Warda: Roman uit het oude Egypte

Part 30

Chapter 303,909 wordsPublic domain

»Zoo sprak hij,” ging Ameni voort. »En al had hij niet anders gezegd dan dát, hij zou reeds daardoor zijn geoordeeld! Hij en zijn huis zijn onzen rechten vijandig, en vijanden mee, van dit ons edel land. Behoef ik u te zeggen, wat pharao’s stamboom is? Eens noemden wij de van ’t oosten komende scharen, die ons vaderland als sprinkhaan-zwermen overvielen, die het hebben uitgemergeld en gekneveld, ‚pestplagen en roovers’. Tot deze behoorden Ramses’ vaderen. Toen Ani’s vaderen de Hyksos verdreven, verkreeg de dappere familie van ’t stamhoofd, wier nazaat thans Egypte regeert, het voorrecht aan den Nijl te verblijven. Zij diende in het leger, zij trad op den voorgrond, en eindelijk gelukte het den eersten Ramses de troepen voor zich te winnen, en het oude, in ketterijen verwarde geslacht der echte zonen van Ra van den troon te berooven. Ongaarne erken ik ’t: de rechtgeloovige priesters ― uw grootvader was onder hen, en de mijne ― ondersteunden den koenen roover der kroon, die de oude leer trouwhartig aanhing. Niet minder dan honderd voorzaten van mijn huis en niet minder van ‚t uwe en vele andere priestergeslachten, zijn hier aan den heiligen Nijl gestorven. Van Ramses’ vaderen kennen wij er slechts tien, en wij weten van dezen, dat zij behoorden tot uitlandschen stam, tot de bende der Amoe! Als alle Semieten, zoo is ook hij. Zij houden van zwerven en noemen ons ‚ploegers’[235], bespottend de wijze afgemeten orde, waarin wij, den zwarten bodem bebouwend, in nuttigen arbeid des geestes en des lichaams, den langen dood te gemoet gaan. Zij dwalen rond om buit te behalen, en stuwen het zeeschip door ziltige wateren, en kennen geen vast en dierbaar tehuis. Waar winst is te halen, daar strijken zij neder; is er niets meer voor hen te rooven, dan slaan zij elders hun woning weer op. Zoo nu was Seti, zoo is ook Ramses! Een jaar verblijven zij wel in Thebe, maar trekken dan weg, de grenzen over ten oorlog. Zich vroom te onderwerpen, naar den raad te vernemen der wijze vermaners, zij verstaan ’t niet en zullen ’t nooit leeren. Gelijk de vaders zoo zijn ook de kinderen! Denk aan de vermetele daad van Bent-Anat. Pharao, zeide ik, stelt de vreemden op prijs. Hebt gij bedacht wat dat wel beteekent? Ons doel is naar ’t hoogere en edele te streven; wij hebben ons aan de banden der zinnen ontworsteld tot verzorgers der zielen. Ook de armste leeft veilig, beschermd door de wetten, en door ons neemt hij deel aan de gaven des geestes. Heerlijke schatten van kunst en van kennis worden door ons den rijken geboden. Zie nu naar den vreemdeling! Nomadenzwermen, in armzalige tenten, doortrekken in ’t oost en ’t west de woestijn. In ’t zuiden bidt een verdierlijkt gepeupel tot vederschachten en ellendige goden, die zij slaan, als ’t geluk hun ontbreekt. In het noorden vindt men geordende staten; maar wat zij aan kunst en aan kennis bezitten, dat danken zij ons voor het meeste; en altijd nog bloeden op hun altaren, als afgrijselijke offers, de lijken van menschen. Slechts afval van ’t goede, die schenkt ons de vreemdeling, dus is het verstandig zich van hem te keeren, dies is hij ook bij onze goden gehaat. En Ramses, de koning, is vreemdeling, door zijn bloed en zijn neiging, zijn hart en zijn aanschijn. Zijn geest vliegt al verder, dit land is voor hem te bekrompen. Hoe vlug ook zijn geest zij, wat waarachtig hem goed is zal hij nimmer begrijpen. Hij luistert naar raad niet, hij benadeelt Egypte; dus zeg ik: naar beneden met hem van den troon!”

[235] De Bedoeïenen noemen thans nog de landbouwende bevolking van Egypte met minachting Fellah, meerv. Fellahin, of ploegers.

»Naar beneden met hem!” herhaalde Gagaboe in geestdrift.

Ameni reikte den grijsaard zijne van opgewondenheid bevende hand, en ging kalmer voort: »De stadhouder Ani is van vaders en moeders zijde een echte zoon van het land. Ik ken hem door en door, en weet dat hij wel is waar verstandig maar angstvallig voorzichtig is, en dat hij ons in ons voormalig, ons rechtmatig toekomend erfdeel weder herstellen zal. Hier valt de keus niet zwaar. Ik heb gekozen en ben gewoon door te zetten, wat ik eens begonnen ben. Gij weet nu alles en zult mij helpen!”

»Met lijf en ziel!” riep Gagaboe.

»Versterk dan ook de harten onzer medepriesters,” zeide Ameni, afscheid nemende. »Ieder ingewijde mag vermoeden wat er eigenlijk gebeurt, maar het mag volstrekt niet uitgesproken worden.”

TWAALFDE HOOFDSTUK.

De zon was op den negen en twintigsten morgen van de tweede maand der overstrooming[236] reeds opgegaan, en de burgers en burgeressen, de grijsaards en de kinderen, de vrijen en de slaven in Thebe brachten het opgaand daggesternte hunne hulde, onder de leiding der priesters, voor de poorten van den tempel, waartoe het door hen bewoonde kwartier van de stad behoorde. De inwoners van Thebe stonden in familie-groepen bijeen voor de pylonen, wachtende op den optocht der priesters. Zij wilden zich daarbij aansluiten om zoo te trekken naar den grooten rijkstempel en van dezen uit met de feestbarken den stroom over te steken naar de Nekropolis.

[236] Den 29sten Paophi. De Egyptenaars hadden drie jaargetijden of Tetrameniën, elk van vier maanden. Het waren de jaargetijden der overstrooming, van zaaiing en oogst (”Scha”, „per” en „schemoe”). De tweede overstroomingsmaand heet Paophi en de 29ste Paophi, waarop het feest van het dal gevierd werd, kwam overeen met den 8sten November volgens onze tijdrekening.

Heden, op het feest van het dal, werd Amon, de groote god van Thebe, in plechtstatigen optocht overgebracht naar de doodenstad, ten einde daar, zooals de priesters zeiden, te offeren voor zijne ouders in de andere wereld[237]. Zijn tocht ging naar het westen, en gelijk daar het stoffelijk overschot der menschen rust vond in de graven, zoo waren daar ook de millioenen zonnen verdwenen, waarop dagelijks een nieuwe gevolgd was, weder uit den nacht verrijzende. Het verjongde licht, zeiden de priesters, vergeet het uitgebluschte niet, waaruit het geworden is; het brengt als Amon daaraan zijne hulde, om de vromen te herinneren, dat zij de afgestorvenen niet mogen vergeten, waaraan zij hun leven hadden te danken. »Breng offers,” zoo luidde eene godsdienstige spreuk, »aan uw vader en uwe moeder, die in het dal der graven rusten, want dit is den goden welgevallig, die deze gaven willen aannemen, als waren ze aan henzelven gebracht. Bezoek uwe ontslapenen dikwijls, opdat uw zoon voor u moge doen, wat gij voor hen doet”[238].

[237] Maspero, =Mémoire sur quelques Papyrus de Louvre=, p. 75 Pap. 3. Boulaq, T. 3, p. 22, 23.

[238] Uit den te Boulaq bewaarden Papyrus IV, die zedelijke voorschriften behelst. Hij werd door Mariëtte uitgegeven, en vertaald door Brugsch, E. de Rougé, en ten laatste op voortreffelijke wijze analytisch verklaard en toegelicht door Chabas in zijn tijdschrift =l’Egyptologie=.

Het feest van het dal was een doodenfeest, maar het droeg geen somber karakter; het werd niet met gejammer en weeklachten gevierd. Het was integendeel een vroolijk feest, gewijd aan de liefdevolle nagedachtenis van de zoodanigen, die men ook na den dood nog bleef liefhebben. Men verhief het geluk dier gezaligden en herdacht hen vriendschappelijk, terwijl men, gezellig in de grafkapel of vóor hunne groeve gezeten, offers bracht en maaltijd hield. Ouders en kinderen sloten zich bij elkander aan. De huisslaven volgden hen met voorraad van spijzen en fakkels, om het donkere graf te verlichten, of ze ook te ontsteken, wanneer men laat in den nacht huiswaarts keerde. Ook de armste had reeds een dag te voren gezorgd voor een plaatsje op een der groote schuiten, die de bedevaartgangers den stroom moesten overzetten. De barken der aanzienlijken lagen schitterend getooid aan den oever gereed, wachtende op de eigenaars met hun gevolg. De kinderen hadden ’s nachts van het heilige feestschip van Amon gedroomd; want de moeders hadden hen verteld, dat dit vaartuig in pracht weinig onderdeed voor de heerlijkheid der gouden zonneschuit, waarin de zonnegod met zijn gevolg den oceaan des hemels bevoer.

Reeds wemelde het van priesters op de oevertrappen van den rijkstempel, van burgers op de kade en van booten op den vloed. Reeds overstemden de ruischende tonen der feestmuziek het gejoel der volksmenigte, waaronder de een den ander te midden van stofwolken verdrong, om de barken en booten te bereiken. Reeds waren alle huizen en hutten van Thebe ontvolkt, en zag men in gespannen verwachting het oogenblik te gemoet, waarop de godheid uit de tempelpoort te voorschijn zou treden. Maar nog altijd ontbraken de leden der koninklijke familie, die anders op dezen dag gewoon waren te voet naar den grooten tempel van Amon te gaan. Onder de menigte vroeg de een den ander, waarom Bent-Anat, de schoone dochter van Ramses, zoo lang uitbleef, en het opbreken van de processie deed vertragen.

Reeds hieven de priesters hunne gezangen aan achter de tempelmuren, die het volk verhinderden de veelkleurig beschilderde voorhoven te zien. Reeds had de stadhouder met een luisterrijk gevolg het heiligdom betreden. Reeds werden de deuren van het feestgebouw geopend en vertoonden zich de enkel met een schort gekleede knapen, die voor de godheid op den weg bloemen moesten strooien. Reeds verkondigden de wierookgeuren, dat Amon naderde ― maar nog altijd vertoonde de dochter van Ramses zich niet.

Allerlei geruchten werden verbreid, waaronder zeer onzinnige. Dit stond in elk geval vast, en werd ook tot teleurstelling van het volk door de tempeldienaars bevestigd: de prinses nam geen deel aan de processie; Bent-Anat was uitgesloten van het feest van het dal. Zij stond met haar broeder Rameri en de vrouw van Mena op het balkon van haar vaderlijk paleis, uitziende naar den stroom en het naderen der godheid. Gisteren morgen had de oude opperpriester van Amon te Thebe, Bek-en-Choensoe, haar de reinheid teruggegeven, maar aan den avond was hij haar komen melden, dat Ameni haar verbood de Nekropolis te betreden, zoolang de goden van het westen haar voor het misdrevene geene vergeving hadden geschonken. Terwijl zij nog in den staat van onreinheid verkeerde, had zij den Hatasoe-tempel betreden en dien bevlekt, en Bek-en-Choensoe moest toestemmen, dat de overste van de doodenstad in zijn recht was, wanneer hij het gebied van het westen voor haar sloot. Bent-Anat had toen Ani’s hulp ingeroepen, maar ofschoon de stadhouder haar zijn tusschenkomst beloofde, zoo kwam hij toch laat in den avond tot haar, om haar mede te deelen, dat Ameni onvermurwbaar bleef, ook zelfs voor zijne bede. De stadhouder had haar hierover zijn leedwezen betuigd, maar tevens den raad gegeven, elke aanleiding tot openbare ergernis te vermijden, de eerwaarde gestrengheid van Ameni niet te trotseeren en zich niet op het feest te laten zien. Terzelfder ure had vrouwe Katoeti den dwerg Nemoe tot hare dochter gezonden, om deze uit te noodigen met haar aan den optocht deel te nemen, en in het voorvaderlijk graf te offeren. Doch Nefert had haar doen antwoorden, dat zij van hare meesteres en vriendin niet konde of wilde scheiden.

Bent-Anat had aan de voornaamste personen van hare hofhouding vergunning gegeven om het feest mede te vieren, en hun verzocht harer bij deze schoone plechtigheid te willen gedenken. Toen zij van het balkon het volk zag samenstroomen, en de booten wemelden op den stroom, ging zij in haar vertrek terug. Zij riep Rameri tot zich, die in woede losbrak over de onbeschaamdheid van Ameni, vatte zijne beide handen en zeide: »Wij hebben beiden misdreven, broeder! Laten wij de gevolgen van onze schuld geduldig dragen, en handelen alsof onze vader bij ons was.”

»Hij zou den overmoedigen priester het panthervel van de schouders scheuren,” riep de prins, »wanneer deze het waagde in zijne tegenwoordigheid u zoo te vernederen.” En bij deze woorden rolden tranen van boosheid langs zijne jeugdige wangen.

»Wees nu niet langer toornig,” antwoordde Bent-Anat. »Gij waart nog klein, toen vader voor de laatste maal aan dit feest deelnam.”

»O, ik herinner mij dien morgen zeer goed,” riep Rameri, »en ik zal dien nooit vergeten.”

»Ik dacht het wel,” zeide Bent-Anat. ― »Blijf gerust, Nefert; gij zijt immers nu mijne zuster! Hoor! het was op een heerlijken morgen. Wij, kinderen, waren feestelijk uitgedost verzameld in de groote zaal des konings. Toen liet hij ons roepen in deze vertrekken, die onze moeder bewoond had. Weinige maanden geleden was zij gestorven. Hij nam ons een voor een bij de hand en zeide aan elk, dat hij hem alles vergaf wat hij misdreven had, mits hij er ernstig berouw over had, en drukte ieder een kus op het voorhoofd. Toen wenkte hij ons tot zich, en zeide zoo bescheiden, alsof hij een onzer was, en niet de geduchte koning: ‚Misschien heb ik ook iemand uwer onrecht gedaan, of hem niet volledig recht laten wedervaren. Ik ben mij daarvan niet bewust, maar als het gebeurd is, dan doet het mij leed!’ ― Toen vlogen wij allen naar hem toe, want ieder wilde hem kussen. Hij weerde ons echter lachend af en zeide: ‚Van een ding heeft ieder van u een gelijk deel genoten, gelijk gij wel weet; ik bedoel de liefde uws vaders. Nu zie ik dat gij mij weder wilt geven, wat ik u schonk.’ ― Hij herinnerde ons daarop onze overledene moeder en zeide, dat ook de hartelijkste vader niet in staat was het gemis eener moeder te vergoeden. Toen hing hij ons een schoon tafereel op van de zelfverloochenende liefde, waarmede de afgestorvene zich geheel aan ons had gewijd, en noodigde ons uit aan hare rustplaats met hem te bidden en te offeren. Dáar moesten wij beloven harer waardig te leven, niet enkel in het groote, maar ook in het kleine. Want juist dat kleine vormde het leven, gelijk de uren den dag en het jaar. ― Wij grooteren drukten toen elkander de handen, en nooit ben ik zeker beter geweest dan in die ure, en aan het graf mijner moeder!”

Nefert sloeg hare oogen op, waarin tranen blonken, en zeide: »Als men zulk een vader heeft, moet het gemakkelijk vallen goed te blijven.”

»Heeft uw moeder ook niet altijd aan den morgen van dezen feestdag goede woorden in uw hart gelegd?” vroeg Bent-Anat.

Nefert bloosde en zeide: »Het werd altijd laat met ons toilet, en dan moesten wij ons haasten, om ter rechter tijd in den tempel te komen.”

»Kom, laat mij dan heden uwe moeder zijn!” sprak Bent-Anat. »En ook de uwe, Rameri. Weet gij ook nog, hoe vader aan de hofbeambten en dienaars vergeving schonk, en hoe hij hun zoowel als ons op het hart drukte, op dien dag elke opwelling van toorn in onze borst te onderdrukken? ‚Bij dit feest,’ zeide hij, ‚behoort niet enkel een rein kleed, maar ook een onbevlekt hart.’ Derhalve, broeder, geen boos woord meer over Ameni, wien zijn wet waarschijnlijk tot zulke eene gestrengheid dwingt. Onze vader zal dit alles vernemen en richten. Het hart is mij zoo vol, als moest het overvloeien. Kom, Nefert, geef mij een kus, en ook gij, broeder! Ik ga thans in mijne kapel, waar de beelden der voorvaderen staan, om aan mijne moeder te denken en aan de zalige geesten onzer geliefden, waaraan ik heden niet offeren mag.”

»Ik ga met u,” zeide Rameri.

»Nefert,” sprak Bent-Anat, »blijf gij hier en snijd zoo vele van mijne bloemen, als gij wilt. De schoonste moogt gij nemen! Vlecht daarvan een krans, en wanneer die gereed is, laten wij hem door een bode met andere gaven naar de overzijde brengen, die zorgen moet dat hij in het graf van Mena’s moeder gelegd wordt.”

Toen broeder en zuster na een half uur tot de jonge vrouw terugkeerden, hield Nefert twee sierlijke kransen in de hand, éen voor de gestorvene koningin, en éen voor Mena’s moeder.

»Ik zal de kransen overbrengen,” riep Rameri, »en in de graven nederleggen.”

»Ani meent, dat het beter zal zijn, wanneer wij ons niet aan het volk vertoonen,” zeide Bent-Anat waarschuwend. »Men merkt ter nauwernood op, dat gij onder de scholieren wordt gemist, maar....”

»Maar ik wil mij niet als zoon van Ramses, maar als een tuinmansjongen laten overzetten,” viel de prins haar in de rede. »Hoort gij het bazuingeschal? Thans dragen zij den god naar buiten!”

Rameri betrad het balkon, de beide vrouwen volgden hem en richtten hare blikken naar de plaats, waar de stoet zou scheep gaan. Met hare scherpe oogen konden zij alles overzien.

»Ik troost mij met de gedachte,” zeide Rameri, »dat het een magere en armzalige optocht[239] zal zijn, zonder mijn vader en ons. Hoe statig rollen de tonen der muziek! Nu komen de vederdragers[240] en zangers. Daar is de eerste profeet van den rijkstempel, de oude Bek-en-Choensoe. Wat ziet hij er eerwaardig uit! Maar het loopen begint hem moeielijk te vallen. Nu nadert de godheid; reeds vang ik de wierookgeuren op....”

[239] Bij de beschrijving van de processie, heb ik voornamelijk de voorstellingen gevolgd van den grooten optocht bij het feest van den trap op den tempel van Medinet Haboe.

[240] Pterophoren, zooals de priesters heeten, omdat zij zich onderscheidden door twee vederen op hun hoofd. Vert.

Bij deze woorden wierp de prins zich op de knieën, en de vrouwen volgden zijn voorbeeld, toen zich ten eerste een prachtige stier vertoonde, in wiens helder gladde huid de zon zich spiegelde. Hij droeg eene gouden, met glanzend witte struisvederen getooide schijf tusschen de horens. Daarachter, voorafgegaan door eenige waaierdragers, verscheen de god zelf, nu en dan zichtbaar, maar meestal voor het oog der menigte onzichtbaar, door de groote halfronde, aan lange staven bevestigde schermen van zwarte en witte struisvederen, waarmede de priesters hem beschaduwden. Geheimzinnig als zijn naam was ook zijn gang, want hij scheen op zijn kostbaren zetel langzaam van de tempelpoort naar den stroom te zweven. Zijn troon stond op eene tafel met kostelijke bouquetten en bloemguirlanden getooid, bedekt met een kleed van purper goudbrocaat, dat tevens de priesters bedekte, die den god op zijn troon langzaam en met gelijkmatige schreden voortdroegen.

Zoodra de godheid in het feestschip eene plaats had gevonden stonden broeder en zuster benevens Nefert van hunne knieën op. Er kwamen nu priesters te voorschijn, die een kist droegen met de altijd groene heilige boomen van Amon, en toen op nieuw het gezang der liederen en de geur van den wierook ooren en oogen bereikten van hen, die van het feest waren uitgesloten, prevelde Bent-Anat: »Nu zou mijn vader zijn gekomen.”

»En gij!” riep Rameri, »en onmiddellijk daarachter Nefert’s gemaal met de garde. Neef Ani gaat te voet. Hoe zonderling heeft hij zich gekleed; juist het tegengestelde van een sphinx[241]!”

[241] Er waren in Egypte geene vrouwelijke sphinxen. De sphinx heet Neb, d. i. de heer. De liggende leeuwengestalten dragen òf het hoofd van een man, òf den kop van een ram.

»Hoe zoo?” vroeg Nefert.

»Een sphinx,” antwoordde Rameri lachend, »heeft het lichaam van een leeuw en het hoofd van een mensch, en neef draagt om zijn lichaam een vreedzaam priesterlijk gewaad en op zijn hoofd den helm van een krijgsman.”

»Ware de koning hier, de leven schenkende,” zeide Nefert, »gij zoudt onder zijne dragers niet worden gemist, Rameri.”

»Zeker niet!” gaf de prins ten antwoord. »Het zou er ook anders uitzien als de heldengestalte van onzen vader op zijn gouden troon was gezeten; achter hem zou het beeld van waarheid en gerechtigheid beschermend zijne vleugelen over hem uitspreiden, vóor hem zou zijn geweldige metgezel in den slag, de leeuw, nederliggen, en boven hem zou een troonhemel versierd met Uraeus-slangen zich welven. ― De Horoscopen en de Pastophoren met de standaarden en godenbeelden en kudden van slachtvee, schijnen geen einde te nemen! Ziet eens, ook het Noorderland heeft zijne feestgezanten gezonden, als ware onze vader hier. Ik onderscheid de teekenen op de standaarden[242]. Herkent gij de beelden der koninklijke voorvaderen, Bent-Anat? ― Niet goed? Ik ook niet; maar het scheen mij toe als was het de eerste Ahmes, de verdrijver der Hyksos, waarvan onze grootmoeder afstamt, en niet grootvader Seti, die den stoet opende, zooals het toch behoorde te zijn. ― Daar komen de krijgslieden! Het zijn de regimenten die Ani heeft uitgerust, en die eerst heden nacht als overwinnaars uit Ethiopië terugkeerden. Hoort hoe het volk hen toejuicht! Zij hebben zich ook dapper gedragen. ― Denkt eens, Bent-Anat en Nefert, wat dat zijn zal, als onze vader terugkeert met wel honderd gevangen vorsten, die zijn tweespan, door uwen Mena bestuurt, deemoedig volgen, met al onze broeders, de edelen des lands, en de garden op hunne prachtige wagens!” ―

[242] Elke nomos of provincie van Egypte (daar waren er 44) had haar kenteeken, een soort van wapen, dat bij feestelijke optochten op banieren werd rondgedragen. Volledige lijsten werden reeds in den tijd van Seti I op de muren van den tempel te Abydus uitgebeiteld. Op de tempels uit den tijd der Ptolemaeën, te Philae, Edfoe en Dendera, leeren de teksten, die aan de lijsten der provinciën zijn toegevoegd, ons vele belangrijke bijzonderheden kennen, vooral betreffende het godsdienstig leven in elke nomos. Harris, Brugsch, Dümichen en J. de Rougé hebben zich in het bijzonder bezig gehouden met de geografische indeeling van het Nijldal.

»Helaas,” zuchtte Nefert, »zij denken nog niet aan hunne terugkomst!”

Terwijl telkens nieuwe regimenten van den stadhouder, muziekkoren en vreemde dieren[243] zich in den optocht vertoonden, voer het feestschip van Amon van de landingstrap af. Het was een voortreffelijk groot vaartuig geheel van glanzend gepolijst en rijk met goud ingelegd hout. De boorden prijkten met versiersels van gesmolten glas, alsof het zoovele smaragden of robijnen waren[244]. De masten en de raas waren verguld, en van de laatste hingen purperen zeilen af. Rondom het schip, zijne masten en zijn touwwerk slingerden zich guirlanders van leliën, doorvlochten met rozen. De priesters zaten op elpenbeenen zetels. ― De Nijlboot van den stadhouder was niet minder rijk. Het houtwerk blonk van al het verguldsel. Het kajuithuisje was bekleed met veelkleurige Babylonische tapijten. Aan de snebbe zag men, gelijk weleer aan de zeeschepen van Hatasoe, een gouden leeuwenkop, waarin als oogen twee groote robijnen vonkelden.

[243] Zulke vreemde dieren namen in grooten getale aan een feestelijken optocht deel, dien Ptolemaeus Philadelphus liet houden, en die ons door een ooggetuige, Kallixenos, in Athenaeus Deipnosophist, uitvoerig beschreven wordt. De vorst uit het geslacht der Lagiden volgde hiermede de gewoonte van vroeger tijd, gelijk ons blijkt uit voorstellingen in het graf van Rechma-Ra (18e dynastie) en in andere groeven.

[244] De Egyptenaars wisten met groote kunstvaardigheid zulke edelgesteenten na te maken. Er zijn exemplaren van verschillenden vorm en kleur bewaard gebleven. In de verzameling van Minutoli en in andere, met name die te Boelaq, zijn mozaïek-paarlen, die onze tegenwoordige kunstenaars op dit gebied bezwaarlijk zullen kunnen namaken.

Nadat de priesters zich hadden ingescheept en de heilige bark aan gindschen oever was geland, stormde het volk op de booten los, die weldra, soms tot zinkens toe geladen, den stroom langs de geheele lengte van Thebe en in zijn gansche breedte zoo bedekten, dat de zon maar hier en daar een plekje vond, om zich in het geelachtige water te spiegelen.

»Nu ga ik toch het pak van een hovenier leenen,” riep Rameri, »en laat ik mij met de kransen overzetten.”

»Wilt gij ons dan alleen laten?” vroeg Bent-Anat.

»Maak het mij niet te moeielijk, zuster,” smeekte Rameri.

»Ga dan,” zeide de prinses. »Als onze vader hier was, hoe gaarne voer ik dan met u naar de overzijde!”

»Waag het met mij!” hernam de jongeling. »Mogelijk is er voor u ook wel eene vermomming te vinden.”

»Dwaasheid!” antwoordde Bent-Anat, en zag Nefert vragend aan, die de schouders ophaalde, als wilde zij zeggen: »Wat gij wilt is mij goed.”