Warda: Roman uit het oude Egypte

Part 20

Chapter 203,976 wordsPublic domain

[156] In den tijd van dit verhaal hadden de Egyptenaars tweeërlei soort van schrift: het hiëroglyphische en het hiëratische. In het eerste bestonden de letters uit concrete voorwerpen, mathematische of vrij uitgedachte figuren. Het werd gewoonlijk op de gedenkteekenen gebruikt. Met het laatste schreef men meestal op papyrus. In dit schrift zijn de afbeeldingen der hiëroglyphen zoo gewijzigd en afgekort, om des te sneller te kunnen schrijven, dat men de oorspronkelijke teekens er slechts onduidelijk in herkennen kan. In de achtste eeuw ontstond eene nog verdere verkorting van het hiëratisch schrift, die men het demotisch of volksschrift noemde. Terwijl het hiëroglyphen- en het hiëratisch schrift in het oude heilige dialect werd geschreven, bezigde men de demotische letterteekens alleen om de taal te schrijven, die door het volk werd geschreven. Zie Em. de Rougé, =Chrestomathie égyptienne=; H. Brugsch =Hieroglyphische Grammatik=; Le Page Renouf, =Hieroglyphicial grammar=; Ebers, =Ueber das hieroglyphische Schriftsystem=, 2 Aufl. 1875 in de =Vorträge=, door Virchow en Holtzendorf uitgegeven.

De dichter hield zijn vriend staande, sprak hem met ernst en warmte toe, en smeekte hem toch van zijn voornemen af te zien. Doch Nebsecht bleef ongeroerd door deze beden en trachtte zijne vingers los te rukken uit de verbazend sterke handen van Pentaoer, die ze als met ijzeren klemmen vasthielden. De dichter vermoedde in zijne vervoering niet, dat hij zijn vriend pijn deed, tot deze, na eene vruchtelooze poging om vrij te komen, uitriep: »Gij verwringt mijne vingers!”

Er kwam een glimlach op het gelaat van den dichter. Hij liet den heelmeester los en zeide, terwijl hij diens vuurroode handen streelde als eene moeder, die de pijn van haar kind weg wil strijken: »Wees niet boos op mij, Nebsecht; gij kent mijne ongelukkige vuisten. Heden moesten ze u inderdaad vasthouden, want wat gij voorhebt is al te dolzinnig.”

»Dolzinnig?” vroeg de arts, terwijl hij op zijn beurt lachte. »Mij goed, maar weet gij dan niet, dat wij Egyptenaars met bijzondere angstvalligheid aan onze dwaasheden hangen, en zelfs ons niet ontzien er huis en hof voor op te offeren?”

»Ja =eigen= huis en =eigen= hof!” riep de dichter, en voegde er daarna bij: »maar niet het leven, niet het welzijn van een ander.”

»Heb ik u dan niet reeds gezegd, dat ik het hart niet voor den zetel van het verstand kan houden? Wat mij betreft, het is mij om ’t even, of ik met het hart van een hamel of met mijn eigen hart begraven zal worden.”

»Ik spreek niet van den doode, die van dit lichaamsdeel beroofd zal zijn, maar van den levende,” hernam Pentaoer. »Wanneer de daad van den Paraschiet ontdekt wordt, dan is hij verloren, en het lieve kind daarginds in de hut zoudt gij alleen gered hebben, om het in de diepste ellende te storten.”

Nebsecht zag zijn vriend zoo verbluft en onthutst aan, alsof hij door een ongeluksbode opeens uit den slaap was gewekt. Na een oogenblik zeide hij echter: »Ik zou met den oude en Warda deelen al wat ik heb.”

»En wie zal u beschermen?”

»Haar vader.”

»Die ruwe dronkaard, dien zij morgen of overmorgen wie weet waarheen zullen zenden....!”

»Hij is een braaf man,” viel de arts zijn vriend in de rede, terwijl hij merkbaar ontroerd was en heel erg stotterde. »Maar wie zou het wagen het meisje iets te doen? Zij is zoo.... zoo.... Zij is zoo lieftallig, zoo schoon en heeft zoo iets eigenaardigs!”

Bij de laatste woorden sloeg hij de oogen neder en bloosde als een meisje. »Gij begrijpt dat beter dan ik,” ging hij voort, »ja, gij vindt haar ook schoon! Zonderling! ― Gij moet niet lachen, wanneer ik erken ― ik ben immers ook een mensch als ieder ander? ― wanneer ik erken, dat ik het orgaan, het mij ontbrekende orgaan voor de schoonheid der vormen toch eindelijk ook in mij meen ontdekt te hebben; neen, niet meen, maar werkelijk ontdekt heb. Want het heeft van het eerste oogenblik hier niet gesproken maar geschreeuwd, geraasd, dat mij de ooren suisden, en voor het eerst in mijn leven trok de lijdende mij meer aan dan het leed op zichzelf. Hoe heb ik daar gezeten als aan die hut gekluisterd, en haar haren bewonderd en hare oogen en haar ademtocht opgevangen! Zij hebben mij lang in het Seti-huis gemist; misschien hebben zij ook mijne preparaten ontdekt, toen ze mij in mijne kamer zochten. Twee dagen en nachten heb ik mij van den arbeid laten afhouden door dit kind! Dacht ik als de leeken, die gij u aantrekt, dan zou ik zeggen: demonen hebben mij betooverd. Maar dat is het niet” ― en bij deze woorden was het alsof zijne oogen vlammen schoten ― »dat is het niet! Het dierlijke in mij, de lage natuurdriften, waarvan het hart de zetel is, deze dreigden mijne borst aan haar ziekbed te doen bersten; zij hebben de andere fijnere en reine opwellingen hier, hier in deze hersens overmeesterd. En zoo moet ik, op het oogenblik dat ik hoop te zullen weten als God zelf, dien gij den vorst van alle wetenschap noemt, helaas ondervinden, dat het dier in mij sterker is dan wat ik mijn god noem.”

Onder deze laatste woorden had de arts gejaagd en verbolgen naar den grond gezien, en niet eens op den dichter gelet, die verbaasd en vol deelneming naar hem luisterde. Beiden zwegen eene poos, tot Pentaoer zijne hand op die van zijn vriend legde en met aandoening zeide: »Waarlijk, mijne ziel is niet vreemd aan hetgeen gij thans gevoelt. Het heeft bij mij, als ik u naspreken mag, hoofd en hart tegelijk aangedaan. Maar ik weet dat hetgeen wij voelen wel is waar vreemd is, aan onze gewone gewaarwordingen, dat het echter hooger en edeler is, in plaats van daar beneden te staan. Het is niet het dierlijke, Nebsecht, dat gij in u waarneemt, maar het goddelijke. Het goede is de schoonste eigenschap van het hemelsche, en gij zijt altijd liefderijk gezind geweest jegens groot en klein. Doch ik vraag u of ooit iets zulk eene onweerstaanbare macht op u heeft uitgeoefend, om een oceaan van goedheid over een ander wezen uit te storten; of gij aan Warda niet alles wat gij zijt en hebt blijmoediger en met grooter zelfverloochening zoudt geven, dan aan vader en moeder en uwe oudste vrienden?”

Nebsecht boog zijn hoofd ten teeken van toestemming; Pentaoer vervolgde echter: »Welaan dan! Volg de nieuwe goddelijke stem in u, heb Warda lief en offer haar niet op aan uwe ijdele wenschen. Arme vriend! Bij al uw zoeken naar de verborgenheden van het leven, hebt gij nog nooit naar het leven zelf omgezien, dat zich daar open en uitlokkend uitbreidt voor onzen blik in al zijn omvang en zijne diepte. Gelooft gij dat de jonkvrouw, die den kalmsten denker in Thebe zoo in vlam kan zetten, niet door honderd zinnelijke menschen zal worden begeerd, wanneer zij geen beschermer heeft? Moet ik u zeggen, dat onder de danseressen in het vreemden-kwartier negen van de tien, dochters zijn van uit de maatschappij gebannen ouders? Kunt gij vrede hebben met de gedachte dat door uw toedoen de onschuld aan de misdaad zal worden prijs gegeven en de roos in het slijk getreden? Is het menschenhart, waarnaar gij zoozeer verlangt, eene Warda waard? ― Ga nu, en kom morgen weder bij mij, uw vriend, die in staat is alles te gevoelen wat gij gevoelt, wien gij heden zooveel nader zijt gekomen, omdat gij geleerd hebt in zijn reinst geluk te deelen.”

Pentaoer stak den arts zijne hand toe, Nebsecht nam haar aan, maar langzaam. Nadenkend en met loome schreden ging hij heen, en zonder te letten op den brandenden gloed van de middagzon, daalde hij over den berg af in het dal der koningsgraven, in de richting van de Paraschieten-hut. Hier vond hij den soldaat bij zijne dochter en vroeg met nadruk: »Waar is de oude?”

»Hij ging naar den arbeid in het huis van de balsemers,” luidde het antwoord. »Hij laat u weten dat, als hem iets overkomt, gij de schriftelijke verklaring niet moogt vergeten, noch het boek. Hij was als gek, toen hij ons verliet, en heeft het hart van den hamel bij zich gestoken en medegenomen. Blijft gij wat bij de kleine; moeder verricht dienstwerk, en ik moet krijgsgevangenen naar Hermonthis[157] brengen.”

[157] Het tegenwoordige Erment, de naaste stad ten zuiden van Thebe, die men in eene dagreis bereiken kan.

DERDE HOOFDSTUK.

Terwijl de beide vrienden uit het Seti-huis dit belangrijk onderhoud hadden, liep vrouwe Katoeti in de opene galerij voor het huis van haar schoonzoon, waar wij haar het eerst leerden kennen, onrustig op en neer. Een sneeuwwit katje hield haar op deze wandeling gezelschap, nu eens spelende met den sleep van haar eenvoudig lang gewaad, dan weder een sprong doende naar een voetstuk, dat vroeger een zilveren beeld had gedragen, voor weinige maanden verkocht, en waarop Nemoe zich thans had neergezet. Hij was bijzonder op dat plaatsje gesteld, omdat het hem van die hoogte alleen mogelijk was zijne meesteres en andere volwassene menschen in de oogen te zien.

»O wanneer gij mij bedrogen, mij misleid hebt!” zeide Katoeti met dreigende gebaren, toen zij zijn zetel voorbijkwam.

»Sla mij dan aan een haak en hengel met mij naar een krokodil. Ik voor mij ben alleen nieuwsgierig, hoe hij u het geld zal aanbieden.”

»Wilt gij mij andermaal zweren,” ging zijne meesteres voort, met koortsachtige gejaagdheid, »dat ge Paäker niet in mijn naam verzocht hebt ons te redden?”

»Ik zweer u duizend eeden!” zeide de kleine man. »Moet ik u ons gesprek van gisteren nog eens vertellen? Ik zeg u dat hij zelfs zijne landerijen en zijn huis met de hooge poort zou geven, voor éen vriendelijken blik uit Nefert’s oogen.”

»Indien Mena haar wilde lief hebben als hij!” zuchtte Katoeti, en zwijgend zette zij hare wandeling voort, terwijl de dwerg naar den ingang van den tuin zat te kijken. Plotseling bleef zij voor Nemoe staan, en zeide op zulk een somberen toon, dat Nemoe eene koude rilling door de leden voer: »Ik wenschte dat zij weduwe was.”

De dwerg maakte eene beweging met zijne hand, als moest hij zich verbergen voor een boozen blik. Doch gelijktijdig liet hij zich van zijn voetstuk op den grond zakken, roepende: »Daar houdt een wagen stil, en ik hoor het zwaar geblaf van zijn dog. Hij is het! Zal ik Nefert roepen?”

»Neen!” zeide Katoeti zacht, en greep de leuning van een stoel, als had zij een steun noodig.

De dwerg haalde de schouders op en kroop achter een groep bladplanten weg. Eenige minuten later stond Paäker voor zijne meesteres, die den Mohar kalm en zich bewust van hare waardigheid ontving. Geen trek op haar fijnbesneden gelaat verried de onrust van haar binnenste. Nadat de gids haar begroet had, zeide zij met neerbuigende vriendelijkheid: »Ik dacht wel dat gij komen zoudt. Neem plaats! Uw hart is gelijk aan dat uws vaders. Nu gij u weder verzoend hebt met ons, toont gij geheel en al een vriend te zijn.”

Paäker was gekomen, om zijne tante de geldsom aan te bieden, die zij noodig had tot lossing van de mummie haars mans. Hij was lang met zichzelf in strijd geweest, of hij dit niet liever aan zijne moeder zou overlaten. Maar deels een inwendige vrees, deels zijne ijdelheid hadden hem hiervan afgehouden. Hij pronkte zoo gaarne met zijn rijkdom, en hij mocht Katoeti wel eens doen gevoelen wat hij vermocht en welk een schoonzoon zij had afgewezen. Het liefst had hij het goud, dat hij besloten had haar te schenken, dadelijk uit zijn schatkamer genomen en het door zijne slaven voor zich uit laten dragen, gelijk de onderworpen vorsten deden, als zij hunne schattingen brachten. Dat ging echter niet, en daarom stak hij den grooten met een kostbaar edelgesteente versierden ring, dien koning Seti eens aan zijn vader had geschonken aan den vinger, en tooide hij zich met vele kleedergespen, borstspelden en ringen. Toen hij zich alvorens zijn huis te verlaten, in den spiegel beschouwde, zeide hij met bevrediging tot zichzelf, dat hij, zooals hij daar stond en ging, wel zooveel waard was als het geheele erfgoed van Mena. Sedert zijn onderhoud met den dwerg en diens uitlegging van zijn droom, lagen de wegen, die hij ter bereiking van zijn doel te bewandelen had, scherp afgebakend voor hem. Nefert’s moeder moest voor schande bewaard, met goud gewonnen en Mena naar de andere wereld gezonden worden. Tot zijne bondgenooten rekende hij vooreerst: zijne gewoonte om zonder omzien met kracht door te tasten, hetgeen hij bij voorkeur zijne onwankelbare vastberadenheid noemde, vervolgens de slimheid van den dwerg Nemoe, en eindelijk den liefdedrank.

Thans naderde hij Katoeti, zeker van zijne overwinning, als een koopman, die een kostbaar artikel gaat koopen, en weet dat hij rijk genoeg is om het te betalen. Maar de waardige fiere houding van zijne tante bracht hem in verwarring. Hij had gedacht haar anders, haar met een gebroken hart en smeekende om hulp te zullen vinden. Hij had gehoopt na zijne grootmoedige daad den dank van Nefert tegelijk met dien harer moeder te zullen ontvangen. De schoone vrouw van Mena was echter afwezig, en Katoeti liet haar niet roepen, ook niet nadat hij naar haar welstand had gevraagd. De weduwe ging hem geen schrede te gemoet, en er verliep een geruime tijd met onverschillige gesprekken, tot Paäker haar op eens mededeelde: dat hij van de onverantwoordelijke daad haars zoons gehoord en besloten had, haar en haar huis, als de naaste bloedverwanten zijner moeder, voor eerloosheid te bewaren.

Katoeti hield deze lompheid voor oprechtheid, vergaf Paäker zijne thans al zeer weinig gepaste pronkzucht, en dankte hem in waardige, maar toch hartelijke woorden, meer nog om den wil harer kinderen dan om haar zelve, want van genen begon het leven pas, gelijk zij zeide, dat voor haar reeds was afgesloten.

»Gij zijt nog in uwe goede jaren,” zeide Paäker.

»Misschien in de beste,” antwoordde de weduwe, »ten minste voor mij, die het leven als eene taak, eene zware taak beschouw.”

»Het besturen van een goed, met zooveel schulden bezwaard, zal u zorgvolle uren geven, dat geloof ik wel.”

Katoeti boog toestemmend het hoofd en zeide treurig: »Dat alles zou nog wel te dragen zijn, wanneer ik niet gedoemd ware het arme kind jammerlijk te zien verkwijnen, zonder het te kunnen helpen of raden. Er was een tijd, dat gij haar gaarne tot uwe vrouw zoudt hebben gehad, en nu vraag ik u: was er in Thebe, ja in geheel Egypte een meisje, dat haar in schoonheid evenaarde? Was zij waard bemind te worden, en is zij het nog niet? Verdient zij, dat haar echtgenoot haar eenzaam laat gebrek lijden, dat hij haar geheel veronachtzaamt en, als had hij haar verstooten, eene vreemde vrouw in hare plaats in zijn tent neemt? ― Ik lees op uw gelaat wat gij denkt. Gij schuift de schuld van al het gebeurde op mij. Uw hart vraagt: ‚Waarom hebt gij de verloving verbroken?’ En uw oprechte zin antwoordt: dat gij haar een beter lot zoudt hebben bereid.”

Bij deze woorden vatte de weduwe de hand van haar neef en ging met klimmende warmte voort: »Heden hebben wij u leeren kennen als den grootmoedigsten man in Thebe, want het onvergeeflijk onrecht u aangedaan, hebt gij met ongehoorde weldaden vergolden. Als knaap reeds waart gij ons lief en waard. De wensch uws vaders, die jegens ons als een liefderijk broeder gehandeld heeft zoolang hij leefde, is mij heilig en dierbaar geweest, en liever had ik mijzelve dan uwe goede moeder, mijne zuster, smarten veroorzaakt. Ik bewaarde mijn kind en voedde het op met alle zorgvuldigheid voor den jongen held, die in het verre Azië zijne dapperheid toonde, voor u en u alleen. Daar stierf uw vader, en ik verloor in hem mijn raadsman, mijn beschermer.”

»Ik weet alles,” viel Paäker haar in de rede en zag somber naar den grond.

»Wie kan het u dan verteld hebben?” vroeg de weduwe. »Want uwe moeder heeft, nadat gebeurd was wat niemand had kunnen gelooven, mij haar huis verboden en haar oor voor mij gesloten. De koning zelf deed aanzoek voor Mena, die hem nader aan het hart ligt dan zijn zoon. Toen ik sprak van uwe oudere rechten, toen =beval= hij, en wie zou het wagen zich te verzetten tegen de bevelen van den heer van beider werelden, den zoon van den zonnegod? Koningen vergeten zoo spoedig! Hoe dikwijls stelde uw vader zijn leven voor hem in de waagschaal; hoevele wonden werden hem geslagen in zijn dienst! Om den wil uws vaders had hij u zulk een smaad, zulk een leed moeten sparen.”

»En heb ikzelf hem ook gediend, of niet?” vroeg Paäker, en zijne wangen kleurden zich donkerrood.

»Hij kende u nog weinig,” antwoordde Katoeti op verontschuldigenden toon. Daarop gaf zij weder eene andere buiging aan haar stem, en vroeg deelnemend: »Waarmede hebt gij in die dagen, ― gij waart nog zoo jong, ― toch zijne ontevredenheid gaande gemaakt, zijn afkeer, ja zijne....”

»Wat?” vroeg de gids, en hij beefde over al zijne leden.

»Zwijgen wij daarover,” ging de weduwe voort, om het zooeven gezegde te vergoeilijken. »De genade en ongenade eens konings zijn gelijk aan die der godheid. Men mag er zich in verheugen of men moet er zich voor buigen.”

»Waardoor dan toch heb ik Ramses reden gegeven tot ontevredenheid en afkeer? Ik wil het weten!” riep Paäker, met klimmende heftigheid.

»Gij maakt mij bang,” zeide de weduwe, trachtende hem neer te zetten. »Misschien stelde hij zich met uwe vernedering wel ten doel zijn gunsteling in Nefert’s oogen te verheffen.”

»Wat heeft hij gezegd?” riep de gids weder, en het klamme zweet droop hem van het bruine voorhoofd. Men zag niet anders dan het wit zijner rollende oogen.

Katoeti week voor hem terug, maar hij achtervolgde haar, greep haar aan en vroeg met heesche stem: »Wat heeft hij gezegd?”

»Paäker,” zeide de weduwe op klagenden en verwijtenden toon, »laat mij los! Het is in uw eigen belang, dat ik de woorden verzwijg, waarmede Ramses trachtte Nefert’s hart van u afkeerig te maken. Laat mij los, en bedenkt met wie gij spreekt!”

Doch Paäker omklemde haar arm te vaster met zijn hand, en herhaalde zijne vraag telkens dringender.

»Schaam u!” riep Katoeti. »Gij doet mij pijn. Laat mij los! ― Gij wilt niet, voor dat gij weet wat hij zeide! Welaan uw wil zal geschieden. Maar enkel gedwongen komen deze woorden over mijne lippen. Hij zeide dat, indien hij niet wist dat uwe moeder Setchem eene brave vrouw was, hij u niet voor een zoon uws vader zou houden, daar gij hem zoo weinig gelijkt als een uil een adelaar.”

Paäker liet oogenblikkelijk de hand van de arme weduwe los, en zijne bleeke lippen prevelden: »Zoo ― zoo ― ― ―”

»Nefert heeft u verdedigd, en ik deed het met haar, doch vruchteloos. Weeg dat harde woord niet te zwaar. Uw vader was een man zonder wederga, en Ramses vergeet niet, dat wij verwant zijn aan het oude koningshuis. Zijn grootvader, zijn vader en hij zijn parvenu’s en er leeft nog iemand, die beter aanspraak kan doen gelden op den troon der pharao’s dan hij.”

»De stadhouder Ani!” zeide Paäker met vaste stem.

Katoeti gaf een teeken van toestemming, naderde den gids en zeide zacht: »Ik geef mij in uwe handen, ofschoon ik weet dat gij ze tegen mij opheffen kunt. Gij zijt echter mijn natuurlijke bondgenoot; want dezelfde daad van Ramses, die u onteerde, heeft mij deelgenoote gemaakt van de plannen des stadhouders. U heeft de koning eene bruid, mij eene dochter ontstolen; uw ziel heeft hij met haat vervuld jegens den overmoedigen medeminnaar, mij goot hij vuur in het hart over het verloren levensgeluk van mijn kind. Ik gevoel iets van Hatasoe’s bloed in mijne aderen en mijn geest is sterk genoeg om mannen te besturen. Ik was het, die den nog sluimerenden wensch in de borst van den stadhouder deed ontwaken, die zijne oogen op den troon richtte, waarvoor de goden hem bestemd hebben. De dienaars der hemelsche goden, de priesters, zijn ons genegen. Wij hebben...”

Op dit oogenblik kwam er beweging in den tuin. Een slaaf stoof buiten adem den voorhof binnen en riep: »De stadhouder houdt stil voor de poort!”

Paäker stond als bedwelmd, doch spoedig kwam hij tot bezinning en wilde zich verwijderen. Katoeti hield hem echter terug, zeggende: »Ik ga Ani te gemoet; hij zal zich verblijden u te zien, want hij acht u hoog en was een vriend uws vaders.”

Nauwelijks had Katoeti de galerij verlaten, of de dwerg Nemoe trad achter de bladplanten te voorschijn, ging vlak voor Paäker staan en vroeg onbeschaamd: »Welnu, heb ik u gisteren goed ingelicht, of niet?”

Doch Paäker antwoordde niet; hij schoof het manneke met zijn voet op zij, en liep peinzend op en neer.

* * * * *

Katoeti kwam den stadhouder midden in den tuin tegen. Hij hield eene schriftrol in de eene hand en begroette haar reeds van verre met eene beweging van de andere, waaruit genoeg bleek, dat hij eene blijde tijding kwam brengen. De weduwe beschouwde haar vriend met bewondering; het kwam haar voor dat hij kloeker en jeugdiger was geworden, sedert zij hem het laatst had gezien. »Heil u,” riep zij hem half vertrouwelijk, half eerbiedig toe, waarbij zij hare handen met ontzag voor hem ophief, als droeg hij reeds de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte. »Hebt gij het negental goden ontmoet[158] of hebben de Hathors u in den slaap gekust? Dit is een heldere, een geluksdag; dat lees ik in uwe trekken.”

[158] De Egyptenaars laten hunne goden gewoonlijk in groepen, bijv. van drie (triaden) en negen, maar ook van acht, dertien en vijftien optreden. In het sprookje van de beide broeders verschijnen de negen goden aan den eenzamen Batoe, en scheppen hem eene vrouw.

»Gij verstaat u op het uitleggen van schrift en teekenen!” gaf Ani vroolijk maar tevens waardig ten antwoord. »Nu, lees dan ook deze boodschap!”

Katoeti nam de papyrus-rol, die hij haar toereikte, doorlas den inhoud, en gaf haar daarna terug, zeggende: »De door u uitgeruste troepen hebben de legerscharen der verbondene Koeschiten[159] geslagen, en brengen hunne gevangen vorsten met onmetelijke schatten en wel tienduizend krijgsgevangenen naar Thebe! Den goden zij dank!”

[159] Ethiopiërs.

»En bovenal dank,” voegde Ani er bij, »omdat de veldheer Scheschenk, mijn zoogbroeder en vriend, behouden en ongewond onze krijgers terugvoert. Ik geloof, Katoeti, dat onze droombeelden heden vleesch en bloed beginnen te krijgen.”

»Zij wassen op tot helden!” riep de weduwe. »En uzelven, mijn gebieder, heeft de adem der godheid aangeblazen. Als een echte zoon van Ra wandelt gij hier naast mij. De moed van Menth[160] straalt uit uwe oogen, en om uw mond zweeft het lachje van den overwinnenden Horus[161].”

[160] De krijgsgod der Egyptenaars.

[161] Zie boven, bl. 91.

»Geduld, geduld, mijne vriendin!” sprak Ani, ten einde den ijver der weduwe wat te matigen. »Thans is het meer dan ooit noodig vast te houden aan mijne oude grondstelling, om de kracht van mijne tegenpartij hooger en mijne eigene geringer te schatten, dan zij het verdienen. Nooit is mij iets gelukt, als ik de uitkomst zeker verwachtte, veel daarentegen wèl, waarvan ik vreesde dat het stellig mislukken zou. Wij zijn nog ter nauwernood aan het begin van hetgeen wij hopen.”

»Maar evenals een ongeluk, zoo komt ook het goede nooit alleen,” voegde Katoeti er bij.

»Dat ben ik volmaakt met u eens,” zeide Ani. »Ik meen opgemerkt te hebben, dat de gebeurtenissen in het leven altijd paarsgewijze optreden. Elk ongeluk heeft zijn metgezel, evenals elk geluk. Kunt gij mij eene tweede overwinning berichten?”

»Vrouwen winnen geen veldslagen,” hernam de weduwe lachend, »maar zij werven vrienden, en ik heb een machtig bondgenoot gewonnen!”

»Eene godheid of een leger?” vroeg de stadhouder.

»Iets tusschen beiden,” gaf zij ten antwoord. »Paäker, de koninklijke gids, heeft zich aan onze zijde geschaard. Hoor!” En hierop vertelde zij den stadhouder de geschiedenis van de liefde en den haat van haar neef.