Warda: Roman uit het oude Egypte
Part 28
»Ook hierin stemt gij met den priester overeen,” zeide de stadhouder lachend, »want Ameni heeft mij denzelfden raad gegeven. Alle brieven, die de vestinglinie tusschen Pelusium en de Schelfzee willen passeeren, zullen worden aangehouden. Mijn schrijven alleen, waarin ik klagen wil over roovers uit de woestijn, die onze boden overvallen, mag den koning in handen komen.”
»Wijs gehandeld!” zeide de weduwe. »Laat ook de havens van de Schelfzee bewaken en toezicht houden op de schrijvers. Wanneer gij koning zijt, zult gij weten wie hunner u wel, en wie u kwalijk gezind was.”
Ani schudde ontkennend het hoofd en zeide, in antwoord op deze laatste opmerking: »Dat zou mij in groote moeielijkheden brengen, want wilde ik hen, die thans hun koning aanhangen, bestraffen en de anderen verheffen, zoo zou ik de trouwe dienaars moeten verstooten en met de ontrouwe regeeren. Gij behoeft niet te blozen, mijne vriendin, want wij zijn van éenen bloede, en uw belang is ook het mijne.”
Katoeti greep de haar toegestoken hand en zeide: »Dat is zoo. Ook verlang ik geen ander loon, dan het huis mijner vaderen op nieuw te zien oprichten.”
»Misschien zal het gelukken,” hernam Ani, »maar voor hoe korten tijd, wanneer niet ― wanneer niet.... Denk eens na, Katoeti, tracht eens uit te vorschen, waartoe gij de hulp van uwe dochter kunt inroepen. ― Wie is hij toch dien zij ― Gij weet wien ik bedoel. ― Wien heeft Bent-Anat lief?”
De weduwe verschrikte, want met eene heftigheid, die geheel in strijd was met zijne gewone hoffelijkheid, had Ani de laatste woorden uitgeroepen. Maar spoedig plooide haar gelaat zich weder tot een glimlach, terwijl zij voor den stadhouder de weinige jonge edelen optelde, die den koning niet in het leger gevolgd maar te Thebe gebleven waren. »Zou het haar broeder Chamoes zijn?” vroeg zij eindelijk. »Deze is wel-is-waar in het leger; intusschen....”
Op dit oogenblik liep Nemoe, wien geen woord van het gehouden gesprek ontgaan was, de open zaal binnen, als kwam hij zoo juist uit den tuin, en zeide: »Vergeef mij, meesteres, maar ik heb daar wonderlijke dingen gehoord.”
»Spreek!” zeide Katoeti met een wenk.
»De edele prinses Bent-Anat, de goddelijke dochter van Ramses, moet openlijk in eene liefdesbetrekking staan met een priester van het Seti-huis.”
»Onbeschaamde!” riep Ani, en het was of zijn toornige blik den dwerg wilde doorboren. »Bewijs wat gij zegt, of ik laat je de tong uit den mond halen!”
»Ben ik een lasteraar en verrader van den staat, dan moogt ge mij volgens de wet de tong laten uitsnijden,” zei de kleine onderworpen, hoewel met een ondeugend lachje. »Maar ditmaal mag ik haar zeker behouden, want wat ik zeg kan ik bewijzen. Gij weet dat Bent-Anat onrein is verklaard, omdat zij een uur of langer in het huis van een Paraschiet vertoefde. Daar had zij eene samenkomst met den priester. Bij eene tweede in den Hathor-tempel van Hatasoe, werd zij overvallen door Septah, den eersten Horoscoop van het Seti-huis.”
»Wie is die priester?” vroeg Ani, schijnbaar bedaard.
»Een man van lage afkomst,” antwoordde Nemoe, »dien men kosteloos in het Seti-huis heeft laten opvoeden, en die zich thans als droomuitlegger en verzenmaker bekend heeft gemaakt. Hij heet Pentaoer, en men moet erkennen, dat hij er schoon en deftig uitziet. Hij gelijkt op een haar den overleden vader van den gids Paäker. ― Hebt gij hem wel eens gezien, mijn vorst?”
De stadhouder gaf een teeken van toestemming, fronste zijn voorhoofd en zag naar den grond. Doch Katoeti vervolgde:
»Dwaze die ik ben! De dwerg heeft gelijk! Ik zag hoe hare wangen zich kleurden, toen haar broeder de verzekering gaf, dat alle knapen om zijnentwil tegen Ameni zouden opstaan. Zeker, zij denkt aan Pentaoer en aan geen ander.”
»Het is goed,” zeide Ani, »wij zullen zien!”
Met deze woorden nam hij afscheid van de weduwe, die, terwijl hij in den tuin verdween, in zichzelve prevelde: »Hij was heden zoo beslist en zoo helder, als ik dat niet van hem gewoon ben. Maar de ijverzucht begint hem reeds te verblinden en zal hem weldra doen gevoelen, dat hij mijne scherpe oogen niet missen kan.”
Nemoe was den stadhouder nageloopen. Achter het vijgenboschje riep hij hem aan en fluisterde snel, terwijl hij zich eerbiedig boog: »Mijne moeder weet zeer veel, edele heer! De heilige Ibis[222] schroomt niet het moeras te doorwaden, wanneer zij op buit uitgaat; waarom zoudt gij ook niet eens goud in het stof gaan zoeken? Ik weet wel hoe ge de oude ongemerkt spreken kunt.”
[222] De Ibis religiosa, thans uit Egypte verdwenen. Er waren twee soorten van dit aan Toth geheiligde dier, waarvan men op vele plaatsen mummiën heeft gevonden. Volgens Aelianus toonde men in Hermopolis een onsterfelijken Ibis. „De Ibis,” zegt Plutarchus (Isis en Osiris c. 75) „verdelgt de giftige kruipende dieren, en heeft het eerst getoond, hoe men door middel van inwendige reiniging kranken kan genezen, daar men zag dat hij door inspuiting (met den snavel) zichzelf reinigde. De meest nauwgezette onder de priesters, scheppen het reinigend wijwater daarwaar de Ibis gedronken heeft, want hij drinkt nooit ongezond of vergiftigd water, noch zoekt daarin zijn voedsel” enz.
»Spreek op,” bromde Ani.
»Werp haar voor éen dag in de gevangenis, verhoor haar en laat haar dan loopen, met een geschenk, als zij u gediend heeft, in het tegenovergesteld geval met een pak slagen. Maar gij zult iets onuitsprekelijk gewichtigs vernemen, dat zij zelfs voor mij hardnekkig verzwijgt.”
»Wij zullen zien,” antwoordde de stadhouder, wierp den kleinen man eenige gouden ringen toe en besteeg zijn wagen.
In de nabijheid van zijn paleis had zich zulk eene dichte menschenmassa verzameld, dat de stadhouder een of ander onheil duchtte. Hij beval zijn wagenmenner de paarden wat in te houden, en eenige soldaten van de politie, zijne voorloopers te helpen. Doch het scheen dat eene blijde boodschap hem wachtte, want bij de poort van het slot hoorde hij duidelijk het gejubel der menigte, en in het voorhof van het paleis vond hij een gezantschap uit het Seti-huis, dat hem en heel het volk op last van Ameni het bericht kwam brengen van een groot wonder. Want het hart van den door wilde dieren verscheurden ram van Amon was teruggevonden in de borst van den vromen, gestorven profeet Roeï.
Ani steeg dadelijk van zijn wagen, knielde neder voor het aangezicht der menigte, die zijn voorbeeld volgde, hief biddend de handen omhoog en dankte de goden met luider stem. Toen hij na eenige oogenblikken weder was opgestaan en het paleis was binnengetreden, kwamen eenige slaven naar buiten, die op last van Ani brood onder de menigte verdeelden.
»De stadhouder heeft toch eene milde hand,” zeide een schrijnwerker uit Thebe tot eene vrouw, die bij hem stond. »Zie eens hoe wit dit brood is. Ik steek het bij mij en breng het aan mijne kinderen.”
»Geef mij een stukje,” riep een naakte jongen, greep den schrijnwerker het broodje uit de hand en liep weg, terwijl hij zeer behendig tusschen de beenen der menschen doorsloop.
»Krokodillengebroed!” schreeuwde de man, die zijn deel verloren had. »De onbeschaamdheid dier jongens wordt met den dag erger.”
»Ze zijn hongerig,” zeide de vrouw, om den knaap te verontschuldigen. »Hun vaders zijn te velde en hunne moeders hebben niet anders voor hen dan papyrus-merg en lotuskorrels”[223].
[223] Zie Dl. I, bl. 145.
»’t Moge hem goed bekomen,” zeide de schrijnwerker. »Dringen wij wat naar de linker zijde. Daar komt een dienaar met nieuwe brooden.”
»De stadhouder moet zich bijzonder verblijden over dit wonder,” zeide een schoenmaker. »Hij spaart er geen geld voor.”
»Er is ook in lang niets dergelijks gebeurd,” sprak een mandenmaker, zich in het gesprek mengende, »en Ani verheugt het zeker uitermate, dat juist Roeï met dat heilige hart werd begenadigd. ― Gij vraagt waarom? Domkop, die ge zijt! Hatasoe is Ani’s grootmoeder.”
»En Roeï was profeet in den Hatasoe-tempel,” zeide de schrijnwerker.
»De priesters aan de overzijde zijn aanhangers van het oude koningshuis,” verzekerde een bakker. »Dat weet ik.”
»Alsof dat een geheim was!” zeide de schoenmaker. »De oude tijden waren ook beter dan de tegenwoordige. De krijg verslindt alles, en zeer fatsoenlijke lieden loopen nu barrevoets, omdat zij het leder niet betalen kunnen. Met den buit ziet het er ook mager uit sedert het laatste jaar. Ramses is een groot krijgsheld en een zoon van Ra, maar wat vermag hij zonder de goden, wien het thans in Thebe niet meer schijnt te bevallen? Waarom anders zoekt het heilige hart van den ram zich eene nieuwe woning in de Nekropolis, en wel in de borst van een aanhanger van het oude....”
»Houd je mond,” waarschuwde de mandenmaker, »daar komt de politie-wacht.”
»Ik moet ook aan mijn werk,” zeide de bakker, »want ik heb voor het feest van morgen mijne handen vol.”
»Ik ook,” zuchtte de schoenmaker, »want wie kan den koning der goden barrevoets in de Nekropolis volgen?”
»Gij zult mooi geld verdienen,” hernam de mandenmaker.
»Het zou nog al wat zijn,” antwoordde de schoenmaker, »als men beter hulp had; maar de gezellen zijn allen in den krijg. Men moet zich behelpen met onhandige jongens. En dan die vrouwen! De mijne heeft zich voor de processie een nieuw kleed aangeschaft, en voor de kinderen, zelfs voor de kleine, halsbanden gekocht. Men eert wel gaarne zijne dooden, en zij vergelden het ons ook dikwijls door hun bijstand, maar wat die offers mij kosten is niet te zeggen. Nog meer dan de helft van mijne verdienste gaat daarmee heen.”
»In mijne eerste droefheid over mijne overledene vrouw,” zeide de bakker, »heb ik mij verbonden elke nieuwe maan een kleiner en elk jaar een grooter offer te brengen. De priesters schelden niets kwijt van eene gelofte, en de tijden worden steeds slechter. Bovendien is de afgestorvene mij kwalijk gezind, en even ondankbaar als bij haar leven. Want verschijnt ze mij in den droom, dan heeft zij geen goed woord voor mij en kwelt mij als altijd.”
»Zij is thans een lichtende en alwetende geest,” zeide de vrouw van den mandenmaker, »en ge zijt haar zeker ontrouw geweest. De verheerlijkten weten alles wat op aarde gebeurt en gebeurd is.”
De bakker kreeg toevallig eene hoestbui, doch de schoenmaker riep: »Bij Anubis, den heer der onderwereld, ik wensch vóor mijn oudje te sterven, want wanneer zij bij Osiris te weten komt wat ik hier op aarde al zoo gedaan heb, en zij in staat zal zijn zich in elke gedaante te veranderen, waarin zij maar wil, dan verschijnt ze mij zeker elken nacht, om mij als kreeft te knijpen, of als eene zware nachtmerrie mij te benauwen.”
»Als gij ’t eerst sterft,” hernam de vrouw, »dan komt zij toch later bij je in de onderwereld, waar zij je ook zal doorzien.”
»Dat is minder gevaarlijk,” sprak de schoenmaker lachend, »want dan ben ik zelf een verheerlijkte, en ligt ook haar verleden voor mij open. Dat zal ook wel zoo voortreffelijk niet zijn. En werpt ze mij met den schoen, dan werp ik haar met de leest.”
»Kom mede naar huis,” zeide de mandenmakersvrouw, terwijl zij haar man met zich voorttrok. »Ge hoort hier niets goeds.”
De omstanders lachten, doch de bakker sprak: »Het is meer dan tijd om heen te gaan; ik moet in de Nekropolis zijn vóor het donker wordt, en mijne tafel laten opslaan voor het feest van morgen. Mijne waren staan dicht bij den smallen ingang van het dal. Breng je kleinen maar bij mij, schoenmaker, dan zal ik ze wat zoetigheid geven. ― Vaart gij met mij naar de overzijde?”
»Mijn jongere broeder,” antwoordde de schoenmaker, »is reeds met de waren aan den overkant. We hebben nog werk voor onze klanten in Thebe, en nu sta ik hier mijn tijd te verbabbelen! ― Zoudt ge denken dat het wonderhart van den heiligen ram morgen vertoond zal worden?”
»Wel zeker,” zeide de bakker. »Vaarwel! Daar zijn mijne kisten.”
ELFDE HOOFDSTUK.
Tegelijk met den bakker lieten honderde lieden, ondanks het vergevorderde uur, zich naar de Nekropolis overzetten. Het was hun geoorloofd daar, onder het oog der veiligheidsbeambten, in den nacht, die aan het feest voorafging, te vertoeven. Zij toch moesten de tafels voor hunne handelsartikelen en de schutdaken daarboven in gereedheid brengen, hunne waren uitstallen en hunne tenten opslaan. Want zoodra de zon zich den volgenden morgen zou vertoonen, was alle handelsverkeer op den heiligen stroom verboden, en mochten slechts feestbarken en zulke booten van Thebe afvaren, die de bedevaartgangers voor de groote processie, mannen, vrouwen en kinderen, burgers en vreemdelingen naar gindschen oever hadden over te voeren.
In de zalen en laboratoriën van het Seti-huis was insgelijks meer drukte dan gewoonlijk. De heiligverklaring van het wonderhart had de toebereidselen tot het feest voor korten tijd afgebroken. Thans werden weder hier de koren geoefend, daar de repetitie gehouden van de vertooning, die op het heilige meer[224] zou worden uitgevoerd, ginds de godenbeelden afgestoft en bekleed[225], en de kleuren der heilige emblemen verfrischt. Sommigen waren bezig met de pantherhuiden en verdere kleedingstukken van het priesterlijk ornaat te luchten en in orde te brengen, anderen poetsten de schepters, wierookpannen en overige koperen gereedschappen, nog anderen tooiden de feestbark op[226], die bij de processie moest worden rondgedragen. De jongere kweekelingen vlochten, onder toezicht van de tempelhoveniers, in het heilige bosch van het Seti-huis guirlanden en kransen, om de landingsplaats, de sphinxen, den tempel en de godenbeelden te versieren. Aan de met koper beslagene masten[227] vóor de pylonen werden de vanen geheschen, en purperkleurige zeilen gespannen over het midden van het groote voorhof, om straks de brandende zonnestralen te weren.
[224] Aan elken tempel was een heilig meer verbonden. Herodotus (II 171) spreekt van de voorstellingen, die op het heilig meer van Neith te Saïs, bij nacht werden gegeven. „Men noemt ze mysteriën,” zegt hij, „maar ofschoon ik er veel van weet, zwijg ik daarover uit eerbied.” Men stelde er de mythe van Isis, Osiris en Seth-Typhon voor. ― Vgl. Ebers, =Eene Egyptische koningsdochter=, B. III.
[225] De Stolisten moesten de godenbeelden bekleeden, en bij eenige reliefs worden nog de haken gevonden, waaraan de kleedingstukken werden bevestigd. Het uit- en aankleeden dier godenbeelden moest bij de godsdienstoefening volgens eene vastgestelde orde geschieden. De door A. Mariëtte uitgegeven opschriften in de zeven sanctuariën van Abydus, zijn voor deze handelingen, die allen eene bepaalde beteekenis hadden, bijzonder leerrijk.
[226] De „Sam-bark” geheeten, volgens de voorstellingen, die men nog zien kan in de overblijfselen van het Seti-huis, of den tempel van Qoernah.
[227] Zie boven bl. 216.
Richtte men den blik naar eene der nevenpoorten, dan kon men den opzichter der offergaven opmerken, die reeds nu het vee, het koren en de vruchten in ontvangst nam. Dit was de schatting, die op het feest van het dal, door burgers uit alle deelen des lands aan het Seti-huis werd gebracht. Schrijvers die alles wat werd afgeleverd aanteekenden, Neokoren die de gaven aannamen, en lijfeigenen, die voor den landbouw werden gebruikt, stonden den priester bij dit werk ter zijde.
Ameni was nu eens bij de zangers, dan weder bij de wonderdoeners, die voor het volk verrassende gedaanteverwisselingen moesten vertoonen. Pas had hij zijne bevelen gegeven aan de Neokoren, die den troon en de zetels voor den stadhouder, de gezanten van de andere priestercollegiën des lands[228] en de profeten van Thebe opsloegen, of hij begaf zich weder naar de priesters, die de reukwerken in orde brachten, en naar de dienaars, die de duizende lampen voor den feestnacht gereed maakten en ophingen. Kortom, hij was overal, hier een woord van goedkeuring sprekende, daar de tragen wat aanzettende. Toen hij overtuigd was dat alles goed ging, beval hij een der heilige vaders Pentaoer te roepen.
[228] De opschriften in den zuilengang aan de oostzijde van den tempel van Qoernah doen ons zien, dat zelfs uit den Delta, feestboden naar het Seti-huis werden gezonden.
De jonge priester had zich, na afscheid genomen te hebben van Rameri, den uit het Seti-huis verbannen zoon van Ramses, met zijn vriend Nebsecht in diens studeerkamer teruggetrokken. De arts liep onrustig tusschen zijne flesschen en kooien op en neer. In koortsachtige spanning nu eens een bundel planten met den voet wegschoppende, dan weder met zijn vuist op de tafel slaande, vertelde hij Pentaoer, terwijl zijne anders stijve ledematen in heftige beweging waren, in welk een toestand hij zijn studeervertrek bij zijne terugkomst had gevonden. Zijne lievelingsvogels waren verhongerd; zijne slangen hadden zich weten vrij te maken; ook zijn aap was, misschien wel uit angst voor de gevaarlijke dieren, losgebroken.
»Dat beest, dat monster!” riep hij toornig, »heeft de potten met kevers omgeworpen, de kist met het meel, dat ik mijne vogels en wormen te eten geef, opengemaakt en zich daarin rondgewenteld. Het heeft mijne messen, naalden, tangen, mijne stiften, cirkels en rietpennen het venster uitgeworpen. Toen ik de kamer inkwam, zat hij zoo wit als een Ethiopische slaaf die dag en nacht den molen draait, daarboven op de kast. Hij hield de rol, die mijne aanteekeningen bevat over den bouw van het dierlijk lichaam, de resultaten van jarenlange studiën, in zijne voorpooten, en zat er met zijn scheeven kop ernstig in te kijken. Ik wil hem het geschrift afnemen, ja wel: hij springt met de rol het venster uit, zet zich neer op den rand van den put, plukt en bijt daar woedend den papyrus in flarden. Ik spring hem na, maar hij kruipt in den emmer, trekt aan den ketting, en laat zich, terwijl hij mij spottend aangrijnst, in den put naar beneden. Ik trek hem naar boven, maar hij springt met de rest van mijn geschrift er weer in.”
»Is het arme beest verdronken?” vroeg Pentaoer.
»Ik heb hem met den emmer er weer uitgevischt en in de zon te drogen gelegd. Maar het hielp niet; hij had ook allerlei artsenijen gedronken en is heden middag gestorven. Mijne aanteekeningen zijn ook verloren. Veel heb ik nog overgehouden, maar over het geheel kan ik toch weer van voren aan beginnen. Gij ziet het, de apen hebben het zoowel als de wijzen op mijne studiën voorzien. Daar in de lade ligt het beest!”
Pentaoer had bij het verhaal van zijn vriend eerst gelachen, en toen zijn verlies betreurd. Thans vroeg hij met eenige bezorgdheid: »Ligt het dier dáar? Gij vergeet toch niet, dat het in den tempel van Toth bij de boekerij verpleegd moest worden? Het behoorde tot de heilige soort van hondskop-apen[229] en alle goede kenteekenen werden er aan gevonden. De bibliothecaris heeft het u toevertrouwd om zijn ziek oog te genezen.”
[229] De hondskop-apen (cynocephali) waren geheiligd aan Toth-Hermes, den maangod. Men heeft van dit dier te Thebe en bij het oude Hermopolis mummiën gevonden. Dikwijls werden er treffende afbeeldingen gemaakt van zulke hondskop-apen, die met schijnbaren ernst in een boek verdiept zijn. Ook is er een groot aantal beelden van dit beest gevonden. In het bibliotheekvertrek van den Isis-tempel te Philae is op den linkerwand een relief-beeld van een cynocephalus aangebracht, dat bijzonder goed is uitgevallen.
»Nu, dat is weer gezond geworden,” antwoordde Nebsecht losweg.
»Maar zij zullen het lijk ongeschonden van u verlangen, om het te balsemen,” hernam Pentaoer.
»Zullen zij?” prevelde Nebsecht, en hij zag daarbij zijn vriend aan als een knaap, van wien men een appel terugvraagt, dien hij sedert lang heeft opgegeten.
»Ge hebt zeker weer wat heel fraais uitgevoerd!” riep Pentaoer, met een vriendelijke bedreiging.
De arts knikte en zeide: »Ik heb het beest geopend en zijn hart onderzocht.”
»Gij zijt toch op harten verzot, als waart gij een behaagziek meisje!” riep de dichter. »Wat is er toch van het menschenhart geworden, dat de oude Paraschiet u zou bezorgen?”
Nebsecht vertelde nu zonder terughouding, wat Warda’s grootvader voor hem had gedaan; dat hij het hart van een mensch had onderzocht maar daarin niets gevonden, wat ook niet in het hart van een dier te vinden was. »Maar ik moet het zien werken in samenhang met de overige organen van een mensch,” riep hij opgewekt, »en mijn besluit staat vast. Ik verlaat het Seti-huis, en zal de Kolchyten vragen mij in hun gild op te nemen. Als het niet anders zijn kan, verricht ik aanvankelijk den dienst der laagste Paraschieten.”
Pentaoer deed den arts opmerken, welk een slechten ruil hij zou doen, en zeide eindelijk, toen Nebsecht hem met vuur tegensprak: »Dat opensnijden van harten keur ik af. Gij zelf zegt dat gij er niets door geleerd hebt. Keurt gij het goed, schoon, of ook maar nuttig op zichzelf?”
»Wat geef ik er om,” antwoordde Nebsecht, »of dat wat ik onderzoek goed of slecht, schoon of leelijk, nuttig of ijdel schijnt. Ik wil weten hoe het is, verder niets!”
»Alzoo uit bloote nieuwsgierigheid,” riep Pentaoer, »wilt gij de zaligheid van duizenden in gevaar brengen, het ellendigste handwerk bij de hand nemen, en deze edele werkplaats verlaten, waar wij streven naar verlichting, naar inwendige loutering en waarheid!”
De natuuronderzoeker kon een spottend lachje niet bedwingen.
Maar nu zwollen ook van verontwaardiging de aderen op het voorhoofd van Pentaoer, en dreigend klonk zijn stem, toen hij, vroeg: »Gelooft gij waarlijk, dat uwe vingers en oogen de waarheid hebben gevonden, waarnaar edele geesten sedert duizende jaren zoeken, met inspanning van al hunne krachten? Met uw onverstandig wroeten in het stof daalt gij af tot den zinnelijken mensch, en hoe zekerder gij meent de waarheid gegrepen te hebben, des te meer zijt gij het schandelijk slachtoffer van uwe ellendige dwaling!”
»Zoudt gij denken dat, indien ik meende werkelijk de waarheid te bezitten, ik nog naar haar zoeken zou?” vroeg Nebsecht. »Hoe rijker ik word in ervaring en in wetenschap, des te dieper gevoel ik, wat er aan ons kunnen en weten ontbreekt.”
»Dat klinkt zeer bescheiden,” hernam de dichter, »doch ik weet maar al te wel, hoe uw onderzoek u er toe brengt, de waarde er van te overschatten. Alles wat gij met uwe oogen zien en met uwe vingers tasten kunt, schijnt u boven allen twijfel verheven, en met een voornaam glimlachje noemt gij in uw hart alles onwaar, wat met uwe ervaring in strijd is. Maar uwe ervaringen reiken niet verder dan de zinnelijke wereld, en gij vergeet dat er dingen zijn, die tot een ander gebied behooren.”
»Van deze dingen draag ik geen kennis,” antwoordde Nebsecht bedaard.
»Wij ingewijden,” vervolgde de dichter, »schenken ook daaraan onze opmerkzaamheid. Voor eeuwen zijn er onder ons volk reeds vermoedens uitgesproken over hun wezen en hunne werkzaamheid; ontelbare geslachten hebben die vermoedens getoetst, goedgekeurd, en ze ons als geloofsartikelen nagelaten. Al ons weten is gebrekkig: toch vermogen bevoorrechte profeten een blik in de toekomst te slaan; toch worden aan vele stervelingen magische krachten verleend. Dat is echter in strijd met de wetten van de stoffelijke wereld, die gij alleen wilt erkennen, en laat zich nochtans zoo gemakkelijk verklaren, wanneer wij eene hoogere orde van zaken aannemen. Gods geest leeft zoowel in ons als in de natuur. De zinnelijke mensch kan het niet verder brengen dan tot het alledaagsche weten, maar bij de profeten werkt de goddelijke eigenschap van het weten onvermengd; zij bezitten de alwetendheid. De wonderdoener heeft bij de uitvoering van zijne bovennatuurlijke werken niet alleen over menschelijke krachten te beschikken, maar ook over de geheel onbeperkte goddelijke kracht, dat is de almacht.”
»Loop heen met uwe profeten en wonderen!” riep de arts.