Warda: Roman uit het oude Egypte
Part 21
Ani luisterde zwijgend toe en zeide toen met eene uitdrukking van onrust en bezorgdheid: »Deze man is een dienaar van Ramses en zal weldra weder tot hem in het leger terugkeeren. Menigeen mag onze plannen vermoeden, maar deze nieuwe deelgenoot van ons geheim zou een verrader kunnen worden. Gij dringt en drijft mij ontijdig voorwaarts! Duizend weltoegeruste vijanden zijn minder gevaarlijk, dan een onzekere bondgenoot...”
»Van Paäker kunnen wij zeker zijn,” zeide Katoeti op stelligen toon.
»Wie staat u voor hem borg?” vroeg de stadhouder.
»Hij zal geheel in uwe handen worden overgeleverd,” antwoordde Katoeti ernstig. »Mijn slimme dwerg Nemoe weet, dat hij in het geheim een misdaad heeft gepleegd, waarop bij de wet de doodstraf is gesteld.”
Het gelaat van den stadhouder klaarde op, nu hij op deze wijze werd gerustgesteld. »Dat verandert de zaak,” zeide hij. »Heeft hij een moord begaan?”
»Neen,” antwoordde Katoeti. »De dwerg heeft mij bezworen, dat hij u en u alleen zou mededeelen wat hij weet. Gij kunt gerust op hem staatmaken.”
»Goed goed,” zeide Ani, bedenkelijk het hoofd schuddende; »maar hij is onvoorzichtig, veel te onvoorzichtig! Gij zijt als de ruiters, die om eene weddenschap te winnen hun paard een sprong over lansen laten doen. Valt het in de scherpe punten, zoo wordt dit dier het slachtoffer! Gij laat het liggen en vervolgt uwen weg te voet.”
»Of wij worden tegelijk met het edele ros door de lansen doorboord,” zeide Katoeti ernstig. »Gij hebt meer te winnen en daarom ook meer te verliezen dan wij; maar ook de kleinste heeft zijn leven lief. Behoef ik u verder te zeggen, Ani, dat ik niet voor u werk, om door u iets te winnen, maar alleen omdat ge mij dierbaar zijt als een broeder, en ik in u den vertegenwoordiger zie van de vertreden rechten mijner voorvaderen?”
Ani reikte haar de hand en zeide: »Gij hebt ook met Bent-Anat als mijne vriendin gesproken? ― Begrijp ik uw zwijgen goed?”
Katoeti boog met het hoofd, terwijl haar gelaat eene smartelijke uitdrukking aannam. Ani zeide echter: »Gisteren zou mij dit bewogen hebben van haar af te zien, maar heden heb ik weder moed gekregen. Als de Hathors mij bijstaan, zal ik haar nog wel voor mij kunnen winnen!”
Na deze woorden liep hij de weduwe vooruit naar de galerij, waar Paäker nog steeds onrustig op en neder wandelde. De gids boog zich diep voor den stadhouder, die zijn groet met eene deels trotsche, deels vriendelijke beweging van zijne hand beantwoordde. Toen hij zich op een leuningstoel had nedergevleid, heette hij Paäker welkom, als den zoon van een gestorven vriend en een bloedverwant van zijn huis. »De geheele wereld,” zeide hij, »roemt uwe onverschrokken dapperheid. Mannen gelijk gij zijn er niet veel, en mij ontbreken zij geheel. Ik wenschte wel dat ge mij nader stondt. Maar Ramses zal u niet willen missen ofschoon ― ofschoon ―. Evenwel, uw ambt is tweeledig; het vereischt moed en vaardigheid in de schrijfkunst. Niemand betwijfelt of gij de eerste bezit, maar wel de laatste. Het zwaard en het schrijfriet zijn zeer verschillende wapenen; het eerste vereischt eene stevige vuist, maar het laatste teedere vingers. De koning had vroeger op uwe berichten nog al wat aan te merken; is hij thans beter over u tevreden?”
»Ik wil het hopen,” antwoordde de gids. »Mijn broeder Horus is een geoefend schrijver en vergezelt mij op mijne tochten.”
»Dat is het ware!” zeide de stadhouder. »Als ik te bevelen had, dan zou ik uwe manschappen driemaal verdubbelen: dan gaf ik u vier, vijf, zes schrijvers mede, waarover gij onbepaald zoudt kunnen bevelen. Aan dezen zoudt gij overvloedig stof kunnen leveren voor de berichten, die moeten worden ingezonden. Uw ambt vordert moed en omzichtigheid, en men vindt deze eigenschappen zelden in éen persoon vereenigd. Schrijfhelden zijn er bij honderden in de tempels te vinden.”
»Dat denk ik ook wel,” zeide Paäker.
Ani staarde peinzend naar den grond, en zeide vervolgens: »Ramses schijnt er bijzonder op gesteld u altijd met uw vader te vergelijken. Dat is onbillijk, want de gezaligde was eenig in zijn soort, de dapperste held en tegelijkertijd de fijnste schrijver. Gij wordt valsch beoordeeld, en dat doet mij leed, ja meer dan dat, want door uwe moeder zijt gij verwant aan mijne wel is waar arme, maar toch hoog aanzienlijke familie. Wij zullen zien, of ik u kan stellen op de plaats, die juist voor u het meest geschikt is. Voorloopig heeft men u in Syrië nog noodig, later trekt gij u, omdat het niet anders zijn kan naar den wil der eeuwige goden, op uw erfgoed terug. Gij hebt getoond een man te zijn, die den dood niet vreest en weet te dienen, en moogt uw rijkdom met uwe vrouw dus veilig genieten.”
»Ik heb echter geene vrouw,” zeide Paäker.
»Laat dan Katoeti,” hernam de stadhouder met een glimlach, »wanneer gij terugkeert, het schoonste meisje in het land voor u uitzoeken. Zij ziet dagelijks in den spiegel, en heeft dus een scherp oog voor vrouwelijke bekoorlijkheid.”
Dit gezegd hebbende stond Ani op, groette Paäker met buitengewone vriendelijkheid, gaf de weduwe zijne hand en zeide, terwijl hij de galerij verliet: »Zend mij heden nog het.... ja het doek door den dwerg Nemoe!”
Toen hij al in den tuin was, keerde hij zich nog eens om en riep Paäker toe: »Heden avond komen eenige vrienden bij mij eten, ik noodig u uit van de partij te zijn!”
De gids boog. Hij had een duister vermoeden, dat hij door onzichtbare draden werd omsponnen. Tot deze ure was hij er trotsch op geweest, dat hij zich geheel aan zijn ambt had gewijd, en als Mohar dappere daden verricht, en nu moest hij ondervinden dat dezelfde koning, wiens eereketen zijn hals sierde, hem minachtte, en hem misschien alleen om zijns vaders wil in zijn moeitevol en gevaarlijk ambt duldde, hetwelk hij vrijwillig en belangeloos op zich genomen had, in weerwil dat zijne rijkdommen hem naar Thebe lokten. Hij wist zeer goed, dat hij met het schrijfriet zeer onhandig omging, maar dit was geen reden om hem te minachten. Honderdmaal had hij gewenscht zijne positie zoo te kunnen inrichten, als Ani haar voor hem had afgeteekend. Nochtans was zijn verzoek om schrijvers te mogen houden door Ramses afgewezen. Wat hij wist te bespieden, was hem geantwoord, moest geheim gehouden worden; en niemand kon instaan voor de stilzwijgendheid van een tweede. Toen zijn broeder Horus groot was geworden, volgde deze hem als zijn gehoorzame dienaar, ook nog nadat hij eene vrouw had genomen, die in Thebe bij hunne moeder Setchem met haar kindje achterbleef. Op dit oogenblik bekleedde hij in Syrië Paäkers plaats, slecht zooals de gids meende, ofschoon hij vele bewijzen van goedkeuring ontving. Want hoe onbeduidend overigens, wist hij gladde taal vaardig te schrijven.
De man, die zoo zeer aan de eenzaamheid gewoon was, trok zich geheel in zichzelf terug en vergat alles om hem, ook de weduwe, die zich op een kussen had nedergevlijd en hem zwijgend gadesloeg. Hij tuurde in de ruimte, terwijl allerlei denkbeelden ordeloos zijn hoofd doorkruisten. Hij gevoelde zich vreeselijk verongelijkt, en het was of de noodzakelijkheid hem was opgelegd een schrikkelijk onheil over anderen te brengen. Alles wat hij thans ondervond was zoo onduidelijk en nevelachtig. Liefde en haat smolten in zijn binnenste samen. Doch met vaste, door geen twijfel geschokte zekerheid, hoopte hij op het bezit van Nefert. De goden stonden diep bij hem in schuld! Hoeveel opoffering had hij zich niet voor hen getroost, en hoe luttel waren de weldaden, die zij hem bewezen hadden! Hij kende maar éene vergoeding voor zijn verwoest levensgeluk, en daarop meende hij zoo zeker te kunnen rekenen, als op een kapitaal, dat hij tegen goede schuldbekentenissen had uitgezet. In deze ure vergalden bittere ervaringen de zoete hoop, waarmede hij zich had gevleid, en te vergeefs trachtte hij tot rust en klaarheid te komen. Op zulke kruiswegen kon hij van geen amulet, van geen vraag- en antwoordspel uitkomst verwachten. Het gold hier te overleggen en plannen te smeden, en toch vermocht hij geen enkele goede gedachte te vinden, geen aanslag te verzinnen.
Heftig bracht hij de hand aan zijn brandend voorhoofd, en dit deed hem ontwaken uit zijn somber gepeins. Op eens herinnerde hij zich waar hij zich bevond, en zoowel het gesprek dat hij met de moeder zijner geliefde gevoerd, als het woord dat zij tot hem gezegd had. Zeker, zij verstond de kunst mannen te leiden. »Zoo moge zij dan voor mij denken,” prevelde hij in zichzelf; »de uitvoering is mijne zaak.”
Langzaam ging hij naar haar toe en zeide: »Het blijft daarbij: wij zijn bondgenooten.”
»Tegen Ramses en voor Ani,” antwoordde zij, hem hare tengere rechterhand toestekende.
»Binnen weinige dagen breek ik op naar Syrië; gij kunt onderwijl overleggen welken last gij mij hebt op te dragen. Het geld voor uw zoon zal heden nog na zonsondergang bij u nedergelegd worden. Kan ik Nefert mijn groet brengen?”
»Op dit oogenblik niet, want zij is in den tempel om te bidden.”
»Morgen dan?”
»Gaarne, mijn lieve vriend! Het zal haar verblijden u te zien en u te danken.”
»Vaarwel Katoeti!”
»Noem mij moeder,” zeide de weduwe, en zond den vertrekkende nog een groet met haar sluier achterna.
VIERDE HOOFDSTUK.
Zoodra Paäker achter de struiken verdwenen was, sloeg Katoeti op eene metalen schijf. Dadelijk verscheen er eene slavin, aan welke zij vroeg, of Nefert al uit den tempel was teruggekeerd.
»Haar draagstoel hield zooeven stil bij de achterpoort,” luidde het antwoord.
»Ik wacht haar hier,” beval de weduwe.
De slavin verwijderde zich en eenige minuten later kwam Nefert de galerij binnen.
»Gij hebt mij geroepen,” zeide zij, na hare moeder gegroet en zich op haar rustbed nedergevlijd te hebben. »Ik ben moede. Neem den waaier, Nemoe, en weer de vliegen van mij af!”
De dwerg zette zich voor haar op een kussen neder en begon den waaier, gevormd door struisvederen in een halvemaan gerangschikt, op en neder te bewegen. Doch Katoeti belette hem voort te gaan, zeggende: »Laat dat nu, wij hebben elkaar alleen te spreken.”
Nemoe haalde de schouders op en stond weder op. Nefert zag echter hare moeder aan met een blik, waaraan deze geen weerstand kon bieden, en zeide op zulk een weeken toon, als hing er haar geluk of ongeluk van af: »Laat hem begaan. De vliegen hinderen mij zoo. Nemoe kan toch zwijgen.” Daarbij vatte zij het groote hoofd van den kleinen man tusschen hare handen, alsof het de kop van een schoothondje was. Toen riep zij de witte kat, die met een sierlijken sprong op haar schouder wipte, en daar met gekromden rug bleef staan, om zich door hare zachte vingers te laten streelen.
De dwerg zag zijne meesteres vragend aan; maar deze richtte zich tot hare dochter en zeide met nadruk: »Ik heb hoogernstige dingen met u te bespreken.”
»Zoo?” vroeg de vrouw van Mena. »Maar ik kan mij toch niet door de vliegen laten steken. Nu dan, wanneer gij het verlangt....”
»Laat Nemoe dan blijven,” zeide Katoeti, en er lag in haar stem iets van den toon, waarop eene kindermeid een ongezeglijk kind zijn zin geeft. »Hij weet bovendien waarover wij te spreken hebben.”
»Ziet gij wel!” hernam Nefert, terwijl zij den kop van haar wit katje kuste en den dwerg den waaier weder in de hand gaf.
De weduwe zag hare dochter met oprecht medelijden aan, kwam hare eene schrede nader, en gevoelde zich voor de duizendste maal verrast door den indruk van hare buitengewone bekoorlijkheid. »Arm kind,” zuchtte zij, »hoe gaarne zou ik u het schrikkelijke besparen, dat gij toch eens hooren, eens ondervinden moet. Laat nu dat kinderachtige spel met die kat; ik heb u dingen mede te deelen van vreeselijken ernst.”
»Spreek het maar uit,” antwoordde Nefert; »heden vrees ik ook het ergste niet. Mena’s gesternte, heeft de Horoscoop mij gezegd, stond midden onder het geluksteeken. In den Besa-tempel[162] raadpleegde ik het orakel en vernam, dat het mijn man goed ging. Mijne ziel is geheel verruimd door mijne gebeden. Spreek slechts; ik weet het reeds: de brief van mijn broeder uit het leger behelsde niets goeds. Eergisteren avond hebt gij geweend, en gisteren zaagt ge er zoo slecht uit. Zelfs de granaten in uw haar stonden u niet.”
[162] Zie boven, bl. 28.
»Uw broeder,” sprak Katoeti al zuchtend, »veroorzaakt mij bitter verdriet, en wij zouden door hem tot eerloosheid zijn vervallen....”
»Wij? Tot eerloosheid?” vroeg Nefert en greep angstig naar haar katje.
»Uw broeder verloor bij het spel ongehoorde sommen; om ze terug te winnen, verpandde hij de mummie zijns vaders....”
»Verschrikkelijk!” riep Nefert. »Dan zullen wij ons tot den koning moeten wenden! Ik zelve zal hem schrijven, en om Mena’s wil zal hij mij hooren. Ramses is groot en edel, en hij zal eene geheele familie, die hem zoo trouw aanhangt, niet tot schande laten vervallen, door de lichtzinnigheid van een dollen jongen. ― Ja stellig, ik schrijf hem!”
Dat alles zeide zij op een toon van het kinderlijkst vertrouwen. Alsof deze aangelegenheid was afgedaan, beval zij Nemoe den waaier wat sneller te bewegen.
Verbazing en ontevredenheid over de onnatuurlijke kalmte van hare dochter, voerden strijd in het hart van Katoeti. Doch zij hield eene berisping op hare lippen terug, en zeide gelaten: »Wij zijn reeds geholpen, want mijn neef Paäker, zoodra hij vernomen had welk gevaar ons dreigde, bood zijne hulp aan, vrijwillig, zonder daartoe aangezocht te zijn, uit de goedheid van zijn hart en uit trouwe gehechtheid.”
»Die goede Paäker!” riep Nefert. »Hij had mij zoo lief, en gij weet het, moeder, hoe ik hem altijd verdedigd heb. Ongetwijfeld heeft hij thans om mijnentwil zoo grootmoedig gehandeld.”
De jonge vrouw zeide dit lachend, en vatte haar katje weder bij den kop. Zij hield het koele snoetje van het beest tegen haar neus, liet zich door zijne groene oogen aanstaren en zeide, de spraak van een kind nadoende: »Ziet gij wel, Miauwtje[163], hoe goed men is voor uwe kleine meesteres?”
[163] Bij de Egyptenaars heette de kat: Maoe.
Katoeti voelde zich opnieuw beleedigd door dat kinderlijk spel harer dochter en zeide: »Ik dacht dat gij niet zoudt spelen en gekheid maken, wanneer ik zulke ernstige dingen met u bespreek. Ik heb reeds lang opgemerkt, dat het lot van het huis, waartoe gij van vaders- en moederszijde behoort, u onverschillig is geworden, en toch zult gij onder mijn dak bescherming en liefde moeten zoeken, wanneer uw echtgenoot u....”
»Welnu, moeder?” vroeg Nefert, terwijl zij zich oprichtte en sneller begon adem te halen.
Zoodra Katoeti bespeurde dat haar kind in beweging werd gebracht, gevoelde zij er berouw over, dat zij hare mededeeling niet voorzichtiger had ingeleid. Want zij had hare dochter lief en wist dat zij haar hart zou wonden. Daarom ging zij voort, op een toon van innige deelneming: »Al schertsend hebt ge u zoo even beroemd, dat de menschen goed voor u waren, en dat is waar. Gij verovert de harten geheel door uw persoon, alleen door te zijn zoo als gij zijt. Mena heeft u zeker ook hartelijk lief gehad, maar de scheiding, zegt het spreekwoord, is de vijandin van de trouw, en Mena heeft....”
»Wat heeft Mena?” viel Nefert andermaal hare moeder in de rede, en daarbij trilden de vleugels van haar fijnen neus.
»Mena heeft,” ging Katoeti op vasten en verontwaardigden toon voort, »de trouw en achting, die hij u verschuldigd was, geschonden en met voeten getreden....”
»Mena?” vroeg de jonge vrouw met vlammende oogen. Zij wierp de kat vrij onzacht op den grond, en sprong van haar rustbed op.
»Ja, hij!” zeide Katoeti, zonder te aarzelen. »Uw broeder schrijft, dat hij als aandeel in den buit geen zilver of goud, maar de schoone dochter van den vorst der Danaërs in zijne tent heeft genomen; die eerlooze schelm!”
»Die eerlooze schelm!” riep Nefert, terwijl zij nog eens de laatste woorden harer moeder herhaalde.
Katoeti ging met schrik een paar schreden achteruit, want haar zacht, lijdelijk, kinderachtig dochtertje stond daar vóor haar bijkans onkenbaar veranderd. Zij zag er uit als een wonderschoone wraakgodin. Hare oogen fonkelden, haar adem was gejaagd, hare leden beefden, en met buitengewone kracht en behendigheid greep zij den dwerg Nemoe bij de hand, sleepte hem naar eene der deuren die toegang verleenden tot de binnenvertrekken, rukte haar open, duwde den dwerg over den drempel, wierp de deur achter hem in ’t slot, en trad daarop met doodsbleeke lippen hare moeder tegemoet.
»Een eerloozen schelm hebt gij hem genoemd?” riep zij, buiten zichzelve van toorn, met eene gedempte heesche stem. »Een eerlooze schelm! Neem dat woord terug, moeder! Neem het terug, of....”
Katoeti werd al bleeker en bleeker, en zeide, om het wat goed te maken: »Dat woord mag hard klinken, maar hij heeft toch zijne trouwbelofte jegens u verbroken en u openlijk beschimpt.”
»En dat zal ik gelooven?” hernam Nefert met een honenden lach. »Dat zal ik gelooven, omdat de schandelijke jongen dat geschreven heeft, die zijns vaders mummie en de eer zijner familie verdobbelde; gelooven, nu de ware echte schelm het vertelt, dien een oorveeg van mijn man zou dooden? Zie mij aan, moeder! Dat zijn mijne oogen! En al ware dat postament daar Mena’s tent, en al waart gij Mena, en al leiddet gij de schoonste aller vrouwen aan de hand en sleeptet haar in uw verblijf, en al zagen deze mijne oogen het een en andermaal, dan zou ik toch lachen, gelijk ik nu lach, en zeggen: ‚Wie weet wat hij die schoone daar binnen te geven of te berichten heeft,’ en ik zou geen oogenblik twijfelen aan zijne trouw. Want uw zoon is valsch en Mena is oprecht. Osiris is Isis ontrouw geworden[164], maar Mena mag de gunsteling zijn van duizend vrouwen, in zijne tent zal hij geen andere nemen dan mij.”
[164] Plutarchus, Isis en Osiris, c. 14.
»Blijf dan bij deze uwe overtuiging, zoo gij wilt,” antwoordde Katoeti bitter, »maar laat mij de mijne.”
»De uwe?” vroeg Nefert, en haar wangen, zooeven rood van verontwaardiging, werden weder bleek. »Wat gelooft gij dan? Van den man, die u met weldaden heeft overladen, hoort gij allerliefst het slechtste en gemeenste! Hij zou een schurk zijn? Foei, moeder! Hoe kunt gij hem een eerloozen schelm noemen, die u met zijn goed naar welgevallen laat handelen!”
»Nefert!” riep Katoeti gejaagd. »Ik zal....”
»Doe wat gij wilt,” viel de beleedigde vrouw hare moeder in de rede, »maar werp geen smet op den grootmoedigen man, die u niet belette zijn erfdeel ter wille van uw zoon en uwe eerzucht met schulden te bezwaren. Sedert eergisteren weet ik, dat wij niet rijk zijn. Ik heb er over nagedacht en mij afgevraagd, waar dan onze koeien en runderen, onze schapen en de inkomsten van onze pachters gebleven zijn. Het erfdeel van dien schelm was u niet te slecht! Maar dit zeg ik u: ik zou niet waard zijn de gade van den edelen Mena te heeten, wanneer ik duldde, dat men zijn naam onder zijn eigen dak belastert. Blijf bij uwe overtuiging, blijf er bij; doch weet dat dan een van ons beiden dit huis moet verlaten, gij of ik....”
Bij deze laatste woorden barstte Nefert in hevig snikken uit. Zij wierp zich voor haar rustbed op de knieën, verborg haar aangezicht in de kussens en snikte zonder te kunnen ophouden.
Katoeti stond achter haar als verpletterd en radeloos. Eene huivering voer door al hare leden. Was dat haar zacht en droomerig kind? Had ooit eene dochter gewaagd zóo tegen hare moeder te spreken? Was zij of was Nefert in haar recht: Deze vraag drong haar als met onweerstaanbare kracht naar het rustbed. Zij knielde naast de jonge vrouw neder, sloeg den arm om haar hals, drukte haar hoofd tegen dat van Nefert en fluisterde smeekend: »Kind, wat zijt gij hard en wreed! Vergeef uwe arme beklagenswaardige moeder, en doe de maat harer ellende niet overvloeien.”
Nefert stond op, kuste hare hand en ging zwijgend naar haar vertrek. Katoeti bleef alleen staan. Het was haar alsof de ijskoude vingers van eene doode hand haar hart omklemden, en zij fluisterde zacht in zichzelve: »Ani heeft gelijk! Alleen dat keert zich ten goede, waarvan men zich het ergste heeft voorgesteld!”
Zij bracht de hand aan het voorhoofd, als kon zij niet gelooven, wat zij zich onmogelijk had kunnen voorstellen. Eene stem in haar binnenste zeide, dat zij hare dochter volgen moest. Doch in plaats van dit te doen verzamelde zij al haar moed, om nog eens alles, wat Nefert haar voor de voeten had geworpen, in haar geheugen terug te roepen. Geen enkel woord liet zij zich ontgaan, en toen zij ten einde was, prevelde zij: »Zij kan alles verijdelen. Ter wille van Mena offert zij mij en de geheele wereld op. Mena en Ramses zijn éen, en als zij bemerkt wat wij in het schild voeren, dan verraadt zij ons ongetwijfeld. Tot hiertoe geschiedde alles onder haar oog, zonder dat zij er iets van gewaar werd, maar heden is haar een licht opgegaan; een oog, een mond, een oor zijn geopend, die tot dusverre gesloten waren. Het is haar gegaan als den stomme, wien een hevige schrik plotseling het spraakvermogen teruggeeft. ― Mijn geliefd kind zal mijne bewaakster worden en mijn rechter.”
Deze laatste woorden sprak zij niet uit, maar het oor in haar binnenste vernam ze. Omdat zij de stem, die haar dit toefluisterde, vreesde en de eenzaamheid haar beangstigde, riep zij den dwerg, en beval hem den draagstoel gereed te laten maken, daar zij den tempel wilde bezoeken en de gewonden, die uit Syrië herwaarts waren gezonden.
»En het doek van den stadhouder?” vroeg Nemoe.
»Was een voorwendsel” antwoordde Katoeti. »Hij verlangt u te spreken over hetgeen gij zegt omtrent Paäker te weten gekomen te zijn. Wat is dat?”
»Vraag het mij niet,” bad de kleine man; »ik mag het waarlijk niet verraden. Bij Besa, die ons dwergen beschermt[165], het is beter als gij het nog niet te weten komt.”
[165] Misschien om zijne pygmeën-gestalte.
»Ik heb heden al nieuws genoeg vernomen,” hernam Katoeti. »Ga nu tot Ani, en wanneer het u gelukt hem Paäker geheel over te leveren, zoo.... zoo ―, maar ach wat heb ik nog weg te geven, ― zoo zal ik u dankbaar zijn. En wanneer wij ons doel bereikt hebben, dan laat ik u vrij en maak u rijk.”
Nemoe kuste haar gewaad en vroeg fluisterend: »En wat zal het doel zijn?”
»Gij weet wat Ani najaagt,” antwoordde de weduwe. »Wat mij betreft, ik heb maar éen wensch.”
»En die is?”
»Paäker in Mena’s plaats te zien.”
»Aldus ontmoeten onze wenschen elkander,” sprak de dwerg, en verliet de galerij.
Katoeti zag hem na en prevelde: »Het moet zoo zijn! Want als alles bij het oude blijft, en Mena terugkeert en rekenschap vraagt, dan.... dan. ― Neen de gedachte is niet uit te staan; het mag niet gebeuren!”
VIJFDE HOOFDSTUK.
Toen Nemoe, op den terugweg van den stadhouder, bij het huis zijner meesteres was gekomen, werd hij door een knaap aangehouden, die hem dringend verzocht mede te gaan naar het vreemden-kwartier. De dwerg aarzelde een oogenblik, maar de bode toonde hem den ring zijner moeder Hekt, die voor eenige zaken in de stad was gekomen en hem begeerde te spreken.
De kleine man was vermoeid, want gewoonlijk reed hij. Zijn ezeltje was echter dood en Katoeti kon hem geen nieuw geven. De helft van Mena’s vee was reeds verkocht, en het overige was bijkans onvoldoende voor den landbouw. Aan de hoeken van de drukste straten en op de markten stonden knapen met grauwtjes, die zij voor een geringen prijs verhuurden[166]; doch Nemoe had zijn laatsten ring aan een kleed en eene nieuwe pruik uitgegeven, ten einde fatsoenlijk gekleed voor den stadhouder te kunnen verschijnen. In vroeger dagen was zijne tasch nooit leeg geweest, want Mena had hem menig stuk zilver of goud toegeworpen. Maar zijne rustelooze en eerzuchtige ziel betreurde het verlies van zulk een gemakkelijk leven niet. Met wrok dacht hij aan de jaren van overvloed terug, en terwijl hij zich thans al kuchend door het stof voortsleepte, gevoelde hij zich groot en tevreden.