Warda: Roman uit het oude Egypte
Part 26
De offerpriester, bespeurende wat er in den Horoscoop omging, zeide: »Thans verstaat gij mij niet, maar heden avond zult gij in de vergadering der ingewijden alles vernemen. Er zijn belangrijke dingen aan de orde. De priesters in den Amon-tempel aan den anderen oever, worden afvallig van hetgeen ons allen die witte kleederen dragen, het heiligste moest zijn. Zij zullen ons tegenhouden, als de tijd tot handelen gekomen is. Bij het feest van het dal zullen wij tegenover onze ambtgenooten van de overzijde staan. Geheel Thebe zal het feest komen vieren en het zal er op aankomen te toonen, wie de godheid waardiger weet te dienen, zij of wij. Wij zullen al onze krachten hebben in te spannen, en Pentaoer kunnen wij het minst van allen missen. Hij moet morgen als Cherheb[216] optreden, morgen alleen; overmorgen stellen wij hem voor onze rechtbank. Onder die ongehoorzame jongens zijn onze beste zangers, is ook de jonge Anana, die de stemmen leidt van het jongelingskoor. Ik zal die onbezonnen knapen terstond in het verhoor nemen. De zoon van Ramses, Rameri, was mede onder deze weerspannigen niet waar?”
[216] Feestredenaar. Wij kunnen ons niet vereenigen met hen, die den naam van dezen redenaar, onder de priesters, met dien der Kolchyten overeen willen brengen.
»Hij schijnt een der raddraaiers geweest te zijn,” antwoordde de Horoscoop.
Ameni zag den oude aan met een lachje, waarin een diepe zin lag, en zeide: »De naaste bloedverwanten des konings bedekken zich met eer! Zijn oudste dochter moet, als eene verontreinigde en weerspannige, op verren afstand worden gehouden van de vromen in den tempel, en wij zullen wel genoodzaakt zijn, zijn zoon uit deze inrichting te verbannen. Gij ziet mij zoo verbaasd aan? Maar ik heb u zooeven reeds gezegd: de tijd om te handelen is gekomen. Doch hierover heden avond! Thans nog eene vraag. Is de mare van den dood van den heiligen ram van Amon tot u gekomen? Ja? Ramses zelf schonk het dier aan de godheid, en ze hadden het zijn naam gegeven. Een slecht voorteeken!”
»Ook de Apis is gestorven,” zeide de Horoscoop, en hief klagend zijne armen omhoog.
»Zijne goddelijke ziel keerde tot de godheid terug,” antwoordde Ameni. »Wij hebben nu veel te doen, voor alles te toonen, dat wij de priesters van de overzijde staan kunnen, en Thebe voor ons te winnen. De panegyrie, die wij tegen morgen in gereedheid brengen, moet alles wat men tot hiertoe gezien heeft overtreffen. De stadhouder Ani schonk mij rijke bijdragen, en....”
»En,” viel de Horoscoop hem in de rede, »onze wonderdoeners kunnen vrij wat beter dingen voor den dag brengen, dan die van het Amon-huis, die zitten te slempen, als wij ons oefenen.”
Ameni knikte toestemmend, en zeide lachend: »Wij zijn voor het volk ook onontbeerlijker dan zij. De priesters van de overzijde besturen de levenden, maar wij effenen den doodsweg, en in het licht kan men gemakkelijker zonder gids wandelen dan in de duisternis. Wij zijn tegen de priesters van Amon wel opgewassen.”
»Zoolang gij ons aanvoert, zeker!” riep de Horoscoop.
»En zoolang het dit huis niet aan mannen ontbreekt van uw geest,” voegde Ameni er bij. Hij richtte zich daarbij half tot den Horoscoop, half tot den tweeden profeet van het Seti-huis, den ouden maar krachtigen Gagaboe, die juist was binnengetreden. Beiden geleidden den offerpriester in den tuin, waar de twee priesters met het wonderhart op hem stonden te wachten.
Ameni groette den overste der offerpriesters van het Amon-huis met waardige vriendelijkheid, den eerste der Kolchyten echter met zekere voorname terughouding. Hij liet zich door hen van alles bericht geven, beschouwde met den Horoscoop en Gagaboe het hart in ’t kastje, nam het angstvallig tusschen zijne lange dunne vingers, bekeek met aandacht het orgaan, dat met specerijen verzadigd, een aangenamen geur rondom zich verspreidde, en zeide ernstig: »Als dit, gelijk gij beweert, Kolchyt, geen menschenhart, maar zooals gij, mijn broeder uit het Amon-huis, verzekert, het hart van een ram is, dat gevonden werd in de borst van den Osiris Roeï, dan staan wij hier voor een raadsel, dat de godheid alleen kan oplossen. Volgt mij in het groote voorhof! Laat het bekken slaan, Gagaboe, viermaal, want ik wensch alle tempelbewoners saam te roepen.”
In krachtige golvingen verbreidde zich het geluid van den tamtam tot aan de uiterste deelen van de uitgestrekte groep gebouwen. De ingewijden, de heilige vaders, tempeldienaars en scholieren stroomden in weinige oogenblikken samen. Niemand behalve een enkele kranke, ontbrak, want ieder bewoner van het huis was verplicht op de viermaal herhaalde roepstem, die maar zelden werd gehoord, in het eerste groote tempelhof te verschijnen. Ook de arts Nebsecht was gekomen, want hij vreesde toen hij den ongewonen vierden slag vernam, dat er brand was uitgebroken.
Zoodra allen waren bijeengekomen, beval Ameni, dat zij zich in rangorde zouden scharen. Hij deelde zijnen verbaasden hoorders mede, dat er in de borst van den gestorven vromen overste van den Hatasoe-tempel, het hart van een ram en niet dat van een mensch was gevonden, en verlangde dat zij hem volgen zouden. Hij gebood allen op de knieën neder te zinken en te bidden, terwijl hij in het Allerheiligste zou gaan, om de goden te vragen, wat dit wonder voor hunne getrouwen te beteekenen had. Hij ging, met het hart in de hand, aan het hoofd van den langen optocht en verdween achter het voorhangsel van het allerheiligste. De ingewijden baden in de door zes zuilen gedragen voorzaal, de overige priesters en leerlingen in het ruime hof, dat aan de westzijde door den majestueusen zuilengang met het poortgebouw werd afgesloten.
Ameni bleef wel een uur in het stille binnenste heiligdom, waaruit dichte wierookwolken naar buiten drongen. Eindelijk vertoonde hij zich weder, brengenden eene gouden met edelgesteenten bezette vaas. Het rijke gewaad van den opperpriester bekleedde thans zijne hooge gestalte. Een priester, die voor hem uitging, hield de vaas met beide handen zoo hoog, dat zij verre boven zijn hoofd uitstak. Ameni’s oogen schenen zich niet van dit kostbaar voorwerp te kunnen afwenden, en hij volgde het, op zijn kromstaf leunende, in deemoedige houding. De ingewijden bogen hunne voorhoofden tot op het steenen plaveisel van de zaal, en de priesters en scholieren raakten met hunne aangezichten den grond, toen zij hun trotschen meester zoo deemoedig en eerbiedig zagen naderen. De biddenden hieven de hoofden eerst op, toen Ameni in het midden van het hof was gekomen en de trappen van het altaar bestegen had, waarop de vaas met het hart werd neergezet. Zij luisterden naar de woorden van den opperpriester, die plechtig, met afgemeten woorden en zoo luide dat allen het hooren konden, het volgende verkondigde:
»Zinkt andermaal op uwe knieën neder! Bewondert, aanbidt, en dankt! De achtbare overste der offerpriesters uit den Amon-tempel te Thebe heeft zich in zijne kunst niet bedrogen, want het hart van een ram werd inderdaad gevonden in de vrome borst van onzen Roeï. In het allerheiligste heb ik duidelijk de stem der godheid vernomen, en wonderbare woorden drongen door tot mijn oor. Wolven verscheurden den heiligen ram van Amon in zijn heiligdom aan den anderen oever van den stroom; maar het hart van het goddelijk dier vond zijn weg naar de borst van den vromen Roeï. Een groot wonder is er geschied, en de goden geven ons een zeldzaam teeken te aanschouwen. De ziel van den Allerhoogste gevoelde zich niet te huis in het lichaam van den niet volmaakt heiligen ram, en zij zocht en vond een reiner verblijf in de borst van onzen achtenswaardigen Roeï, en in deze gewijde vaas. Het hart zal daarin bewaard blijven, tot een nieuwe ram, door eene waardige hand geschonken, in het perk van Amon heeft plaats genomen. Dit hart wordt onder de heiligste reliquieën gerekend; het bezit de kracht velerlei krankheden te genezen. Ook schijnt de voorspellende spreuk, die in wierookdamp stond geschreven, gunstig te zijn. Hoort haar van woord tot woord: ‚Wat hoog is, stijgt hooger, en wat zich verhoogde zal weldra nederstorten.’ Op, Pastophoren! IJlt naar de heilige beelden, draagt ze naar buiten, plaats het goddelijke hart aan het hoofd der processie, en laat ons onder lofgezangen rondom den tempel trekken. Gij, Neokoren, neemt uwe staven ter hand en gaat in alle deelen der stad het groote wonder verkondigen, waarmede de godheid ons heeft begenadigd!”
Nadat de processie een tempelomgang gedaan en zich ontbonden had, nam de overste der offerpriesters van Ameni afscheid, boog zich voor hem diep en volgens de voorgeschreven vormen, en zeide met bijkans vijandige koelte: »Wij zullen in den Amon-tempel weten te waardeeren, wat gij in het Allerheiligste hebt gehoord. Het wonder is geschied; ook de koning zal vernemen, hoe het beloop er van is geweest en met welke woorden gij het hebt aangekondigd.”
»Met de woorden van den Allerhoogste!” antwoordde de opperpriester met waardigheid, boog zich voor den ander en wendde zich tot eenige priesters, die elkander over de groote gebeurtenis van dezen dag onderhielden. Ameni deed eenige vragen betreffende het groote feest dat morgen gevierd zal worden, en liet toen den overste der Horoscopen roepen, terwijl hij beval de oproerige kweekelingen naar den schoolhof te brengen. De grijsaard berichtte, dat Pentaoer teruggekeerd was en volgde het hoofd der inrichting naar de bevrijde gevangenen. Deze waren op het ergste voorbereid en hielden zich overtuigd, dat zij zwaar gestraft zouden worden. Intusschen schudden zij van lachen, toen prins Rameri voorstelde, als zij soms veroordeeld mochten worden op erwten te knielen, deze eerst te laten koken.
»Er zijn niet alleen erwten, maar ook lange asperges”[217], zeide een ander scholier, daarbij eene beweging makende alsof hij sloeg, en op zijn rug wijzende.
[217] Deze waren in Egypte bekend. Volgens Plinius namen zij wijn, waarin asperges waren afgekookt, als middel tegen tandpijn in den mond.
Wederom barstten zij in schaterend lachen uit, dat echter verstomde, zoodra de welbekende stap van Ameni zich hooren liet. Ieder vreesde het ergste, en toen de opperpriester voor hen stond, was zelfs Rameri de lust om te lachen geheel vergaan. Wel is waar zag hij hen niet verstoord of dreigend aan, maar reeds zijn persoon dwong allen zulk een eerbied af, dat ieder, ook zonder dat hij nog een woord sprak, in hem zijn rechter erkende, tegen wiens uitspraak geen verzet denkbaar was. Tot hunne verbazing sprak Ameni de onbedachtzame jongelingen vriendelijk toe, hij prees den beweeggrond van hetgeen zij gedaan hadden, hunne gehechtheid aan een hoogbegaafden leermeester, maar bracht hun daarna duidelijk en bedaard aan het verstand, door welke dwaze middelen en tegen welken prijs zij getracht hadden hun doel te bereiken. »Stel u eens voor,” zeide hij meer bepaald tot den prins, »dat uw hooggeëerde vader een generaal verplaatste, die naar zijn oordeel hem elders beter zou kunnen dienen, van Syrië naar Koesch bij voorbeeld, en dat zijne troepen daarom tot den vijand wilden overloopen! Hoe zou u dat bevallen?”
In dezer voege ging de opperpriester eenige oogenblikken berispend en vermanend voort. Hij besloot zijne toespraak met de verzekering, dat hij heden buitengewoon toegevend wilde zijn, om het groote wonder, dat aan dezen dag eene bijzondere wijding gaf. Hij mocht, naar hij zeide, ter wille van het slechte voorbeeld, geene volkomene vrijstelling van straf geven, en daarom vroeg hijzelf, wie hen tot deze daad had opgezet. Deze en deze alleen moest de straf lijden.
Nauwelijks had hij uitgesproken, of prins Rameri trad op den voorgrond en zeide met bescheidenheid: »Wij zien nu in, heilige vader, dat wij een dommen streek hebben begaan, en ik betreur dien dubbel, omdat ik hem heb verzonnen en de anderen heb verleid mij te volgen. Ik heb Pentaoer innig lief, en na u is er niemand in het Seti-huis, die hem nabij komt.”
Er kwam eene wolk op het gelaat van Ameni, en onwillig antwoordde hij: »Scholieren staat het niet vrij over hunne leermeesters te oordeelen, ook u niet. Waart gij niet de zoon des konings, die als Ra over Egypte heerscht, zoo zou ik uwe onbezonnenheid met slagen doen straffen. Tegenover u zijn de handen mij gebonden, en toch moet ik ze overal en te ieder ure kunnen uitstrekken, opdat de honderden die mij zijn toevertrouwd geen schade lijden.”
»Straf mij dan!” riep Rameri. »Als ik eene dwaasheid bega, ben ik ook bereid er de gevolgen van te dragen.”
Ameni zag den levendigen jongeling weder met welgevallen aan, en zou hem gaarne de hand geschud en zijn kroeskop gestreeld hebben. Maar de straf Rameri toegedacht, moest een groot doel helpen bevorderen, en Ameni kende ook aan geene opwelling van zijn gemoed het recht toe, hem in de uitvoering van een wél overwogen plan te verhinderen. Daarom antwoordde hij den prins met strengen ernst: »Ik moet en zal u straffen, en doe het met u te verzoeken nog heden het Seti-huis te verlaten.”
De prins verbleekte; Ameni ging echter vergoelijkend voort:
»Ik verjaag u niet met schande uit ons midden, maar zeg u vriendelijk vaarwel. Binnen weinige weken zoudt gij deze inrichting toch verlaten, en overeenkomstig het bevel des konings, wiens leven, heil en kracht bloeie! het oefeningskamp der wagenstrijders betrokken hebben. Ik heb ten uwen opzichte over geene andere straf te beschikken dan deze. Reik mij nu de hand. Gij zult een degelijk man en misschien een groot krijgsheld worden.”
Overbluft bleef Rameri tegenover Ameni staan, zonder zijne hem aangebodene rechterhand aan te nemen. Toen naderde de priester hem en zeide: »Gij zeidet mij, dat gij bereid waart de gevolgen uwer dwaasheid op u te nemen, en het woord van een koningszoon is onwankelbaar. Vóor zonsondergang geleiden wij u uit den tempel.”
De opperpriester keerde daarop den kweekelingen den rug toe en verliet den schoolhof. Rameri zag hem na. Zijn anders zoo frisch gelaat was doodelijk bleek geworden, en het bloed scheen uit zijne lippen verdwenen. Geen zijner makkers durfde hem naderen, want ieder hunner was overtuigd, dat de gedachten die ’s jongelings ziel vervulden, niet lichtvaardig mochten worden verstoord. Niemand sprak een woord, maar allen zagen op hem.
Zoodra Rameri dit bespeurde, trachtte hij zich te beheerschen en zeide op een toon, die zijne aandoeningen verried, terwijl hij Anana en een anderen vriend zijne handen toestak: »Ben ik dan zoo slecht, dat men mij aldus uit uw midden verstooten en mijn vader zulk een leed berokkenen moet?”
»Gij hebt Ameni uw hand geweigerd,” zeide Anana. »Ga heen, reik hem de uwe, smeek hem, dat hij wat minder streng zij, mogelijk laat hij u dan nog in deze inrichting.”
Rameri antwoordde enkel »neen!” Maar dat =neen= klonk zoo bepaald, dat allen die hem kenden wel wisten, dat er niets aan te veranderen was.
Eer de zon onderging verliet hij de school. Ameni zegende hem, zeggende, dat de prins, als hij zelf te bevelen zou hebben, zijne strengheid zou begrijpen. Aan de overige leerlingen was het vergund hem tot aan den Nijl te begeleiden. Pentaoer nam hartelijk afscheid van hem aan de tempelpoort.
Toen Rameri met zijn hofmeester alleen was in de kajuit van zijne vergulde bark, gevoelde hij dat zijne oogen zwommen in tranen.
»Mijn prins weent toch niet?” vroeg de beambte.
»Waarom?” gaf de koningszoon barsch ten antwoord.
»Ik meende op de wangen van mijn prins tranen te hebben opgemerkt,” hernam de ander.
»Tranen van vreugde, omdat ik uit den val ben,” riep Rameri sprong aan land en was weinige minuten later in het paleis der pharao’s bij zijne zuster Bent-Anat.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Deze dag, zoo rijk aan gebeurtenissen, zou niet alleen vele onverwachte dingen brengen aan de bewoners van de doodenstad, maar ook aan onze bekenden in Thebe.
Vrouwe Katoeti was na een slapeloozen nacht vroeg opgestaan. Nefert was laat te huis gekomen, had zich over haar lang uitblijven verontschuldigd en hare moeder kortelijk medegedeeld, hoe Bent-Anat haar geruimen tijd had opgehouden. Vriendelijk was zij heengegaan, nadat Katoeti haar een nachtkus op het voorhoofd had gedrukt. Toen de weduwe zich in haar slaapvertrek wilde terugtrekken en Nemoe de pit van hare lamp aanstak, kwam haar het geheim weder in de gedachte, dat Paäker geheel in de handen van den stadhouder zou overleveren. Zij beval den dwerg haar mede te deelen wat hij wist, en de kleine vertelde haar eindelijk, hoewel met ongeveinsden tegenzin, want hij was bang voor zijne moeder, dat de gids zijne meesteres Nefert de helft van een liefdedrank had aangeboden, waarvan de andere helft vermoedelijk nog in zijn bezit was.
Weinige uren geleden zou dit bericht Katoeti met weerzin, ja, met ontzetting hebben vervuld. Thans keurde zij de daad van den Mohar ook wel af, maar zij vroeg toch met belangstelling, of zulk een drank werkelijk eenige uitwerking kon hebben.
»Zeker wel,” antwoordde de dwerg, »wanneer de geheele inhoud van het fleschje wordt gebruikt; doch Nefert kreeg maar de helft te drinken.”
Laat in den avond begaf Katoeti zich naar haar slaapvertrek, geheel vervuld met de gedachte aan Paäker’s waanzinnige liefde, Mena’s trouwbreuk en de groote verandering, die er met Nefert had plaats gegrepen. Toen zij op haar rustbed lag, werd zij gekweld door duizend angsten, vermoedens en vreezen. Niet het minst verontrustte haar, dat een gevoel, hetwelk tegen elken aanval bestand moest zijn, de liefde van het kind voor hare moeder, bij Nefert zoo geweldig was geschokt. Dadelijk na zonsopgang begaf zij zich naar de huiskapel, offerde daar aan het in de gestalte van Osiris bewerkte beeld van haar gestorven echtgenoot, reed naar den tempel en bracht daar een poos in het gebed door. Bij haar terugkomst vond zij hare dochter echter nog niet in de openbare galerij, die wij kennen en waar zij gewoon was haar ontbijt te gebruiken.
Katoeti bleef in het morgenuur gaarne ongestoord, en daarom verzette zij zich niet tegen de neiging harer dochter, die gaarne nog wat in de kunstmatige duisternis van haar vertrek bleef slapen, als de zon reeds aan den hemel was. Wanneer de weduwe naar den tempel reed, dronk Nefert gewoonlijk op haar bed eene schaal melk, waarna zij zich liet kleeden. Keerde hare moeder terug, dan vond zij haar in de ons welbekende veranda. Heden nu moest Katoeti alleen ontbijten. Toen zij een weinig had gegeten, bedekte zij Nefert’s ontbijt, bestaande uit een tarwekoek en wat wijn in een zilveren bekertje, zorgvuldig met een dunnen doek tegen stof en insecten, waarop zij zich naar het slaapvertrek harer dochter begaf. Zij schrikte toen zij dit ledig vond, maar weldra vernam zij, dat Nefert zich veel vroeger dan andere dagen naar den tempel had laten dragen.
Zij haalde vrijer adem, toen zij in de veranda terugkwam, om haar neef Paäker te ontvangen, die inmiddels gekomen was om naar de gezondheid zijner betrekkingen te vernemen. Hij liet zich twee prachtige bloemruikers[218] door een slaaf nadragen, en had den grooten hond bij zich, die reeds aan zijn vader had behoord. Den eenen ruiker, zeide hij, had hij voor Nefert, den anderen voor hare moeder laten snijden. Katoeti stelde nog te meer belang in Paäker, sedert zij wist, dat hij zich van den liefdedrank had bediend. Maar zelden liet een jongeling uit den stand waartoe hij behoorde, zich zoo door hartstochtelijke liefde voor eene vrouw beheerschen als deze man, die met taai geduld en vaste wilskracht op zijn doel afging, en geen middel ontzag om het te bereiken. De gids, die onder hare oogen was opgegroeid, wiens zwakheden zij kende en op wien zij gewoon was neer te zien, stond daar opeens voor haar als een ander vreemd mensch, een redder voor zijne vrienden, een onbarmhartig tegenstander van zijne vijanden.
[218] De voorstellingen op de gedenkteekenen leeren ons, dat reeds in het oude Egypte, evenals bij ons, bloemruikers als teeken van vriendschap werden gegeven.
Maar enkele oogenblikken hadden deze gedachten haar bezig gehouden, toen zij haar oog op de ineengedrongen gestalte van haar sterk gespierden neef liet rusten, en het trof haar dat hij uiterlijk zoo weinig geleek op zijn vader, die slank en schoon gebouwd was. Dikwijls had zij de fijne handen van haar overleden zwager bewonderd, die toch ook den greep van het zwaard zoo vast wisten te omklemmen; maar de handen van zijn zoon waren breed en lomp. Terwijl Paäker vertelde, dat hij weldra zou opbreken om naar Syrië te vertrekken, volgde zij onwillekeurig de beweging van zijne hand, die telkens naar den gordel greep, als had hij daar een zeker iets te verbergen. Dat zeker iets was niets anders dan het langwerpige albasten fleschje met den liefdedrank. Katoeti bemerkte het, en hare wangen verbleekten; want zij begon te vermoeden wat het inhield.
Den gids kon de ontroering van zijne nicht niet ontgaan, en daarom zeide hij deelnemend: »Ik kan het u aanzien, dat gij lijdt. De opzichter van Mena’s stoeterij in Hermonthis is zeker bij u geweest. ― Niet? Gisteren kwam hij mij vragen, of ik hem wilde vergunnen zich bij mijne troepenafdeeling aan te sluiten. Hij is boos op u, omdat hij enkele spannen van Mena’s geelvossen heeft moeten afgeven. Het schoonste heb ik gekocht. Prachtige beesten! Nu wil hij naar zijn meester, om hem de oogen te openen, zoo als hij zegt. ― Ga toch zitten, nicht; gij zijt zoo bleek!”
Katoeti voldeed echter volstrekt niet aan dit verzoek; integendeel, zij glimlachte en zeide half onwillig half medelijdend: »Die oude gek gelooft waarlijk, dat ons wel en wee aan die geelvossen hangt. Zult gij hem medenemen? ― Hij wil Mena’s oogen openen? Maar niemand heeft ze hem nog doen sluiten!”
De laatste woorden werden zachter door haar uitgesproken, terwijl zij hare oogen nedersloeg. Ook Paäker zag vóor zich en zweeg. Weldra herstelde hij zich echter en zeide: »Als Nefert nog lang uitblijft, dan ga ik heen.”
»Neen, neen! Blijf!” sprak de weduwe haastig. »Zij verlangt u te zien en kan ieder oogenblik terugkomen. Zie, daar staat haar broodkoek en haar wijn nog onaangeroerd.”
Bij deze woorden nam zij het doekje van de onbijttafel, hief het zilveren bekertje even op en vervolgde toen, het doekje in de hand houdende: »Ik moet u een oogenblik alleen laten, om te onderzoeken of zij misschien niet reeds terug is.”
Nauwelijks had zij de veranda verlaten, of Paäker, na zich overtuigd te hebben dat hij door niemand gezien kon worden, greep driftig het fleschje uit zijn gordel, hield het onder aanroeping van zijn Osirischen vader in de hoogte, en goot het ledig in het bekertje, dat nu boordevol was.
Een oogenblik later verscheen Nefert, en onmiddellijk achter haar Katoeti, in de veranda. Paäker greep naar den ruiker, dien zijn slaaf op een stoel had gelegd, en naderde met aarzelende schreden de jonge vrouw, die heden met zulk een vasten stap vooruittrad en zoo helder en fier de oogen opsloeg, dat zelfs hare moeder haar met verbazing aanzag. Paäker zeide tot zichzelven, dat hij haar nog nooit zoo schoon en levenslustig had gezien. Kon zij haar echtgenoot wel liefhebben, wanneer zij zich diens trouwbreuk zoo weinig aantrok? Behoorde haar hart nu aan een ander? Zou de liefdedrank hem werkelijk in Mena’s plaats hebben gesteld? Ja waarlijk! want hoe begroette zij hem! Reeds van verre reikte zij hem de hand, en liet haar lang in de zijne rusten. Zij dankte hem in hartelijke woorden en prees zijne trouw en grootmoedigheid. Daarna ging zij naar de ontbijttafel, verzocht Paäker zich bij haar neder te zetten, brak haar koek door en vroeg belangstellend naar hare tante Setchem, zijne moeder.