Warda: Roman uit het oude Egypte
Part 22
[166] In de tegenwoordige Egyptische steden vindt men, in plaats van onze huurrijtuigen, gezadelde ezels. Op de gedenkteekenen zijn alleen vreemdelingen als op ezels rijdende, afgebeeld. Doch bijna alle aanzienlijken tellen in hunne graven, reeds in vroeger tijd, hun bezit aan ezels op, dat vaak zeer groot is. Er is ook eene voorstelling uit het oude rijk bewaard gebleven, die ons een voornaam Egyptenaar vertoond, zittende op een draagstoel, op de ruggen van twee ezels bevestigd. Lepsius, =Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien=. Abth. II, 126.
De stadhouder had hem te woord gestaan, en het was den slimmen dwerg weldra gelukt diens oor te boeien. Bij zijne schildering van Paäker’s waanzinnigen hartstocht hadden Ani van lachen de tranen langs de wangen gebiggeld. In zijne overige berichten en vorderingen had het manneke zich zeer ernstig en hulpvaardig getoond. Nemoe had het gevoel van eene op het land opgegroeide eend, die men voor het eerst in het water zet; of van een vogel die in eene kooi is grootgebracht, en nu voor de eerste maal vrijheid heeft de vleugels uit te spreiden om te vliegen. Zonder klagen zou hij zich dood gezwommen of gevlogen hebben, wanneer de toestand waarin hij zich bevond aan zijn ijver en zijn vurige begeerte om te handelen, geen perken had gesteld.
Badende in zijn zweet en vol stof kwam hij aan de veelkleurige tent in het vreemden-kwartier, waar de tooveres Hekt haar verblijf pleegde te houden, als zij naar Thebe kwam. Terwijl hij ingewikkelde aanslagen verzon, allerlei mogelijkheden overwoog, en slimme plannen smeedde, telkens het al te gewaagde verwerpende, om het door iets meer uitvoerbaars en minder gevaarlijks te vervangen, had de kleine staatsman geen oog voor het druk gewoel dat hem omgaf[167]. Bij den tempel, waarin de lieden uit Kaft[168] hunne Astarte[169] vereerden, en het heiligdom van Seth, waarbij zij aan hun Baäls[170] offerden, was hij voorbijgegaan, zonder zich te laten storen door het geroep der dansende aanbidders, of door het luitspel en het geklank der cymbalen, dat van achter hunne ringmuren tot zijn oor doordrong. Ook de tenten en de licht en dicht gebouwde houten huisjes der danseressen en lichtekooien trokken hem niet aan. De bewoneressen, die des avonds, met bonte kleederen getooid en allerlei versiersels behangen, de jongelingen van Thebe tot zingenot en zoo menigen dwazen streek wisten te verleiden, sliepen bovendien zoolang de zon aan den hemel gloeide. Alleen in de speelhuizen ging het ook over dag levendig toe, en de politie-agenten hadden moeite den hartstocht der soldaten, die hun geheele aandeel in den buit verloren, of de woede der matrozen, die zich bedrogen waanden, in toom te houden en bloedige tooneelen te voorkomen. Vóor de kroegen lagen eenige beschonkenen, terwijl anderen druk bezig waren, om onophoudelijk de bekers te vullen en te ledigen, zich geheel overleverende aan den geest van wijn of bier. Van de velerlei muzikanten, goochelaars, vuurvreters, jongleurs, slangenbezweerders en paljassen, die des avonds hier hunne kunsten vertoonden, was thans niets te bespeuren. Toch geleek dit vreemdenkwartier wel eene jaarmarkt, die altijd voortduurde.
[167] Herodotus (II, 112) maakt gewag van een kwartier der Tyriërs te Memphis, dat ten zuiden van den tempel van Ptah gelegen was, en waarin de „Aphrodite der vreemdelingen” vereerd werd. Brugsch heeft dit bericht op het kwartier „auch ta”, d. i. de wereld des levens, van de Menes-stad toegepast.
[168] Phoenicië.
[169] De Phoenicische godin komt op Egyptische gedenkteekenen meermalen in de plaats van Sechet voor (Vgl. blz. 61, v.). In Edfoe wordt zij afgebeeld met een leeuwenkop, en staat zij op een met paarden bespannen wagen. In den papyrus uit den tijd van ons verhaal komt haar naam, dien Ramses II ook aan een zijner lievelingspaarden en aan een hond gaf, niet zelden voor.
[170] Volgens den papyrus-Sallier I, koos de Hyksoskoning Apepi (Apophis) „Seth tot heer, en hij diende geen anderen god, die in Egypte was.” Later werd aan de Baäls der Semieten door de Egyptenaars zelve de naam van Seth gegeven, gelijk blijkt uit het te Karnak wedergevonden vredesverdrag van Ramses II met de Cheta, waarin van de eene zijde de verschillende Seth’s der Cheta, Astarte, enz. en van de andere zijde de Egyptische godheden aangeroepen worden. Naast den vorm Seth komt ook die van Soetech voor. Over Seth-Typhon raadplege men, behalve het oude geschrift van Diestel, Pleyte, =Etudes égyptologiques=; Chabas, =Voyage d’un Egyptien=; Ebers, =Aegypten und die Bücher Mose=; Brugsch, =Geogr. Inschriften=; E. Meyer in zijne dissertatie over Seth. De godsvereering der Phoeniciërs wordt het grondigst behandeld in het beroemde werk van Movers. ― Vgl. Tiele, Vergelijkende gesch. der Egypt. en Mesopotamische godsdiensten, St. 3.
Deze genietingen echter, waarvan Nemoe duizendmaal ooggetuige was geweest, hadden hem nooit aangelokt. Hij gaf niets om de liefde van zulke deernen en de winst bij het spel. Al wat gemakkelijk en zonder inspanning te bereiken was door maar plomp toe te grijpen, miste voor hem alle bekoorlijkheid. Niet dat hij bang was voor den ruwen spot dier deernen en die haar bezochten, integendeel, nu en dan ging hij uit eigen beweging er heen omdat hij behagen schepte in woordentwist, en zich overtuigd hield dat er niemand in Thebe leefde, die tegenover hem het laatst aan het woord kon blijven. Vele vreemdelingen waren dit geheel met hem eens, en nog kort geleden had Paäker’s hofmeester van Nemoe gezegd: »Onze tongen zijn stokken, maar die van den kleine is een dolk.”
Het doel waarop de dwerg regelrecht afging was eene groote bontkleurige tent, die echter door niets zich onderscheidde van vele gelijksoortige in de nabijheid. De opening, die tot het binnengedeelte toegang verleende, was breed en thans gesloten door een stuk linnen, dat de plaats van eene deur verving. Nemoe schoof tusschen den wand van de tent en de beweeglijke sluiting behendig door, en kwam in een bijna cirkelvormige veelzijdige ruimte, welker kegelvormig dak op een langen stok als op een zuil rustte. Op den stoffigen grond van dit vertrek lagen afgedankte stukken tapijt, waarop eenige jonge vrouwen in kleederen van allerlei kleur neergehurkt zaten, terwijl eene oude vrouw ijverig met het toilet dier dames bezig was. Zij verfde de nagels van vingers en teenen met oranjekleurige hennah, maakte hare wenkbrauwen en oogleden zwart met mestem[171], ten einde haar blik des te helderder zou uitkomen, blankette de wangen met rood en wit poeder en zalfde de haren met welriekende olie. Het was snikheet in deze tent en geen van de meisjes sprak een woord. Zij lieten zich door de oude stil onder handen nemen zonder zich te verroeren. Van tijd tot tijd greep deze of gene eene der op den grond staande poreuse aarden waterkruiken om te drinken, of opende een doosje, om een nieuw kyphi-balletje[172] op de lippen te leggen. Tegen de wanden lagen verschillende soorten van muziekinstrumenten, als handtrommels, fluiten, lieren en een viertal tamboerijnen op den grond. Op het kalfsvel van eene der laatsten, tusschen den rand met rinkelbellen, sliep eene kat, welker aardige jongen met het klokje van eene andere tamboerijn speelden. Door eene kleine achterdeur van de tent ging eene oude negerin af en aan, omgeven door een zwerm vliegen en muggen, om de schotels met overblijfselen van spijzen, granaatappel-schillen, broodkruimels en knooflookstengels op te ruimen, die van den reeds voor eenige uren afgeloopen maaltijd der meisjes op een der tapijten waren blijven staan of liggen.
[171] Stibium of spiesglas. Zie boven, blz. 60.
[172] Zie boven, blz. 76.
De oude Hekt zat ver van deze deernen op eene bontbeschilderde kist. Zij haalde een pakje uit hare tasch en riep de dienstmaagd toe: »Daar, neem dit reukwerk en verbrand ervan zes korrels, dan zal het ongedierte” ― zij wees op de vliegen, die om het bord in hare hand gonsden ― »wel verdwijnen. Als gij het verlangt, verjaag ik ook muizen en lok de slangen uit hunne gaten, veel beter dan eenig priesterlijk arts.”[173]
[173] In den papyrus-Ebers vindt men voorschriften tot het verdrijven van al dit schadelijk gedierte.
»Houd uwe toovermiddelen voor u zelve,” zeide een der meisjes met heesche stem. »Sedert gij de tooverwoorden over mij gesproken en mij dien drank ingegeven hebt, om mij weder slank te doen worden en lenig, kan ik ’s nachts niet slapen van het hoesten, en word ik door vermoeidheid overvallen, zoo vaak ik dans.”
»Maar ge zijt toch slank geworden,” antwoordde Hekt, »en eerlang zult gij ook niet meer hoesten.”
»Omdat zij dood zal zijn,” fluisterde de negerin de tooveres toe. »Ik weet dat, zoo eindigen de meesten.”
Nemoe’s moeder haalde de schouders op. Zoodra zij den dwerg de tent zag binnensluipen, verhief zij zich van haren zetel. Ook de deernen merkten den kleine op, en maakten dat onbeschrijfelijk geluid, niet ongelijk aan het kakelen van hoenders, dat de oostersche vrouwen bij elke gemoedsaandoening plegen uit te stooten[174].
[174] Het zoogenaamde zagarit.
De dwerg was voor de meisjes geen onbekende, want in hare tent hield zijne moeder zich op, zoo vaak zij in Thebe kwam. Een van de vroolijkste riep daarom: »Ge zijt grooter geworden sedert uw laatste bezoek, kleintje!”
»Gij ook,” haastte Nemoe zich te antwoorden, »maar alleen wat je mond aangaat.”
»En je zijt zoo ondeugend als je klein zijt,” zeide het meisje op haar beurt.
»Dan beteekent mijne boosheid niet veel,” hernam de dwerg lachend, »want ik ben bijzonder klein en laag bij den grond. Heil u, meisjes! Besa helpe u bij uw toilet! Wees gegroet, moeder. Gij hebt mij laten roepen?”
De oude knikte; de dwerg ging naast haar op de kist zitten en zij begonnen zamen te fluisteren.
»Wat ziet ge er stoffig en vermoeid uit,” zeide Hekt. »Ik begin waarlijk te gelooven, dat ge in de brandende zonnehitte te voet zijt uitgegaan.”
»Mijn ezel is dood,” antwoordde Nemoe, »en ik heb geen geld om zulk een rijdier te huren.”
»Een fraai begin voor uwe toekomstige heerlijkheid,” grinnikte de oude. »Wat hebt gij nu gedaan?”
»Paäker heeft ons gered,” antwoordde de dwerg, »en ik kom juist terug van een lang gesprek met den stadhouder.”
»Welnu?”
»Hij zal uw vrijbrief vernieuwen, wanneer gij den gids in zijne handen levert.”
»Goed, heel goed! Ik zou wel wenschen dat hij besloot mij op te zoeken, natuurlijk verkleed; ik kon dan....”
»Hij is bang, en wanneer ik hem zoo iets onuitvoerbaars wilde aanraden, zou hij het niet slim overleggen.”
»Hm,” bromde de oude, »ge kunt misschien gelijk hebben; want wie dikwijls wat te vragen heeft, mag niet meer vorderen dan men geven kan. Een onbeschaamd verlangen beneemt een goedgunstig gever dikwijls den lust om een verzoek in te willigen. Nu, we zullen zien, we zullen zien. Wat is er verder gebeurd?”
»Het leger van den stadhouder heeft de Ethiopiërs geslagen en brengt rijke schatten naar Thebe.”
»Daar kan men de lieden mede koopen,” prevelde de oude. »Goed, goed!”
»Paäkers zwaard is geslepen. Ik geef voor het leven van mijn meester niet meer dan ik in mijn zak heb, en ge weet waarom ik te voet door het stof hierheen gekomen ben.”
»Nu kunt gij ten minste terugrijden,” antwoordde Hekt, terwijl ze den kleine een zilveren ringetje gaf. »Heeft de gids uwe meesteres Nefert wedergezien?”
»Er zijn zonderlinge dingen gebeurd,” zeide de dwerg, die hierop aan zijne moeder vertelde, wat er tusschen Katoeti en Nefert was voorgevallen. Nemoe was een goede luistervink, want van het gehoorde had hij geen woord vergeten.
De oude luisterde met gespannen opmerkzaamheid. »Zie, zie!” prevelde zij, toen Nemoe zweeg. »Dat is dan toch ook eens iets ongewoons. Wat er soms in een mensch omgaat ziet er even walgelijk uit, hetzij hij in een paleis of in eene hut woont. De moeders zijn allen als de apen, zij laten zich met welgevallen ten doode kwellen door hare kinderen, die er haar waarlijk niet dankbaar voor zijn, en de vrouwen zijn gewoon hare oogen wijd te openen, wanneer men haar van het slechte leven harer echtgenooten vertelt. Doch met uwe meesteressen is het iets anders!”
Hekt zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich en vervolgde: »Wel beschouwd laat zich ook dit zeer eenvoudig verklaren, en het is niet vreemder dan het gapen der vermoeide deernen daarginds. Gij hebt mij eens verteld, dat het zoo’n trotsch gezicht was, moeder en dochter naast elkander op den wagen te zien staan, wanneer zij naar feesten en panegyriën[175] rijden. Katoeti, zeidet ge, droeg dan ook zorg, dat er overeenstemming was tusschen de kleuren van haar gewaad en de bloemen in haar kapsel. Voor welke van beide wordt bij zulke gelegenheden de kleeding het eerst gekozen?”
[175] Feestverzamelingen met daaraan verbonden jaarmarkten.
»Altijd voor meesteres Katoeti, die niet afgaat van zekere bepaalde kleuren,” antwoordde Nemoe haastig.
»Ziet gij,” zeide de heks met een lachje, »dat moet zoo zijn. Deze moeder denkt altijd het eerst aan zichzelve, en aan dingen die zij zich ter bereiking heeft voorgesteld. Doch die hangen hoog, en dan treedt zij op alles wat zij bij de hand heeft, zelfs op haar kind, om ze te kunnen grijpen. Zij stuurt Paäker op den hals van Mena, zoo waarachtig als mijn oor suist. Want die vrouw zou in staat zijn voor de oogen harer dochter mora-spel te spelen[176], en haar aan dien lammen hazewind daar uit te huwen, wanneer ze langs dien weg hare eerzuchtige plannen bereiken kon.”
[176] Zie boven, blz. 45.
»Maar Nefert?” vroeg de kleine. »O, gij hadt haar moeten zien. Het duifje was eene leeuwin geworden.”
»Omdat zij Mena liefheeft, gelijk haar moeder zichzelve,” antwoordde de oude. »De dichters zouden zeggen: ‚zij is vol van hem.’ Dat is op haar volkomen van toepassing. Er blijft geen plaats over voor iets anders. Zij wil maar éen ding bezitten, en wee hem die het durft aan te tasten!”
»Ik heb ook wel verliefde vrouwen gezien,” zeide Nemoe, »maar....”
»Maar,” herhaalde de oude, en lachte daarbij zoo hard, dat de deernen zich omkeerden. »Maar die zetten een heel ander gezicht dan uwe meesteres Nefert, niet waar? Dat wil ik wel gelooven, en onder duizenden is er niet éene zoo door deze ziekte aangegrepen, die vlijmender smarten veroorzaakt dan Koeschitisch pijlenvergif in eene opene wond, die sneller om zich grijpt dan de vlam, en moeielijker te genezen is dan de tering, waaraan dat hoestende meisje ginds sterven zal. Hij wien deze kweldemon beheerscht is ellendiger dan een verdoemde, of ook....” en bij deze woorden daalde haar stem ― »gelukzaliger dan de goden, zooveel er maar zijn. Ik weet dat alles ― alles, want ook ik was eene bezetene onder de duizend. En nu, heden....”
»Nu?” vroeg de dwerg.
»Gekheid!” mompelde de heks, en zij rekte zich uit, alsof zij uit den slaap ontwaakte. »Onzin! Hij, op wien ik doel, is sedert lang gestorven. En al ware het niet zoo, het is mij onverschillig. Alle mannen gelijken op elkander, en Mena zal wel niet verschillen van de overigen.”
»De gids Paäker wordt toch zeker door den demon beheerscht, dien gij daar geschilderd hebt?” vroeg de kleine.
»’t Kan zijn,” antwoordde de oude; »maar hij zal eigenzinnig blijven, op gevaar af van krankzinnig te worden. Op dit oogenblik zou hij zijn leven wagen, om te bereiken wat hem ontzegd is. Als uwe meesteres Nefert zijne vrouw was, mogelijk zou hij dan wat tot bedaren komen. ― Maar waartoe al die praatjes! Ik moet nog daarginds in de gouden tent zijn, waar thans alles bijeen is wat geld in den buidel heeft, om met de waardin te spreken....”
»Wat wilt gij van haar?” vroeg Nemoe.
»De kleine Warda aan de overzijde,” luidde het antwoord, »zal weldra geheel hersteld zijn. Gij hebt haar ook weer gezien. Is zij niet schoon geworden, buitengewoon schoon? Nu wil ik zien wat de waardin mij biedt, wanneer ik haar dat kind lever. Zij is met de voeten zoo vlug als eene gazel, en wanneer zij goed wordt geoefend, kan zij den dans in weinige weken leeren.”
Nemoe verbleekte, en zeide zonder aarzelen: »Dat zult gij niet doen!”
»Waarom niet,” vroeg de oude; »wanneer er goed wat mede te verdienen is?”
»Wijl ik het u verbied,” fluisterde de dwerg met heesche stem.
»Kijk nu eens aan!” sprak de tooveres lachend. »Gij moest mijne Nefert zijn, dan zou ik voor hare moeder Katoeti spelen! Maar in ernst gesproken; hebt gij de kleine weergezien en begeert gij haar voor uzelven?”
»Ja,” antwoordde Nemoe. »Als wij ons doel bereiken, laat Katoeti mij vrij en maakt ze mij rijk. Dan koop ik van buurman Pinem zijne kleindochter en neem haar tot vrouw. Ik bouw een huisje voor ons in de nabijheid van het gerechtshof, en sta den aanklagers en aangeklaagden met mijn raad ter zijde, gelijk de gebochelde Sent, die thans op zijn eigen wagen door de straten rijdt.”
»Hm,” zeide de oude. »Dat zou nog zoo kwaad niet zijn, maar misschien is het te laat. Het meisje sprak in hare ijlende koorts van den priester uit het Seti-huis, die haar op bevel van Ameni bezocht. Dat is een deftig jongman, die zeker veel belang in haar stelt. Hij is de zoon van een hovenier, zij noemen hem Pentaoer.”
»Pentaoer?” vroeg de kleine, »Pentaoer? Deze heeft geheel de trotsche houding en het aangezicht van den gestorven Mohar en wil de hoogte in. Maar zij zullen hem spoedig den hoogmoedigen nek breken.”
»Des te beter,” hernam de oude. »Warda zou eene beste vrouw voor je zijn. Zij is goed en bescheiden; en men kan niet weten....”
»Wat?” vroeg de dwerg.
»Wie hare moeder is geweest. Want zij is geene van de onze. Zij is uit den vreemde hierheen gekomen, en men heeft een edelgesteente bij haar gevonden met zonderling schrift. Zoodra zij de uwe is, moeten wij het aan de krijgsgevangenen laten zien, want misschien weet een hunner de vreemdsoortige letterteekens te verklaren. Zij is van goeden huize, dat weet ik zeker, want Warda is het sprekend evenbeeld harer moeder, en reeds toen zij ter wereld kwam, zag zij er uit als een kind van een aanzienlijke. ― Lacht gij daarom, gek? Duizend zuigelingen zijn door mijne handen gegaan, en al brengt men ze in lompen gewikkeld tot mij, zoo weet ik toch te onderscheiden, of hunne ouders tot de grooten of tot de kleinen in den lande behooren. De bouw van den voet en andere kenteekenen verraden het dadelijk. ― Warda mag nu blijven waar zij is, ik zal u helpen. Zoodra er zich iets nieuws opdoet, laat het mij weten.”
ZESDE HOOFDSTUK.
Toen Nemoe, ditmaal op den rug van een ezel, terugkeerde, vond hij noch zijne meesteres, noch Nefert te huis. De eerste had zich naar den tempel en vervolgens naar de stad begeven, terwijl Nefert, den onweerstaanbaren drang van haar hart volgende, tot hare vorstelijke vriendin Bent-Anat was gegaan.
Het koninklijk paleis geleek meer op eene kleine stad dan op een huis[177]. De vleugel waarin de stadhouder zijne residentie hield, en dien wij reeds betreden hebben, lag naar de landzijde; de gebouwen daarentegen, die de koning met zijne familie bewoonde, waren naar de zijden van den stroom gekeerd. Voor den schipper, die de woonplaats der pharao’s voorbij voer, zag zij er schitterend en tegelijk vriendelijk uit, want het gebouw verhief zich niet als éen ontzaglijk lichaam midden uit groote tuinen, maar het bestond uit velerlei geledingen van allerlei vormen. Aan het grootste gebouw, waarin zich de pronk- en feestzalen bevonden, sloten zich onder dezelfde afmetingen aan beide zijden drie rijen paviljoenen aan van verschillende grootte. Zij waren onderling verbonden door zuilengangen of bruggen, waaronder de waterleidingen liepen, die de tuinen besproeiden, en het paleis het aanzien gaven van eene stad op een eiland. Alle deelen van het slot waren uit lichte Nijltegels en sierlijk gebeeldhouwd houtwerk opgetrokken. Van dezelfde steensoort was ook de ringmuur gebouwd, welks toegangen waren afgesloten door hooge poortgebouwen, waarvoor zwaar gewapende soldaten op wacht stonden. De muren en pijlers, de balkons en zuilengalerijen, ja zelfs de daken waren met veelkleurig schilderwerk bedekt. Bij alle poorten stonden lange masten, waaraan roode en blauwe vanen wapperden, als de koning hier verblijf hield. Thans stonden zij met hunne ijzeren punten, die voor bliksemafleiders moesten dienen[178], kaal in de lucht. Ter rechterzijde van het hoofdgebouw lagen de verblijven der koninklijke vrouwen, geheel door dicht plantsoen omringd. Sommige woningen spiegelden zich in het water, dat haar op korter of verder afstand omgaf. Bij dit gedeelte van het paleis werden de koninklijke voorraadschuren gevonden in onafzienbare rijen, terwijl achter het middengebouw, waar de pharao woonde, de kazernen van de lijfwachten en de schatkamers stonden. De linkervleugel eindelijk van het slot, was voor de hofbeambten, de ontelbare bedienden, de paarden en de wagens van den monarch ingeruimd.
[177] De meening, die in vele boeken wordt weergevonden, dat namelijk de tempels tegelijk de paleizen der vorsten zijn geweest, is onjuist. Van goed onderhouden tempels, zooals die van Dendera en Edfoe, kennen wij de bestemming van alle zalen, die alle tot godsdienstige doeleinden gebruikt werden. De gedenkteekenen leeren, dat ook de koningen in uitgebreide, door tuinen omgeven en uit lichte materialen opgetrokken gebouwen woonden. De paleizen geleken op de huizen der aanzienlijken, maar waren grooter dan deze. Zie boven blz. 90.
[178] Volgens een, voor het eerst door Dümichen medegedeeld opschrift te Dendera.
Niettegenstaande ’s konings afwezigheid, heerschte er leven en bedrijvigheid in het paleis van Ramses, want honderden tuinlieden begoten de grasperken, de bloemranden, de heesters en de boomen. Soldaten van de wacht marcheerden af en aan, paarden werden opgetuigd en afgereden, en in den vleugel der vorstelijke vrouwen bewogen zich als in eene bijenkorf dienstmaagden en slaven, hofbeambten en priesters her- en derwaarts.
Nefert was in dit gedeelte van het slot goed bekend. De koninklijke garden en deurwachters lieten haar draagstoel, onder eerbiedige buigingen met het bovenlichaam, onaangeroepen voorbijgaan. In den tuin werd zij ontvangen door een kamerheer, die haar naar den ceremoniemeester bracht. Deze geleidde haar, na haar even te hebben aangemeld, in het vertrek van Ramses’ lievelingsdochter.
Bent-Anat’s woning lag op de eerste verdieping van het paviljoen, dat het naastgelegen was bij het huis van den pharao. Hare overledene moeder had dit vriendelijk vertrek bewoond, doch nadat de prinses eene volwassene jonkvrouw was geworden, wenschte de koning niets liever dan haar in zijne nabijheid te hebben. Hij schonk haar dus het schoone verblijf der te vroeg ontslapene, en tevens, want zij was de oudste zijner dochters, menig voorrecht, dat anders alleen aan koninginnen werd toegestaan.
Het ruime vertrek, waarin Nefert Bent-Anat aantrof, was naar den stroom gekeerd. Eene deuropening, die enkel door een dun voorhangsel was gesloten, gaf toegang tot een lang balkon met eene kunstig uit verguld koper vervaardigde balustrade, omslingerd door leirozen met bleekroode bloemen. Even vóor de vrouw van Mena den drempel overschreed, liet de prinses door eenige slavinnen het ruischend gordijn openschuiven. Want de zon neigde naar het westen; het begon koeler te worden, en Bent-Anat zat gaarne in dit uur op haar balkon, ten einde met eerbiedig gevoel het scheiden van Ra te aanschouwen, die elken avond als grijze Toem[179] achter de Nekropolis onder den westelijken horizon wegdook, om in de onderwereld de gezaligden te verlichten.
[179] Zie boven, blz. 4.