Warda: Roman uit het oude Egypte

Part 29

Chapter 293,650 wordsPublic domain

»Ik dacht,” antwoordde Pentaoer, »dat toch ook de orde in de natuur, die gij niet loochent, u dagelijks de heerlijkste wonderen doet aanschouwen. Ja, de Eenige wijkt van tijd tot tijd opzettelijk van de gewone orde der dingen af, ten einde dat deel van zijn wezen, hetwelk wij onze ziel noemen, op het verheven geheel te richten, waartoe zij behoort. Heden weder hebt gij gezien, hoe het hart van den heiligen ram....”

»Maar man!” viel Nebsecht zijn vriend opeens in de rede. »Het heilige hart is niet anders dan het armzalige hart van een hamel, dat een beschonken soldaat voor eene kleine som heeft gekocht van een vetweider, en dat bij eene onreine op het erf geslacht is. Een gevloekte Paraschiet stak het in de borst van Roeï en...en.” Bij deze woorden trok hij de lade open, wierp den dooden aap en eenige kleedingstukken op den grond, en haalde eindelijk een albasten schaaltje te voorschijn, dat hij den dichter voorhield ― »en de spieren in deze zoutoplossing, dat orgaan hier, heeft eens in de borst van den profeet Roeï geklopt. Mijn hamelhart zullen zij morgen in processie ronddragen! ― Ik zou het u wel dadelijk verteld hebben, indien ik mijzelven niet het stilzwijgen had opgelegd, terwille van dien ouden man, en dan... Maar man! man, wat scheelt er aan?”

Pentaoer had zich van zijn vriend afgewend, bedekte zijn aangezicht met beide handen, en steunde, als ware hij overvallen door hevige hoofdpijn.

Nebsecht begon te begrijpen, wat er in den dichter omging. Hij naderde hem als een kind, hetwelk zijne moeder iets wil afsmeeken, dat het eigenlijk niet vragen mag. Aarzelend bleef hij achter hem staan, en waagde het niet hem aan te spreken. Zoo verliepen er eenige oogenblikken.

Plotseling verhief Pentaoer zich in zijn volle lengte, strekte de handen hemelwaarts en riep: »Gij Eenige, al laat gij in den zomernacht ook sterren van den hemel vallen, zoo houdt toch uwe eeuwige onveranderlijke wet, in schoone harmonie, de nimmer rustenden[230] in hunne banen. Gij heldere geest, die de wereld vervult, die u in mij openbaart als ik een afschuw gevoel van de leugen, werk in mij voort, wanneer ik denk als Licht, wanneer ik handel als Goedheid, wanneer ik spreek als Waarheid, ― ja steeds als Waarheid!”

[230] Zoo worden de planeten genoemd in de heilige teksten.

De dichter ontboezemde deze woorden uit innige overtuiging. Nebsecht hoorde ze aan, als waren het de toonen uit een verre schoone wereld. Liefderijk naderde hij den vriend en bood hem de hand. Pentaoer greep haar aan, drukte haar stevig en zeide: »Dat was een bange worsteling! Gij weet niet wat Ameni voor mij geweest is, en nu, nu....”

Hij had nog niet uitgesproken, toen voetstappen werden gehoord, die de kamer van den arts naderden. Een jong priester kwam de vrienden roepen, om terstond te verschijnen in de vergaderzaal der ingewijden. Een oogenblik later betraden beiden de door lampen helder verlichte zaal, waar de zitting werd gehouden. Geen van de leidslieden uit het Seti-huis ontbrak. Ameni zat aan eene langwerpige tafel op een hoogen troon. Aan zijne rechterhand had Gagaboe, de tweede, aan zijne linker- de derde profeet des tempels plaats genomen. De hoofden der afzonderlijke priesterklassen, en onder hen de eerste der Horoscopen, waren insgelijks aan de tafel gezeten, terwijl de overige priesters, allen in hunne sneeuwwitte linnen kleederen, zich in een grooten dubbelen halven cirkel hadden geschaard, in welks midden zich het beeld verhief van de godin der waarheid en gerechtigheid. Achter Ameni’s troon stond de bontgeschilderde gestalte van Toth met den ibis-kop, den god die de maat en de orde der dingen bewaarde, die met wijze redenen de goden zoowel als de menschen raad gaf, en de wetenschappen en kunsten beschermde. In eene nis aan het uiterste einde van de zaal kon men de trias der goden van Thebe opmerken, tot wie Ramses I en zijn zoon Seti, de grondvester dezer inrichting, met offers naderden. De priesters waren streng volgens hunne waardigheid en den tijd hunner opneming in het mysterie geordend. Pentaoer zat geheel onderaan.

Tot hiertoe hadden de eigenlijke beraadslagingen in deze vergadering nog geen aanvang genomen, want Ameni vroeg slechts, luisterde naar de antwoorden en gaf bevelen met betrekking tot het feest, dat den volgenden dag gevierd zou worden. Alles scheen goed te zijn voorbereid en geordend, zoodat men verwachten mocht, dat de plechtige feestviering zonder stoornis zou afloopen. De heilige schrijvers klaagden alleen over de schrale ontvangst van offervee, daar de boeren gebukt gingen onder zware krijgslasten. Zij betreurden ook, dat aan de processie ditmaal de elementen zouden ontbreken, die daaraan den grootsten luister plegen bij te zetten, namelijk de koning en zijne familie.

Deze laatste omstandigheid wekte het ongenoegen van eenige priesters. Zij waren van oordeel, dat het zeer bedenkelijk was, de beide kinderen van Ramses, die in Thebe vertoefden, van de deelneming aan de feestviering uit te sluiten.

Toen Ameni dit hoorde, stond hij op. »Wij hebben,” zeide hij, »den knaap Rameri uit dit huis moeten verbannen, en Bent-Anat voor onrein verklaard. Al hebben de meer toegevende bestuurders van den Amon-tempel te Thebe haar ook vrijgesproken, zoo mag zij voor rein gehouden worden aan de overzijde, waar men enkel denkt aan het leven, maar niet hier. Want op ons rust de taak de zielen op den dood voor te bereiden. De stadhouder, de kleinzoon van den grooten koning dien men onttroond heeft, zal bij de processie verschijnen in al den glans van zijn hoogen rang. Ik zie, mijne vrienden, dat ge u hierover verbaast! Weet voor heden slechts dit éene. Groote dingen worden voorbereid, en het kan gebeuren, dat weldra eene nieuwe, lieflijk schijnende zon des vredes zal opgaan over ons door den krijg verarmd volk. ― Er gebeuren wonderen en ik aanschouwde in den droom een vrome, die zich gemakkelijk laat leiden, op den troon van den vertegenwoordiger van Ra op aarde. Hij luisterde naar onze stem; hij gaf ons wat ons toekomt; hij bracht onze naar het leger gezondene onderhoorigen op onze akkers terug; hij wierp de altaren der buitenlandsche goden omver en verjoeg onreine vreemdelingen van onzen heiligen bodem.”

»Gij zinspeelt op den stadhouder Ani!” riep de eerste der Horoscopen.

Er ontstond eene levendige beweging in de vergadering. Ameni ging echter voort: »Misschien was de persoon, dien ik in den droom zag, hem niet ongelijk. In elk geval is dit zeker: hij had de trekken van den echten en rechtmatigen afstammeling van Ra, dien Roeï aanhing, in wiens borst het heilige hart van den ram een toevlucht zocht. Morgen zal dit onderpand der goddelijke genade den volke getoond worden, en nog een ander wonder zal het worden kenbaar gemaakt. Hoort en looft de beschikkingen van den Allerhoogste. Een uur geleden kreeg ik het bericht, dat onder de kudden van Ani te Hermonthis een nieuwe Apis is ontdekt, dragende al de heilige teekenen.”

Andermaal ontstond er eene groote beroering onder de luisterende schare. Ameni liet aan de uitingen van verrassing onder de priesters den vrijen loop. Eindelijk sprak hij: »Gaan wij thans over tot het afdoen van de laatste vraag! Aan den priester Pentaoer, hier tegenwoordig, werd het ambt van feestredenaar opgedragen. Hij heeft zwaar misdreven, doch ik meen dat wij hem eerst na het feest mogen verhooren, en hem de vereerende vervulling van dezen plicht niet mogen ontzeggen, gedachtig aan zijne reine bedoelingen. Deelt gij mijn wensch? Verheft niemand zijn stem hiertegen? ― Treed dan vooruit, gij jongste van allen, wien deze heilige vereeniging zulk eene groote taak toevertrouwt!”

Pentaoer stond op en plaatste zich eerst vóor Ameni, ten einde op diens verlangen een schets te ontwerpen, in breede en scherpe omtrekken, van hetgeen hij tot het volk en de aanzienlijken dacht te spreken. De vergadering, en zelfs zijne tegenstanders, luisterden naar hem met welgevallen. Ook Ameni prees hem en zeide daarop: »Ik mis maar éen onderwerp, waarbij gij langer moet stilstaan en dat gij met bijzondere warmte moet behandelen. Ik bedoel het wonder, dat heden ons zoo getroffen heeft. Het komt er op aan te toonen, dat de goden het heilige hart....”

»Veroorloof mij,” viel Pentaoer den opperpriester in de rede, en zag hem ernstig in zijne doordringende, nog kort geleden door hemzelve bezongene oogen. »Veroorloof mij u dringend te verzoeken, mij niet tot verkondiger van het nieuwe wonder te verkiezen.”

Op het gelaat van al de hier verzamelde ingewijden was verbazing te lezen. Menigeen zag eerst zijne buren, dan den dichter, eindelijk Ameni vragend aan. De laatste kende Pentaoer en wist dat geen luim van het oogenblik maar ernstige overwegingen hem hadden moeten doen weigeren. Was het niet geweest alsof zijne heldere stem aarzelend, ja met tegenzin de woorden: »het nieuwe wonder” had uitgesproken? Hij twijfelde derhalve aan de echtheid van het goddelijk teeken!

De profeet nam Pentaoer bedaard en onderzoekend met zijne oogen op, en zeide toen: »Gij hebt gelijk, mijn vriend. Alvorens het oordeel over u is uitgesproken, en gij weder voor ons staat in dezelfde reinheid, die wij bij u zoo hoog waardeeren, is uw mond niet waardig het goddelijk wonder den volke te verkondigen. Tast diep in uwe eigene ziel, en toon den vromen het afschuwelijke van het kwade, wijst hun ook den door u thans te betreden weg van reiniging des harten. Ik zelf zal het wonder verkondigen.”

Dit besluit van den meester werd door de in ’t wit gekleeden met blijdschap begroet. Ameni drukte den een dit, den ander dat nog eens op het hart. Na allen een onbepaald stilzwijgen over het verhandelde, inzonderheid over den meegedeelden droom te hebben bevolen, sloot hij deze bijeenkomst. Alleen den ouden Gagaboe en Pentaoer verzocht hij te blijven.

Zoodra zij alleen waren vroeg Ameni den dichter: »Waarom hebt gij geweigerd aan het volk het wonder te verkondigen, dat alle priesters uit de Nekropolis met vreugde vervult?”

»Omdat gij mij geleerd hebt,” antwoordde de dichter, »dat waarheid de hoogste trap is, die men bereiken kan, en dat er geen hoogere is.”

»Dit leer ik u andermaal in deze ure,” hernam Ameni. »En daar gij deze leer belijdt, zoo vraag ik u, in den naam van de lichtdochter van Ra: twijfelt gij aan de echtheid van het wonder, dat tastbaar duidelijk voor onze oogen is geschied?”

»Ja, ik twijfel,” antwoordde Pentaoer.

»Blijf volharden op den hoogen trap der waarheid,” ging Ameni voort, »en zeg ons verder, opdat ook wij het weten mogen, welke bedenkingen u beletten te gelooven.”

»Ik weet,” antwoordde de dichter, somber vóor zich ziende, »dat het hart, aan hetwelk de menigte goddelijke eer zal bewijzen, waarvoor zelfs ingewijden zich nederbuigen, als ware het een tempel voor de ziel van Ra, gescheurd is uit de bloedende borst van een gemeen stuk vee, en dat het heimelijk in de kanopen is gelegd, die de ingewanden van den profeet Roeï bevatten.”

Ameni deed van schrik eene schrede achterwaarts, en Gagaboe riep: »Wie heeft dat gezegd? Wie kan dat bewijzen? ’t Is of men oud moet worden, om van dag tot dag schrikkelijker dingen te hooren!”

»Ik weet het,” zeide Pentaoer op stelligen toon, »maar ik moet den naam verzwijgen van hem, die het mij heeft medegedeeld.”

»Dan gelooven wij dat gij dwaalt, en dat een bedrieger den draak met u stak,” zeide Ameni. »Wij zullen onderzoeken, wie zulk een leugen uitstrooit, en hem niet ongestraft laten! Het is zondig de stem der godheid te hoonen, en ieder die gewillig zijn oor leent aan de leugen, is ver van de waarheid. Heilig, ja driemaal heilig, verblinde dwaas, is het hart, dat ik morgen met deze handen aan het volk denk te toonen, en waarvoor ook gij u, zij ’t niet gewillig, dan toch gedwongen zult nederwerpen, aanbiddende in het stof. Ga nu heen en overdenk de woorden waarmede gij morgen de zielen van het volk zult stichten. ― Weet nog dit: Ook de waarheid heeft verschillende trappen, en hare gestalte is even menigvuldig als die der godheid. Gelijk de zon zich niet voortbeweegt langs eene effen baan en een rechten weg; gelijk ook de sterren gebogene paden bewandelen, die wij vergelijken met de kronkelingen van de slang Mehen[231]; zoo staat het den uitverkorenen, die ruimte en tijd overzien en aan wie het te beurt viel over het lot der menschen te mogen beschikken, ― dien uitverkorenen staat het vrij, zelfs wordt hun geboden langs kronkelende wegen te wandelen, om een hooger doel te doen zegevieren. Gij verstaat die wegen niet, en in uwe onnoozelheid meent gij, dat zij ver afwijken van de paden der waarheid. Gij ziet het heden alleen, maar wij zien ook de toekomst, en wat wij u als waarheid aanbieden, dat hebt gij te gelooven! Vergeet ook vooral niet: de leugen bevlekt, maar de twijfel vermoordt de ziel!”

[231] De slang Mehen, met hare golvende kronkelingen, die dikwijls voorkomt in de teksten „van hetgeen zich in de diepte (onderwereld) bevindt,” stelt symbolisch de kronkelingen voor, die de zon op haar weg bij nacht door de onderwereld heeft af te leggen. Slangvormige mythologische figuren hebben even dikwijls eene gunstige als eene vijandige beteekenis. In elken tempel werden heilige slangen onderhouden. In Thebe zijn slangenmummiën gevonden en wel van de vipera cetastes. Plutarchus (Isis en Osiris c. 74) zegt, dat de slang voor heilig werd gehouden, omdat zij niet veroudert, en zich zonder ledematen al schuifelend gemakkelijk kon voortbewegen op eene wijze als de sterren.

Ameni had met groote gemoedsbeweging gesproken. Toen Pentaoer zich zwijgend verwijderd had, en hij met Gagaboe alleen was, riep hij uit: »Waar moet het nu heen? Wie bezoedelt toch den reinen kinderlijken zin van dezen hoogbegenadigden jongeling?”

»Hij bederft zichzelven,” zeide Gagaboe. »Hij schuift de oude wet op zij, daar hij voelt, dat er eene nieuwe wet in zijn scheppenden geest is ontwaakt!”

»Doch wetten,” hernam Ameni, »ontstaan vanzelf en groeien als schaduwrijke wouden; er is nooit iemand, die ze maakt! Ik had den dichter lief, maar ik moet hem toch inbinden, anders wast hij als de hooggezwollen Nijl, die de dammen doorbreekt. En wat hij daar zegt van het wonder....”

»Hebt gij daar aanleiding toe gegeven?” vroeg Gagaboe.

»Bij den Eenen, neen!” zeide Ameni.

»Doch Pentaoer is waarheidlievend, en geneigd te gelooven,” hernam de oude bedenkelijk.

»Ik begrijp het,” hernam Ameni. »Wat hij zeide zal geschied zijn. Doch wie heeft het gedaan, en hem in deze misdaad ingewijd?”

Beide priesters zagen nadenkend vóor zich. Ameni brak het eerst het stilzwijgen af, zeggende: »Pentaoer trad met Nebsecht hier binnen, en beiden zijn boezemvrienden. Waar was de arts, terwijl ik in Thebe vertoefde?”

»Hij verpleegde het door Bent-Anat verwonde kind van den Paraschiet Pinem, en bleef daar drie dagen lang,” antwoordde Gagaboe.

»En het was Pinem,” sprak de opperpriester, »die de borst van Roeï geopend heeft. Nu weet ik wie Pentaoer’s geloof aan het wankelen heeft gebracht. Het was die wroetende stamelaar. Hij zal het mij boeten. ― Denken wij nu aan het feest van morgen, maar overmorgen neem ik dien zonderlingen kwant in ’t verhoor, en ik zal onverbiddelijk streng zijn!”

»Laat ons liever den natuuronderzoeker rustig verhooren,” zeide Gagaboe. »Hij is een sieraad van onzen tempel, want hij doorgrondt vele dingen, en is een man van buitengewone bekwaamheid.”

»Dat alles kunnen wij overwegen na het feest,” viel Ameni den ouden profeet in de rede. »Er is nu nog veel gereed te maken.”

»En later nog meer te overleggen,” hernam Gagaboe. »Wij zijn een gevaarlijken weg ingeslagen. Gij weet het, ik blijf een stormlooper, niettegenstaande ik, wat mijne jaren betreft een grijsaard ben. Helaas, ik was nooit te schroomvallig! Maar Ramses is een geweldig man en mijn plicht gebiedt mij u te vragen: Verleidt uw haat u niet tot een al te haastig en al te onvoorzichtig optreden tegen den koning?”

»Ik gevoel geen haat tegen Ramses,” antwoordde Ameni ernstig. »Als hij de kroon niet droeg, zou ik hem kunnen liefhebben. Ik ken hem alsof ik zijn broeder was, en weet in hem alles wat groot is te waardeeren, wat meer zegt: ik wil gaarne erkennen, dat hem niets ontsiert wat klein moet heeten. Als ik niet wist hoe sterk hij was, zouden wij hem wel met geringe middelen kunnen doen vallen! Doch gij weet zoo goed als ik, dat hij onze vijand is. Niet de uwe noch de mijne persoonlijk, ook niet van onzen goden, maar de vijand van de door hunne oudheid eerwaardige inzettingen, naar welke dit volk en dit land bestuurd moeten worden. Daarom is hij inzonderheid de vijand van hen, wier levensroeping is de heilige leer van den voortijd te verdedigen, en een vorst den weg te wijzen; van de priesterschap bedoel ik, die ik leiden moet en voor welker rechten ik kamp met alle geestelijke middelen. Bij deze worsteling bekleeden, zooals gij weet, volgens onze geheime wet, de goden alles met den glans van het reine licht der waarheid, ook wat anders als leugen, verraad en arglistig doemwaardig schijnt. Gelijk de arts het mes en het vuur gebruikt om kranken te genezen, zoo mogen wij onze toevlucht nemen tot schrikkelijke maatregelen om het geheel te redden wanneer het bedreigd wordt. Gij ziet mij thans strijden met elk wapen, dat mij ten dienste staat, want blijven wij rustig afwachten, zoo zullen wij weldra van leiders der staatkundige aangelegendheden tot slaven des konings vernederd worden.”

Gagaboe gaf een teeken van instemming. Ameni vervolgde echter met klimmende warmte, sprekende in rhytmische volzinnen, waarin hij de bevelen der godheid placht te verkondigen, zoo vaak hij uit het Allerheiligste kwam: »Gij waart mijn meester, ik acht u zeer hoog, daarom moogt gij nu alles vernemen, wat mij beweegt en vast doet besluiten, den vreeslijken kamp te aanvaarden. Dit huis zoo gij weet, was voor mij gelijk ook voor Ramses de kweekplaats, en het was wijs van Seti dat hij hier zijnen zoon met andere knapen liet leeren. Slechts de kroonprins en ik wij wonnen de prijzen, in werken en spelen. Wel was hij mijn meester in vlugge bevatting, in stoute gedachten; mijn nauwgezetheid was grooter en dieper mijn denken. Vaak spotte hij met mijn moeitevol streven; doch mij scheen zijn schittrend vermogen slechts ijdele begoochling te zijn. Ik werd een gewijde, maar hij stuurde het roer van den staat met zijn vader; ten laatste alleen, toen Seti niet meer was. Wij werden ouder, maar onveranderd bleef steeds de diepste grond van ons wezen. Hij stormde naar buiten tot heerlijke daden! volken bij volken wierp hij ter aarde; en door de stroomen bloeds zijner burgers verhief hij den glans van d’ Egyptischen naam tot duizelingwekkende hoogte.

»Ik sleet mijn leven in ijverig werken, ik leerde de jeugd en bewaakte de inzetting, die het samenwonen der menschen regelt en het volk met de godheid verbindt. Met ijver doorzocht ik de schriften der oudheid, en menig heerlijk woord heb ik van haar wijzen vernomen. ’k Vergeleek met elkander ’t verleden en ’t heden. Wat waren de priesters? Hoe zijn ze geworden tot dat wat ze zijn? Wat toch, zoo wij er niet waren, wat werd dan Egypte? Geen wetenschap bloeit er, geen kunst, geen vermogen, die wij niet verwierven, bedachten en kweekten. Wij kroonden de vorsten, wij noemden ze goden en leerden het volk ze als goden dienen. Want de menigte zoekt een hand die haar leidt, waarvoor zij kan beven, als voor de vuist van het overmachtige noodlot. Gaarne dienden wij den god op zijn troon, die als de Eene naar eeuwige wetten, naar =onze= wet gebood en heerschte. Uit ons midden koos hij zijn raadsliên, wat tot heil is voor ’t land dat deden wij hem weten. Hij hoorde ons gewillig aan en voerde het uit. De oude koningen waren de handen, wij, de priesters, wij waren het hoofd. En nu, mijn vader! Wat zijn wij geworden? Wij worden gebruikt om het volk bij het geloof te bewaren. Want als het ophield de goden te eeren, hoe zou ’t zich dan voor den pharao buigen? Veel waagde Seti, en meer nog zijn zoon, daarom begeerden zij beiden de hulpe des hemels. Een vrome is Ramses, hij offert vlijtig en mint het gebed. Voor hem zijn wij onmisbaar als wierookvat-slingeraars en hecatomben-slachters, als die voor hem bidden en zijn droomen verklaren, maar zijn raadslieden zijn wij niet meer. Mijn Osirische vader, een waardiger opperpriester dan ik, bad den zijnen, op last van den grooten raad der profeten, hij zou het vermetele plan laten varen, door een bevaarbaar kanaal de noordelijke zee te verbinden met de onreine golven der Schelfzee. Den Aziaten alleen komt zulk een werk ten goede[232]. Doch Seti sloeg onzen raad in den wind[233]. Wij wilden ’s lands oude verdeeling bewaren, doch Ramses voerde de nieuwe in, tot schade der priesters. Wij waarschuwden voor nieuwe bloedige oorlogen, en de koning trok weder en weder te velde. Wij bezitten de oude geheiligde brieven, die onze boeren van krijgsdienst ontslaan; gij weet het hoe hij ze laatdunkend verscheurde. Sinds oude tijden mag niemand in dit land voor vreemde goden tempels bouwen, en Ramses begunstigt de zonen der vreemden, en bouwt in ’t Noorderland niet alleen, maar ook in het oude eerwaardige Memphis en hier in het vreemden-kwartier in Thebe, altaren en statige heiligdommen voor de bloedige leugengoden[234] van ’t oosten.”

[232] De havens aan de Schelf- of Roode zee waren in handen van Phoeniciërs, die van hier naar het zuiden zeilden om de reukwerken uit Arabië en de schatten van Ophir te halen.

[233] Koning Necho begon ook een Suez-kanaal aan te leggen, maar hij voltooide het niet, omdat, volgens Herodotus II 58, het orakel hem verkondigde, dat de vreemdelingen alleen voordeel van de onderneming zouden trekken.

[234] Door de Egyptenaars werden de menschenoffers, zooals er nog in later tijd door de Phoeniciërs aan Moloch werden gebracht, afgeschaft.

»Gij spreekt als een ziener,” riep de oude Gagaboe. »En wat gij zegt is in alle opzichten waar! Wij heeten nog priesters, maar zelden wordt onze raad gevraagd. ‚Gij hebt de menschen in eene andere wereld een heerlijke toekomst te bereiden’, heeft Ramses gezegd, ’maar hun lot op aarde bestuur ik alleen’!”