Warda: Roman uit het oude Egypte
Part 37
Sedert de onthulling die zij gedaan had, was Hekt voor hem niet langer de gewone tooveres. De oude vrouw gevoelde het, en neigde zich voor hem met eene buiging, die zoo geheel in de vormen, zoo hoffelijk was, dat een tamme raaf aan hare voeten zijn verbazing hierover niet kon inhouden, maar zijn zwarten snavel wijd opensperde en een gekras deed hooren. Zij wierp er een stuk kaas in, en de vogel huppelde weg, zijne geknotte vleugels naslepende, en zweeg.
»Ik moet u over Pentaoer spreken,” zeide Ani.
De oogen van de oude schoten vuur, en vol belangstelling vroeg zij: »Wat is er dan met hem?”
»Ik heb allen grond,” antwoordde de stadhouder, »dezen man voor gevaarlijk te houden. Hij staat mij in den weg. Allerlei kwaad heeft hij gedaan; wat erger is, hij heeft moorden begaan. Maar in het Seti-huis mogen zij hem gaarne lijden, en daar zouden zij hem liefst ongestraft laten. Die heeren bezitten het recht over elkander alleen de vierschaar te spannen, en ik kan aan hunne uitspraak niets veranderen. Eergisteren hebben zij vonnis geveld. Zij willen hem naar de steengroeven van Chennoe zenden[278]. Op al wat ik hiertegen inbracht heeft men geen acht geslagen, en, nu ja.... Nemoe, ga naar de overzijde in het graf van Amenophis, en wacht daar op mij! Ik heb iets met uwe moeder alleen te bespreken!”
[278] De steengroeven van Chennoe, thans Gebel Silsileh, waren van buitengewonen omvang. Bijna al de zandsteen, dien men noodig heeft gehad voor het bouwen der tempels in Opper-Egypte, is daar uitgehouwen.
Nemoe boog en daalde den berg af, wel-is-waar verdrietig, maar toch in de zekere overtuiging, dat hij later alles zou vernemen, wat tusschen die twee verhandeld werd.
Toen de kleine verdwenen was, vroeg Ani: »Gevoelt gij nog iets voor het oude koningshuis, dat uwe ouders zoo met hart en ziel waren toegedaan?”
De oude boog toestemmend het hoofd.
»Welnu, zoo zult gij mij uw hulp niet ontzeggen, wanneer ik trachten wil het weder op te richten. Gij begrijpt hoezeer ik de priesters daarbij noodig heb, en ik heb Ameni gezworen Pentaoer niet naar het leven te zullen staan. Doch ik herhaal nog eens: hij staat mij in den weg! Ik heb mijne verspieders ook in het Seti-huis, en door dezen weet ik, wat het wegzenden van den dichter naar de steengroeven van Chennoe te beteekenen heeft. Een tijdlang laten zij hem zandsteenen houwen, en dat zal aan de gezondheid van dezen ijzersterken man eer goed dan kwaad doen. Zooals gij weet, vindt men te Chennoe, behalve die groeven, ook het groote priestercollege, dat in zeer nauwe verbinding staat met het Seti-huis. Wanneer de vloed begint te wassen en in Chennoe het grootste Nijlfeest wordt gevierd[279], dan hebben de priesters daar het recht zich die misdadigers, die in de steengroeven werken, uit te kiezen tot hun eigen dienst. Het spreekt vanzelf, dat zij in het volgend jaar Pentaoer kiezen. Dan laten zij hem vrij en men lacht mij uit.”
[279] Bij Chennoe wordt de stroom smaller. Onder Ramses II en zijn opvolger Mernephtah werden daar groote gedenksteenen opgericht, die schoone hymnen bevatten aan den Nijl en de lijsten der offers, die op de Nijlfeesten moesten worden gebracht. De opschriften kunnen door onderlinge vergelijking worden aangevuld. Dit is geschied door mijn vriend Stern en ook door mij op de plaats zelve. De eerste heeft ze daarna voortreffelijk verklaard in de =Zeitschrift für ägyptische Sprache und Altertumskunde=, 1873, s. 129. Ramses de groote heeft twee Nijlfeesten ingesteld. Stern vergelijkt ze met de beide feesten, die thans nog gevierd worden, namelijk: „De nacht van den druppel,” die altijd op den 11den Baoeneh (in 1873 den 17den Juni) valt, op welk tijdstip de stand van den Nijl het laagst is, (Zie boven bl. 346.), en „De doorsteking van den dam,” een feest dat geregeld wordt naar den waterstand. De twee maanden die thans nog als feestmaanden worden beschouwd, liggen even ver uit elkander als weleer de Nijlfeesten van Chennoe.
»Niet kwaad verzonnen,” zeide de Heks!
»Ik heb nu met mijzelven, met Katoeti en ook met Nemoe raad gehouden,” ging Ani voort, »maar alles wat zij bedachten was, ja, wel uitvoerbaar, doch onraadzaam, en zou voor het minst tot vermoedens leiden, die ik thans zorgvuldig moet trachten te vermijden. Wat is uw raad?”
»Assa’s stam moet ondergaan!” prevelde de oude somber. Daarna staarde zij een poos nadenkend op den grond en zeide eindelijk: »Laat een gat in het schip boren, en voor het in Chennoe aankomt, met de geboeide gevangenen verzinken.”
»Neen, neen, daaraan heb ikzelf al gedacht, en ook Nemoe heeft het aangeraden,” zeide Ani. »Zoo iets is wel honderdmaal gebeurd. Ameni mag mij ook niet voor meineedig houden, en ik heb gezworen Pentaoer niet naar het leven te zullen staan.”
»O ja, dat hebt gij gezworen, en gij mannen zijt gewoon onder elkander woord te houden. Wacht eens even, hoe was het ook weer? ― Gij laat het schip met de gevangenen naar Chennoe onder zeil gaan, doch gij geeft in ’t geheim aan den gezagvoerder bevel, dat hij in den nacht zoo snel mogelijk de steengroeven voorbij moet varen, en verder koers zetten naar Ethiopië. Van Soean[280] laat gij de gevangenen door de woestijn naar de goudmijnen voeren. Er kunnen vier, ja misschien wel acht weken verloopen, eer men verneemt wat er gebeurd is. Spreekt Ameni u dan hierover aan, dan houdt gij u alsof gij vertoornd zijt over dit misverstand, en gij kunt bij alle goden van hemel en onderwereld zweren, dat gij Pentaoer niet naar het leven hebt gestaan. Met het doen van onderzoek verloopen weder eenige weken. Inmiddels doet Paäker het zijne en gij het uwe, en ― gij zijt koning. Eene gelofte laat zich, dunkt mij, wel met een schepter verbrijzelen. En wilt gij volstrekt uw woord houden, welnu, laat Pentaoer dan in de goudmijnen. Van daar is nog nooit iemand teruggekeerd. Ook de gebeenten van mijn vader en mijne broeders zijn daar in de zon gebleekt.”
[280] Het oude Syene, het heilige Assoean, bij den eersten waterval.
»Maar Ameni zal niet willen gelooven, dat het een misverstand is geweest,” viel Ani de tooveres angstig in de rede.
»Beken dan, dat gij dien tocht hebt bevolen!” hernam Hekt. »Verklaar dat gij te weten zijt gekomen, wat zij in Chennoe met Pentaoer voorhadden; dat gij uw woord hebt gehouden, maar dat gij een misdadiger niet straffeloos wildet laten. Zij zullen berichten inwinnen, en vinden zij den kleinzoon van Assa in het leven, dan zijt gij gerechtvaardigd. Volg mijn raad, wanneer gij waarlijk wilt toonen de belangen van uw huis ernstig te behartigen, en meester blijven van hetgeen gij bezit.”
»Het gaat niet,” zeide de stadhouder. »Ik heb den steun van Ameni niet enkel heden en morgen noodig. Ik wil geen blind werktuig van hem worden, maar voor het oogenblik moet hij mij daarvoor houden.”
De oude haalde de schouders op, stond op, ging haar hol binnen, en kwam terug met een fleschje. »Neem dit mede,” zeide zij. »Men behoeft slechts vier druppels van dit vocht in den wijn te gieten, en het kan niet missen of die er van drinkt verliest zijn verstand. Neem de proef van dezen drank bij een slaaf, en gij zult zien dat hij uitnemend werkt.”
»Wat moet ik daarmede aanvangen?” vroeg Ani.
»U rechtvaardigen voor Ameni,” zeide de tooveres lachend. »Gij beveelt den gezagvoerder van het schip dadelijk na zijn terugkeer bij u te komen. Gij onthaalt hem op wijn, en waarom zou Ameni, als hij den half waanzinnige ziet, niet gelooven, dat deze in zijne zinsverbijstering Chennoe is voorbij gevaren?”
»Dat is verstandig, dat is voortreffelijk!” riep Ani. »Het buitengewone daalt toch nimmer af tot het platte alledaagsche. Gij waart eens de schoonste der zangeressen, en thans zijt gij de wijste der vrouwen, vrouw Beki!”
»Ik ben thans Beki niet meer, ik heet Hekt,” zeide de oude op ruwen toon.
»Zoo als gij wilt! Inderdaad, had ik Beki’s gezang gehoord, zoo zou ik mij aan haar tot grooter dank verplicht achten, dan nu aan Hekt,” zeide Ani met een glimlach. »Doch ik mag de verstandigste vrouw van Thebe niet verlaten, zonder eene ernstige vraag tot haar te richten. Is het u werkelijk gegeven een blik in de toekomst te slaan? Staan u middelen ten dienste, waardoor gij weten kunt, of het groote waagstuk ― gij weet reeds wat ik bedoel, gelukken of mislukken zal?”
Hekt zag weder naar den grond, en zeide, na een kortstondig overleg: »Ik kan nog niets met zekerheid zeggen, maar uw zaak staat goed. Ziet gij daar die twee sperwers met het kettinkje aan de pooten? Zij nemen van niemand voedsel aan dan van mij. Die ruiende met zijne grauwe geslotene oogen is Ramses; die mooie en glimmende met zijne bliksemende oogen zijt gij! Het komt er nu maar op aan wie van beiden het langst leeft. Tot dusverre is het voordeel aan uwe zijde, gelijk gij ziet.”
Ani sloeg een boozen blik op den ziekelijken sperwer des konings. Hekt zeide echter: »Men moet beiden geheel gelijk behandelen, want men kan het noodlot niet dwingen.”
»Voeder ze dan goed!” riep de stadhouder, terwijl hij Hekt zijne beurs in den schoot wierp. Hij voegde er bij, zich gereedmakende om te vertrekken: »Wanneer een van beide vogels iets overkomt, laat het mij dan intijds door Nemoe weten.”
Ani daalde van den berg af, om zijne schreden te richten naar het naastbijzijnde graf zijner vaderen. Hekt kon niet nalaten hem uit te lachen, terwijl zij hem nazag, »Thans,” prevelde zij in zich zelve, »thans beschermt die gek mij, ter wille van zijn vogeltje! Die glimlachende en moedelooze man, die te lui is om voor zichzelven te denken, wil Egypte beheerschen! Ben ik dan zooveel wijzer dan andere menschen, of komen alleen de dwazen tot de oude Hekt? Doch Ramses heeft Ani toch tot zijne plaatsvervanger gekozen! Mogelijk ook wel, omdat hij den niet zeer slimmen man voor niet bijzonder gevaarlijk hield. Maar als hij zoo gedacht heeft, dan handelde hij niet wijs, want niemand is in den regel zelfzuchtiger en onbeschaamder dan de domme!”
DERDE HOOFDSTUK.
Een uur later reed Ani, uit het graf zijner vaderen komende, rijk gekleed, op zijn schitterender wagen, het hol van de tooveres en de hut van Warda’s vader voorbij. Nemoe zat neergehurkt op de trede, de gewone zitplaats der dwergen. De kleine sloeg een blik op de herstelde hut en knarsetandde, toen hij bij Warda een man zag zitten, wiens wit gewaad door de openingen van de heining schemerde.
De bezoeker van het schoone kind was niemand anders dan prins Rameri, die in het wit gewaad van een jong schrijver van het schathuis, reeds vroeg in den morgen den Nijl was overgevaren, ten einde berichten in te winnen omtrent Pentaoer, en Warda eene roos in het haar te steken. Dit laatste voornemen was zeker wel het gewichtigste, het eerste moest ten minste daarbij achterstaan, wat aangaat de volgorde van tijd. Hij vond het dan ook noodig deze zijne handelwijze voor zichzelven op allerlei deugdelijke gronden te verontschuldigen. Vooreerst liep de roos, die goed geborgen was in de plooien van zijn gewaad gevaar te verwelken, wanneer hij allereerst bij het Seti-huis op zijne makkers bleef wachten. Vervolgens had zich bij het Seti-huis iets kunnen voordoen, dat hem zou hebben gedwongen haastig naar Thebe terug te keeren. Ten laatste was het ook niet onmogelijk, dat Bent-Anat hem den ceremoniemeester achterna zond, en in dat geval zou elke vertraging zijn voornemen geheel kunnen verijdelen.
Geen wonder dus dat zijn hart hevig klopte, toen hij zich spoedde naar de hut, niet alleen ter wille van het meisje, maar ook omdat hij zichzelven bekennen moest niet goed te handelen. De plaats die hij betreden zou was onrein, en tegenover Warda had hij voor het eerst gelogen. Hij had zich uitgegeven voor een edelknaap uit het gevolg van Bent-Anat, en daar de eene onwaarheid de andere meestal na zich sleept, had hij op hare vragen naar zijne ouders en zijn leven allerlei logenachtige antwoorden moeten verzinnen. Was dan het booze aan die onreine plaats machtiger over hem, dan in het Seti-huis en in het paleis zijns vaders? Zoo scheen het wel te zijn, want de booze Seth veroorzaakte alle beroering in de natuur en in elke menschelijke ziel, en ― hoe stormde het in zijn borst! En toch, hij wilde Warda enkel goed doen. Zij was zoo schoon, zoo vriendelijk! Zij zag er uit als ware zij het kind van eene godheid! Voorzeker, dat blanke meisje was geroofd en behoorde niet te huis onder de onreinen.
Toen de prins den tuin van de hut intrad, was Warda niet te zien. Doch weldra vernam hij hare stem van binnen door de geopende deur. Zoodra zij hoorde dat de hond vijandig tegen Rameri begon te blaffen, liep zij naar buiten.
Op het gezicht van den prins verschrikte zij, en zeide: »Zijt gij daar nu weder? Maar ik heb u immers gewaarschuwd? Mijne grootmoeder daarbinnen is de vrouw van een Paraschiet.”
»Haar breng ik ook geen bezoek,” antwoordde de prins, »maar u alleen. En gij behoort niet tot deze onreinen, heb ik zoo juist tot mijzelven gezegd. In de woestijn groeien geen rozen.”
»En toch,” hernam Warda met zekerheid, »ben ik het kind van mijn vader, en de kleindochter van mijn armen verslagen grootvader. Wis-en-zeker behoor ik bij hen, en ben ik voor iemand daarom te gering, dan blijve hij verre van mij.”
Dit zeggende maakte zij zich gereed om de hut weder binnen te gaan. Doch Rameri greep hare hand, hield haar terug en zeide: »Wat zijt gij boos! Heb ik dan niet getracht u te redden, en ben ik niet tot u gekomen, eer de gedachte in mij opkwam, dat gij zoudt kunnen.... nu ja, dat gij toch zoo geheel ongelijk waart aan hen, die gij uwe bloedverwanten noemt? Gij moet mij niet verkeerd verstaan; het was mij alleen eene schrikkelijke gedachte, dat gij, zoo blank als eene lelie en zoo schoon, mede zoudt lijden onder dien vreeselijken vloek. Iedereen, zelfs mijne meesteres Bent-Anat, wordt door u aangetrokken, en zoo kwam het mij onmogelijk voor, dat....”
»Dat ik tot de onreinen zou behooren. Spreek het maar uit!” zeide Warda zacht, terwijl zij hare oogen nedersloeg. Daarop vervolgde zij op levendiger toon: »Maar die vloek is onrechtvaardig, zeg ik u, want er is nooit beter mensch geweest, dan mijn arme grootvader was.” En bij deze woorden rolden de tranen haar langs de wangen.
»Ik wil het gaarne gelooven,” sprak Rameri, »en het moet zeer moeielijk vallen goed te blijven, als de menschen u verachten en schelden. Wat mij betreft, ik laat mij door verwijten tot niets dwingen, maar door lof kan men alles goeds van mij gedaan krijgen. Doch ik moet bekennen, dat de menschen wel genoodzaakt zijn, mij en de mijnen met achting te bejegenen.”
»En ons met minachting,” viel Warda hem in de rede. »Doch ik wil u eens wat zeggen. Als men weet dat men goed is, dan is het ons onverschillig, of wij door anderen veracht worden of geëerd. Ja, wij mogen trotscher zijn dan gijlieden, want gij, groote heeren, moet dikwijls voor u zelven bekennen, dat gij minder waard zijt dan de menschen u schatten, maar wij weten dat wij meer gelden.”
»Juist, zóo heb ik mij u voorgesteld!” riep Rameri eensklaps uit. »En daar is toch éen, die uwe waarde erkent, en dat ben ik! Zou ik anders wel gedurig en altijd weder aan u denken?”
»Maar ik heb ook aan u gedacht,” zeide Warda. »Zooeven, toen ik bij mijne zieke grootmoeder zat, kwam het voor ’t eerst in mijne ziel op, hoe heerlijk het zou zijn, wanneer ik eens een broeder had die op u geleek. Weet gij wel wat ik doen zou, als gij mijn broeder waart?”
»Welnu?”
»Ik zou een wagen voor u koopen en paarden, en dan zoudt gij met ’s konings dapperen moeten uittrekken.”
»Zijt gij dan zoo rijk?” vroeg Rameri lachend.
»O ja,” antwoordde Warda. »Hoewel eerst sedert een uur. Kunt gij lezen?”
»Ja.”
»Denk eens, toen ik ziek was, zonden zij mij een arts uit het Seti-huis. Hij was zeer bekwaam, maar een wonderlijk man. Hij zag mij dikwijls zoo vreemd met zijne oogen aan, alsof hij dronken was, en als hij sprak stotterde hij.”
»Heet hij Nebsecht?” vroeg de prins.
»Ja, Nebsecht. Hij had ook iets zonderlings voor met grootvader, en bij dien schrikkelijken aanval op ons, sprong hij, nadat Pentaoer en gij ons hadt gered, mede voor ons in de bres. Sedert is hij niet weder gekomen; ik werd dan ook veel beter. Doch heden, zoowat een paar uren geleden, blafte de hond, en een vreemde bejaarde man trad mij te gemoet. Hij gaf voor Nebsecht’s broeder te zijn, en zeide dat hij veel geld voor mij bewaarde. Hij schonk mij ook een ring en voegde daarbij, dat hij aan ieder, die dezen aan hem van mijnentwege terug kwam brengen, het geld zou uitbetalen. Vervolgens las hij mij dezen brief voor.”
Rameri nam den brief van haar aan, en las:
»Nebsecht aan de schoone Warda!
»Nebsecht groet Warda en deelt haar mede, dat hij haren Osiris geworden grootvader Pinem, wiens lijk de Kolchyten balsemen, alsof hij een der aanzienlijksten was geweest, een som van duizend gouden ringen schuldig is. Hij heeft zijn broeder Teta opgedragen, deze som ten allen tijde voor haar gereed te houden. Zij kan zich geheel aan Teta toevertrouwen, want hij is rechtschapen. Het staat haar vrij hem om geld te vragen, zoo vaak zij het noodig heeft. Het zou ’t beste zijn, wanneer zij aan mijn broeder overliet het geld voor haar te beheeren, en voor haar een huis met een stuk bouwland te koopen. Dan moet zij dat huis met hare grootmoeder betrekken, om er zonder zorgen in te wonen. Hij wenscht dat zij nog éen jaar zal wachten, vóor zij een man volgt, die haar tot vrouw begeert. Nebsecht heeft Warda hartelijk lief. Is hij na verloop van dertien maanden niet bij haar geweest, zoo mag zij zich tot echtgenoot kiezen wien zij wil, maar niet voordat zij den tolk des konings het kleinood heeft getoond, dat hare moeder haar naliet.”
»Vreemd!” zeide Rameri. »Wie had gedacht dat die wonderlijke arts, die altijd vuile kleederen droeg, zoo edelmoedig kon zijn! Maar wat voor kleinood bezit gij?”
Warda maakte haar kleedje open, en toonde den prins het schitterend juweel.
»Dat zijn diamanten! Inderdaad, dat is zeer kostbaar!” riep de prins. »Daar in het midden, in dat half ovaal van onyx, staan scherp gesneden schriftteekens. Ik kan ze niet lezen, maar ik wil ze den tolk laten zien! ― Heeft uwe moeder dat kleinood gedragen?”
»Vader vond het bij haar, toen zij stierf,” antwoordde Warda. »Zij kwam als krijgsgevangene naar Egypte, en was zoo blank als ik, maar stom, zoodat zij den naam van haar vaderland niet noemen kon.”
»Dan behoorde zij zeker tot eene aanzienlijke familie in het buitenland, en de moeder bepaalt de afkomst der kinderen,” hernam Rameri levendig. »Gij zijt een prinsesje, Warda! O, ik kan u niet zeggen, hoeveel genoegen mij dit doet en hoe lief ik u heb!”
Het meisje glimlachte en zeide: »Dan behoeft gij nu ook niet meer te vreezen het onreine meisje aan te raken.”
»Gij zijt hard!” gaf de prins haar ten antwoord. »Wil ik u eens zeggen, wat ik gisteren voornam, wat mij heden nacht belette te slapen, en waarom ik eigenlijk hier kwam?”
»Nu?”
Rameri haalde de schoone witte roos uit zijn kleed te voorschijn, en zeide: »Het is misschien kinderachtig, maar ik dacht hoe het wel staan zou, als ik deze bloem eens met mijne eigene vingers in uw glanzend haar kon steken. Mag ik?”
»Die roos is kostelijk. Zoo schoon heb ik er nog nooit eene gezien!”
»Zij is dan voor mijn trotsch prinsesje. Kom, laat mij u nu eens opsieren. Als de zijde van Tyrus, als de borst van een zwaan, als de stralen der gouden sterren, zoo zacht zijn uwe glanzende haren! ― Daar steekt zij vast! ― Neen, laat de roos nu zoo zitten. Als de zeven Hathors u zien, moeten zij u wel benijden, want gij zijt schooner dan zij allen te zamen.”
»Foei, gij vleier!” zeide Warda, een weinig beschaamd en blozend. Toch zag zij Rameri in de heldere oogen.
»Ach, Warda!” riep de prins, terwijl hij de hand op zijn hart legde, »nu heb ik nog een enkele wensch. Voel maar hoe het hier bonst en klopt. Ik geloof, dat dit niet eer tot rust zal komen, voor ge mij.... nu ja, Warda ― voor ge mij veroorlooft u een kus, maar een enkelen, te geven.”
Het meisje ging achteruit en zeide ernstig: »Neen! Nu zie ik waar gij heen wilt. De oude Hekt kent de menschen en heeft mij gewaarschuwd.”
»Wie is Hekt, en wat kan zij dan van mij weten?”
»Zij heeft mij gezegd, dat er een tijd zal komen, waarop een man mij zal naderen. Zijn oog zal het mijne zoeken, en wanneer ik zijn blik zal beantwoorden, dan zal hij naar mijne lippen verlangen. Dan moest ik, zeide zij, weigeren, want wanneer ik mij zijn kus liet welgevallen, dan zou hij naar mijne ziel grijpen en haar rooven. Ik zou zielloos moeten ronddwalen, als de rustelooze geesten, die de diepte opwerpt en de stormwind wegdrijft, die de zee uitspuwt en de hemel niet hebben wil. Ga daarom van mij weg, want ik zou u een kus niet kunnen weigeren, en wil toch niet rusteloos zonder ziel omdwalen!”
»Is die oude goed, die u dat geleerd heeft?” vroeg de prins.
Warda schudde ontkennend het hoofd.
»Dat kan zij ook niet zijn!” hernam Rameri, »want zij heeft onwaarheid gesproken. Ik wil uwe ziel niet wegnemen, integendeel: ik wil u de mijne bij de uwe geven, en gij zult mij de uwe geven bij de mijne, en zoo zullen wij beide niet armer maar rijker worden!”
»Hoe gaarne zou ik dat willen gelooven,” zeide Warda nadenkend. »Iets dergelijks heb ikzelve ook reeds gedacht. Toen ik nog gezond was, moest ik dikwijls ’s avonds laat naar den Nijl om water te scheppen bij de landingsplaats, waar het groote scheprad staat. Duizende druppels vielen er neder van den aarden emmer, en in elken spiegelde zich eene maan, en toch stond er maar éene aan den hemel. Dan dacht ik zoo bij mij zelve: Zoo zal het ook zijn met de liefde in het hart. Men heeft toch maar éene liefde, en wij storten haar toch over in verschillende harten, zonder dat zij vermindert in kracht of matter wordt van glans. Ik dacht aan mijne grootouders, aan vader, aan den kleinen Scheraoe, aan den goden en aan Pentaoer. Nu kan ik ook u wel een deel ervan geven?”
»Maar een deel?” vroeg Rameri.
»Neen,” zeide Warda, »zij zal zich geheel in u afspiegelen, zooals de geheele maan zich vertoonde in elken druppel..”
»Dat zal zij,” riep de koningszoon, sloeg zijn arm om het slanke middel van het bevende meisje, en de beide jeugdige menschenzielen, verbonden zich aan elkander door een eersten kus.
»Ga nu ook heen!” smeekte Warda.
»Laat mij nog een oogenblik blijven!” vroeg de prins. »Zet u naast mij op de bank voor de hut. De heining verbergt ons voor het oog der wandelaars. Bovendien, het dal is nu eenzaam en verlaten.”
»Wat wij doen is niet goed,” zeide Warda nadenkend, »anders zouden wij niet noodig hebben ons te verbergen.”
»Houdt gij dan voor kwaad, wat de priester in het allerheiligste verricht?” vroeg Rameri. »En toch wordt dit onttrokken aan aller oogen.”
»Wat zijt gij bedreven in de kunst van te overreden!” zeide Warda lachend. »Ik begrijp het: gij kunt schrijven, en gij zijt zijn leerling geweest.”
»Zijn! zijn!” riep Rameri. »Gij bedoelt zeker Pentaoer. Van al mijne leermeesters heb ik hem altijd het meest liefgehad, maar het hindert mij toch als gij zoo over hem spreekt, als lag hij u nader aan het hart dan ik en die anderen. De dichter, zeidet gij, was een der druppels, waarin het maanlicht uwer liefde zich afspiegelde, en ik wil niet met velen deelen!”
»Hoe kunt gij zoo spreken!” viel Warda hem in de rede. »Eert gij dan uw vader niet en de goden? Zooals ik u liefheb, bemin ik geen ander, en wat ik zooeven gevoelde, toen gij mij hebt gekust, dat was ook niet als het maanlicht, maar brandend als de zon op dit middaguur. Zoo vaak ik aan u dacht, was mijne rust geweken. Ik wil het u wel bekennen, wel twintigmaal zag ik te voren naar buiten, in stilte vragende: ‚Zou mijn redder, die lieve en vriendelijke krullebol ook komen, of zou hij mij, arm meisje, versmaden?’ Gij zijt gekomen, en ik ben zoo gelukkig! Ik zou met u van ganscher harte kunnen jubelen! Kom, wees weer vriendelijk, anders trek ik u bij de lokken!”