Warda: Roman uit het oude Egypte

Part 3

Chapter 33,876 wordsPublic domain

De opperpriester trad naar hem toe, en legde beide handen op zijne schouders. Ameni en Pentaoer waren van dezelfde lengte en ongeveer van gelijke gestalte. Ook tusschen de trekken van hun gelaat bestond groote overeenkomst. Toch zou iemand hen zelfs niet voor verre verwanten gehouden hebben, want in de uitdrukking van hun gelaat bestond een hemelsbreed verschil. De trekken van den een spraken van een vasten wil en kracht, om zoowel het leven als zich zelven met ernst en koelbloedigheid te beheerschen; die van den ander waren de tolken van zeker teeder verlangen, om de gebreken en de ellende der wereld over ’t hoofd te zien, en het leven op te vatten gelijk het zich voordoet aan de ziel eens dichters, wanneer hij het beschouwt in den tooverspiegel die alles idealiseert. Frischheid van geest en levensvreugde verkondigden zijne heldere oogen. Doch het fijne lachje dat om zijne lippen speelde, bij eene gedachtenwisseling of wanneer zijn gevoelig gemoed in beweging werd gebracht, bewees dat Pentaoer zich niet overgaf aan zekere naïve zorgeloosheid, maar dat hij menigen zwaren zielestrijd had doorworsteld, en ook gedronken had uit den beker van den twijfel. In dit oogenblik voerden afwisselende aandoeningen strijd in zijn gemoed. Het was hem als moest hij het gehoorde wederleggen; en toch oefende de indrukwekkende meerderheid van den ander zulk een diepen invloed op de ziel van den jongen man, die tot gehoorzaamheid was opgevoed, dat hij zweeg en eene heilige huivering door zijne leden voer, toen Ameni’s handen zijne schouders aanraakten.

»Ik berisp u,” zeide de opperpriester, terwijl hij den jongeling nog altijd vasthield, »ja ik moet u straffen ofschoon het mij smart. En toch” ― nu eerst deed hij een schrede achterwaarts en greep Pentaoer’s rechterhand ― »en toch verblijdt het mij, dat dit noodig is; want ik heb u lief en eer u als iemand, dien de Onuitsprekelijke met buitengewone gaven gezegend en tot groote dingen uitverkoren heeft. Het onkruid laat men wassen of men rukt het uit, maar gij zijt eene edele boom, en ik vergelijk mijzelf bij den hovenier, die verzuimde den jeugdigen stam van een steunsel te voorzien, en nu dankbaar is dat hij eene verkeerde kromming opmerkt, die hem aan zijne nalatigheid herinnert. Gij ziet mij vragend aan, en ik lees in de uitdrukking van uw gelaat, dat ge mij voor een overmatig streng rechter houdt. Wat is u te verwijten? ― Gij hebt toegelaten, dat men aan eene overoude inzetting heeft getornd. Dat wil, zoo denkt gij wellicht in uwe kortzichtigheid en lichtvaardigheid, niet veel zeggen. Maar ik verzeker u: gij hebt dubbel misdreven, want de schuldige was de dochter des konings, waarop ieder het oog gericht houdt, de aanzienlijken zoowel als de geringen, en wier daden het volk ten voorbeeld moeten zijn. Wanneer de aanraking van iemand, die volgens de oude inzetting met het ergste is besmet, haar niet verontreinigt, die boven allen staat, wien verontreinigt zij dan? Binnen weinige dagen zal men ieder hooren zeggen: Paraschieten zijn menschen als wij, en het gebod der vaderen om ze te mijden was eene dwaasheid. En zullen de opmerkingen der menigte hierbij blijven, of maakt zij niet gaarne de gevolgtrekking, dat wie in een punt dwaalt ook feilbaar is in anderen? In geloofszaken, mijn zoon, bestaat er geen verschil tusschen klein en groot. Laat men den vijand éen toren over, weldra zal hij meester zijn van de geheele vesting! In dezen onrustigen tijd is het met onze leer als met een wagen, die op de helling van een berg staat. Een steen onder het wiel houdt hem tegen. Doch een kind neemt deze hindernis weg, en het voertuig rolt onverbiddelijk in de diepte, om verbrijzeld te worden. Stel u voor dat de prinses dit kind is, en de steen onder het wiel een stuk brood, hetwelk zij een bedelaar tot spijs wil geven. Zoudt gij haar laten begaan, als uw vader, uwe moeder en alles wat u lief en dierbaar is op den wagen stonden? ― Spreek mij niet tegen! De prinses zal den Paraschiet morgen weder bezoeken. Gij wacht haar op in de hut van dien man en zult haar dáar aankondigen, dat zij zichzelve vergeten heeft en onze reiniging behoeft. Voor ditmaal onthef ik u van alle verdere straf. De hemel schonk u een rijken geest. Tracht te verwerven wat u nog ontbreekt: de kracht namelijk om terwille van het éene ― en gij kent dat eene ― al het andere te onderdrukken, zelfs de verleidende stem van uw hart en de bedrieglijke inblazingen van uwe eigene overtuiging. ― Nog iets! Zend artsen naar het huis van den Paraschiet, en beveel hen de gewonde te behandelen alsof zij de koningin zelve ware. Wie kent de woning van dien man?”

»De prinses,” antwoordde Pentaoer, »heeft den gids des konings, Paäker, in den tempel achtergelaten, om de artsen naar het huis van Pinem den weg te wijzen.”

De ernstige opperpriester begon te lachen, terwijl hij zeide: »Paäker, die waakt over de dochter van een Paraschiet!”

Pentaoer hief nog half vreesachtig, half schalks de oogen op, die hij tot dusver had neergeslagen, en zuchtte: »En Pentaoer, de zoon van den hovenier, die de dochter des konings moet aanzeggen, dat zij niet rein is!”

»Pentaoer de dienaar der godheid, Pentaoer de priester zal niet met de prinses maar met een overtreedster der wet te doen hebben,” hernam Ameni weder ernstig. »Doe Paäker weten, dat ik hem verlang te spreken.”

De dichter boog diep en verliet het vertrek. De opperpriester fluisterde in zichzelf: »Hij is nog niet zooals hij wezen moet, en mijne woorden zijn op hem zonder uitwerking gebleven.” Toen zweeg hij, liep peinzend het vertrek op en neer, en zeide half overluid denkende: »En toch is deze jongeling voor groote dingen bestemd. Welke gave des geestes zou hij missen? Hij kan leeren, denken, gevoelen en harten veroveren ― ook het mijne. Edel en bescheiden heeft hij zich gedragen....”

Bij deze woorden bleef de hoogepriester stilstaan, sloeg zijn hand aan de leuning van een stoel die voor hem stond, en vervolgde: »Juist dit is ’t wat hem ontbreekt! Hij kent het vuur der eerzucht nog niet. Laat ons dit ontsteken, in zijn en in ons belang.”

DERDE HOOFDSTUK.

Pentaoer haastte zich aan het bevel van den opperpriester te voldoen. Hij gelastte een dienaar den gids Paäker, die daar nog altijd stond te wachten, naar Ameni te geleiden. Inmiddels ging hijzelf tot de artsen, om hun de zorgvuldige verpleging van het ongelukkige meisje zeer op het hart te drukken.

Er werden in het Seti-huis vele geneesheeren gevormd[18], doch maar weinigen bleven daar wonen, na hun schrijversexamen te hebben afgelegd. De bekwaamsten werden naar de inrichting te Heliopolis gezonden, in welker groote zalen van oudsher de beroemdste medische faculteit van het land bloeide. Nadat zij daar hunne studiën hadden voleindigd, keerden zij als meesters, hetzij in de chirurgie, hetzij in de oogheelkunde of in eenig ander onderdeel hunner wetenschap, naar Thebe terug. Bekleed met de hoogste waardigheid van hun stand, werden zij door den koning tot lijfartsen gekozen, of zij gebruikten hunne wetenschap om weder anderen te onderrichten. In moeielijke gevallen werden zij altijd geconsulteerd.

[18] Wat hier over de artsen wordt gezegd is hoofdzakelijk ontleend aan de geneeskundige geschriften der Egyptenaars, waaronder de papyrus-Ebers in de eerste plaats in aanmerking komt, vervolgens de medische papyrus I van Berlijn, en eindelijk een hiëratisch handschrift te Londen, dat evenals de papyrus-Ebers afkomstig is uit de 18de dynastie, d.i. uit de 16de eeuw v. Chr. Vgl. verder Herodotus II, 84; Diodorus I, 82.

De meeste artsen woonden natuurlijk aan den rechter Nijloever in het eigenlijke Thebe, en wel met hunne gezinnen in hunne eigene woningen. Toch behoorde ieder hunner tot een of ander priestercollege. Wie dus een arts noodig had, richtte zijne schreden niet naar de woning van dezen of genen, maar naar den tempel. Hier moest opgegeven worden aan welke ziekten zij leden, die geneeskundige hulp inriepen. Aan het hoofd der vereeniging van geneesheeren in het heiligdom bleef het dan overgelaten, den heelmeester aan te wijzen, die door zijne bijzondere kennis het meest geschikt scheen voor de behandeling van zulk een geval.

Evenals alle priesters leefden ook de artsen van de inkomsten, die zij trokken uit eenig grondbezit, uit koninklijke giften, uit de belastingen der leeken en de toelagen, die zij verder ontvingen uit de schatkist van den staat. Van hunne patiënten hadden zij geene belooning te verwachten, hoewel de herstelden zelden verzuimden aan het heiligdom, dat den arts had aangewezen, een geschenk te vereeren. Het behoorde daarom niet tot de zeldzaamheden, dat de priesterlijke geneesheeren de genezing der kranken afhankelijk maakten van de offers, die men zich ten behoeve van den tempel wilde getroosten. De kennis der Egyptische artsen strekten zich uit over het geheele gebied der medische wetenschap, en was waarlijk niet gering te schatten. Het is echter te denken, dat geneesheeren, die zich aan het ziekbed nederzetten als »daartoe aangewezen dienaars der godheid,” zich in geenen deele tevreden stelden met eene rationeele behandeling der lijders; veel meer meenden zij te mogen verwachten van de geheimzinnige werking van gebeden en bezweringen, die volstrekt noodig werden geacht.

Onder de leeraars in de geneeskunde aan het Seti-huis verbonden, waren mannen van zeer verschillende gaven en geestesrichting. Pentaoer aarzelde geen oogenblik aan wie hij de zorgvuldige behandeling van het Paraschieten-kind, dat zoozeer zijne deelneming had opgewekt, moest toevertrouwen. De man op wien zijne keuze viel, een zijner beste schoolvrienden en met hem van gelijken leeftijd, was de kleinzoon van een beroemd geneesheer, die ook Nebsecht heette en sedert lang gestorven was. Deze had zich van der jeugd op zijne wetenschap toegelegd met een buitengewonen aanleg, een ijver en eene toewijding, die hij van zijn grootvader scheen geërfd te hebben. Te Heliopolis koos hij de chirurgie tot zijne specialiteit[19], en zeker zou men hem daar als leeraar hebben gehouden, indien niet een gebrek in het spraakorgaan hem het spreken moeielijk had gemaakt. Het was hem dan ook niet mogelijk de formulieren en gebeden overluid op te zeggen. Deze omstandigheid, eene bron van droefheid en beklag voor zijne ouders en leermeesters, zou blijken juist bevorderlijk te zijn aan zijn geluk. Het gebeurt zoo vaak, dat schijnbare voorrechten ons kwaad aanbrengen, terwijl menig gemis in het leven eene oorzaak wordt van zegen. Terwijl namelijk zij, die met Nebsecht tot hetzelfde college behoorden, in gezangen en voordrachten geoefend werden, kon hij, dank zij zijn gebrekkig spraakorgaan, zich overgeven aan zijne hartstochtelijke neiging, om het organisch leven in de natuur te bespieden. Zijne leermeesters begunstigden tot op zekere hoogte zijn aangeboren zucht tot onderzoek, en trokken ook hun voordeel van zijne kennis der dierlijke en menschelijke lichamen, en van de vaardigheid zijner handen. Voorzeker zou zijn diepe afkeer van het magisch gedeelte zijner wetenschap hem strenge straffen, ja mogelijk uitwerping uit het gild op den hals hebben gehaald, wanneer hij hiervan op eenige wijze had doen blijken. Nebsecht was echter een geleerde, altijd stil en in zichzelf gekeerd. Volstrekt niet verlangende zijne verdiensten gehuldigd te zien, vond hij overvloed van genot in de voldoening van het onderzoek zelf. Vandaar dat hij niet zonder tegenzin gehoor gaf, wanneer men begeerde, dat hij openlijk van zijne bekwaamheden zou doen blijken. Zoo dikwijls hij bij kranken werd geroepen, was dit voor hem eene onvermijdelijke stoornis in het vruchtbaar onderzoek van zijn werkzamen geest, waarop hij zich niets liet voorstaan.

[19] Onder de zes hermetische boeken der artsen, door Clemens van Alexandrië genoemd, was er éen gewijd aan de chirurgische instrumenten. Verkeerd gezette beenbreuken die men bij mummies heeft gevonden, strekken nochtans den Egyptischen chirurgen niet tot eer.

Pentaoer had zich tot dezen Nebsecht meer aangetrokken gevoeld, dan tot een zijner medeleerlingen. Hij bewonderde zijne kennis en bekwaamheden, en wanneer de niet zeer sterke maar nochtans onvermoeide arts op zijne wandelingen de boschjes aan den Nijloever, de woestijn of het gebergte doorkruiste, om planten en dieren te zoeken, dan vergezelde hem de jonge priesterlijke dichter gaarne, ook in zijn eigen belang. Want zijn vriend merkte duizend dingen op, die zonder hem voor zijn oog verborgen zouden zijn gebleven. Andere voorwerpen, die hij slechts uitwendig kende, kregen inhoud en beteekenis door de verklaringen van den natuuronderzoeker, wiens onbuigzame tong zich ongedwongen kon bewegen, wanneer het gold zijn metgezel de eigenaardigheden duidelijk te maken van een organisme, waarvan hij de ontwikkeling nauwkeurig had gadegeslagen. De dichter was den geleerde genegen en Nebsecht had Pentaoer wederkeerig lief, daar deze alles bezat wat hij miste: mannelijke schoonheid, kinderlijke vroolijkheid, vrijmoedige oprechtheid, kunstzin en de gave om in woorden en liederen alles uit te drukken wat zijn hart gevoelde. De dichter was wel is waar een leek op het gebied, dat zijn vriend geheel beheerschte, maar in staat om alles, zelfs het meest ingewikkelde te begrijpen. Ziedaar waarom Nebsecht meer waarde hechtte aan het oordeel van Pentaoer dan aan dat zijner vakgenooten, die bleken door allerlei vooroordeelen bevangen te zijn, terwijl de dichter vrij en onbevangen oordeelde.

Het vertrek van den natuuronderzoeker lag gelijkvloers, afgezonderd van alle andere woningen, onder een graanschuur, die bij het Seti-huis behoorde. Het mocht een ruime zaal heeten, en toch vond Pentaoer, die thans den stillen bewoner ging opzoeken, zijn weg bijna overal versperd door groote bundels van de meest verschillende planten, door uit palmentakken gevlochten kooien, tot vier en vijf op elkaar; door een menigte groote en kleine potten, die bedekt waren met papier waarin men luchtgaten had gestoken. In die kooien en potten zag men allerlei levende dieren, springhazen, groote Nijl-hagedissen en een soort van lichtkleurige uilen, alsmede ontelbare exemplaren van kikvorschen, slangen, schorpioenen en kevers. Op de eenige tafel, die in het midden stond, lagen, behalve eenig schrijfgereedschap, beenderen van dieren, benevens scherpe vuursteenen en bronzen messen van verschillende grootte. In een hoek van het groote vertrek lag eene mat, waarop een houten hoofdsteunsel stond, waaruit bleek dat de natuuronderzoeker daar gewoonlijk sliep.

Zoodra de voetstap van Pentaoer zich hooren liet op den drempel van dit eenzame verblijf, schoof de bewoner, even angstvallig als een schooljongen, die een stuk verboden speelgoed voor zijn meester tracht te verstoppen, een voorwerp van tamelijken omvang onder de tafel, wierp er een kleed overheen, en verborg het scherpe aan een houten hecht bevestigde mesje van vuursteen[20], dat hij juist gebruikt had, in de plooien van zijn gewaad. Daarop sloeg hij de armen over elkaar, om zich het aanzien te geven van iemand, die onbezorgd zit te droomen, zonder iets te doen. De eenige lamp, die aan een standaard naast zijn stoel was vastgemaakt, verbreidde een matig licht, echter voldoende om Pentaoer, die de gewoonten van zijn vriend maar al te goed kende, te overtuigen, dat hij Nebsecht in eene verbodene werkzaamheid had gestoord. Deze laatste knikte den binnentredende, zoodra hij hem erkende, vriendelijk toe, zeggende: »Gij hadt mij niet zoo moeten doen schrikken.” Hierop stak hij zijne handen onder de tafel, en haalde wat hij weggestopt had weder voor den dag, namelijk een levend konijn, op een plank gebonden. In het opengespalkte lijf, dat door houten pennen open gehouden werd, zag men het hart bewegen. Zonder zich verder over Pentaoer te bekommeren, ging hij met zijn afgebroken onderzoek voort.

[20] De Egyptenaren schijnen zich bij voorkeur van zulke messen te hebben bediend, ten minste bij de besnijdenis en bij lijkopeningen. Men heeft er een aantal gevonden, die in de museën worden bewaard.

Een tijdlang zag de dichter zwijgend toe; toen legde hij zijn hand op den schouder zijns vriends, en zeide: »Sluit voortaan uw kamer, wanneer gij u met verbodene dingen bezig houdt.”

»Men he... heeft mij,” stotterde de geleerde, »de grendel van de deur genomen, sedert men mij onlangs betrapte, toen ik bezig was de hand van den bedrieger[21] Ptahmes te ontleden.”

[21] De wet beval bedriegers de hand af te houwen. Diodorus, I, 78.

»De mummie van den armen man zal dus de rechterhand moeten missen!” hernam de dichter.

»Hij zal dien aan gene zijde des grafs niet noodig hebben.”

»Gij hebt hem toch zeker Schebti-beeldjes[22] mede gegeven in zijn graf?”

[22] Kleine beeldjes, die men den gestorvene medegaf, om hem behulpzaam te zijn bij den arbeid, dien hij in de onderwereld te verrichten had. Zij houden eene spade en een ploegijzer in de handen, en dragen een zaadbundel op den rug. Bijna allen voeren het 6de hoofdstuk van het Doodenboek tot opschrift.

»Onzin.”

»Gij gaat te ver, Nebsecht, en zijt onvoorzichtig! Hij die een onschadelijk dier zonder nut martelt, hem zullen de geesten der onderwereld desgelijks doen, leert de wet. Maar ik bemerk reeds wat gij zeggen wilt. Ge acht het geoorloofd een dier te laten lijden, wanneer gij daardoor uwe wetenschap kunt verrijken, die u in staat stelt de smarten der menschen te lenigen......”

»En gij niet?”

Pentaoer plooide zijn mond tot een glimlach. Hij boog zich over het konijntje neder en zeide: »Hoe merkwaardig! Het diertje leeft nog altijd. Een mensch zou reeds lang onder zulk eene behandeling gestorven zijn. Zijn organisme is zeker van een kostbaarder en fijner maaksel, en daarom wordt het eerder vernietigd!”

Nebsecht haalde de schouders op, terwijl hij antwoordde: »Misschien!”

»Ik dacht toch, dat ge dit weten moest.”

»Ik?” vroeg de arts. »Waarom dan? Ik zeide het reeds: ― men staat mij zelfs niet toe te onderzoeken, hoe zich de hand van een falsaris beweegt.”

»Bedenk toch dat de schrift leert: het welzijn der ziel is afhankelijk van het behoud des lichaams.”

Nebsecht sloeg zijne kleine schrandere oogen op, en zeide met hetzelfde ongeloovig gebaar van zoo even: »Dat zal dan wel zoo zijn. Overigens gaan die dingen mij niet aan. Handel met de zielen der menschen zooals gij wilt, ik tracht alleen hunne lichamen te leeren kennen, en zet ze, zoo goed het gaan wil, weder in elkaar, wanneer ze hier of daar gebroken zijn.”

»Nu, Thot[23] zij geloofd, dat gij u in deze kunst het meesterschap niet behoeft te ontzeggen!”

[23] Toth is de god der geleerden en artsen. De ibis is zijn heilig dier; gewoonlijk wordt hij dan ook met een ibis-kop voorgesteld. Ra zou hem als „een schoon licht” hebben geschapen, om de namen zijner booze vijanden kenbaar te maken. Oorspronkelijk maangod, werd hij als heer van de tijdverdeeling en van de maat in het algemeen vereerd. Hij is het die onder de goden wikt en weegt, de wijze, de godheid van schrift, kunst en wetenschap. De Grieken noemden hem Hermes Trismegistus, d. i. de driemaal of zeer groote, en wel naar het voorbeeld der Egyptenaars, die hem Toth of Techoeti, den tweemaal grooten, den zeer grooten heeten.

»Wie is een meester,” vroeg Nebsecht, »behalve de godheid? Ik kan niets, volstrekt niets, en gebruik mijne instrumenten met even onzekere hand als de beeldhouwer die veroordeeld is in het duister te werken.”

»Dus zoowat als de blinde Resoe,” hernam Pentaoer lachend, »die beter kon schilderen dan al de ziende kunstenaars in den tempel.”

»Ik geef toe, dat er in mijne werkzaamheid ook iets =beter= of =slechter= kan genoemd worden, maar van =goed= kan geen sprake zijn.”

»Dan zullen wij ons met uw =beter= te vreden moeten stellen. Ik kom juist om er een beroep op te doen!”

»Maar zijt gij dan ziek?”

»Isis zij geloofd, ik voel mij zóo sterk, dat ik wel een palmboom zou kunnen ontwortelen. Neen, ik wilde u vragen hedenavond nog een ziek meisje te bezoeken. De prinses Bent-Anat...”

»De koninklijke familie heeft hare eigene artsen.”

»Laat mij toch uitspreken! De prinses heeft een meisje overreden, en het arme kind moet zwaar gewond zijn.”

»Zo-o,” zeide de geleerde met een gerekte stem. »Ligt zij aan de overzijde in de stad, of hier in Nekropolis?”

»Hier; trouwens het is maar de dochter van een Paraschiet.”

»Een Paraschiet,” vroeg Nebsecht, en schoof zijn konijntje weder onder den tafel. »Dan ga ik dadelijk!”

»Zonderling! ik ga waarlijk gelooven, dat gij hoopt iets bijzonders bij den onreinen te vinden.”

»Dat is mijn zaak. Doch ik zal komen. Hoe heet die Paraschiet?”

»Pinem.”

»Hm! Met hem zal niets zijn aan te vangen,” bromde de geleerde binnen ’s monds. »Doch wie weet!”

Na deze woorden stond hij op, opende een stevig gesloten fleschje, en streek met een penseel strichnine[24] over de neus en den mond van het konijn, dat terstond ophield te ademen. Daarop sloot hij het in een kist en sprak: »Ik ben bereid.”

[24] Dit vergif was aan de Egyptenaars goed bekend.

»Maar in deze smerige kleederen kunt gij het huis toch niet verlaten!”

De arts gaf een teeken van toestemming en greep in eene lade naar een schoon gewaad, dat hij begon aan te trekken over hetgeen hij aanhad, toen Pentaoer den vriend met de hand tegenhield en lachend zeide: »Eerst moet den werkmansrok uitgetrokken. Komaan, ik zal u helpen. ― Maar bij den God Besa[25], gij zijt veelhuidig als een ui!”

[25] De toilet-godheid der Egyptenaars, die als een gedrochtelijke dwerg werd voorgesteld. Hij doet de vrouwen overwinnen in de liefde en de mannen ook in den strijd. Hij is afkomstig uit Arabië.

Pentaoer was onder zijne medepriesters bekend om zijn gulhartige vroolijkheid, en zijn luid gelach schaterde door het stille studeervertrek, toen hij bemerkte dat zijn vriend voor de derde maal een schoon kleed over een vuil wilde aantrekken, zoodat hij niet minder dan drie kleederen aanhad.

Nebsecht begon ook te lachen en zeide: »Nu begrijp ik ook waarom het overkleed mij zoo zwaar zat, en ik het op den middag zoo ondragelijk heet had. Ga heen, terwijl ik de overbodige kleederen uittrek, en laat, bid ik u, den opperpriester vragen, of ik den tempel mag verlaten.”

»Hij heeft mij reeds opgedragen een arts naar den Paraschiet te zenden, en voegde er bij, dat de kranke als een koningin behandeld moest worden.”

»Ameni? En wist hij, dat wij hier slechts te doen hebben met een kind van een Paraschiet?”

»Voorzeker!”

»Dan begin ik te gelooven, dat men met bezweringen, gebroken ledematen weder in het lid kan zetten. Ja, van die bezweringen gesproken: gij ook weet toch, dat ik niet meer alleen tot de kranken kan gaan, daar mijne dikke tong zich te moeielijk kan bewegen om de spreuken op te zeggen, en stervenden door angst rijke offergaven voor den tempel af te persen. Loop gij, terwijl ik mij uitkleed, naar den propheet Gagaboe, en vraag hem, dat hij den Pastophoor[26] Teta met mij laat gaan, die mij in den regel vergezelt.”

[26] Lid eener priesterorde, waartoe ook de artsen behoorden.

»In plaats van dien blinden oude, zou ik mij toch liever een jeugdiger helper kiezen.”

»Laat het zoo blijven! Ik zou zeer tevreden zijn wanneer hij geen lust had zelf mede te gaan en mij zijn tong als een aal of een slak liet nakruipen. Hoofd en hart hebben met zijne spraakorganen toch niets uit te staan, en hij gaat zijn gang als een os die het graan treedt[27].”

[27] In Egypte, evenals in Palestina, dorschten, gelijk vele afbeeldingen, ook uit den oudsten tijd, ons doen zien, runderen het graan, door het in kuilen te treden, dikwijls met hulp van eene zwaar beladen slede, aan beide zijden met halfronde schijven voorzien, en die men heden „noreg” noemt.

»Dat is waar,” zeide Pentaoer. »Onlangs zag ik zelf, hoe de oude aan een ziekbed zijne litanieën prevelde, en onderwijl in stilte de dadels telde, waarvan men hem een zak vol had gegeven.”