Warda: Roman uit het oude Egypte
Part 25
De weverijen, alsmede de werkplaatsen der kistenmakers en schilders, bevonden zich in talrijke kleine houten huisjes in de nabijheid van de modelkamers. Op zeer grooten afstand vandaar stond het grootste gebouw van deze inrichting, namelijk een laag, maar bijkans onafzienbaar lang, massief steenen huis met een stevig dak. Hier werden de toebereide lijken met de windsels omwikkeld, met amuletten versierd, en voor den tocht naar de andere wereld geheel toegerust. Wat er binnen in dit gebouw, waar leeken slechts voor enkele oogenblikken toegelaten werden, gebeurde, was bovenmate geschikt om bevreemding te wekken. Hier schenen de goden zelven zich met de lichamen der stervelingen bezig te houden. Door de vensteropeningen die naar de straat waren gekeerd, kon men bij dag en bij nacht de woorden van voordrachten en de tonen van hymnen en weeklachten opvangen. De priesterlijke beambten, die hier aan het werk waren, droegen maskers van de goden der onderwereld[208]. Een anubis met den kop van een jakhals werd vooral veelvuldig aangetroffen. Knaapjes, met momaangezichten van zoogenaamde Horus-kinderen, stonden dezen ter zijde, en aan het hoofd- zoowel als aan het voeteinde van elke mummie, zag men eene vrouw, staande of neergehurkt, de laatste met de zinnebeelden van Nephthys, de eerste met die van Isis op het hoofd. Ieder lid van den gestorvene op zichzelf werd met behulp van heilige oliën, amuletten en tooverspreuken aan een bepaalden god gewijd. Voor het omwinden van elke spier was een bijzonder toebereid stuk lijnwaad bestemd. Elke drogerij, ieder windsel moest zijn oorsprong aan eene godheid ontleenen. Dat verward geruisch der liederen, die verkleede gedaanten en die welriekende geuren van allerlei aard werkten inderdaad verdoovend op de zinnen van ieder, die deze plaats bezocht. Het spreekt vanzelf, dat het geheele gebouw waar de balseming plaats had als doortrokken was van de geuren van krachtige hars, zachte rozenolie, scherpe muskus en andere welriekende specerijen, die in den geheelen omtrek, ja tot op zeer verren afstand de lucht vervulden. Als de wind woei uit het zuidwesten, droeg hij deze geuren wel eens over den Nijl naar Thebe. Dat werd voor een ongunstig teeken gehouden, en te recht, want uit het zuidwesten kwam de woestijnwind, die de krachten der menschen verlamde en voor karavanen zoo gevaarlijk was.
[208] Daarop scheen reeds veel in allerlei voorstellingen betrekking te hebben. Men vond het onlangs bevestigd door den papyrus III uit het museum van Boelaq. De Egyptenaars vervaardigden zulke maskers van linnen, dat met een stuco of lijmachtige stof bedekt werd. Aan het hoofdeinde van vele mummie-kisten vindt men het masker van den afgestorvene. Vert.
Op het plein van het modellenhuis stonden verschillende groepen van burgers uit Thebe rondom enkele personen geschaard, waaraan zij hunne deelneming betuigden. Iemand die pas was aangekomen, de overste der offerpriesters van den tempel van Amon, die voor velen een bekende scheen te zijn en met eerbied werd begroet, berichtte, alvorens aan de weduwe van den profeet Roeï zijn rouwbeklag te doen, dat hij vervuld was van eene schrikkelijke gebeurtenis. Er had zich toch aan de overzijde in Thebe een onheilspellend teeken voorgedaan, en wel in den tempel van den koning der goden zelven[209]. Vele nieuwsgierige hoorders verdrongen zich om hem, toen hij vertelde, dat de stadhouder Ani, uit blijdschap over de overwinning van zijne naar Ethiopië gezonden troepen, onder het garnizoen van Thebe, en dus ook onder de wachters van den Amon-tempel, wijn in overvloed had laten uitdeelen, en dat, terwijl de soldaten aan het feestvieren waren geweest, wolven[210] waren ingebroken in den stal van de heilige rammen[211] der godheid. Sommigen waren den dood ontkomen, maar de heerlijke ram, dien Ramses zelf uit Mendes[212] ten geschenke had gezonden, toen hij ten krijg toog, het edele dier, dat Amon tot woning zijner ziel had uitverkoren[213], was door de soldaten, die de treurmare tot aller schrik door de stad kwamen verspreiden, geheel verscheurd gevonden. Op hetzelfde uur was uit Memphis het bericht gekomen, dat de heilige Apis-stier gestorven was.
[209] De god Amon van Thebe.
[210] De wolven zijn thans uit Egypte verdwenen; zij behoorden echter tot de heilige dieren en werden te Lykopolis (Wolfstad), het tegenwoordige Sioet, vereerd en begraven. Daar heeft men ook mummiën van wolven gevonden. Volgens Herodotus (II, 67) begroef men de wolven, waar men ze dood vond liggen, en Aelianus (De natura animalium IX, 18) verhaalt, dat zeker kruid, Lykoktonon, hetwelk voor de wolven doodelijk was, niet gebracht mocht worden in plaatsen, waar wolven werden vereerd.
[211] Amon had overigens ook zijne heilige stieren.
[212] In Mendes werden de rammen bijzonder vereerd. Niet verre van Mansoera, in het Delta, zijn de overblijfselen wedergevonden van de oude stad. Brugsch heeft de aldaar gevonden opschriften uitgegeven, die uitvoerige mededeelingen behelzen over de vereering van den ram, en die eenige berichten dienaangaande bij de oude schrijvers bevestigen en in een nieuw licht plaatsen.
[213] De rammen heeten evenals de ziel „Ba” en de heilige exemplaren dezer dieren hield men voor aardsche openbaringsvormen van de ziel van Ra.
De burgers, die zich verzameld hadden rondom den overste der offerpriesters, hieven terstond luide jammerkreten aan, die wijd en zijd in het rond werden gehoord. De opziener zelf en de weduwe van den profeet Roeï stemden er levendig mede in. Uit het modellenhuis kwamen de verkoopers en beambten, uit de hallen der balsemers de Taricheuten, Paraschieten en hunne handlangers, uit de weverijen de werklieden en spinsters met hunne opzichters te voorschijn, en zoodra zij vernomen hadden wat er gebeurd was, namen allen aan het weegeklaag deel. Zij huilden en schreeuwden, bestrooiden hunne haren en bestreken hunne voorhoofden met stof. Het was een wild en oorverdoovend geraas. Toen het een weinig begon te bedaren en de weeklagers tot hunne bezigheden terugkeerden, kon men duidelijk het gejammer van de bewoners der Nekropolis, ja zelfs van de burgers van Thebe hooren, dat door den oostenwind werd overgedragen.
»Nu zullen zich,” zeide de overste der offerpriesters, »de slechte tijdingen omtrent den koning en het leger wel niet lang laten wachten! De dood van den ram, waaraan wij Ramses’ naam gaven, zal door den pharao nog meer worden betreurd, dan het sterven van den Apis. Inderdaad een veeg, zeer veeg teeken!”
»Mijn gestorven echtgenoot, de Osiris Roeï,” zeide de weduwe, »heeft dat alles vooruit gezien. Als ik maar durfde spreken, zou ik veel kunnen openbaren, wat velen niet aangenaam zou zijn.”
De overste der offerpriesters glimlachte, want hij wist dat de profeet van den Hatasoe-tempel een aanhanger was geweest van het oude koningshuis. Daarom gaf hij ten antwoord: »Ramses’ zon kan wel voor een oogenblik door de wolken worden bedekt, maar haar ondergang zullen noch zij aanschouwen, die er voor vreezen, noch zij die hem vurig wenschen.”
De priester groette hierop koeltjes en ging het wevershuis binnen, waar hij eenige zaken had te doen, en de weduwe steeg weder in haar draagstoel, die aan de poort stond te wachten.
De oude Paraschiet Pinem had ook met zijne gezellen den dood der heilige dieren betreurd. Hij zat nu in de snijkamer op het harde plaveisel, om zijn eenvoudig maal te nemen; want het was middag geworden. De steenen zaal, waarin hij zijne bete broods nuttigde, was slecht verlicht. Zij ontving haar licht door eene kleine opening in het dak, waar de middagzon loodrecht boven stond, zoodat een bundel schitterende stralen, waarin de zwevende stofdeeltjes speelden, door de halfdonkere ruimte op het grauwe plaveisel nederdaalde. Tegen alle wanden stonden mummie-kisten, en op de glad gepolijste tafels lagen de lijken, met grove doeken bedekt. Nu en dan schoot er een rat over den grond, en uit de breede voegen der steenplaten, waarmede de ruimte bevloerd was, kropen schorpioenen langzaam te voorschijn.
Het gevoel van den Paraschiet was sedert lang afgestompt voor het huiveringwekkende van deze plaats. Hij had een grof stuk linnen voor zich uitgespreid, waarop hij de spijzen voorzichtig neerlegde, die zijne vrouw voor hem in den buidel had gestoken, eerst een halven broodkoek, dan wat zout en ten laatste eene ramenas. Doch het zakje bleek nog niet leeg te zijn. Hij greep er weder in en vond een stuk vleesch, tusschen twee koolbladen gewikkeld. De oude Hekt had voor Warda een gazellebout uit Thebe medegebracht, en nu bleek hem dat de vrouwen een stuk ervan in zijn buidel hadden gestoken, om hem wat te versterken. Met ontroering beschouwde hij dit geschenk, maar hij aarzelde er de hand aan te slaan; want het was hem alsof hij het aan de zieke ontstal. Terwijl hij het brood en de ramenas zat op te eten, bleven zijne oogen op dat stuk vleesch als op een kostbaar kleinood gericht, en wanneer eene vlieg het waagde er zich op neer te zetten, sloeg hij die haastig weg. Eindelijk bracht hij het aan zijn mond en dacht daarbij aan vroegere middagen, en hoe dikwijls hij in zijn spijszak eene bloem had gevonden, die Warda bij het brood had gelegd, om hem genoegen te doen. Zijn gemoed schoot vol en in zijne goedige oude oogen welden tranen van dankbaarheid voor zooveel liefde. Hij hief zijn hoofd weder op en daarbij viel zijn blik op de lijkentafel. Onwillekeurig vroeg hij zich af, hoe hij te moede zou zijn geweest, indien daar in plaats van den profeet zonder hart, zijne kleindochter, de zonneschijn van zijn ouden dag, roerloos had gelegen. Een kille huivering voer door al zijne leden, en hij meende dat hij den arts, die haar leven had behouden, zelfs voor den prijs van zijn eigen hart niet te duur betaald zou hebben. En toch ― hij had in zijn langdurig leven zooveel leed en smaad ondervonden, dat hij de hoop op een beter lot aan gene zijde des grafs niet opgeven kon. Daarop greep hij naar de verklaring, die Nebsecht voor hem had opgesteld, hield haar met beide handen in de hoogte, als wilde hij haar aan de hemelsche goden toonen, en tot de goden der onderwereld bad hij, inzonderheid tot de rechters in de zaal der waarheid en gerechtigheid, dat zij hem toch niet mochten toerekenen, wat hij voor anderen, niet voor zichzelven had misdreven, en dat zij Roeï, hoewel van zijn hart beroofd, de rechtvaardiging niet mochten onthouden.
Terwijl zijne ziel aldus in overpeinzing en gebed was verzonken, kwam er beweging voor de deur van het ontledingsgebouw. Het was hem als hoorde hij zijn naam uitspreken, en terwijl hij scherper begon te luisteren, kwam een Taricheut binnen, die beval hem te volgen.
Voor de van harslucht en andere welriekende geuren geheel vervulde zaal, waarin de eigenlijke balseming plaats had, stonden vele Taricheuten zeker voorwerp opmerkzaam te beschouwen, dat in eene albasten schaal lag. De knieën van den oude begonnen te knikken, toen hij het dierenhart herkende, dat hij bij de overige inwendige lichaamsdeelen van den profeet Roeï gelegd had.
De overste der Taricheuten vroeg hem, of hij den gestorven profeet had behandeld.
Pinem stamelde een toestemmend antwoord.
Of dit dan het hart van Roeï was?
De oude knikte bevestigend.
De Taricheuten sloegen verder geen acht op hem. Na een oogenblik onder elkander gefluisterd te hebben, verwijderde zich een hunner, om weldra terug te keeren met den overste der offerpriesters uit den Amon-tempel in Thebe, dien hij nog in het wevershuis had aangetroffen, en den overste aller Kolchyten.
»Laat mij dat hart zien,” zeide de overste der offerpriesters, terwijl hij bij de Taricheuten kwam. »Ik kan in het donker wel onderscheiden of gij goed hebt gezien. Dagelijks onderzoek ik wel honderd dierenharten. Geeft hier! ― Bij alle goden van hemel en onderwereld, dit is het hart van een ram.”
»En het werd in de borst van Roeï gevonden,” luidde de stellige verzekering van een der Taricheuten. »Gisteren werd hij in onze tegenwoordigheid door dezen ouden Paraschiet geopend.”
»Zonderling!” zeide de Amon-priester, »en ongelooflijk! Maar misschien heeft er eene onwillekeurige verwisseling plaats gehad. Hebt gij ook hierboven ergens geslacht, en....”
»Wij reinigen ons,” viel de overste Kolchyt den offerpriester in de rede, »voor het feest van het dal, en sedert tien dagen is bij ons geen dier tot spijziging geslacht. Bovendien liggen de stallen en slachthuizen ver van hier, aan gene zijde van de weverijen.”
»Vreemd!” herhaalde de priester. »Bewaar dit hart zeer zorgvuldig, Kolchyt! Of nog beter: Laat het in eene bus doen. Wij zullen het naar den eersten profeet van Amon brengen. Het schijnt inderdaad, dat hier een wonder is geschied.”
»Het hart behoort in de Nekropolis,” bracht de overste Kolchyt hiertegen in, »weshalve het geschikter zou zijn, als wij het aan den eersten profeet van het Seti-huis, den grooten Ameni ter hand stelden.”
»Gij hebt hier te bevelen,” was het antwoord van den ander. »Laat ons dan heengaan!”
Weinige oogenblikken later werden de offerpriester en de overste Kolchyt in hunne draagstoelen het dal ingedragen, op den voet gevolgd door een Taricheut, gezeten op een stoel, die tusschen twee ezels hing. Deze laatste hield een elpenbeenen kastje, waarin het hamelhart lag, zeer behoedzaam in zijne armen.
De oude Paraschiet Pinem zag de priesters achter een tamarindenboschje verdwijnen. Hoe gaarne was hij hen achterna geijld en had hij alles bekend. Want zijn geweten kwelde hem, deed hem allerlei pijnigende verwijten en noemde hem een bedrieger. Ofschoon zijn geest te traag was, om op eens al de gevolgen van zijn daad te overzien, zoo begon hij toch wel eenigermate te vermoeden, dat hij een zaad had uitgestrooid, waaruit allerlei misleidingen konden geboren worden. Het was hem alsof hij geheel tot leugen en ongerechtigheid was vervallen, als keerde de godin der waarheid, die hij levenslang had gediend, hem verwijtend den rug toe. Na het gebeurde kon hij toch nimmer hopen door de doodenrechters zalig gesproken te zullen worden, als »een die der waarheid getuigenis gaf[214].” Verloren, verspeeld was het doel van een lang leven, zoo rijk aan gebeden en ontberingen! Zijne ziel weende bloedige tranen, het suisde zoo hevig in zijne ooren, dat zijne zinnen verbijsterd werden. Toen hij weder aan den arbeid wilde beginnen en de voetzolen van een lijk afnemen[215], beefde zijne handen zoo hevig, dat hij niet in staat was het mes te gebruiken.
[214] Zie boven blz. 170.
[215] Czermak ontdekte bij zijn onderzoek van twee mummiën te Praag, dat men de voetzolen bij eene had afgesneden en in de borst gestoken. Het 125e hoofdstuk van het Doodenboek behelst eene plaats, waaruit is af te leiden dat dit geschiedde, opdat de voet van hem die voor Osiris moest verschijnen den gewijden bodem van de gerechtzaal niet zou verontreinigen. De mededeelingen van Czermak, waarop reeds hierboven is gewezen, worden gevonden in de =Sitzungsberichten= der klasse van wis- en natuurkunde van de keizerl. koninklijke Academie van wetenschappen te Weenen, 1852.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De treurmare van de jammerlijke wijze, waarop de ram van Amon was omgekomen, alsmede dat de Apis-stier van Memphis was gestorven, had ook reeds het Seti-huis bereikt. Zij was daar met weeklachten ontvangen, waarin al zijne bewoners, van den eersten Horoscoop tot den kleinsten knaap in de laagste schoolklasse instemden. Het hoofd der inrichting, Ameni, bevond zich sedert drie dagen te Thebe, en werd eerst heden teruggewacht. Met onrust en bezorgdheid werd zijn komst door velen tegemoet gezien. De eerste der Horoscopen brandde van verlangen, hem de weder opgevangen leerlingen ter bestraffing over te geven, en Pentaoer zoowel als Bent-Anat bij hem aan te klagen. De ingewijden wisten, dat aan gene zijde van den Nijl zeer gewichtige dingen verhandeld waren, en de losgebroken jongelingen, dat er een streng gericht over hen gehouden zou worden.
De oproerige bende was op water en brood in een open hof opgesloten. Daar de gewone gevangenkamer der inrichting voor allen te klein was, hadden zij nu twee nachten in een schuur op dunne stroomatten moeten slapen. De jeugdige gemoederen waren zeer in spanning, maar wat er in hun omging uitte zich bij den een anders dan bij den ander. Bent-Anat’s broeder, de zoon van Ramses, Rameri, had zich dezelfde behandeling als zijne makkers moeten laten welgevallen. Gisteren hadden zij met hem een weinig den spot gedreven, en zich daarbij nog veel overmoediger getoond, dan zij gewoonlijk waren, doch heden lieten zij het hoofd hangen. De jonge Anana, Pentaoer’s geliefdste leerling, zat in een hoek van den hof met de ellebogen op de knieën, en verborg zijn aangezicht in zijne handen.
»Wij hebben deze streek nu eenmaal begaan,” zeide Rameri, terwijl hij naar Anana toeging en zijne hand op diens schouder legde, »en wij moeten goedschiks of kwaadschiks de gevolgen ervan dragen. Maar schaamt ge u niet, oude jongen! Uwe oogen zijn vochtig en de druppels hier op uwe handen komen zeker niet uit de wolken. Dat heet een zeventienjarige, en wil binnen weinige maanden een schrijver, een volwassen man zijn!”
Anana zag tot den koningszoon op, veegde snel zijne tranen weg en zeide: »Ik was uw aanvoerder. Ameni zal mij uit deze inrichting bannen, en dan moet ik met schande tot mijne arme moeder terugkeeren, die in de wereld niets anders heeft behalve mij.”
»Arme kerel!” sprak Rameri deelnemend. »Het is ook om uit je vel te springen! En wanneer onze streek Pentaoer ten minste nog maar gebaat had!”
»We hebben hem kwaad berokkend,” hernam Anana levendig, »en als onzinnigen gehandeld.”
Rameri knikte toestemmend, zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich, en sprak toen: »Weet ge wel, Anana, dat gij eigenlijk onzen aanvoerder niet geweest zijt? In dit hoofd is het dolzinnige plan opgekomen, en gij hebt het mij slechts helpen uitvoeren. Ik neem alles voor mijne rekening. Ik ben de zoon van Ramses, en Ameni zal zachter met mij handelen dan met ulieden!”
»Hij zal ons in het verhoor nemen,” zeide Anana, »en liever laat ik mij straffen, dan dat ik liegen zou.”
Rameri kreeg eene kleur en riep: »Hebt ge mijne tong ooit hooren zondigen tegen de lichtdochter van Ra? Heidaar! Antef, Hapi, Sent en gij overigen, geeft antwoord! Heb ik ulieden opgehitst of niet? Wie anders dan ik heeft u aangeraden Pentaoer te gaan opzoeken? Heb ik gedreigd, dat ik mijn vader zou verzoeken mij uit het Seti-huis te nemen, of niet? Heb ik u niet aangezet om hetzelfde te doen? Ja of neen? ― Daar hebt gij ’t! Ziet ge wel, Anana, ik ben de ontwerper van deze streek; ik ben de raddraaier, en als wij ondervraagd worden, laat ge mij het eerst spreken. Niemand mag den naam van Anana noemen, niemand, hoort ge! Al slaan ze ulieden met stokken en al laten ze ons honger lijden, wij blijven er bij, dat ik van al het gebeurde oorzaak ben?”
»Gij zijt een brave jongen,” zeide de zoon van den eersten profeet van Amon in Thebe, en drukte daarbij Rameri’s rechterhand, terwijl Anana zijn linker schudde.
De prins maakte lachend zijne handen uit die zijner vrienden los, zeggende: »Laat nu den oude maar komen, we zijn er op voorbereid. Maar ik blijf er bij: ik vraag mijn vader zoo waarachtig als ik Rameri heet, mij naar Chennoe te zenden, als zij Pentaoer niet terugroepen.”
»Hij heeft ons als schooljongens behandeld,” zeide de grootste onder de jeugdige misdadigers.
»En met recht,” antwoordde Rameri. »Ik acht hem daarom te hooger. Gij ziet mij aan voor een lichtzinnigen knaap; doch ik heb mijne eigene gedachten en zal u mijne wijsheid doen kennen.”
Bij deze woorden zag hij zijne makkers aan met komischen ernst en vervolgde, terwijl hij de stem van Ameni nabootste: »De groote mensch onderscheidt zich hierdoor van den kleine, dat hij hetgeen zijn ijdelheid streelt, en hem voor het oogenblik wenschelijk, zelfs nuttig schijnt, versmaadt en onopgemerkt voorbijgaat, wanneer het niet is overeen te brengen met door hem erkende wetten, en met een of ander verheven doel, dat hij zich ter bereiking heeft voorgesteld, maar misschien eerst na zijn dood kan worden verwezenlijkt. ― Deze wijsheid heb ik deels uit den mond mijns vaders opgevangen, deels zelfs bedacht, en nu vraag ik u: kon Pentaoer, als die grootere mensch, ons beter behandelen?”
»Gij spreekt uit,” zeide Anana, »wat mijn hart mij reeds sedert gisteren zeide. Wij hebben gehandeld als kleine kinderen, en in plaats van onzen wil door te zetten, ons zelven en Pentaoer kwaad gedaan.”
Men hoorde het ratelen van een naderenden wagen. Rameri viel Anana in de rede en riep: »Daar is hij! Moed, jongens! Ik ben de schuldige. Hij durft mij niet met den stok te laten slaan, maar hij zal mij met zijne oogen wel raken!”
Ameni stapte haastig van zijn wagen. De portier deelde hem mede, dat de eerste Kolchyt en de overste der offerpriesters van den Amon-tempel te Thebe hem verlangden te spreken.
»Zij kunnen wachten,” antwoordde de profeet kortaf. »Breng ze voorloopig in de tuinzaal. Waar is de eerste der Horoscopen?”
Hij had nog niet uitgesproken, toen de grijsaard naar wien hij vroeg hem rustig te gemoet kwam, om hem op de hoogte te brengen van alles wat er in zijne afwezigheid was geschied. Doch de offerpriester had in Thebe reeds alles vernomen, wat de oude man hem verlangde mede te deelen.
Ameni liet zich, zoo vaak hij het Seti-huis verliet, elken morgen getrouw berichten wat er zich had voorgedaan. Toen nu de Horoscoop met zijn verslag begon, brak hij diens hartstochtelijke aanklacht af met te zeggen: »Ik weet alles! De leerlingen hangen Pentaoer aan en hebben om zijnentwil eene dwaasheid begaan, en gij hebt de prinses Bent-Anat bij hem ontmoet in den Hatasoe-tempel, tot welken hij eene geringe vrouw toegang verleende, zonder dat zij vooraf gereinigd was. Dat zijne erge dingen, die ernstig behandeld moeten worden, maar niet heden. Wees dus gerust! Pentaoer zal zijn straf niet ontgaan. Toch zullen wij hem terstond naar het Seti-huis terug moeten ontbieden, want wij kunnen hem morgen niet missen bij het feest van het dal. Voordat hij veroordeeld is, mag niemand hem onvriendelijk bejegenen, dat verzoek ik u dringend, en ik draag u op dit ook aan de anderen te zeggen.”
De Horoscoop beproefde Ameni te doen gevoelen, welk een ergernis zulk eene ontijdige toegevendheid zou veroorzaken. Maar de offerpriester liet hem niet uitspreken; hij eischte zijn ring van hem terug, riep een jeugdig priester, wien hij het kostbaar kleinood overhandigde, met den last om onverwijld zijn wagen te bestijgen, die nog aan de poort wachtte, ten einde Pentaoer in zijn naam te bevelen in het Seti-huis terug te keeren.
Hoewel innerlijk teleurgesteld, schikte de Horoscoop zich naar den wil van den offerpriester en vroeg alleen: »Zullen nu de misdadige knapen ook ongestraft blijven?”
»Zoo min als Pentaoer,” antwoordde Ameni. »Doch hoe kunt gij dezen jongensstreek eene misdaad noemen? Laat jongens toch vroolijk zijn en overmoedig! Een opvoeder die zijne oogen altijd openhoudt en ze niet ter rechter tijd weet te sluiten, zal hen zeker bederven. Alvorens het leven de toewijding aan ernstige plichten van ons vordert, hebben wij te beschikken over een verbazenden overvloed van krachten. Het kind wendt ze aan bij zijn spel, de knaap als hij met den hamer en den beitel van zijne fantasie luchtkasteelen bouwt en dwaasheden begaat. ― Gij schudt het hoofd, Septah; ik zeg u echter: een dolzinnige jongensstreek is de voorbode van mannelijke daden! Ik zal een van de knapen voor het gebeurde laten boeten, en ook dezen zou ik zonder straf vrijlaten, indien er niet bijzondere redenen waren, waarom ik hem van ons feest verwijderd wil houden.”
Septah weersprak zijn meester niet, want hij wist dat, als Ameni de oogen zoo driftig opsloeg, en zijne anders zoo afgemetene bewegingen zoo ernstig waren als heden, er iets gewichtigs op til was.