Warda: Roman uit het oude Egypte

Part 36

Chapter 364,058 wordsPublic domain

[268] De Egyptenaren schreven aan het bloed en de tranen der goden scheppende krachten toe. Hierover kan men het best raadplegen Lefébure. =Le mythe osirien=. =Première partie: Les yeux d’Horus=. In de door Naville uitgegeven „Lofverheffingen van Ra” wordt deze godheid in de 21ste aanroeping „Remi”, d. i. „de weenende” genoemd, en in de teksten, die gevonden worden bij de voorstelling van de vier menschenrassen, in het graf van Seti I in Biban el Moeloek, komt eene plaats voor, waaruit blijkt, dat ook wel menschen uit goddelijke tranen geboren zijn. Want daar spreekt de godheid op de volgende wijze de volken toe: „Gij zijt een traan uit mijn oog, gij die menschen heet.”

»Isis is zeer goed,” riep nu een meisje, dat tegenover haar zat. »Moeder zegt altijd, dat Isis de kinderen ook liefheeft, wanneer zij goed oppassen.”

»Uwe moeder heeft gelijk,” antwoordde Nefert. »Isis heeft ook zelve haar lieve Horus-kindje. En ieder mensch die sterft, wordt, als hij braaf heeft geleefd, weder een kind, en de godin neemt hem tot zich, alsof hij haar eigen kind was, en legt hem aan hare borst en verpleegt hem met hare zuster Nephtys[269], tot hij groot zal zijn en voor zijn vader strijden kan.”

[269] Gelijk Isis als moeder, zoo wordt Nephtys als zoogmoeder en opvoedster van Horus voorgesteld. Op het eiland Philak zien wij een der Ptolemaeën als een jeugdige god afgebeeld, die van Nephtys onderwijs ontvangt in het harpspel. Osiris heeft beide godinnen lief, en beiden worden afgebeeld, weeklagende aan het hoofd- en aan het voeteinde van zijne lijkbaar. Haar klaaglied is bewaard gebleven in een papyrus van het Berlijnsch museum, die door De Horrack werd uitgegeven.

Nefert had opgemerkt, dat onder deze woorden eene vrouw was begonnen te weenen. Zij ging tot haar om te vragen wat haar deerde, en kwam te weten dat haar man en haar zoon, de eerste in Syrië, de laatste op zijn terugreis naar Egypte, gestorven waren.

»Arme vrouw en moeder!” zeide Nefert. »Nu moogt gij wel dubbel uw best doen, opdat de wonden der anderen geheeld worden! Ik wil u nog iets anders van Isis vertellen. Zij had haar gemaal Osiris zeer liefgehad, zooals gij uw gestorven echtgenoot, en ik mijn Mena. Maar hij was gevallen als een offer van de listen van Seth. Zij kon niet eens het lijk vinden van den man, die haar op zoo wreede wijze was ontroofd, en gij kunt uw echtgenoot ten minste nog bij zijn graf bezoeken. Toen trok Isis klagende het land door, en ach, wat was er van Egypte geworden, het schoone land, dat al zijne vruchtbaarheid aan Osiris te danken heeft! De heilige Nijl lag droog, en geen grashalm groende er aan zijne oevers. De goede godin gevoelde hierover eene onuitsprekelijke smart. Zij weende een traan in het bed van den vloed en terstond begonnen de wateren weer te zwellen. Want gij weet toch wel dat elke overstrooming ontstaat door een traan van Isis[270]. Zoo werd de smart eener weduwe tot zegen voor vele millioenen geslachten.”

[270] Onder de Arabieren is nog het oude geloof bewaard gebleven, dat de Nijl wast door een goddelijken traan, die in den stroom valt. Nog heden wordt den nacht van den 11den Baoeneh „de nacht van den druppel” genoemd, omdat in dien nacht de Nijl zijn laagste standpunt bereikt en langzaam begint te stijgen.

De vrouw had opmerkzaam naar haar geluisterd, en zeide, toen Nefert zweeg: »Maar ik heb nu ook de drie bloedjes van kinderen, die mijn zoon naliet, te onderhouden. Want zijne vrouw, eene waschvrouw, is helaas bij het verrichten van haar werk door een krokodil overvallen. Lieden van onze soort moeten in de eerste plaats voor zichzelven en niet voor anderen zorgen. Als de prinses ons niet betaalde, hoe kon ik dan aan de wonden der krijgslieden denken, die mij niets aangaan? Ik ben ook niet sterk meer en heb vier monden te voeden.”

Nefert gevoelde eene huivering, gelijk meermalen bij deze hare nieuwe werkzaamheid, en verzocht Bent-Anat het loon van deze vrouw te verhoogen.

»Gaarne,” zeide de prinses, »Wat zou ik eene helpster als gij zijt kunnen weigeren! Kom thans eens mede in mijne keuken. Ik laat vruchten inpakken voor mijn vader en broeders. Daar mag nu toch ook wel een kistje voor Mena bij.”

Nefert volgde hare vorstelijke vriendin, en zag hoe men juist in eene kist goudgele dadels van de oase van Amon[271] en in eene andere donkere van Nubië, de lievelingssoorten van den koning, had gelegd.

[271] De tegenwoordige oase Siwah, waar de dadelboomen nog altijd vruchten dragen, die wijd en zijd beroemd zijn.

»Laat mij dat pakken!” riep Nefert, beval de dienstmaagd, die er mede bezig was, de kistjes weder te ledigen, en legde nu de dadels van verschillende kleuren, benevens eenige andere in suiker gekookte vruchten, in sierlijke figuren bijeen.

Bent-Anat zag dit met welgevallen, reikte haar toen zij gereed was de hand en zeide: »Wat uwe vingers maar aanroeren, dat krijgt dadelijk een vriendelijk aanzien. Geef me dat stuk papyrus! Ik zal het in dit kistje leggen en er op schrijven: Dit heeft de vlijtige medehelpster van zijne dochter Bent-Anat, de vrouw van Mena, voor koning Ramses ingepakt.”

Na de rust van den middag werd de prinses weggeroepen, en Nefert bleef nog eenige uren met hare arbeidsters alleen. Toen de zon onderging en de vlijtige schare wilde opbreken, hield Nefert de vrouwen en meisjes nog terug en zeide: »De zonneschuit verdwijnt ginds achter de westelijke bergen. Komt, laat ons te zamen bidden voor den koning en onze geliefden in ’t veld. Ieder denke aan de zijnen, gij kinderen aan uwe vaders, gij vrouwen aan uwe zonen, en wij echtgenooten aan onze mannen, die verre van ons zijn. Wij bidden Amon, dat zij zoo zeker tot ons mogen wederkomen, als de zon, die thans van ons scheidt, maar morgen vroeg zich opnieuw zal vertoonen.”

Nefert knielde neder, en met haar de kinderen en vrouwen.

Toen zij weder opstonden, liep een klein meisje naar de vrouw van Mena en zeide schuchter, terwijl zij haar kleedje frommelde: »Gij hebt ons ook gisteren hier laten knielen, en stellig zal het ook heden met mijne moeder wat beter gaan, nu ik voor haar gebeden heb.”

»O zeker,” zeide Nefert, en zij streelde de zwarte haren van het kind.

Zij vond Bent-Anat op het balkon, peinzend starende over den stroom naar de doodenstad, die al meer en meer in duisternis werd gehuld. Toen zij de zachte schreden harer vriendin achter zich hoorde, schrikte zij een oogenblik.

»Ik stoor u zeker,” zeide Nefert, en trad terug.

»Neen blijf,” smeekte Bent-Anat. »Ik dank de goden dat ik u heb, want het is mij zoo wee, zoo akelig wee om ’t hart.”

»Ik weet waaraan gij dacht,” sprak Nefert zacht.

»Welnu?” vroeg de prinses.

»Aan Pentaoer.”

»Ik denk aan hem en altijd aan hem,” antwoordde de prinses, »en toch is er nog iets anders wat mijn gemoed beweegt. Ik ben mij zelve niet meer. Wat ik denk moest ik niet denken, wat ik gevoel niet gevoelen, en toch kan ik het niet van mij zetten. Ik geloof dat mijn hart zou doodbloeden, wanneer ik het er met geweld uit wilde verwijderen. Vreemd, ja onbetamelijk heb ik gehandeld, en nu hangt mij iets boven het hoofd, dat mijne schouders bijna niet kunnen dragen, iets buitengewoons, dat u misschien weder van mijne zijde wegneemt en naar uwe moeder terugvoert.”

»Alles wil ik met u deelen,” riep Nefert. »Maar wat verlangt men dan van u? Zijt gij dan de dochter van Ramses niet meer?”

»Als eene burgervrouw heb ik mij aan het volk vertoond,” antwoordde Bent-Anat, »en nu heb ik de gevolgen van deze daad te dragen. Bek-en-Choensoe, de opperpriester van Amon, was zooeven bij mij, en ik heb mij lang met hem onderhouden. De eerwaardige man is mij welgezind, dat weet ik, en mijn vader heeft mij geboden zijn raad boven dien van alle anderen te volgen. Hij bracht mij onder het oog, dat ik zwaar misdreven had. Terwijl ik nog in den staat der onreinheid verkeerde, heb ik een tempel in de Nekropolis betreden, en nadat ik mij reeds eens had gewaagd op het erf van een Paraschiet, en mij daarover de berisping van Ameni op den hals gehaald, deed ik het toch andermaal. Zij weten aan de overzijde alles, wat ons daar bejegend is! Nu moet ik mij laten reinigen, óf door Ameni zelven in het Seti-huis, in tegenwoordigheid van alle priesters en rijksgrooten, met buitengewone plechtigheid, óf door eene bedevaart te ondernemen tot de Smaragden-Hathor[272], onder welker bescherming men de edelgesteenten uit de rotsen houwt, en het erts vindt, dat door smelting wordt gelouterd. De godin, die het echte van het onechte scheidt, zal, zoo zeggen zij, de onreinheid van mij nemen, gelijk zij het edel metaal van de slakken zuivert. Eene dagreize of iets verder van de steengroeven vloeit van den heiligen berg des Heeren, den Sinaï[273], zooals de Mentoe[274] hem noemen, eene diepe beek[275], en daarbij verheft zich het heiligdom der godin, waarin de priesters reiniging verleenen. De tocht is lang; de weg leidt door de woestijn en over de zee; maar Bek-en-Choensoe raadt mij, dat ik het wagen zal. Ameni, zegt hij, is mij niet gunstig gezind, omdat ik de inzettingen overtreed, die hij boven alles in eere gehouden wil hebben. Hij meent, dat ik het mij moet laten welgevallen, zoo deze met dubbele gestrengheid handelt, want het volk ziet allereerst naar hen op die het hoogste staan, en wanneer ik de inzettingen ongestraft minacht, zoo zal ik onder de menigte navolgers vinden. Hij handelt in naam der goden, die de harten der menschen meten met gelijke maat. De el behoort aan de godin der waarheid[276]. Ik gevoel wel dat dit alles niet onjuist is, en toch kan ik mij moeilijk schikken naar de uitspraak van den opperpriester, omdat ik de dochter van Ramses ben!”

[272] De Hathor van het maskat was de godin, die voornamelijk op het Sinaïtisch schiereiland werd vereerd. Na de grondige verhandeling van Lepsius, over de metalen bij de oude Egyptenaars, staat het vast, dat maskat noch koper beteekent, noch de turkoois, maar een groenen steen. Wordt het maskat echt geheeten, dan bedoelt men smaragd; soms ook wel malachiet, berggroen en groene vloeispaath, die veelvuldig in de graven worden gevonden. Sieraden van malachiet komen zelden voor. Wij vestigen hier de aandacht op een allerliefst beeldje van den god Ptah (zie Dl. I. bl. 82, v.) uit dezen steen vervaardigd, dat bewaard wordt in het Japansch paleis te Dresden.

[273] Niet de berg Sinaï, waar de monniken wonen, maar het reusachtig gebergte, dat thans Serbal heet, houden wij voor den Sinaï van den Bijbel. Wij hebben deze opvatting uitvoerig verdedigd in ons werk: =Durch Gosen zum Sinaï, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek=.

[274] De bergvolken van het Sinaïtisch schiereiland.

[275] In de tegenwoordige oase Feirân.

[276] De naam van de godin der waarheid (Ma) wordt ook geschreven met de hiëroglyphe, die eene el voorstelt. Van de oude heilige ellematen zijn er verschillende bewaard gebleven. Men kan alles hierover vinden in Lepsius’ verhandeling: „Die altägyptische Elle und ihre Eintheilung” in de =Abhandl. der k. Akademie der Wissenschaften=, Berlin, 1865, s. 33.

»Dat zijt gij,” sprak Nefert, »en uw vader is een god!”

»Maar,” ging de prinses voort, »hij heeft mij ook altijd geleerd de inzettingen te eeren. Ook heb ik met Bek-en-Choensoe nog wat anders besproken. Gij weet dat ik de hand van den stadhouder afwees. Hij zal in stilte boos op mij zijn. Dat nu zou mij geen schrik aanjagen, maar hij is door mijn vader als voogd over mij aangesteld; hij is mijn beschermer. Kan ik hem dan nog vertrouwelijk raad en hulp vragen? Neen! Ik ben toch maar eene vrouw en bovendien de dochter van Ramses. Eer trek ik door duizend woestijnen, eer dat ik mijn vader en zijn kind laat vernederen. Tot morgen zal ik mij beraden, doch ik ben reeds nu besloten de reis te aanvaarden, wat het mij ook zal kosten zooveel hier te verlaten. ― Vrees niets, lieve, gij zijt te teeder voor zulk een verren tocht; ik zou....”

»Neen, neen,” riep Nefert, »ik trek met u, al ging de reis ook tot aan de vier zuilen des hemels aan de uiteinden der aarde[277]. Gij hebt een nieuw leven in mij gewekt, en wat thans in mijn binnenste zoo frisch ontkiemt, zou weder verdorren, als ik tot mijne moeder terugkeerde. Of zij, óf ik moet meesteres zijn in onze woning. Alleen met Mena wil ik haar weder betreden!”

[277] De zuilen des hemels (sechent pet) komen in verschillende teksten voor. Op de schoone overwinnings-stêle van Thotmes III te Boelaq leest men: „Ik (Amon) verbreid ... de vrees voor u tot de vier zuilen des hemels.” Men stelde zich voor, dat deze zuilen aan de uiterste einden van het zuiden, noorden, westen en oosten werden gevonden. Daarom worden ook in vele teksten, in plaats van de vier windstreken, de vier zuilen des hemels genoemd.

»Zoo is dan besloten, ik vertrek!” zeide de prinses. »O ware mijn vader maar niet zoo ver; kon ik hem maar raad vragen en zijne stem hooren!”

»Ja, die krijg, die eeuwigdurende krijg!” zuchtte Nefert. »Waarom stellen de mannen zich toch nooit tevreden met hetgeen zij hebben, en verkiezen zij een ijdelen roem boven den stillen vrede, die het leven siert!”

»Zouden zij dan mannen zijn? Zouden wij hen kunnen liefhebben, indien zij anders waren?” vroeg Bent-Anat levendig. »Scheppen de goden ook in den strijd geen behagen? Hebt gij ooit een verhevener beeld gezien, dan dat van Pentaoer, toen hij dien onbehouwen paal hoog door de lucht slingerde, en zijn leven waagde om de bedreigde onschuld te beschermen?”

»Ik waagde maar even een blik in den hof te slaan,” antwoordde Nefert, »want ik maakte mij zoo angstig. Maar zijn luid geroep klinkt mij nog in de ooren.”

»Zoo klinkt ook het krijgsgeschreeuw der helden in den slag, die de vijanden doet beven!” zeide Bent-Anat.

»Ja zeker, zoo klinkt het!” riep prins Rameri, die zonder door de vrouwen opgemerkt te zijn, het halfdonkere vertrek van zijne zuster was binnengetreden.

De prinses keerde zich naar haar broeder om, zeggende: »Wat doet ge mij daar schrikken!”

»U?” vroeg de prins verwonderd.

»Ja mij. Vroeger was ik kloek van hart, maar sedert dien avond beef ik telkens, en overvalt mij gedurig een pijnlijke angst, ik weet zelve niet waarvoor. Ik geloof dat een demon mij beheerscht.”

»Gij heerscht, waar gij u vertoont, en gij wordt door niets beheerscht,” zeide Rameri. »De ontsteltenis, en het verdriet dat gij in het dal hebt geleden, en daarna aan de landingstrap, dat alles zit u nog in de leden. Ook ik begin te knarsetanden, als ik eraan denk, hoe zij mij uit de school hebben gebannen, en hoe die Paäker zijn hond tegen mij aanhitste. Ik heb heden vrij wat ondervonden.”

»Waar zijt gij toch zoolang geweest?” vroeg Bent-Anat. »Neef Ani had toch bevolen, dat gij het paleis niet mocht verlaten.”

»Ik zal in de volgende maand mijn achttiende jaar intreden,” antwoordde de prins, »en heb geen voogd meer noodig!”

»Maar onze vader....” wilde Bent-Anat hem vermanen.

»Onze vader,” viel Rameri haar in de reden, »kent den stadhouder slecht. Doch ik zal hem schrijven, al wat ik heden onder het volk heb hooren vertellen. Men zegt dat zij Ani op het feest van het dal zoo goed als gehuldigd hebben, en de een vertelt den ander openlijk, dat het den stadhouder om de kroon te doen is, en dat hij voornemens is den koning van den troon te stooten. ― Gij hebt gelijk, dat is onzinnig, maar er moet toch wel iets van waar zijn.”

Nefert verbleekte. Bent-Anat vroeg eenige nadere bijzonderheden, waarop de prins vertelde wat hij vernomen had, om dan lachend uit te roepen: »Ani zou mijn vader doen vallen! Dat is zooveel alsof ik de Isis-ster van den hemel wilde losrukken, om daarmede de lampen te ontsteken, die hier nog altijd ontbreken!”

»Ik vind het vertrouwelijker in donker te zitten,” zeide Nefert.

»Neen, laat het licht komen,” zeide Bent-Anat. »Men kan beter spreken, wanneer men hen tot wie men spreekt in de oogen kan zien. ― Wat die dwaze volkspraatjes betreft, ik geloof er niet aan. Maar gij hebt gelijk, wij moeten er onzen vader kennis van geven.”

»In de doodenstad hoorde ik de dolzinnigste zwetserij,” zeide Rameri.

»Hebt gij u dan aan de overzijde gewaagd? Hoe verkeerd hebt gij gedaan!”

»Ik had mij weder een weinig verkleed, en heb heel veel goeds te vertellen. Het gaat met de lieve Warda veel beter. Zij heeft uwe geschenken ontvangen, en woont weder in haar eigen huis. Naast de afgebrande stond een vervallen hut, die haar vader, een soldaat met een grooten baard, die evenveel op haar gelijkt als een egel op een witte duif, met eenige gezellen in een oogenblik weder in orde heeft gebracht. Ik bood haar aan met de andere meisjes in het paleis voor u te werken, tegen hoog loon. Maar zij wilde niet, want zij moet hare zieke grootmoeder verplegen. Ook is zij trotsch en wil niemand dienen.”

»Het komt mij voor, dat gij lang bij die onreine hebt vertoefd,” zeide Bent-Anat verwijtend. »Ik had gedacht, dat hetgeen mij is wedervaren, u tot eene waarschuwing geweest zou zijn.”

»Ik wil niet beter zijn dan gij!” hernam de prins. »Bovendien is de Paraschiet dood, en Warda’s vader is een eerlijk soldaat die niemand verontreinigt. Voorts hield ik mij op een afstand van de oude vrouw. Morgen steek ik weder over; dat heb ik haar beloofd.”

»Aan wie?” vroeg Bent-Anat.

»Aan wie anders dan aan Warda! Zij houdt veel van bloemen, en na de roos, die gij haar hebt geschonken, heeft zij er geene meer gezien. Ik heb den hovenier reeds bevolen, dat hij mij tegen morgen een korf vol rozen moet snijden, die ikzelf haar brengen zal.”

»Dat zult gij niet doen!” riep Bent-Anat. »Gij zijt nog half een kind, en al ware dit niet zoo, ook om den wil van het meisje zult gij het laten.”

»Wij zitten samen alleen wat te keuvelen,” zeide de prins terwijl hij bloosde, »en niemand zal mij herkennen. Ja, als gij het volstrekt verlangt dan zal ik niet met dien korf vol rozen oversteken, maar alleen ga ik toch tot haar. ― Neen, zuster, dat laat ik mij niet verbieden! Zij is zoo bekoorlijk, zoo blank, zoo teeder, en haar stemmetje klinkt zoo zacht en lieflijk! En zij heeft voetjes, ja, hoe zal ik het zeggen, zoo klein en sierlijk als Neferts hand! Wij hebben het meest gesproken over Pentaoer. Zij kent zijn vader, die hovenier is, en weet zeer veel van hem. Denk eens aan, zij zegt dat Pentaoer geen kind van zijne ouders is maar een goede geest, die op aarde is gekomen, misschien wel eene godheid. In het begin was zij zeer schuchter, maar toen ik over Pentaoer begon, werd zij spraakzaam. Zij vereert hem bijna afgodisch, en dat juist heeft mij geërgerd.”

»Gij zoudt zeker liever willen, dat zij u zoo vereerde?” zeide Nefert lachende.

»Volstrekt niet!” hernam Rameri. »Maar ik heb haar mede gered en het doet mij zoo goed als ik bij haar zit. Morgen, dat heb ik stellig voorgenomen, steek ikzelf haar eene bloem in het haar. Dat is wel rood, maar zoo zwaar als het uwe, Bent-Anat, en het moet verrukkelijk zijn het met de hand te mogen aanraken en streelen!”

De vrouwen zagen elkander aan met een blik, waaruit duidelijk bleek dat zij elkander verstonden. De prinses zeide dan ook op beslissenden toon: »Gij gaat morgen niet naar de doodenstad, mijn pleegzoon.”

»Dat zullen wij eens zien, mijn pleegmoedertje!”

Dit zeide hij schertsend. Doch hierna werd hij ernstig en vervolgde: »Ik heb ook mijn schoolvriend Anana gesproken. In het Seti-huis heerscht thans de ongerechtigheid! Pentaoer zit in de gevangenis en gisteren avond hebben zij gericht over hem gehouden. Onze neef Ani was ook daarbij, en heeft den dichter heftig aangevallen. Ameni moet hem in zijne bescherming hebben genomen. Welk besluit er eindelijk gevallen is, konden de kweekelingen niet te weten komen, maar het moet wel iets heel bedenkelijks zijn geweest, want de zoon van den schatmeester hoorde, hoe Ameni na de zitting tot den ouden Gagaboe zeide; ‚Straf verdient hij, maar ik laat zijn ondergang niet toe!’ Met deze woorden kon hij niemand anders bedoelen dan Pentaoer. Morgen ga ik weder naar de overzijde, en zal nog wel meer te weten komen, misschien wel iets verschrikkelijks, denk ik. Op zijn minst zal hij voor vele jaren worden gevangen gezet.”

Bent-Anat was doodsbleek geworden. »Wat zij hem aandoen,” riep zij uit, »lijdt hij om mijnentwil! O gij almachtige goden, helpt hem, helpt mij en weest mij genadig!”

Zij sloeg de handen voor het aangezicht en verliet het vertrek.

»Wat mag mijne zuster toch wel overkomen zijn,” vroeg Rameri aan Nefert; »zij komt mij zoo vreemd voor, en ook gij zijt anders dan gewoonlijk!”

»Wij beiden hebben ons in zekeren nieuwen toestand te verplaatsen.”

»Wat bedoelt gij hiermede?”

»Dat kan ik u zoo niet in een paar woorden verklaren. Maar het komt mij voor als zult gijzelf weldra iets dergelijks ondervinden. ― Rameri! Ga niet weder naar de Paraschieten!”

TWEEDE HOOFDSTUK.

Vroeg op den volgenden dag ging de dwerg Nemoe met een man in een eenvoudig lang kleed, naar het scheen de hofmeester van eene aanzienlijke familie, de hut voorbij, die door Warda’s vader weder in orde was gebracht, de hut waarin de soldaat eens met zijne vrouw had gewoond. Zij richtten hunne schreden naar het hol van de oude Hekt.

»Hier omlaag, edele heer,” zeide de dwerg, »verzoek ik u eenige oogenblikken te wachten, om u bij mijne moeder aan te melden.”

»Dat klinkt zeker heel deftig,” antwoordde de ander, »maar het zij zoo! Nog éene voorwaarde! De oude mag mij niet bij mijn naam noemen, noch mijn titel op hare lippen nemen. Zij noeme mij hofmeester, want men kan nooit weten... Ik meen echter, dat niemand mij in deze vermomming zal herkennen.”

Nemoe haastte zich naar het hol te gaan, waarvoor hij zijne moeder vond zitten, die reeds van verre hem tegenriep: »Laat dien heer nu niet wachten, ik weet maar al te goed wie het is!”

De kleine man legde den vinger op den mond en zeide: »Gij moet hem als hofmeester aanspreken.”

»Goed,” prevelde de tooveres. »Zoo steekt ook een struisvogel zijn kop in de veeren, wanneer hij wil dat men hem niet zien zal.”

»Is het prinsje gisteren nog lang bij Warda geweest?”

»Neen, gek!” zeide de heks lachend. »Die kinderen spelen met elkander. Rameri is een jonge ram, die nog geen horens heeft, maar toch de plek voelt, waar ze zullen uitgroeien, en reeds beproeft of hij ze ook gebruiken kan. Pentaoer kan u bij dat roodharig kopje veel gevaarlijker worden. Loop nu een-twee-drie heen; men laat zulk een hofmeester zoolang niet wachten.”

De oude gaf den dwerg een duw, en deze vloog naar Ani terug, terwijl zij den kleinen, weder op zijne plank gebonden Scheraoe in de hut droeg, en den bruinen zak over hem heen wierp.

Eenige oogenblikken later stond de stadhouder voor haar. Zij boog met eene sierlijkheid, die meer aan de zangeres Beki dan aan de tooveres Hekt deed denken, en bad hem plaats te nemen op den eenigen stoel, dien zij bezat.

Toen hij door eene beweging met de hand te kennen gaf, dat hij niet verlangde te gaan zitten, zeide zij: »Wel zeker, gij moet u nederzetten! Dan kan men u uit het dal niet zien, omdat gij achter deze rots hier verborgen zijt. Maar waarom hebt gij dit uur toch voor uw bezoek gekozen?”

»Omdat hetgeen ik met u wensch te bespreken haast heeft,” zeide Ani, »en ik in den avond licht door de wachters zou kunnen worden aangeroepen. Mijne vermomming is voldoende. Onder dit overkleed draag ik mijn gewoon gewaad. Van hier ga ik het dal in naar het graf mijner vaderen, om daar den groven rok en wat mij verder nog onkenbaar maakt af te leggen, en mijn wagen te wachten, die reeds besteld is. Ik zal aan de menschen zeggen, dat ik heden eene gelofte heb vervuld, om namelijk de groeve te voet en als een deemoedige te bezoeken.”

»Goed bedacht,” prevelde de oude. Doch Ani wees op den dwerg en zeide op beleefden toon: »Uw leerling!”