Warda: Roman uit het oude Egypte
Part 33
»Een nog zeer jonge knaap heeft zich tegen hem durven verzetten,” ging de bevelhebber voort. »Mijne lieden hebben mij alles haarfijn bericht. De jongen sloeg eerst zijn hond dood....”
»Den fraaien Descher?” vroeg de grijze opperjachtmeester, met innig leedwezen. »Uw vader stond dikwijls met dit dier mij ter zijde, wanneer wij jacht maakten op everzwijnen.”
Paäker knikte. De bevelhebber echter, in het trotsch gevoel van zijne positie en waardigheid, begon opnieuw, zonder erop te letten dat het bloed den gids naar het hoofd steeg en zijne wangen kleurde: »Toen de hond op den grond lag, sloeg de waaghals u de zweep uit de hand.”
»De strijd heeft toch geene aanleiding gegeven tot rustverstoring?” vroeg Ameni ernstig.
»Neen,” zeide de bevelhebber. »Het feest van heden is overigens bijzonder rustig afgeloopen. Als niet het ongelukkig interval met dien waanzinnige Paraschiet de processie had gestoord, dan zouden wij de volksmenigte over hare houding slechts kunnen prijzen. Behalve den vechtlustigen priester, dien wij u hebben uitgeleverd, zijn er enkel een paar dieven opgebracht. Zij behoorden allen tot de caste[258], daarom ontnamen wij hun alleen het geroofde, en lieten ze verder loopen. ― Maar zeg mij toch eens, Paäker, welke vriendelijke geesten zijn er in u gevaren dat gij dien vlegel ongestraft de wijk liet nemen?”
[258] Volgens Diodorus (I. 80) hadden de dieven in Egypte een eigen gild. Alle burgers moesten zich in registers van den burgerlijken stand laten inschrijven, en opgeven waarvan zij leefden, zoo ook de dieven. De namen werden ingeschreven bij de dievenhoofdman, aan wien al het gestolene moest worden uitgeleverd. De bestolene moest eene schriftelijke aanwijzing inleveren van de hem ontvreemde voorwerpen, met opgave van dag en uur waarop hij ze vermist had. Op deze wijze vond men het gestolene gemakkelijk bij den hoofdman weder, die het aan den bezitter uitleverde, tegen betaling van het vierde deel der waarde, ten voordeele van de dieven. Eene soortgelijke inrichting moet nog betrekkelijk kort geleden te Kaïro hebben bestaan.
»Hebt gij dat waarlijk gedaan?” riep de oude Gagaboe. »Gewoonlijk toch is haat uw handwerk....”
Ameni wierp den grijsaard zulk een verwijtenden blik toe, dat hij zweeg. Hij vroeg daarop den Mohar: »Hoe ontstond deze strijd, en wie was die jongen?”
»Onbeschaamd volk,” antwoordde Paäker, »wilde zijn schuitje met geweld aan de landingsplaats brengen, vóor de boot waarop mijne moeder wachtte. Ik verdedigde mijn recht. Toen viel die knaap mij aan, en sloeg mijn hond dood. Ja, bij mijn Osirischen vader, die het dier liefhad, de krokodillen zouden hem al lang hebben verslonden, wanneer niet eene vrouw zich geplaatst had tusschen hem en mij, en zich had doen kennen als Bent-Anat, de dochter van Ramses. Zij was het in eigen persoon, en de knaap de jonge prins Rameri, dien gij gisteren uit dit huis hebt gebannen.”
»Oho,” riep de oude jachtmeester, »oho, mijnheer de Mohar, spreekt men zoo van de kinderen des konings?”
Ook andere beambten, die den pharao aanhingen, gaven duidelijk hun ongenoegen te kennen. Doch Ameni fluisterde den gids toe: »Zwijg voor het oogenblik!” Daarop zeide hij overluid: »Het wegen van woorden, mijn vriend, was nooit uw zaak en heden spreekt gij naar ’t mij toeschijnt, als iemand die de koorts heeft. Kom hier Gagaboe, onderzoek Paäkers wond, waarover hij zich niet behoeft te schamen, want een koningszoon heeft hem geslagen.”
De grijsaard maakte de zwachtels los, die de sterk gezwollen hand van den Mohar omgaven, en riep: »Die slag is duchtig aangekomen! Drie vingers zijn gebroken, en bovendien, zie maar, de smaragd van uw zegelring.”
Paäker zag naar zijne pijnlijke vingers en haalde weder vrij adem, want niet zijn orakelring met den naam van Thotmes III was verbrijzeld, maar de kostbare ring, dien de regeerende koning eens aan zijn vader had geschonken. In de gouden kast hingen nog maar enkele splinters van den vlak geslepen zegelsteen. De naam des konings was met de ontbrekende stukken op den grond gevallen en verdwenen. Paäkers bleeke lippen bewogen zich weer en eene stem in zijn binnenste riep hem toe: »De goden wijzen u den weg! De naam is vernietigd; hij die hem droeg moet volgen!”
»Jammer van den ring,” zeide Gagaboe; »en als de hand niet denzelfden weg op zal gaan, ― gelukkig is het maar de linker ― raad ik u niet meer te drinken en u naar den arts Nebsecht te laten brengen, met verzoek de gebrokene beentjes te zetten en te verbinden.”
Paäker stond op en nam afscheid, nadat Ameni hem den volgenden dag in het Seti-huis en de stadhouder hem in het paleis had genoodigd.
Zoodra de deur zich achter den gids had gesloten, zeide de schatmeester van het Seti-huis: »Dat was een kwade dag voor den Mohar, die hem misschien leeren zal, dat men er hier in Thebe niet op los kan trekken, gelijk in het veld. Er is heden nog wat anders met hem gebeurd. Wilt gij het hooren?”
»Vertel het ons,” riep een zijner dischgenooten.
»Gij kent den ouden Seni,” zoo begon de schatmeester. »Hij was een rijk man, maar gaf al wat hij bezat aan de armen, toen hij zijne zeven bloeiende zonen, den een na den ander, in den krijg of door ziekten verloren had. Hij behield voor zich niet meer dan een klein huisje met een tuintje en zeide, dat hij zich wilde erbarmen over de verlatenen hier op aarde, gelijk de goden zich over zijne kinderen in de andere wereld zouden ontfermen. Spijst de hongerigen, drenkt de dorstigen, kleedt de naakten, zegt de wet[259], en daar Seni niets meer heeft weg te geven, trekt hij, zoo gij weet, zelf honger en dorst lijdende en ter nauwernood gekleed, de stad door en naar elke plaats waar feest wordt gevierd, bedelende voor zijne aangenomen kinderen, de armen. Wij hebben hem allen wat gegeven, want ieder weet voor wie hij zich vernedert en de hand houdt uitgestrekt. Heden trok hij weder met zijn zakje rond, en smeekte met zijne goedige oogen om een aalmoes. Paäker heeft ons op dit feest een kostelijk stuk land gegeven, en meent nu, misschien te recht, dat hij het zijne heeft gedaan.”
[259] Zie Dl. I, bl. 100.
»Toen Seni hem aansprak, beval hij hem heen te gaan. De oude man hield echter niet op te smeeken, en volgde hem onafgebroken tot aan het graf zijns vaders, terwijl vele lieden hen naliepen. Daar voer de gids hevig tegen hem uit, wees hem nog eens af, en toen de bedelaar het waagde hem bij zijn kleed te grijpen, hief hij zijne zweep op en sloeg den armen man twee, ja, driemaal, roepende: ‚Daar heb je wat je toekomt!’ De oude man hield zich geduldig en bedaard, en zeide, terwijl hij zijn zakje opendeed, met betraande oogen: ‚Mijn deel heb ik dus ontvangen; maar nu mijne armen!’”
»Ik stond er bij, toen dit plaats had, en zag hoe Paäker zich ijlings in het graf terugtrok, en hoe zijne moeder Setchem aan Seni haar vollen buidel toewierp. Haar voorbeeld werd door anderen gevolgd, en de oude heeft nooit zoo’n rijken oogst gehad als heden. De armen mogen den Mohar wel dankbaar zijn! Eene groote massa volk vatte post voor zijne groeve, en het zou slecht met hem zijn afgeloopen, als de politie-wacht de menigte niet uit elkaar had gedreven.”
Dit verhaal werd natuurlijk met grooten bijval aangehoord. Want niemand is zoo zeker van de algemeene instemming, als hij die de nederlaag kan vertellen van een overmoedige, dien men niet liefheeft. Intusschen hadden de stadhouder en de opperpriester druk met elkander gefluisterd.
»Het is derhalve aan geen twijfel onderhevig,” zeide Ameni, »dat Bent-Anat het feest heeft bijgewoond.”
»En zij liet zich opnieuw in met den priester, dien gij altijd zoo warm verdedigt,” fluisterde de ander.
»Pentaoer zal nog dezen nacht verhoord worden,” antwoordde de opperpriester. »Reeds worden de schotels weggenomen en het drinkgelag begint. Laten wij opbreken en den dichter een bezoek brengen.”
»Wij missen thans getuigen,” hernam Ani.
»Die hebben wij niet noodig,” verzekerde Ameni. »Hij kan niet liegen.”
»Nu, breek dan op,” zeide de stadhouder lachend, »want ik ben waarlijk ook nieuwsgierig naar dezen blanken neger, en wil wel eens weten hoe hij met de waarheid zal omspringen. Gij vergeet echter, dat hier eene vrouw in het spel is.”
»Dat is altijd het geval,” antwoordde Ameni. Hij riep Gagaboe bij zich, droeg zijn zetel aan hem over, en verzocht hem om aan het gesprek eene vroolijke wending te geven, de gasten aan te moedigen om duchtig te drinken, en elk onderhoud over den koning, den staat en den krijg af te snijden. »Gij weet,” zoo besloot hij, »dat wij heden niet onder ons zijn. Wat heeft de wijn niet reeds doen verraden! Wees daaraan indachtig! Zich aan anderen te spiegelen, leert voorzichtigheid!”
De stadhouder Ani klopte den oude op den schouder en zeide: »Er zal heden een bres gemaakt worden in uwe wijnschuren. Men zegt van u, dat gij nooit een leeg glas, en ook geen vol kunt zien! Welnu, vier heden aan uw tegenzin tegen beiden den vrijen teugel, en wanneer gij meent dat het tijd is, wenk dan mijn hofmeester, die daar in den hoek zit. Hij heeft eene kruik van het edelst druivennat van Byblos[260] van de overzijde medegebracht en zal u daarvan schenken. Ik kom nog weder om u goeden nacht te zeggen.”
[260] Gebal-Byblos in Phoenicië. Daar wies eene wijnsoort, die ook onder de Grieken zeer beroemd was.
Ameni was gewoon bij het begin van drinkgelagen zich te verwijderen. Toen de deur achter hem en den stadhouder gesloten was, werden nieuwe rozenkransen om den hals der gasten gelegd, lotusbloemen boven op hun hoofd gestoken en de bekers opnieuw gevuld. Er verschenen eenige muzikanten, die op harpen, luiten, fluiten en handtrommels, vroolijke deuntjes speelden. De directeur gaf de maat aan met in de handen te klappen en naarmate de gasten opgewondener werden, hielpen zij door gelijkmatige slagen mede. De levendige Gagaboe handhaafde zijn roem als lustig drinker en leider van eene drinkpartij. Weldra straalden de ernstige priestergezichten van uitgelaten vreugde, en krijgslieden, zoowel als hofbeambten deden hun best elkander de loef af te steken in dartele scherts.
Nu wenkte de grijsaard, en dadelijk verscheen een jeugdig, met kransen getooid tempeldienaar, die een rijk verguld mummiebeeldje bracht. Hij gaf het rond in den kring en riep: »Ziet dit beeld! Weest vroolijk en drinkt, zoolang gij op aarde wandelt, want eerlang zult gij aan deze mummie gelijk zijn”[261].
[261] Eene gewoonte, waarvan Herodotus (II 78) gewag maakt. Lucianus was ooggetuige dat zulke mummiën bij een gastmaal werden rondgegeven. De Grieken namen deze zede over, maar gewoon om aan alles zekere bekoorlijkheid bij te zetten, stelden zij een gevleugelden genius des doods in de plaats van de mummie. Men herinnere zich hierbij ook de „larva” der Romeinen.
Gagaboe wenkte nog eens, en nu bracht de hofmeester van den stadhouder den edelen wijn van Byblos. Men prees den milden gever, Ani, en roemde den geurigen smaak van dezen kostelijken drank.
»Zulke wijn,” riep de anders zoo bijzonder ernstige overste der Pastophoren, »is als de zeep”[262].
[262] Deze vergelijking is zuiver Oostersch. Kisrâ noemde den wijn „de zeep der zorg.” Ofschoon den Mohamedanen de wijn verboden was, hebben zij toch de heerlijkheid van het druivennat, niet minder dan de gasten van het Seti-huis, geroemd. Zoo zegt Abdelmâlik ibn Sâlih Hâschimî: „Het uitnemendste waarmede de wereld zich verheugt, is de wijn.” Gâhiz zegt: „De wijn, wanneer hij in uwe beenderen dringt en door uwe leden vloeit, verleent u de waarheid van het gevoel en de volmaking der ziel; hij maakt uw geest buigzaam, neemt alle beklemdheid weg, veredelt uwe stemming;” enz. Toen men Ibn Aischah van iemand vertelde, dat hij geen wijn dronk, zeide hij: „De wereld heeft dien man reeds driemaal verstooten.” Ibn el Moe tazz zong:
„Zorg niet of de tijd blijft dralen, of wel rusteloos verder gaat! Klaag alleen den wijn uw kommer, als hij schuimend voor u staat. Hebt gij driemaal reeds gedronken, zoo behoed vooral uw hart, Zal de vreugd het niet ontvlieden en u blijven alle smart. Dit is de een’ge welbeproefde aller zorgen artsenij; Daarom hoor toch wat ik rade, wetend wat u dienstig zij. Zorg niet, want hoe menig wenschte d’armen, droeven menschengeest Van zijn zwaren last te ontheffen ― ’t Is al vruchteloos geweest!”
»Welk eene wonderlijke vergelijking!” zeide Gagaboe, hartelijk lachende. »Dat moet gij nader verklaren!”
»Wel,” hernam de ander, »hij wascht de zorgen der ziel weg.”
»Bravo, mijn vriend!” riep de oude. »Nu moet ook ieder den roem van dit heerlijk druivensap met een woord prijzen. Kom gij, eerste profeet van den Amenophis-tempel, maak maar een begin.”
»De zorg is vergif,” sprak hij, »en de wijn is het tegengif tegen het gif der zorg.”
»Heel goed! Nu verder! De beurt is aan u, geheimraad des konings!”
»Elk ding heeft zijn geheim,” sprak de beambte, »en het geheim van dezen wijn is de vreugde.”
»Nu aan u, zegelbewaarder!”
»De wijn grendelt de deuren der droefheid, en sluit de poorten der zorgen!”
»Ja, dat doet hij, dat doet hij zeker! Nu gij, eerwaarde gouverneur van Hermonthis, die van ons allen de oudste zijt!”
»De wijn rijpt eigenlijk alleen voor ons oudjes, en niet voor u, jong volk!”
»Dat zult ge ons nader verklaren,” klonk een stem van de tafel der krijgslieden.
»Hij maakt,” zeide de tachtigjarige lachend, »van grijsaards jongelingen, maar van jongelingen kinderen.”
»Die kaatst moet den bal verwachten, gij jongens!” riep Gagaboe. »Uw spreuk, overste der Horoscopen!”
»De wijn is vergif,” sprak de knorrige priester, »want hij maakt wijzen tot gekken.”
»Dan hebt gij, helaas, weinig van hem te vreezen,” antwoordde Gagaboe ondeugend. »Verder, jachtmeester!”
»De rand van den beker,” sprak deze, »is als de lippen onzer geliefde. Raakt men hem aan, en bevochtigt de wijn onze tong, dan kust ons de bruid.”
»Veldoverste, de beurt is thans aan u!”
»Ik wenschte dat de Nijl in plaats van water zulk een wijn inhield,” riep de krijgsman, »en dat ik zoo groot was als de kolos van Amenophis, en dat Hatasoe’s grootste obelisk[263] mijn drinkglas was, en dat ik drinken mocht zooveel ik maar wilde. Laat ons nu, eerwaarde Gagaboe, ook uw spreuk hooren tot lof van den wijn.”
[263] Deze staat nog heden overeind in den tempel van Karnak, en is 33 meter hoog. De obelisk, die de Franschen van Loeqsor naar Parijs overbrachten, en thans de Place de la Concorde versiert, is 11 meter kleiner.
De tweede profeet hief zijn beker omhoog, bekeek met welgevallen het gulden vocht, slurpte het langzaam op, en zeide toen met ten hemel geslagene oogen: »Ik vrees dat ik te nietig ben om de verheven goden voor zulk eene weldaad te danken.”
»Goed gesproken!” riep de stadhouder Ani, die tot de gasten was teruggekeerd, zonder dat ze hem opgemerkt hadden. »Wanneer mijn wijn spreken kon, dan zou hij u danken, voor hetgeen gij van hem gezegd hebt.”
»Heil den stadhouder Ani!” riepen de drinkers, en hieven hunne schalen omhoog, die met zijn edel vocht gevuld waren.
Hij beantwoordde dien dronk, stond daarna op en riep: »Wie uwer deze wijn heeft geproefd, dien noodig ik morgen aan mijne tafel. Dáar zal hij hem wedervinden, en blijft dit druivennat hem dan nog altijd smaken, zoo zal hij mij als gast elken avond recht welkom zijn! Goeden nacht thans mijne vrienden!”
Een daverend gejuich klonk hem achterna.
De morgen begon reeds te schemeren, toen de gasten de zaal verlieten. Daar waren maar weinigen, die hun weg alleen konden vinden. De meesten werden gewoonlijk opgenomen door hunne slaven, die hen stonden te wachten, ze als balken op hunne hoofden droegen en zoo naar de draagstoelen brachten, om ze naar huis te voeren. Doch heden werden hun slaapplaatsen in het Seti-huis ingeruimd, want er was een schrikkelijk onweder losgebroken.
* * * * *
Terwijl de gasten de bekers omhoog hieven en hunne vreugde steeds hooger klom, was Pentaoer, weinige uren te voren als gevangene opgebracht, in tegenwoordigheid van den stadhouder verhoord. Ameni’s boden hadden den priester geknield gevonden en zoo diep in gedachten verzonken, dat hij hen zelfs niet hoorde naderen. Zijne zielsrust was geweken; zijn gemoed was in oproer en het wilde hem maar niet gelukken kalm over alles na te denken, en tot klaarheid te komen omtrent dat nieuw onstuimig leven in zijn binnenste. Tot dusver had hij zich nooit ter ruste gelegd, zonder zich rekenschap te geven van den afgeloopen dag, en het was hem gemakkelijk gevallen in zijn doen en laten nauwkeurig het goede van het kwade te onderscheiden. Maar heden vertoonden zich voor zijne terugziende oogen niet anders dan verwarde beelden. Als hij moeite deed ze van elkander te scheiden en te ordenen, zag hij de gestalte van Bent-Anat, die zijn hart en zijne zinnen aan banden legde.
Zijne vreedzame hand had zich tegen zijne medemenschen opgeheven en bloed vergoten. Hij wilde zich overtuigen dat hij slecht had gehandeld en berouw gevoelen; doch het was hem niet mogelijk, want zoo vaak hij zichzelven verwijten deed en veroordeelde, zag hij de hand van den soldaat in het haar van het meisje, en het oog van de prinses, dat zijne handelwijze billijkte, ja van bewondering sprak. En hij moest voor zichzelven erkennen, dat hij goed had gehandeld, en morgen in gelijke omstandigheden weder hetzelfde zou doen. Tegelijk begreep hij echter, dat hij de hem door de beschikking der goden gestelde grenzen aan alle zijden had overschreden, en het scheen hem toe, als zou het hem nimmer weder gelukken zich te huis te gevoelen in het stille, beperkte en vreedzame leven van weleer.
Hij bad tot den Eenen, en tot den verheerlijkten geest van de eenvoudige vrome vrouw, die hij zijne moeder had genoemd, om zielsrust en tevredenheid met zijn lot. Maar te vergeefs; want hoe langer hij op de knieën lag, en de armen smeekend omhoog hief, des te stouter werden zijne wenschen, des te minder gelukte het hem zijn schuld te erkennen en berouw te gevoelen. De roepstem van Ameni scheen hem daarom eene verlossing toe, en hij volgde den bode, overtuigd dat hij streng gestraft zou worden, maar zonder vrees, ja zelfs blijmoedig.
Pentaoer gehoorzaamde terstond het bevel van den opperpriester, die hem hoog ernstig aanzag, en gaf van alles bericht. Hij vertelde hoe hij, daar geen der artsen tehuis was, de oude Paraschietenvrouw was gevolgd naar haar man, die door demonen bezeten was, en hoe hij om een meisje te redden, dat het volk mishandelen wilde, zijne hand had opgeheven en daarbij harde slagen had uitgedeeld.
»Gij hebt vier menschen gedood en wel tweemaal zoovelen zwaar gewond,” zeide Ameni. »Waarom deedt ge u niet als priester kennen, en als de de feestredenaar van dezen dag? Waarom hebt gij geene poging gedaan om het volk, in plaats van door geweld, door vermanende woorden tot rust te brengen?”
»Ik droeg geen priesterlijk gewaad,” antwoordde Pentaoer.
»Ook daarin hebt gij misdreven,” zeide Ameni, »want gij weet dat de wet ieder onzer verbiedt zonder het witte kleed dit huis te verlaten. En gij zoudt de macht van uwe stem niet kennen? Durft ge mij tegenspreken, wanneer ik beweer, dat gij ook in het eenvoudig arbeiderskleed in staat geweest zoudt zijn met woorden hetzelfde uit te werken als met doodelijke slagen?”
»Het zou mij misschien gelukt zijn,” gaf Pentaoer ten antwoord. »Maar eene dierlijke woede had zich van de menigte meester gemaakt. Ik vond geen tijd tot kalm overleg, en toen ik den booswicht, die het onschuldige kind bij de haren sleurde, als een gifslang had weggeslingerd, werd er een strijdlustige geest in mij wakker. Mijn leven was mij niets meer waard, en ik zou duizenden hebben verslagen, om dat arme kind te redden.”
»Uwe oogen vonkelen,” zeide Ameni, »als hadt gij een heldendaad verricht. Toch hebt gij slechts weerlooze en vrome burgers verslagen, die vol ontzetting waren over eene schandelijke misdaad. Ik begrijp niet hoe in den tuinmanszoon, den dienaar der godheid, de geest van een krijgsman is gevaren.”
»Ja,” hernam Pentaoer, »toen de menigte op mij indrong, en ik haar met inspanning van al mijne krachten van mij afweerde, toen heb ik iets gevoeld van den wellust van den krijgsman, die het hem toevertrouwde krijgsteeken verdedigt tegen het geweld van den aandringenden vijand. In een priester is dit zeker zondig, en ik wil er voor boeten, maar het is niet anders, ik heb het gevoeld.”
»Gij hebt het gevoeld en gij zult er voor boeten,” sprak Ameni ernstig. »Bovendien was uw bericht niet geheel overeenkomstig de waarheid. Waarom hebt gij verzwegen, dat Bent-Anat, de dochter van Ramses, zich in den strijd gemengd en u gered heeft, door zich aan de menigte te doen kennen en haar te bevelen u met vrede te laten? Hebt gij haar dit voor het volk heeten liegen, omdat gij haar niet voor Bent-Anat hield? Nu man, die zoo vast staat op den hoogen trap, gij die de banier der waarheid altijd omhoog heft, geef antwoord!”
Pentaoer was onder deze woorden zijns meesters al bleeker en bleeker geworden, Zijn antwoord luidde, terwijl hij met zijn oog op den stadhouder: »Wij zijn niet alleen.”
»Daar is maar éene waarheid,” zeide Ameni koeltjes. »Wat gij geneigd zijt mij toe te vertrouwen, dat mag deze hoogverheven heer, de vertegenwoordiger des konings, ook vernemen. Nu dan, hebt gij Bent-Anat herkend, ja of neen?”
»Zij die mij redde geleek haar, en zij geleek haar toch niet,” antwoordde de dichter, wien de fijne spot in de woorden des meesters opnieuw het bloed deed koken. »En al had ik ook even zeker geweten dat zij de prinses was, als ik weet dat gij, die mij eerst zoo hoog hebt gewaardeerd, mij nu tracht te vernederen, dan zou ik toch gehandeld hebben gelijk ik deed, om eene jonkvrouw booze uren te besparen, die meer godin is dan vrouw, en die om mij ongelukkige te redden, van den troon steeg in het stof.”
»Altijd nog de feestredenaar,” zeide Ameni spottend. Daarop vervolgde hij streng: »Ik bid u mij korte en duidelijke antwoorden te geven. Wij weten zeker dat Bent-Anat ― zij heeft zich aan den koninklijken gids kenbaar gemaakt ― in het gewaad van eene burgervrouw aan het feest heeft deel genomen; dat niemand anders dan zij u gered heeft. Wist gij, dat zij den Nijl zou over steken?”
»Hoe zou ik het geweten hebben?” was Pentaoer’s wedervraag.
»Gij geloofdet toch Bent-Anat voor u te zien, toen zij zich op de kampplaats waagde?”
»Ik geloofde het,” antwoordde Pentaoer aarzelend, met neergeslagen oogen.
»Dan was het zeer stout van u, de dochter des konings als eene bedriegster weg te jagen.”
»Dat was het ook,” gaf Pentaoer ten antwoord, »maar om mijnentwil bracht zij de eer van haar naam en die van haar voortreffelijken vader in gevaar, en zou ik dan niet mijne vrijheid en mijn leven hebben gewaagd om....”
»Wij hebben genoeg gehoord,” viel Ameni hem in de rede.
»Nog niet,” zoo begon nu de stadhouder te spreken. »Wat is er geworden van het meisje, dat gij gered hebt?”
»Eene oude tooveres, Hekt geheeten, die in de nabijheid van den Paraschiet woont, nam haar met hare grootmoeder bij zich in haar hol,” antwoordde de dichter. ― Hierna werd hij op bevel van den opperpriester in de gevangenis van het Seti-huis teruggebracht.
Nauwelijks was hij verdwenen, of de stadhouder riep uit: »Een gevaarlijk mensch! Een dweeper! Een vurig vereerder van Ramses!”
»En van zijne dochter,” zeide Ameni lachend. »Maar ook slechts een vereerder. Gij hebt niets van hem te vreezen, want ik sta u borg voor de reinheid zijner bedoelingen.”
»Maar hij is schoon, en vermag veel door zijne groote welsprekendheid,” hernam Ani. »Ik verlang hem als mijn gevangene, want hij heeft een soldaat van mijne troepen gedood.”