versnelde marschen het Egyptisch leger en zijn vader trachten te bereiken, ten einde hem in kennis te stellen met Ani’s misdadige plannen.
[284] Koptos, het tegenwoordige Qeft aan den Nijl.
[285] Bij het tegenwoordige Aqaba.
Voorts werd aan Bent-Anat opgedragen, met behulp van den getrouwen ceremoniemeester Pentaoer te redden. Aan geld ontbrak het niet, want ook de schatmeester was haar toegedaan. Het kwam er nu maar op aan den scheepsgezagvoerder te bewegen in Chennoe te landen. Het lot van den dichter was in het ergste geval daar toch draaglijk. Te gelijker tijd zou een getrouwe bode met een schrijven naar den gouverneur van Chennoe worden gezonden, een bevel inhoudende, in naam van koning Ramses, om elk schip, dat bij nacht de stroomengte van Chennoe zou passeeren, aan te houden, alsmede om te beletten, dat de gevangenen, die tot den arbeid in de steengroeven van zijne stad waren veroordeeld, naar Ethiopië werden gesleept.
Rameri nam afscheid van de vrouwen, en het gelukte hem Thebe onopgemerkt te verlaten.
Bent-Anat lag biddend voor de beelden van hare Osirische moeder, van Hathor en de beschermgoden van haar huis, tot de ceremoniemeester terugkeerde en haar mededeelde, dat hij den gezagvoerder had overgehaald in Chennoe te landen, en voor Ani te verzwijgen, dat de geheele aanslag verraden was.
De prinses haalde weder vrij adem, toen zij dit hoorde, want zij was besloten, wanneer de zending van haar trouwen dienaar mocht mislukken, naar de Nekropolis over te steken, te verbieden dat het schip zou afvaren, en in het uiterste geval het volk dat haar trouw was tegen Ani op te roepen.
Den volgenden morgen liet vrouwe Katoeti aan de prinses verlof vragen, of zij haar dochter zou mogen spreken. Bent-Anat vertoonde zich echter niet aan de weduwe, wier poging, om namelijk haar kind van de reis met de koningsdochter terug te houden en weder in haar huis op te nemen, schipbreuk leed. De gekrenkte moeder was daarop verstoord en onrustig geworden, en ijlings naar Ani gegaan, teneinde hem te verzoeken Nefert met geweld terug te houden. Maar de stadhouder wilde alles vermijden wat opzien kon verwekken, en Bent-Anat laten vertrekken met een gevoel van volkomene gerustheid.
»Wees niet bezorgd,” zeide hij; »ik zal de vrouwen eene vertrouwde schare medegeven, die haar bij de Smaragden-Hathor zal terughouden, tot hier alles zijn beslag heeft gekregen. Dan moogt gij Nefert in de armen voeren van den ruwen Paäker, wanneer hij u als schoonzoon nog aangenaam zal zijn, na alles wat ik ten uitvoer zal hebben gebracht. Wat mij betreft, mogelijk beweeg ik ten slotte mijne trotsche nicht nog wel, in plaats van naar beneden, naar boven te zien. Ik zal haar tweede geliefde zijn, maar zij is ook niet mijne eerste!”
De beiden vrouwen braken den volgenden dag op. Ani nam afscheid van haar met zijne gewone vriendelijkheid, die koel en vormelijk werd beantwoord.
De priesterschap van den Amon-tempel te Thebe, met den ouden Bek-en-Choensoe aan het hoofd, deed haar tot aan de haven uitgeleide. Het volk aan den oever riep Bent-Anat’s naam en sprak luide vele zegenwenschen uit. Doch er werden ook honende woorden gehoord.
Het Nijlschip waarop zich de beide bedevaartgangsters bevonden, werd gevolgd door twee andere, beladen met soldaten, die de vrouwen moesten begeleiden »om haar te beschermen.” De zuidenwind deed de zeilen zwellen en voerde het vaartuig snel stroomafwaarts. De prinses zag nu eens op naar het paleis harer vaderen, dan weder naar de graven en tempels van de Nekropolis. Eindelijk verdwenen ook de kolossen van Amenophis en de laatste huizen van Thebe uit het oog. De anders zoo sterke jonkvrouw zuchtte smartelijk, en tranen rolden haar langs de wangen. Het was haar alsof zij de vlucht nam na een verloren veldslag, hoewel niet moedeloos, maar hopende op eene toekomstige zege.
Toen Bent-Anat zich omkeerde, om naar de kajuit te gaan, trad een gesluierd meisje haar te gemoet. Zij verwijderde het doek, dat haar aangezicht verborgen hield, en zeide: »Vergeef mij, prinses, ik ben Warda, die gij overreden hebt, en voor wie gij zoo goed zijt geweest. Mijne grootmoeder is gestorven, en ik ben nu geheel alleen. Ik sloop onder uwe dienstmaagden naar u toe, want ik wil u volgen en alles doen wat gij beveelt. Wijs mij nu niet terug!”
»Blijf, lief kind,” zeide de prinses, en bij deze woorden legde zij de hand op haar hoofd. Zij was getroffen over hare buitengewone lieftalligheid en dacht onwillekeurig aan haar broeder, en zijn wensch om Warda’s glanzende haarvlechten met eene roos te tooien.
VIERDE HOOFDSTUK.
Twee maanden waren er sedert het vertrek van Bent-Anat uit Thebe en de gevangenneming van Pentaoer verloopen, toen een lange trein van lastdieren en menschen voorttrok door het dal, Ant-Baba geheeten, in het westelijk deel van het Sinaïtisch schiereiland[286].
[286] Over het Schiereiland van den Sinaï, zijne geschiedenis en de heilige plaatsen die daar gevonden worden, heb ik uitvoerig gehandeld in mijn in 1872 verschenen werk: =Durch Gosen zum Sinai, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek=, Leipzig, W. Engelman. Het tooneel der gebeurtenissen, die hier geschilderd worden, heb ik zoo nauwkeurig mogelijk naar de werkelijkheid trachten te teekenen. Wie deze wonderbare eenzame bergstreek heeft doorreisd, kan die nooit vergeten. Het dal dat heden Baba wordt genoemd, heette in den tijd der pharao’s evenzoo.
Het was winter en toch schoot de middagzon brandende stralen, die door de naakte rotsen werden teruggekaatst.
De trein werd geopend en ook gesloten door eene afdeeling Libysche soldaten. Elk hunner was met een dolk en een strijdbijl, met schild en lans gewapend, en gereed van die wapenen gebruik te maken, als het noodig was. Want deze krijgslieden geleidden een transport gevangenen uit de mafkatgroeven, die zij naar het strand van de Schelfzee hadden gebracht[287], om af te leveren wat uit de mijnen was gedolven, en om den uit Egypte aangekomen voorraad in ontvangst te nemen, die naar de magazijnen der bergwerken moest worden gevoerd.
[287] De oude wegen, die van de mijnen naar zee voerden, schijnen uitgeloopen te hebben op de bocht, die nog heden Aboe Zelimeh heet, bij de kaap van gelijken naam.
Gebogen onder hun last en hijgend stapten die ongelukkigen voort. Elke gevangene sleepte een koperen ketting mede, die aan zijne enkels was vastgesmeed. Hunne eenige kleeding bestond uit gescheurde lompen, die zij om de heupen hadden geslagen. Schier bezwijkend onder de vracht der zakken, staarden zij met strakke blikken naar den grond. Als de een of ander dreigde ineen te zijgen, werd hij weer opgewekt door de zweep van een der ruiters, die langs den trein op en neer reden. Voor velen was de keus blijkbaar niet gemakkelijk, of zij onder de vermoeienis dan onder de zweepslagen zouden bezwijken.
Niemand, noch de gevangenen noch van die hen geleidden, sprak een enkel woord. Zelfs zij die geslagen werden schreeuwden niet, want hunne stemorganen waren als uitgedroogd, en in de harten hunner drijvers welde zoo min een gevoel van medelijden op, als er een kruidje groende op de rotsen aan den weg.