Warda: Roman uit het oude Egypte
Part 32
Doch het wapen snorde voor het laatst, door de lucht. Het gelukte twee mannen het vreeselijk hout te grijpen; anderen ijlden ter hulp en wrongen het den worstelaar uit de hand. Van beide zijden naderden woedende vijanden, die echter ongewapend waren, en door vrees voor de ontembare kracht van zulk een tegenstander op zekeren afstand werden gehouden. Hijgend naar adem en bevende over al hare leden, als een opgejaagde antilope, hield Warda zich aan haar beschermer vast.
Pentaoer liet niet anders hooren dan een somber gesteun, toen hij zich ontwapend zag. Daar sprong, alsof hij uit den grond was opgekomen, een jongeling aan zijne zijde, duwde hem het zwaard van den gevallen soldaat, dat voor zijne voeten had gelegen, in de hand, en plaatste zich achter den dichter, rug aan rug. Terstond richtte Pentaoer zich weder op in zijne volle lengte, met den wapenkreet van een held op de laatste vrije schans van zijne bestormde vesting, en zwaaide zijn nieuwe wapen. Met de vlammende oogen van een leeuw, dien de jachthonden van het wild dat hij velde, willen verjagen, stond hij daar, en een oogenblik weken zijne tegenstanders terug. Want ook zijn bondgenoot, de jonge Rameri, had dreigend zijn bijl opgeheven.
»Die laffe moordenaars werpen met vuur,” riep de prins. »Kom hier, meisje! Laat ik het brandend pek op uw kleedje uitdooven.”
Bij deze woorden greep hij Warda’s hand, trok haar naar zich toe, en bluschte de vlam op haar kleedje, terwijl Pentaoer hen met zijn zwaard beschermde.
Eenige oogenblikken hadden de prins en de dichter rug aan rug gestaan, toen een steen het hoofd van den laatsten trof. Pentaoer wankelde, en reeds drong de tierende menigte naar voren, toen de omheining van den kleinen tuin door krachtige handen werd omvergehaald, en eene vrouw lang van gestalte, op het tooneel van de worsteling verscheen. »Laat dezen met rust!” riep zij het verbaasde volk toe. »Ik beveel het! Ik ben Bent-Anat, de dochter van Ramses!”
Als door den bliksem getroffen, week de woedende menigte terug.
De dichter kreeg zijn bewustzijn terug, en toch geloofde hij dat alles maar zinsbegoocheling was. Hij zag en hoorde, en toch meende hij een hemelschen droom te droomen. Het kwam hem voor, dat hij zich moest nederwerpen voor den dochter van Ramses. Maar met de vlugheid van geest, die hij in de school van Ameni had geleerd, overzag hij op eens Bent-Anat’s toestand. In plaats van de knie te buigen, riep hij: »Menschen, wie deze vrouw ook zijn mag, al gelijkt zij misschien ook op de dochter van Ramses, zij is Bent-Anat niet. Maar ik ben, al draag ik het witte kleed niet, een priester uit het Seti-huis. Ik ben Pentaoer, de Cherheb[254] van het feest van heden. ― Vrouw, verlaat deze plaats! Ik beveel het u in naam van mijn heilig ambt!”
[254] Feestredenaar.
Bent-Anat gehoorzaamde.
Pentaoer was gered. Want toen het volk van zijn verbazing begon te bekomen; toen zij, die door hem verwond waren, en hunne metgezellen zich opnieuw tegen hem verhieven; toen een opgeschoten jongen, wiens hand hij verbrijzeld had, in woede schreeuwde: »Hij is een vechter, maar geen heilige vader! Verscheurt den bedrieger!” riep eene stem uit het volk: »Maak plaats voor mijn wit gewaad, en blijft met uwe handen van den feestredenaar Pentaoer, die mijn vriend is. ― Velen uwer zullen mij kennen!”
»Gij zijt de arts Nebsecht, die mijn gebroken been hebt genezen,” riep een matroos.
»En mijn ziek oog,” zeide een wever.
»Die schoone groote man is de redenaar. Ja, ik herken hem wel,” riep een der meisjes, wier oordeel over Pentaoer, Bent-Anat op het feestterrein had opgevangen.
»Redenaar of niet!” schreeuwde de jongen en drong naar voren. ― Maar het volk hield hem tegen en ging eerbiedig op zij, toen Nebsecht verzocht plaats voor hem te maken, om naar de gewonden onderzoek te doen.
Allereerst boog hij zich heen over den ouden Paraschiet, en riep vol ontzetting: »Schande over u; gij hebt den ouden man doodgeslagen!”
»En ik,” zeide Pentaoer »moest mijne vreedzame handen met bloed bevlekken, om zijn onschuldig ziek kleinkind voor hetzelfde lot te bewaren.”
»Gij giftharten, addergebroed, schorpioenen, uitvaagsel van het menschdom!” schreeuwde Nebsecht de menigte toe, en sprong driftig overeind om Warda met zijne oogen te zoeken. Toen hij haar behouden zag zitten aan de voeten van de tooveres Hekt, die den tuin was binnengedrongen, haalde hij weder vrij adem, en begon zich met de gewonden bezig te houden.
»Hebt gij deze allen, die hier rondom liggen, in het stof doen bijten?” vroeg hij zijn vriend fluisterend.
Pentaoer knikte toestemmend en lachte: doch niet zegevierend, maar beschaamd als een knaap, die het vogeltje dat hij ving, tegen zijn wil, in zijne hand verstikte.
Nebsecht zag hem aan met verwondering en bezorgdheid, en vroeg: »Waarom hebt gij u niet dadelijk kenbaar gemaakt?”
»Omdat de geest van den krijgsgod Menth mij had aangegrepen,” antwoordde Pentaoer, »toen ik zag hoe die verwenschte schurk dáar het meisje bij de haren sleurde. Ik zag, ik hoorde niets meer; ik.....”
»Gij hebt recht gehandeld,” viel Nebsecht hem in de rede. »Maar waar moet dit op uitloopen?”
Op dit oogenblik klonk het geschetter van trompetten. De hoofdman, die door Ameni was afgezonden om den Paraschiet gevangen te nemen, naderde met zijne soldaten. Alvorens den tuin binnen te rukken beval hij het volk uiteen te gaan. De weerspannigen werden met geweld uit elkaar gedreven. In weinige oogenblikken was de huilende en razende menigte uit het dal weggeveegd en het brandende huis omsingeld. Ook de kinderen van Ramses met Nefert werden gedwongen hun plaats bij de heining van den hof te verlaten. Rameri was zijne zuster gevolgd, zoodra hij zag dat Warda gered was. Nefert was op het punt van ineen te zijgen. Angst en deelneming hadden haar te sterk aangegrepen. De oversten der draagstoeldragers gaven elkaar de handen, tilden haar op en droegen haar voor de prinses en haar broeder uit. Geen van het drietal sprak een woord, zelfs Rameri niet, want hij kon Warda niet vergeten, noch den dankbaren blik, waarmede zij hem had nageoogd. Maar opeens brak Bent-Anat het zwijgen af, om te zeggen: »De Paraschieten-hut brandt nog altijd. Waar zullen de armen nu slapen?”
Nadat het dal van volk gezuiverd was, verscheen de officier in den hof en vond hier, behalve de tooveres Hekt en Warda, ook den dichter en Nebsecht, die bezig was met het verbinden der gewonden. Pentaoer lichtte den hoofdman kortelijk omtrent het gebeurde in, en noemde hem zijn naam.
Deze reikte hem de hand en zeide: »Waren er vele krijgers van uw slag, heilige vader, in het leger van Ramses, de Cheta-oorlog zou spoedig geëindigd zijn! Maar gij hebt geen Aziaten, gij hebt burgers uit Thebe geveld, en hoeveel leed het mij ook doet, ik moet u als mijn gevangene voor Ameni brengen.”
»Doe wat uw plicht vordert,” antwoordde Pentaoer, zich buigende voor den hoofdman, die zijne lieden intusschen beval het lijk van den Paraschiet op te nemen en naar het Seti-huis te dragen.
»Ik moet het meisje ook gevangen nemen,” zeide de officier zich tot Pentaoer richtende.
»Zij is krank,” antwoordde de dichter.
»En wanneer zij niet spoedig tot rust komt,” voegde de arts er bij, „dan is het met haar gedaan. Laat haar; zij is de bijzondere beschermeling van de prinses Bent-Anat, die haar onlangs heeft overreden.”
»Ik zal haar in mijn verblijf nemen,” zeide de tooveres, »en wil voor haar zorgen. Dáar ligt haar grootmoeder reeds; zij is half gestikt in de vlammen, maar komt weer bij. Ik heb plaats voor beiden.”
»Tot morgen dan,” antwoordde de arts, »dan zal ik haar een ander tehuis bezorgen.”
De oude lachte hem onopgemerkt uit, prevelende: »Daar zullen ook nog wel anderen voor haar willen zorgen!”
De soldaten volgden het bevel van hun aanvoerder, namen de verwonden op, en verwijderde zich met Pentaoer en het lijk van den Paraschiet.
* * * * *
Intusschen was Bent-Anat met haar broeder en Nefert, na veel oponthoud, gekomen aan de landingsplaats van de Nijlschepen. Een der draagstoeldragers werd uitgezonden om de boot te halen, die hen zou wachten. Hij moest zich bijzonder haasten, want reeds zag men de lichten van de processie naderen, die den god naar den Amontempel te Thebe terugbracht. Gelukte het hun thans niet onverwijld in hunne boot plaats te nemen, dan hadden zij het vooruitzicht uren lang te kunnen wachten. Wanneer de processie in den nacht den stroom werd overgezet, dan mocht geen vaartuig, dat niet voor dit doel werd gebruikt, ja, zelfs geen bark van een der aanzienlijksten van land afsteken. Ongeduldig en in groote spanning zagen broeder en zuster uit naar het teeken van hun boot, want Nefert zonk van uitputting bijna ineen, en Bent-Anat, op wier arm zij steunde, gevoelde dat al hare leden begonnen te beven. Eindelijk wenkte de draagstoeldrager. Het snelle maar onaanzienlijke bootje, dat gewoonlijk alleen bij het jagen op vogels werd gebruikt, schoot naderbij. Rameri liet een der matrozen zijn roeispaan toesteken, en trok zoo het vaartuig dichter bij de landingstrap.
Juist op dit oogenblik verscheen de overste der veiligheidswachten, en riep: »Deze boot is de laatste die van wal mag steken, vóor den overtocht van den god.”
Zoo haastig als de zwakke Nefert zulks toeliet, die zoo zwaar aan haar arm hing, liep Bent-Anat de trappen af, die nog maar spaarzaam verlicht waren door het matte schijnsel van enkele lantaarns. Straks als de godheid naderde, en de pekpannen en fakkels ontstoken zouden worden, zou het hier daghelder zijn. Maar eer zij de laatste trede bereikt had, voelde zij eene harde hand op haar schouder, en de ruwe stem van den gids Paäker riep: »Terug vee! Wij eerst!”
De veiligheidswachten hielden hem niet tegen, want zij kenden den gids en zijne onbesuisde manier van handelen. Paäker stak dadelijk de vingers in den mond en floot, zóo schel, dat het door de lucht suisde. Terstond daarop hoorde men riemslagen.
»Stoot die boot hier op zij! Dat volk kan wachten!” riep de Mohar zijn scheepsvolk toe.
Het vaartuig van den gids was grooter en sterker bemand, dan dat der koningskinderen.
»Snel in de boot!” riep echter Rameri.
Bent-Anat ging weder zwijgend vooruit, want zij durfde zich hier om der wille van het volk en van Nefert niet andermaal kenbaar maken. Doch Paäker trad haar in den weg, en riep: »Heb je ’t niet gehoord, schorremorrie, dat je wachten zult tot wij weg zijn? Mannen, haalt de boot van dat volk in den stroom terug!”
Het was Bent-Anat alsof haar bloed verstijfde, toen zij terstond hierop eene luide woordenwisseling beneden aan de landingstrap vernam. Rameri’s stem werd boven alle anderen uitgehoord.
»Die schooiers durven weerstand bieden!” riep de gids. »Ik zal ze leeren! Hola, hier, Descher! Pak dat wijf en dien jongen!”
Op dien stem sprong de groote roodharige dog, die reeds aan zijn vader had toebehoord, en hem altijd vergezelde wanneer hij als heden met zijne moeder het graf van den gestorven Mohar bezocht, blaffend op het tweetal los. Nefert gaf een gil van angst. Doch de hond herkende haar terstond, drong tegen haar aan, en scheen met zijn gewoon gehuil zijne blijdschap te kennen te geven.
Paäker, die de booten reeds genaderd was, keerde zich verbaasd om, zag hoe het dier kwispelstaartend rondom Nefert liep, die in haar jongensgewaad voor hem onherkenbaar was, sprong terug en riep: »Ik zal je leeren, vlegel, mijn hond door gif of tooverij te bederven.” Daarbij hief hij zijn zweep op en sloeg naar de schouders van Mena’s vrouw, die met een gillenden angstkreet bewusteloos ineenzonk.
De snoeren van de zweep waren vlak langs de wangen der teedere vrouw gegaan, dank zij Bent-Anat’s tegenwoordigheid van geest. Want zij had met een krachtigen greep Paäkers arm tegengehouden. Ontzetting, afschuw en toorn beletten haar een woord te spreken. Doch Rameri had Nefert’s gil gehoord en was met een paar sprongen bij de vrouwen.
»Laffe schurk!” riep hij, terwijl hij den roeiriem ophief, dien hij in de hand hield. Paäker, aan den strijd gewoon, behield zijne bedaardheid, en riep alleen zijn hond met een eigenaardig gesis van zijne lippen toe: »Pak hem beet, Descher!”
De hond sprong op den prins los. Rameri echter, die zijn vader reeds als kind op menige jacht vergezelde, gaf het woedende dier met den zwaren riem zulk een geweldigen slag op zijn kop, dat hij rochelend neerstortte.
Paäker meende in de gansche wereld geen warmer vriend te bezitten dan dit dier, zijn trouwen metgezel op al zijne tochten door de woestijn en door vijandige landstreken. Toen hij het daar stuiptrekkend zag neerzinken, geraakte hij buiten zichzelven van woede. Met de zweep in zijn opgeheven arm stormde hij op den jongeling los. Maar deze, uitermate opgewonden door alles wat hij in dezen nacht had doorleefd, geheel vervuld van den krijgszuchtigen geest zijner vaderen, ten hoogste verbolgen op den ruwen beleediger der vrouwen, als welker beschermer hij zich beschouwde, gevoelde zich tegen dien man opgewassen, en sloeg den gids met de roeispaan zoo hevig op zijne linkerhand, dat de zweep hem ontviel, en hij huilend van pijn met de rechter naar den dolk in zijn gordel greep.
Op dit oogenblik wierp Bent-Anat zich tusschen den man en den jongeling, die nauwelijks den kinderleeftijd was ontwassen, noemde andermaal haar eigen en ook haars broeders naam, beval Paäker zijne matrozen tot bedaren te brengen, geleidde Nefert, die onbekend was gebleven, naar het bootje, steeg erin met die haar geleidden, en landde in weinig tijd aan het paleis.
Paäker en zijne moeder Setchem, voor welke hij zijne Nijlboot had voorgeroepen, en die boven aan de landingstrap uit haar draagstoel den strijd had gezien, zonder echter de oorzaak te begrijpen en de personen te herkennen, moesten nog eenigen tijd op de trap blijven wachten. Zijn hond was dood, zijne hand deed hem gevoelig pijn en in zijn gemoed kookte het van nieuwe woede. »Dat Ramses-gebroed!” bromde hij in zichzelf; »die gelukzoekers! Zij zullen mij leeren kennen! Mena en Ramses staan dicht genoeg bij elkaar! Ik offer hen beiden op!”
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Eindelijk was ook de boot van den gids van wal gestoken met zijne moeder Setchem en het lijk van zijn hond. Zijn plan was het beest te laten balsemen, en te Kynopolis[255], de stad waarin men de honden meer dan andere dieren voor heilig hield, te laten bijzetten. Hijzelf begaf zich naar het Seti-huis, waar in den nacht die op het feest volgde een groot gastmaal werd gehouden, waaraan zich de aanzienlijke priesters uit de Nekropolis zoowel als uit Thebe, benevens de feestgezanten en de keur der waardigheidbekleeders plachten te vereenigen. Zijn vader werd, als hij ten minste in Thebe vertoefde, nooit bij dien maaltijd gemist. Hemzelven viel heden voor het eerst de buitengewone onderscheiding ten deel van als gast tegenwoordig te zijn, eene eer, die velen hem konden benijden. Hij had dit alleen aan den stadhouder te danken, zoo als Ameni hem uitdrukkelijk zeide, toen hij hem gisteren noodigde.
[255] Het oude Egyptische Saka, het tegenwoordige Samakoet, waar Anubis als hoofdgodheid vereerd werd. Plutarchus verhaalt, dat de Oxyrynchiten, die den Oxyrynchos-visch vereerden, met hunne naburen, de Kynopoliten, die den hond voor heilig hielden, een strijd begonnen over deze dieren. De strijd nam hiermede een aanvang, dat de Kynopoliten, Oxyrynchos-visschen aten, en de Oxyrynchiten uit wraak honden vingen, die ze slachten en als een offermaal gebruikten. Eene dergelijke geschiedenis verhaalt Juvenalis in de 15de satire van de Omiten (waarschijnlijk Koptiten) en Tentyriten.
Voordat hij van haar afscheid nam, had zijne moeder de door Rameri verwonde hand verbonden. Hij gevoelde hevige pijn, maar hij zou voor geen prijs het gastmaal in het Seti-huis hebben willen verzuimen, hoezeer hij er ook tegen opzag. Zijn geslacht was zoo oud en aanzienlijk als eenig ander in Egypte, zijn bloed zuiverder dan dat des konings, en toch gevoelde hij zich nooit in het gezelschap van rijksgrooten op zijn plaats. Hij was geen priester en toch een schrijver, hij was een krijgsman en toch stond hij niet in de gelederen van ’s konings helden. Bij zijne opvoeding had hij strenge plichtsbetrachting geleerd, en hij wijdde zich ook geheel aan zijn beroep. Doch zijne levensgewoonten verschilden hemelsbreed van die dergenen, in wier kring hij was opgewassen, en waarvan zijn schoone, dappere en grootmoedige vader het sieraad was geweest. Hij was niet als een gierigaard gehecht aan het vermogen, dat hij geërfd had; integendeel, de edele deugd der vrijgevigheid scheen hem niet vreemd te zijn. Hij liet echter de ongevoeligheid van zijn hart juist het meest blijken als hij gaf. Want behalve dat hij van zijne geschenken zooveel mogelijk vertoon maakte, werd hij niet moede de beweldadigden, die van hem afhankelijk waren, telkens voor te houden, welk een dank zij hem verschuldigd waren. Hij meende door zijne gaven het recht verworven te hebben, elk die ze aannam naar welgevallen ruw en onbeschaamd te mogen bejegenen. Ziedaar, waarom zelfs zijne beste daden hem meer vijanden dan vrienden bezorgden.
Paäker was derhalve een man van een onedel, of liever van een uiterst zelfzuchtig karakter. Als hij langs een korter weg zijn doel bereiken kon, was het hem volmaakt onverschillig, of hij op bloemen trad, dan op het zand der woestijn. Deze zijn gemoedsgesteldheid openbaarde zich in alles, en was ook merkbaar in zijn uiterlijk voorkomen, zooals in den klank van zijn stem, in de breede trekken van zijn gelaat en in de pronkerige bewegingen van zijne ineengedrongen gestalte. In het leger kon hij zich gedragen zooals hij wilde, maar dit was niet geoorloofd in het gezelschap van lieden, die tot zijn stand behoorden. Daarom, en omdat hij de gave miste van vlug te kunnen spreken en met gevatheid te kunnen antwoorden, eene gave die hun eigen was, gevoelde hij zich niet op zijn gemak en niet op zijne plaats in hun midden. Hij zou aan de uitnoodiging van Ameni waarschijnlijk geen gevolg hebben gegeven, wanneer zij niet zijne ijdelheid gestreeld had.
Het was reeds laat geworden, maar het maal begon eerst omstreeks middernacht, want de gasten waren vooraf tegenwoordig bij de voorstellingen, die op het heilige meer in het zuiden van de Nekropolis bij lamp- en fakkellicht werden gegeven, en die betrekking hadden op de lotgevallen van Isis en Osiris. Toen hij de feestelijk getooide zaal betrad, waarin de tafels waren opgeslagen, vond hij alle gasten verzameld. Ook de stadhouder Ani was tegenwoordig en gezeten ter rechterzijde van Ameni, aan het hoofd van de voornaamste tafel in het midden, waaraan verschillende plaatsen onbezet waren, want de profeten en ingewijden van Amon in Thebe hadden zich laten verontschuldigen. Zij waren trouw gehecht aan Ramses en zijn huis, en hun grijze overste keurde de stoutmoedige handelwijze van Ameni tegen de kinderen des konings ten strengste af. Zij hielden ook het wonder van het ramshart voor een vijandigen streek der priesters in de Nekropolis tegen den rijkstempel te Thebe, door den pharao zoozeer begunstigd[256].
[256] Zie boven blz. 183. Bijna alle koningen van het nieuwe rijk zorgden, zelfs met verkwistende vrijgevigheid, voor den tempel van Karnak. De oudste koningsnaam, die op de overblijfselen van dit heiligdom bewaard bleef, is die van Oesertesen I (12e dynastie). Gedurende den tijd der Hyksos werd de arbeid gestaakt, maar de Koningen der 18e en 19e dynastie breidden den tempel uit met gebouwen van buitengewone afmetingen. De groote zaal, waartoe Ramses I den grondslag legde, die Seti I deed bouwen en Ramses II versierde, had 134 zuilen en was 102 bij 51 Meters groot. Ook de met Karnak verbonden tempel van Loeqsor, onder de 18e dynastie aangelegd, werd door Ramses II met grootere gebouwen voltooid. Aan de oostzijde van Karnak werden nieuwe gedeelten aangebracht, en onnoemelijk vele koninklijke geschenken, in de schatkamers van dit heiligdom samengebracht. Mariëtte heeft onlangs in zijn Karnak, voortreffelijke teekeningen van alle deelen en onderdeelen van dezen tempel in het licht gegeven.
De Mohar ging naar de tafel, aan welke de bevelhebber der als overwinnaars uit Ethiopië teruggekeerde troepen, met andere officieren van hoogen rang was gezeten. Naast eerstgenoemde was een plaats open. Paäker wilde er regelrecht op afgaan; toen hij echter bemerkte, dat de generaal zijn buurman een wenk gaf om aan te sluiten, begreep de gids dat deze hem beletten wilde aan zijne zijde plaats te nemen. Hij keerde dus met spijtigen blik aan de tafel der krijgslieden den rug toe. De Mohar was hem geen welkom feestgenoot. »Het is of de wijn mij zuur smaakt, als die lomperd er in ziet,” zeide de bevelhebber.
De oogen aller gasten richtten zich op Paäker, die naar eene plaats uitzag. Toen niemand hem een wenk gaf om bij hem te komen, begon zijn bloed weder te koken. Het liefst zou hij terstond met een vloek de feestzaal verlaten hebben. Reeds keerde hij zich naar de deur, toen de stadhouder, die met Ameni eenige woorden gefluisterd had, hem toeriep en verzocht de plaats in te nemen, die voor hem bestemd was, daarbij wijzende op den stoel aan zijne zijde, die voor den eersten profeet van den rijkstempel was bestemd geweest.
Paäker zette zich onder eene diepe buiging op deze eereplaats neder, doch hij durfde niet van de tafel op te zien, want hij vreesde verwonderde en spottende gezichten te ontmoeten. En toch had hij zich kunnen voorstellen, hoe zijn grootvader Assa en zijn vader in de nabijheid waren gezeten van deze plaats, die hun ook werkelijk meermalen was ingeruimd. Was hij niet hun opvolger en erfgenaam? Stamde zijne moeder Setchem niet uit een koninklijk geslacht? Was het Seti-huis hem niet grooter dank schuldig, dan alle overigen?
Een dienaar hing hem een krans over de breede schouders en een ander bood hem wijn en spijzen aan. Nu eerst waagde hij het op te zien en daarbij ontmoette hij de helder vonkelende oogen van den tweeden profeet Gagaboe, die tegenover hem zat. Hij begon weder op de tafel te staren. Toen sprak de stadhouder hem aan en vertelde, zich daarbij half wendend tot die in zijne nabijheid waren gezeten, dat de Mohar morgen naar Syrië dacht te trekken, ten einde zijne zware taak weder op zich te nemen.
Het klonk Paäker in de ooren, als had Ani zich bij de aanwezigen willen verontschuldigen, dat hij hem zulk eene eereplaats had gegeven. Eindelijk hief de stadhouder den beker op, en dronk op den goeden uitslag der verkenningstochten en het zegenrijk einde van elken strijd, die de Mohar te voeren zou hebben. Ook de opperpriester wijdde hem een dronk, en dankte hem luide in naam van het Seti-huis voor het kostelijk stuk bouwland, dat hij hedenmorgen als feestgave aan den tempel had vereerd[257]. Een gemompel van bijval werd door de geheele zaal vernomen, en eerst nu begon het gevoel van onzekerheid den gids te verlaten.
[257] Het was een zeer gewoon verschijnsel, dat koningen akkerland aan de tempels schonken. Op ontelbare gedenkteekenen is het aandenken aan zulke schenkingen bewaard. Doch ook rijke burgers begiftigden niet alleen de heiligdommen met stukken grond en bouwland, maar stelden soms bovendien een kapitaal vast tot ontginning of tot onderhoud. Zoo bijv. Amon-en-apt te Medinet Haboe.
»Zijt gij gewond?” vroeg de stadhouder. Want Paäker had nog altijd zijne hand, die hem hevig pijn deed, in de zwachtels, die zijne moeder er omgelegd had.
»Het heeft niets te beteekenen,” antwoordde de gids. »Toen ik mijne moeder naar de boot bracht, viel er....”
»Er viel,” haastte zich een zijner vroegere medescholieren, de opperbevelhebber van de wachtsoldaten in Thebe, die zeer hoog aan tafel geplaatst was, lachende te zeggen: »er viel een stok of roeiriem op zijne vingers.”
»Dat is wat te zeggen,” riep de stadhouder.