Warda: Roman uit het oude Egypte

Part 35

Chapter 354,012 wordsPublic domain

»Maar wat weet gij mannen, gij voorname heeren, van hetgeen een hart kan lijden. Wanneer twee of drie van u bij elkander zitten, en gij vertelt deze geschiedenis, dan zal zelfs de waardigste met eene deftige stem zeggen: ‚Voorwaar, die man heeft braaf gehandeld. Hij was getrouwd en zou door zijne vrouw met booze woorden zijn bejegend, wanneer hij tot de zangeres was gegaan’. ― Heb ik gelijk of ongelijk? Ja, ik weet het wel, geen hunner zal denken, dat andere schepsel had toch ook menschelijk gevoel, was toch ook eene vrouw; geen hunner zal zeggen, dat zijne handelwijze dáar, in zijn huis, eene booze ure heeft voorkomen, maar hier eene halve eeuw van vertwijfeling heeft doen aanbreken! Assa heeft zich gevrijwaard voor de booze woorden van zijne vrouw, maar daarvoor zijn duizende vloeken over hem en zijn huis uitgesproken. Hoe deugdzaam meende hij zich te gedragen, toen hij een hart dat hem zoo genegen was, dat niet anders had misdreven dan hem lief te hebben, zoo diep wondde, en voor altijd vergiftigde! Ja, en hij zou toch zeker gekomen zijn, wanneer hij niet nog iets voor mij gevoeld had, wanneer hij zichzelven niet had gewantrouwd, niet had gevreesd, dat de stervende, de oude, kunstmatig gedoofde vlam nog eens weder tot nieuwen gloed zou kunnen aanblazen. Ware hij gekomen, ik zou hem beklaagd hebben, maar dat hij mij goud zond, dat goud.... zie, dat heb ik hem nooit vergeven, dat boet hij thans aan zijn kleinkind.”

De oude vrouw had de laatste woorden gesproken, als droomde zij, zonder acht te geven op den man, die naar haar zat te luisteren. Ani gevoelde eene huivering, als ware hij tegenover eene waanzinnige gezeten, en onwillekeurig schoof hij zijn stoel achteruit.

De heks merkte het op. Na een oogenblik rust ging zij voort: »Gij heeren, die op de hoogten wandelt, weet niet hoe het er in de afgronden en diepten uitziet, en gij wilt het ook niet weten. Laat mij kort zijn! Ik genas, maar vermagerd en zonder mijne welluidende stem, stond ik van het ziekbed op. Goud had ik genoeg, en daarvoor kocht ik bij alle lieden, die zich in Thebe met magische kunsten inlieten, eerst middelen om Assa opnieuw in liefde voor mij te doen ontvlammen; daarna liet ik bezweringen uitspreken en toovermiddelen gereed maken, om hem in het verderf te storten. Ik trachtte ook mijne stem terug te krijgen, maar de dranken die ik daarvoor gebruikte, maakten mijn geluid eer rauwer dan zachter. Een uitgeworpen priester, de beroemdste onder de magiërs, nam mij in zijn huis op, en van hem heb ik veel geleerd. Toen zijne voormalige standgenooten aan de overzijde hem vervolgden, trok hij zich hier in de Nekropolis terug en ik vergezelde hem. Toen zij hem gevangen namen en ophingen, bleef ik in zijn hol en werd zelve eene heks. De kinderen wijzen mij met den vinger na; eerlijke mannen en vrouwen gaan voor mij uit den weg. De menschen zijn mij een gruwel en ik veracht mij zelve. Van dit alles is maar éen de schuld, de eerwaardigste burger van Thebe, de vrome Assa!

»Gedurende vele jaren had ik mij met tooverij bezig gehouden, en ik was ervaren geworden in allerlei kunsten. Toen bracht mij op zekeren dag de hovenier Sent, van wien ik sedert lang planten kocht voor mijne dranken ― hij had een stuk grond van het Seti-huis gepacht ― een pasgeboren kind, dat met zes teenen ter wereld gekomen was. Hij verlangde, dat ik het overtollige lid door mijne kunst zou wegnemen. De vrome moeder van den kleine lag in de koorts, zij zou het anders nooit hebben toegestaan. Ik hield het schreeuwertje bij mij, want zoo iets laat zich wel genezen. Den volgenden morgen, kort vóor zonsopgang, hoorde ik beweging voor mijn hol. De dienstmaagd van eene aanzienlijke familie kwam mij roepen. Hare meesteres, zeide de maagd, had zich met haar naar het graf van haren vader begeven, en was daar van een zoon bevallen. Hare meesteres lag bewusteloos, ik moest dadelijk mede om hulp te verleenen. Ik nam terstond het zesteenig knaapje in mijn mantel, beval mijne slavin mij water na te dragen, en stond weldra ― waar? Dat kunt gij wel raden. Ik stond voor het graf van Assa’s vader. De moeder, die daar stuiptrekkend nederlag, was zijne schoondochter, vrouwe Setchem. Het jongske, waaraan zij het levenslicht had geschonken, was volmaakt gezond, maar zij zelve verkeerde in zeer groot gevaar. Ik zond de dienstmaagd met den draagstoel, die buiten stond te wachten, naar het Seti-huis om hulp te ontbieden. Het meisje zeide mij, dat haar meester, de vader van het kind, de Mohar in het leger te velde was. Maar de grootvader van het knaapje, de eerwaardige Assa, had vrouwe Setchem beloofd haar in dit graf te ontmoeten, en zou dus weldra komen. Zij ging heen met den draagstoel. Ik wiesch het kind en kuste het, alsof het mijn eigen was. Daar hoorde ik in de verte voetstappen in het dal. De ure, waarin ik doodziek het goud van Assa ontving en waarin ik hem vloekte, stond mij weder levendig voor den geest. Opeens ― nog weet ik zelve niet hoe het zoo in mij opkwam ― gaf ik mijne slavin den pasgeboren kleinzoon van Assa in den arm, en beval haar het kind in mijn hol te brengen; het zesteenig knaapje legde ik, in mijne lompen gehuld, in mijn schoot. Terwijl ik daar zoo met dit kind zat te wachten tot Assa kwam, schenen de minuten mij uren toe. Toen hij eindelijk voor mij stond, wel-is-waar vergrijsd, maar nog altijd statig en ongebogen, legde ikzelve den tuinmansjongen den zesteenigen in zijn arm, en duizend demonen lachten daarbij vroolijk in mijn hart. Hij herkende mij niet, zeide mij dank en gaf mij wederom een hand vol goud. Ik nam het aan, en hoorde hoe de priesters, die inmiddels uit het Seti-huis gekomen waren, aan het kind, dat in zulk eene gelukkige ure geboren was, veel schoons voorspelden. Daarna ging ik naar mijn hol terug, en heb daar verder gelachen, tot de tranen mij langs de wangen liepen. Ik weet echter niet, of dit van het lachen kwam. Na verloop van eenige dagen gaf ik den hovenier het kleinkind van Assa, zeggende, dat de zesde teen geheel was weggenomen. Ik had den kleine een lichte insnijding aan het voetje gegeven, om den domkop nog eerder te doen gelooven. Zoo werd Assa’s kleinzoon, de zoon van den Mohar, als het kind van den hovenier grootgebracht. Het ontving den naam van Pentaoer, werd in het Seti-huis opgevoed, en geleek volmaakt op Assa. Het zesteenig kind van den hovenier is niemand anders dan de gids Paäker. Ziedaar het geheim.”

Ani had de schrikkelijke mededeelingen van de tooveres aangehoord, zonder een woord te spreken. Men gevoelt zich onwillekeurig aan ieder verplicht, die ons iets weet te berichten, dat boeit en wel waard is medegedeeld te worden. Het kwam niet bij hem op de euveldaad van de oude te straffen, veeleer dacht hij aan de verrukking, waarmede zijne oudere vrienden van de liederen en de schoonheid van de zangeres Beki konden vertellen. Hij zag de heks aan, en wederom liep er eene koude rilling over zijne leden. Ten laatste zeide hij: »Gij zult in vrede wonen, en als gij sterft, zal ik voor uw balseming zorg dragen. Maar laat nu die tooverkunsten varen. Gij moet rijk zijn, en zijt gij het niet, zeg maar wat gij behoeft. Waarlijk, ik durf het nauwelijks wagen u goud aan te bieden, want dat wekt uw haat, zoo ik hoorde.”

»Het uwe kan ik gebruiken. Maar laat mij nu gaan!”

Zij stond van den grond op en ging naar de deur. De stadhouder verzocht haar echter nog te blijven, en vroeg: »Is Assa de vader van uw zoon, den kleinen Nemoe, den dwerg van vrouwe Katoeti?”

De heks barstte uit in lachen en zeide: »Lijkt dan die dreumes in iets den grooten Assa of de schoone Beki? Ik heb hem opgeraapt, zooals vele andere kinderen.”

»Maar hij is slim,” zeide Ani.

»Dat is hij! Hij steekt vol plannen, en is met hart en ziel aan zijne meesteres Katoeti gehecht. Hij zal u helpen uw doel te bereiken, want hij zelf heeft er ook een.”

»En dat is?”

»Dat Katoeti groot moge worden door u en rijk door Paäker, die morgen optrekt, om de vrouw, die hij voor zich begeert, tot weduwe te maken.”

»Gij weet veel,” zeide Ani nadenkend. »Eén ding zou ik nog willen vragen, ofschoon ik, na uw verhaal, mij zelven het antwoord wel geven kan. Maar misschien hebt gij thans geleerd, wat u in uw jeugd verborgen was. Zijn er werkelijk liefdedranken?”

»Ik wil u niet bedriegen, omdat ik niet wenschen kan, dat ge aan mij uw woord zult breken,” antwoordde Hekt. »Een liefdedrank werkt maar zelden, en dan altijd bij zulke vrouwen, die nog niet lief hebben. Geeft gij de artsenij aan eene vrouw, wier gemoed vervuld is met het beeld van een ander man, dan verhoogt gij slechts den hartstocht voor den eersten geliefde.”

»Dan nog iets anders,” vroeg Ani. »Zijn er middelen om een vijand uit de verte in het verderf te storten?”

»Ongetwijfeld!” zeide Hekt. »Geringe lieden kunnen gemakkelijker lasteren, en de groote zijn altijd bij machte anderen te laten uitvoeren, wat zij zelve niet kunnen doen. Mijn verhaal heeft uw gal maar weinig geprikkeld; toch komt het mij voor, dat gij den dichter Pentaoer niet genegen zijt. ― Gij glimlacht! Nu, goed. Ik heb hem niet uit het oog verloren, en weet dat hij zoo schoon en zoo trotsch is geworden als Assa. Hij gelijkt hem ook sprekend, en ik zou wel lust hebben hem te beminnen, zooals dit dwaze hart nog alleen lief hebben kan. Het is toch wonderlijk! Bij vele vrouwen die tot mij komen, merk ik op, dat zij gehecht zijn aan de kinderen der mannen, die hunne trouwbelofte hebben gebroken, en wij vrouwen gelijken allen in de meeste dingen op elkander. Doch ik wil Assa’s kleinzoon niet liefhebben, ik mag niet. Ik wil hem benadeelen en ieder helpen die hem vervolgt, want Assa is wel dood, maar dat wat hij mij heeft aangedaan blijft in mij leven, zoolang ik leef. Er kome over Pentaoer wat wil! Staat gij hem naar het leven, treed dan met Nemoe in overleg, die hem ook niet genegen is, en u beter zal dienen dan mijne nietige bezweringen en het onzinnig brouwsel van mijne dranken. Laat mij nu naar huis gaan.”

* * * * *

Weinige uren later noodigde Ameni den stadhouder aan het ontbijt.

»Weet gij, wie die tooveres Hekt is?” vroeg Ani.

»Hoe zou ik dat niet weten? Zij is de zangeres Beki, die vroeger in Thebe ieders hoofd op hol bracht. ― Mag ik weten wat zij u verteld heeft?”

Ani begreep het geheim van Pentaoer’s geboorte voor den opperpriester geheim te moeten houden, en gaf een ontwijkend antwoord. Toen vroeg Ameni hem vergunning om iets mede te deelen, waarbij de oude hare handen in het spel had gehad. Hij vertelde den stadhouder daarop, hoewel met eenige weglatingen en veranderingen, als iets wat hem sedert lang bekend was, de geschiedenis, die hij weinige uren geleden had afgeluisterd.

De stadhouder toonde zich niet weinig verrast en was het met den opperpriester eens, toen deze hem verzocht Paäker nog niet op de hoogte te brengen van zijn ware afkomst.

»Hij is een man van een zonderling karakter,” zeide Ameni, »en het zou kunnen zijn, dat hij ons leelijk in de wielen reed, als hij, vóor hij het zijne heeft gedaan, te weten kwam, wie hij eigenlijk is.”

* * * * *

De storm was gaan liggen, en de hemel, nog vroeg in den morgen bedekt met vaneengescheurde wolken, die met eene snelle vaart werden voortgedreven, werd steeds helderder. Op den heeten wind volgde eene scherpe koelte, doch weldra verhitte de gloeiende zon weder de lucht van Thebe. In de tuinen en op de straten lag menige ontwortelde boom. Vele luchtig opgeslagen hutten en de meeste tenten in het vreemden-kwartier waren omvergewaaid, terwijl honderde lichte daken van palmtakken door den wind waren medegesleurd. De stadhouder reed thans met Ameni, die zich met eigen oogen wilde overtuigen van de verwoestingen, die de storm in zijne tuinen had aangericht, naar Thebe. Op den Nijl ontmoetten zij Paäker’s boot. Zij riepen dien aan, en Ani noodigde den gids hem spoedig in zijn paleis een bezoek te brengen.

De tuinen van den opperpriester behoefden in grootte en schoonen aanleg niet onder te doen voor die van den Mohar. Het erf, dat sedert onheuglijke tijden aan zijn geslacht behoorde, was zeer uitgestrekt, en zijn prachtig huis geleek wel een paleis. Hij zette zich nu onder het schaduwrijk priëel om met zijne schoone vrouw en zijn jonge lieftallige dochtertjes aan het ontbijt deel te nemen. Op vriendelijken toon troostte hij zijne gemalin over menige kleine schade, die het onweder had aangericht, beloofde de meisjes in plaats van de omgewaaide duiventil eene veel fraaiere te laten maken, speelde en schertste met haar. De strenge bestuurder van het Seti-huis, het ernstige opperhoofd van de Nekropolis, was hier een gewoon mensch, een hartelijke echtgenoot, een teedere vader, een zorgzaam vriend voor zijne lievelingen: de bloemen en bontgevederde vogels.

Het jongste dochtertje hing aan zijn rechterarm en het oudste aan zijn linker, toen hij van de tafel opstond om met haar een bezoek te brengen aan den hoenderhof. Doch op weg daarheen, kwam een dienaar vrouwe Setchem, de moeder van Paäker, bij hem aanmelden.

»Breng haar bij mijne vrouw,” beval hij.

Toen echter de slaaf, die een rijk geschenk in geld in de hand hield, verzekerde, dat de weduwe van den Mohar hem alleen wenschte te spreken, zeide hij onwillig: »Kan ik dan nooit als andere menschen rust genieten? De meesteres moet haar ontvangen, zij kan bij haar op mij wachten. Niet waar, meisjes, thans behoor ik aan u, en aan de hoenders, de eenden en de duiven!”

Zijne jongste dochter kuste en de oudste liefkoosde hem hartelijk, en vroolijk voerden zij hem met zich mede.

Een uur later noodigde hij vrouwe Setchem uit hem in den tuin te volgen. De diep bedroefde en beangstigde moeder had noode tot dezen gang besloten. Haar goedige oogen zwommen in tranen, toen zij den opperpriester mededeelde wat haar drukte. »Gij zijt de raadsman van zijn geweten,” zeide zij, »en gij weet ook, hoe mijn zoon de goden van het Seti-huis eert door geschenken en offers. Naar zijne moeder wil hij niet meer luisteren, maar gij bezit nog macht over zijn gemoed. Schrikkelijke dingen voert hij in ’t schild, en wanneer gij hem geen vrees aanjaagt met de straf der hemelsche goden, dan heft hij zijne hand op tegen Mena, en mogelijk, mogelijk ook....”

»Tegen den koning,” zeide Ameni ernstig. »Ik weet het, en zal met hem spreken.”

»Neem mijn dank aan,” riep de weduwe, diep geroerd, en greep naar het gewaad van den priester om het te kussen. »Gij waart het toch zelf, die na zijne geboorte mijn echtgenoot hebt aangekondigd, dat hij onder een gelukkig teeken geboren was, en dat hij tot eer van zijn huis en tot sieraad van zijn geslacht zou opwassen. En nu wil hij zich rampzalig maken voor dit leven en het toekomende!”

»Wat ik uw zoon heb aangekondigd,” viel Ameni haar in de rede, »dat zal geschieden, al voeren de goden en menschen hem ook langs allerlei kronkelpaden.”

»Hoe doen die woorden mij goed!” riep Setchem. »O, als gij wist welk een vreeselijke angst dit hart beklemde, toen ik besloot tot u te gaan! Maar gij weet ook nog niet alles. De trotsche masten van cederhout, die Paäker uit Syrië van den verren Libanon naar Egypte zond, om de vanen te dragen en de hooge poort van ons huis te sieren, heeft de geweldige storm tegen zonsopgang ter aarde gesmeten.”

»Zoo zal de trots van uw zoon gebroken worden,” zeide Ameni. »Maar voor u zal, wanneer gij slechts geduldig wacht, een nieuw tijdperk van vreugde geboren worden.”

»Nogmaals zeg ik uw dank,” hernam Setchem. »Maar ik heb nog iets op ’t hart. Ik weet wel hoe gierig gij zijt op de uren, die gij schenkt aan uw gezin. Ik herinner mij zeer goed, hoe gij eens aan mijn echtgenoot zeidet, dat gij u hier in Thebe gevoeldet als een vrachtpaard, dat men het zware tuig heeft afgenomen, en zich mag vermeien in de groene weide. Ik wil u ook niet langer meer ophouden, maar de goden zonden mij ook zulk een vreemd droomgezicht. ― Paäker had naar mijn moederlijken raad niet geluisterd. Vol kommer ging ik naar mijne vertrekken terug. De zon stond reeds aan den hemel, toen eene sluimering van eenige oogenblikken mijne oogleden sloot. Toen zag ik den feestredenaar Pentaoer, die zoo zonderling gelijkt op mijn gestorven echtgenoot in gedaante en stem. Paäker trad hem tegen, hij schold hem vreeselijk en ging hem met vuisten te lijf. De priester hief zijne armen op, als om te bidden, juist zooals ik het gisteren op het feestterrein heb gezien. Doch het was niet om de goden te prijzen, maar om mijn zoon te omvatten en met hem te worstelen. De worsteling duurde maar kort, want Paäker kromp ineen, en verloor zijne menschelijke gedaante. Het was niet mijn kind, dat aan de voeten des dichters neerviel, maar een groot vochtig stuk klei, gelijk de pottebakkers gebruiken, om er vazen uit te vormen.”

»Een vreemde droom!” sprak Ameni, niet zonder ontroering. »Een vreemde droom! Maar hij verkondigt u goede dingen. De klei, vrouwe Setchem, laat zich kneden. Let daarom wel op hetgeen de goden u aankondigen. De hemelsche goden willen een nieuwen, een beteren zoon, uit den ouden voor u doen geboren worden. Langs welke wegen dit geschieden zal, is mij nog verborgen. Ga nu heen en offer, en vertrouw op de wijze raadsbesluiten van hen, die het leven der wereld en der stervelingen besturen. Nog een anderen raad moet ik u geven. Als Paäker soms berouwvol tot u komt, ontvang hem dan liefderijk en deel het mij mede. Maar blijft hij halsstarrig weigeren zijn wil te buigen, sluit dan uwe vertrekken voor hem, en laat hem zonder afscheid heengaan.”

Toen Setchem zich met een verlicht hart verwijderd had, prevelde Ameni: »Zij zal eene schoone vergoeding ontvangen, voor dien ruwen kerel; zij moet ons echter het wapen, waarmede wij onzen slag willen slaan, niet week maken. Dikwijls heb ik er aan getwijfeld, of droomen wel in staat waren ons de toekomst te voorspellen, maar heden gevoel ik mijn geloof versterkt. Inderdaad, een moederhart ziet meer dan dat van andere menschen.”

Toen Setchem terugkeerde, ontmoette zij bij de poorten van het paleis den wagen van haar zoon. Beiden merkten elkander op, maar keerden het hoofd om; zij konden elkander niet hartelijk en wilden elkander niet vormelijk groeten. Eerst toen de paarden de draagstoeldragers voorbij waren gerend, zag de moeder op naar den zoon, en de zoon om naar zijne moeder. Hunne blikken ontmoetten elkander en beiden gevoelden als een dolksteek in het hart. Aan den avond van denzelfden dag vertrok de gids naar Syrië, nadat hij met den stadhouder gesproken, in het Seti-huis Ameni’s zegen over al zijne ondernemingen ontvangen, en in het graf zijns vaders geofferd had. Juist toen hij den wagen wilde bestijgen, werd hem bericht dat de mattenvlechter, die de mastboomen vóor zijne poort had doorgezaagd, gevangen was.

»Laat hem de oogen uitsteken!” Dit waren de laatste woorden, die hij op zijn erfgoed sprak.

Setchem zag hem lang achterna. Zij had hem een afscheidsgroet geweigerd en bad nu de goden zijn hart te veranderen, en hem te behoeden voor gevaren en booze daden.

DERDE BOEK.

EERSTE HOOFDSTUK.

Drie dagen waren sedert het vertrek van den Mohar verloopen. Hoewel het nog vroeg was, bleek men toch in de werkzalen van Bent-Anat reeds druk in de weer te zijn. De beide vriendinnen hadden den stormachtigen nacht, die volgde op den feestavond, slapeloos doorgebracht. Wat toch hadden zij niet doorleefd! Nefert gevoelde zich den volgenden morgen afgemat en slaperig. Zij had de prinses verzocht, haar dien dag nog niet in haren nieuwen werkkring in te leiden. De dochter van Ramses had haar echter opwekkend toegesproken, zeggende dat men het goede nooit van heden tot morgen moest uitstellen, en Nefert bewogen haar te volgen naar de plaatsen, waar de verschillende werkzaamheden werden verricht.

»Wij moeten beiden tot andere gedachten komen,” zeide zij. »Nu en dan overvalt mij onwillekeurig eene rilling, en is het mij als droeg ik een brandmerk, als ware ik onteerd door eene vuile vlek hier aan den schouder, waar de ruwe hand van Paäker mij heeft aangeraakt.”

Den eersten werkdag had Nefert nog veel met zichzelve te strijden, doch den tweeden vond zij reeds eenige aantrekkelijkheid in dezen arbeid, en den derden dag mocht zij zich verheugen over de kleine vruchten van hare inspanning. Bent-Anat had haar dan ook recht op haar plaats gezet, toen zij haar het toezicht opdroeg over een groot aantal kleine meisjes en vrouwen, de dochters, de echtgenooten en de weduwen van mannen uit Thebe, die nog in het leger streden of reeds gevallen waren. Deze hielden zich bezig met het uitzoeken en schikken van genezende kruiden. Hare helpsters zaten in kleine kringen op den grond neergehurkt. In het midden van elke groep lag eene groote hoop versch geplukte en gedroogde planten, en vóor elke arbeidster zag men een groot aantal pakjes met de uitgezochte wortels, bladeren en bloemen. Een oude heelkundige was belast met de geheele leiding van dezen arbeid, en had Nefert den eersten dag bekend gemaakt met de verschillende planten, die men noodig had.

De vrouw van Mena, die zooveel van bloemen hield, had alles spoedig begrepen. Zij leerde gaarne, want zij had de kinderen lief. Weldra had zij zich onder die kleinen enkele lievelingen uitgezocht. Het duurde niet lang, of zij wist de ijverige en zorgvuldige arbeidsters te onderkennen van de trage, of die haar taak vluchtig volbrachten.

»Ei, ei,” zeide zij, terwijl zij zich voorover boog tot een klein halfnaakt meisje, met groote ovale oogen. »Gij werpt alles maar door elkaar! Je vader is immers in het leger, zooals ge mij gezegd hebt? Denk eens, zou het niet erg treurig zijn, wanneer men, zoo een pijl hem trof, dit kruid op zijne brandende wond legde, dat hem kwaad zou doen, in plaats van dat andere, dat hem genezen kan?”

Het meisje knikte met het hoofdje, en keek wat ze uitgezocht had nog eens na.

Nefert ging nu weder naar eene andere kleine, die zat te luieren. »Daar zit je nu weer te babbelen en niets te doen,” zeide zij, »en toch staat je vader in ’t veld! Als hij nu eens ziek is en geene geneesmiddelen heeft, en wanneer hij dan in den nacht, van zijn dochtertje droomende, je zóo ziet zitten, dan zegt hij zeker tot zichzelven: Nu zou ik gezond kunnen zijn, maar mijn kind heeft mij niet meer lief, want zij legt liever de handen in den schoot, dan dat zij voor haar zieken vader geneesmiddelen klaar maakt.”

Daarna richtte Nefert zich tot een grooteren kring van meisjes, die kruiden zaten uit te zoeken, en sprak: »Weet gij wel, kinderen, waar al deze vriendelijke en gezegende kruiden vandaan komen? De goede Horus was ten krijg getogen tegen Seth, den moordenaar van zijn vader, en in het gevecht sloeg de woedende vijand, Horus een oog uit[266]. Maar de zoon van Osiris overwon, want het goede is altijd machtiger dan het kwade. Toen Isis echter het arme gewonde oog zag, toen drukte zij het hoofd van haar zoon aan hare borst[267]. Het was haar zoo wee om ’t hart als eene ongelukkige menschelijke moeder, die haar lijdend kind in de armen houdt, en zij dacht: ‚Hoe gemakkelijk is het toch wonden te slaan, en hoe moeilijk valt het ze te heelen!’ Bij deze woorden weende zij. De eene traan voor, de andere na viel op de aarde, en overal waar deze in den bodem drongen, daar wies zulk een gezegend kruidje op”[268].

[266] Naar de teksten van het Doodenboek.

[267] Volgens de teksten van het Doodenboek en de inleiding van den papyrus-Ebers, geneest Isis het oog van Horus.