Warda: Roman uit het oude Egypte
Part 16
Toen het kind wilde heengaan, hield Pentaoer het tegen, pakte het op, wiegde het op zijne armen en zeide, zich daarbij tot den arts wendende: »Zij waren wel wijs, die Horus, den god die het goede doet zegepralen over het kwade en het reine over het onreine, de gestalte van een kind hebben gegeven. Wees gezegend, mijn kleine vriend, blijf goed en geef maar altijd het uwe weg om anderen gelukkig te maken. Uw huis zal daardoor niet rijk worden maar uw hart des te rijker!”
Scheraoe drong zich tegen den priester aan en onwillekeurig verhief zich daarbij zijne kleine hand, om Pentaoers wangen te streelen. Een ongekend gevoel van teederheid welde in hem op, en het was hem al moest hij zijne armpjes om ’s dichters hals slaan en aan diens borst uitweenen. Pentaoer zette hem weer op den grond en hij trippelde het dal in. Daar bleef hij staan. De zon had bijna haar middaghoogte bereikt en vóor dien tijd moest hij weder in het hol van de tooveres en tusschen de planken terug. Hij had zoo gaarne verder gegaan tot aan het graf, dat voor den koning werd aangelegd. Dicht bij de poort ervan stond een schutdak van palmtakken, waaronder de beeldhouwer Bataoe, een hoogbejaarde grijsaard, gewoonlijk rustte. De oude man was doof, maar hij werd te recht voor den eersten kunstenaar van zijn tijd gehouden. Hij was de ontwerper van de voortreffelijke afbeeldingen en de rijen hiëroglyphen op de praalgebouwen van Seti te Abydus en te Thebe, alsmede van die in het graf van genoemden vorst. Thans hield hij zich bezig met de versiering van de wanden van Ramses’ groeve.
Dikwijls was Scheraoe in zijne nabijheid geslopen, had hij aandachtig gekeken naar het werk van den beeldhouwer en dan zelf beproefd, of hij uit een stukje klei ook dierlijke en menschelijke figuren kon maken. Eens had de grijsaard hem opgemerkt, hem zwijgend zijn knutselwerk uit de hand genomen, en het daarna teruggeven met een goedkeurend lachje. Sedert was er tusschen deze twee eene eigenaardige betrekking ontstaan. Scheraoe kreeg vergunning zich naast den beeldhouwer neer te zetten en de door hem voltooide beeldwerken na te volgen. Geen woord werd daarbij gewisseld, doch de doove grijsaard vernietigde nu eens het werk van den knaap, dan weder verbeterde hij het met een enkelen vingerdruk, en niet zelden gaf hij met een lachje zijn bijval te kennen. Zoo vaak de kleine uitbleef, werd hij werkelijk door zijn leermeester gemist, en het waren Scheraoe’s heerlijkste uren, die hij aan de zijde van Bataoe mocht doorleven. Het stond hem ook vrij klei mede naar huis te nemen, waar hij achter den rug van de oude Hekt menig beeldje vormde, dat echter na de voltooiing terstond werd vernietigd. Als hij op zijn martelbed lag, beproefde hij met zijne ongebonden handjes de verschillende gestalten na te maken, die er in zijne verbeelding leefden. Onder deze scheppenden kunstenaarsarbeid vergat hij het tegenwoordige, en zijn bitter lot kreeg althans een bijsmaak van zoet geluk.
Heden was het zoo laat geworden, dat hij zijn bezoek aan het Ramses-graf moest opgeven. Nog eenmaal keerde hij zich om naar de hut, en toen liep hij op een drafje naar het zwarte hol.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Ook Pentaoer had weldra de hut van den Paraschiet verlaten. Peinzend sloeg hij het bergpad in, dat naar den tempel[109] leidde, waarover Ameni hem het bestuur had opgedragen. Hij zag alles behalve verkwikkelijke, ja donkere uren naderen. Het heiligdom, aan zijne zorg toevertrouwd, was door koningin Hatasoe[110], die tot de onttroonde dynastie behoorde, gewijd aan hare eigene nagedachtenis en aan de godin Hathor. De priesters die het bedienden, waren in het bezit van bijzondere, bij gezegelde oorkonden gewaarborgde privilegiën, die tot hiertoe streng ontzien werden. Hunne waardigheid was erfelijk, en ging dus over van den vader op den zoon; ook mochten zij uit hun eigen midden een hoofd kiezen. Roeï, die thans deze waardigheid bekleedde, was doodelijk ziek, en Ameni, wien het oppertoezicht over deze priesters toekwam, had, zonder hen te raadplegen, hun den jongen Pentaoer als plaatsvervanger toegezonden. Zij ontvingen den indringer met tegenzin en sloten zich vast aaneen, toen hun bleek dat hij voornemens was zijne taak ernstig op te nemen en vele onder hen bestaande misbruiken af te schaffen. Zij hadden de begroeting van de opgaande zon aan de tempeldienaars opgedragen; Pentaoer verlangde echter, dat ten minste de jongeren onder hen aan het gezang van de morgenhymne zouden deelnemen, terwijl hijzelf de koren bestuurde. Tot hiertoe hadden zij handel gedreven met de rijke op het altaar der goden neergelegde offers, doch hun nieuwe meester verzette zich tegen deze onbetamelijke handelwijs, alsmede tegen de afpersingen, waaraan zij zich schuldig maakten ten opzichte van beangstigde vrouwen, die den tempel van Hathor in grooter getal bezochten dan eenig ander heiligdom.
[109] Deze tempel is betrekkelijk goed bewaard gebleven. In Dümichen’s =Flotte einer aegyptischen Königin= zijn de belangrijkste voorstellingen, die men daar gevonden heeft, afgebeeld. De platte grond, door Lepsius gegeven in zijne =Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien= kan aangevuld worden, na de uitgravingen van Mariëtte.
[110] Dochter van Thotmes I, gemalin van haar broeder Thotmes II, voogdes van haar tweeden broeder Thotmes III. Zij was een krachtig handelende vrouw, die groote werken deed uitvoeren, en zich liet afbeelden met den helm en den baard van een man.
De dichter, in het Seti-huis opgevoed tot zelfbeheersching, orde, stiptheid en reinheid van zeden, diep doorgedrongen van de beteekenis der priesterlijke waardigheid, en gewoon, met bijzonderen ijver te velde te trekken, tegen traagheid van lichaam en geest, had een walg van dat luie lekkere leven en de bedriegerijen dergenen, die onder hem gesteld waren. Hij besloot daarom met te grooter ijver hier een nieuw leven te wekken, sedert de dag van gisteren hem een diepen blik had doen slaan in de ellende en de zorgen van het menschelijk leven. De overtuiging dat de trage priesterschaar, die hem gehoorzamen moest, geroepen was troostrijken balsem te gieten in duizend beknelde harten, ontelbare tranen te drogen en aan het dorre hout der vertwijfeling het frissche groen der hoop te doen ontspruiten, drong hem krachtig door te tasten. Gisteren had hij gezien, hoe zijne onderhoorigen de klachten van eene verlatene, van een bedrogen meisje, van eene vrouw, die den kinderzegen, haar tot dusver ontzegd, kwam afbidden, van een zorgvolle moeder en eene eenzame weduwe, met koele onverschilligheid hadden aangehoord. Zij bleken op niets anders bedacht te zijn dan om het leed van anderen winstgevend te maken voor de godin Hathor, of liever, om geschenken af te persen ten behoeve van hun eigen zak en hun eigen buik.
Thans naderde hij weder het tooneel zijner nieuwe werkzaamheid. Dáar lag het eerwaardig heiligdom, uit het dal in vier terrassen statig oprijzende, aan de westzijde geleund tegen den halfronden hemelhoogen wand van het steile geelachtige kalkgebergte; daar lag het zoo regelmatig en eigenaardig afgedeeld. Op den met zorg gevoegden onderbouw prijkten reusachtige in den steen uitgehouwen sperwers, met het teeken des levens. Zij waren eene symbolische voorstelling van Horus, den zoon der godin, die al wat verwelkt op nieuw doet bloeien, al het stervende weder doet opstaan. Op elk terras verhief zich eene naar het oosten geopende overdekte ruimte, elk met twee en twintig zuilen in ouden stijl[111]. De schoone schilderwerken en opschriften in fijn beeldhouwwerk op de achterwanden, verkondigde aan de nakomelingschap wat groote dingen Hatasoe met hulp der goden van Thebe had gedaan. Dáar zag men de schepen, die zij naar Poent[112] had gezonden, om Egypte te verrijken met de schatten van het oosten. Dáar waren de naar Thebe overgebrachte wonderen van Arabië te zien. Dáar kon men de afbeeldingen vinden van de huizen[113] der bewoners van het wierookland, en alle visschen van de Roode zee in scherpe en karakteristieke omtrekken[114]. Op het derde en vierde terras bevonden zich kleinere door Hatasoe en hare broeders Thotmes II en III aangelegde vertrekken, die tegen de rotsen waren aangebouwd, en waartoe poorten van graniet den toegang verleenden. Daar moesten de reinigingen volbracht, de standbeelden der godin vereerd, aan de schim der koningin geofferd en van bevoorrechte smeekelingen de biecht gehoord worden. In een zijgebouw werd de heilige koe der godin verpleegd.
[111] Het waren veelhoekige zuilen, zooals die voorkomen in graven uit de 12e dynastie (2354 tot 2194 v. Chr.). Na de verdrijving der Hyksos door de koningen uit de 17e en 18e dynastie werden zij ook voor op zichzelf staande gebouwen gebruikt, doch onder de volgende koningen komen zij niet meer voor.
[112] Arabië, waarschijnlijk ook het kustland van Oost-Afrika ten zuiden van Egypte, tot aan het Somali-land. Hiervoor pleiten namelijk de onlangs door Mariëtte uitgegeven lijsten der zuidelijke volken, die Thotmes III onderwierp, en die op de pylonen van den tempel van Karnak waren uitgehouwen.
[113] Zij stonden op palen, en men kon er alleen inkomen met hulp van ladders.
[114] De verschillende soorten zijn zeer goed te onderscheiden. Het is Dr. Donitz gelukt aan vele de juiste naam te geven.
Toen Pentaoer aan den hoofdpoort van den terrassentempel was gekomen, moest hij getuige zijn van een schouwspel, dat hem met verontwaardiging vervulde. Eene vrouw wenschte den voorhof binnengelaten te worden, om aan het altaar der godin te bidden voor haar man, die ernstig ziek was. Doch de dikke portier wees haar met ruwe woorden af. »Daar staat het,” zeide hij, wijzende op het opschrift boven de poort; »de reine alleen mag zijn voet over dezen drempel zetten, en men kan slechts rein worden door het bewierooken.”
»Slinger dan het wierookvat,” bad de vrouw, »en neem daarvoor dezen zilverring. Ik heb niet meer.”
»Eén zilverring?” riep de portier verbaasd. »Zal de godin om uwentwil armoe lijden? de anta-korrels[115], die wij voor de reiniging noodig hebben, kosten wel tienmaal meer.”
[115] Eene zeer dikwijls voorkomende soort van wierook.
»Maar ik bezit niets meer,” herhaalde de vrouw. »Mijn man, waarvoor ik kom bidden, is ziek. Hij kan niet werken, en mijne kinderen....”
»Die wilt gij zeker vetmesten, en daarom der godin onthouden wat haar toekomt,” sprak de portier. »Komaan, drie ringen, of ik sluit de poort.”
»Wees barmhartig!” hernam de vrouw weenend. »Wat moet er van ons worden, wanneer Hathor mijn man niet bijstaat?”
»Moet onze godin hem een geneesmiddel geven?” vroeg de portier. »Waarlijk zij heeft wel wat anders te doen dan kranke hongerlijders beter te maken. Dat behoort ook niet tot haar ambt. Ga naar Imhotep[116], of naar Choensoe den plannenmaker[117] of tot den grooten Techoeti zelven; zij zijn het die kranken helpen. Hier houdt men zich niet op met kwakzalverij.”
[116] Zoon van Ptah. De Grieken noemden hem Asklepios (Aesculapius). Memphis was de hoofdplaats zijner vereering. Gewoonlijk wordt hij afgebeeld met een kap over het hoofd en een boek op de knieën. Men vindt van hem zeer schoone standbeelden te Berlijn, in het Louvre, te Boelaq en in andere museën. Een bronzen beeldje van buitengewone schoonheid is in het bezit van den predikant Haken te Riga.
[117] De derde god in de trias van Thebe. Choensoe, steeds met de lok der jeugd getooid, is de zoon van Amon en Moeth; hij wordt bovendien met Toth vereenzelvigd en aangeroepen als goeden raad gevende bij genezing van kranken. Zijn groote tempel te Thebe (Karnak) is goed bewaard gebleven. Onder de 20ste dynastie (1273-1095 v. Chr.) werd, gelijk E. de Rougé heeft aangetoond uit een voortreffelijk verklaarden papyrus op de bibliotheek van Parijs, zijn standbeeld naar Azië gezonden, om de door demonen bezetene zuster der vrouw van Ramses XII, eene Aziatische vorstendochter, te genezen.
»Ik verlang niet anders dan troost in mijn kommer,” snikte de vrouw.
»Troost?” zeide de portier lachend, terwijl hij de vrouw, die er nog jong en frisch uitzag, met zijne blikken opnam. »Die kunt gij goedkooper krijgen!”
De vrouw werd doodsbleek en sloeg den portier, die zijn hand naar haar uitstrekte, terug. Op dit oogenblik trad Pentaoer gloeiend van verontwaardiging tusschen beiden. Zegenend breidde hij zijne handen uit over het hoofd der vrouw, die zich diep voor hem boog en zeide: »Wie de godheid uit den diepsten grond des harten aanroept, dien is zij nabij. Gij zijt rein. Treedt den voorhof binnen!”
Zoodra zij in den tempel verdwenen was, richtte de priester zich tot den portier en zeide: »Zóo dient gij de godheid dus; maakt gij zóo misbruik van den nood der beklemde gemoederen? Geef over de sleutels van deze poort! Dit ambt is u ontnomen, en morgen reeds gaat gij naar buiten op de weide, om de ganzen van Hathor te hoeden.”
De portier wierp zich onder een vreeselijk misbaar op de knieën, maar Pentaoer keerde hem den rug toe, trad het heiligdom binnen en ging den trap op, die naar zijne op het hoogste terras gelegene woning leidde. Eenige priesters, die hij tegenkwam, draaiden zich om; anderen keken voor zich, hoorbaar smakkende en kauwende, en deden alsof zij hem niet zagen. Zij hadden een complot gemaakt en het stellig besluit genomen, zich tegen elken prijs van den lastigen indringer te ontslaan. Toen Pentaoer het vertrek had bereikt, dat voor zijn zieken voorganger met zooveel weelde was gemeubeld, deed hij zijn nieuw ambtsgewaad aan, en kon niet nalaten onder smartelijke gewaarwordingen eene vergelijking te maken tusschen voorheen en thans. Tot welk eene verwisseling had Ameni hem gedoemd! Hier vond hij niet anders dan stompheid en weerzin, waarheen hij ook de blikken richtte, terwijl honderd knapen hem tegemoet ijlden en uit genegenheid aan zijn kleed hingen, wanneer hij door de hoven van het Seti-huis wandelde. Door grooten en kleinen geëerd, vond daar elk zijner woorden een plaats, en wanneer hij dag aan dag zijne denkbeelden uitsprak, ontving hij ze in ernstige gesprekken met zijne metgezellen en kweekelingen gelouterd terug, en legde zoo schatten op voor zijn innerlijk leven. »Het vreemde,” zeide hij tot zichzelf, »is vaak het aantrekkelijkste. En toch: hoe zwaar valt het te missen, waaraan men gewoon is.”
Pentaoer doorleefde weder in de verbeelding de gebeurtenissen van de laatste dagen. Het beeld van Bent-Anat stond hem levendig voor den geest, en nam steeds duidelijker en bekoorlijker vormen aan. Zijn hart begon harder te kloppen en het bloed stroomde sneller door zijne aderen. Hij verborg zijn aangezicht in zijne handen en herdacht elk harer blikken en ieder woord van hare lippen. »U volg ik gaarne,” had zij hem vóor de hut van den Paraschiet gezegd. Nu vroeg hij zichzelven af, of hij nog waardig was haar leidsman te zijn. Wel is waar was hij alle perken te buiten gegaan, maar niet om het huis, dat hem dierbaar was, te benadeelen, maar om nieuw licht binnen te laten in zijne sombere ruimte. »Te doen, wat wij na ernstig nadenken als recht beschouwen,” zeide hij tot zichzelf, »kan strafbaar schijnen voor de menschen, maar is het niet voor God.” Hij voelde zijn borst verruimd en trad naar buiten op het terras, met opgeheven hoofd en den vasten wil, hier niet alleen zelf te doen wat recht is, maar ook voor recht en billijkheid een zetel op te richten. »Wij menschen,” dacht hij, »veroorzaken reeds smart bij onze intrede in de wereld, en wederom droefheid wanneer wij haar verlaten. Derhalve zijn wij verplicht in den tijd die daar tusschen ligt het lijden te onderdrukken en vreugde te zaaien. Hier zijn vele tranen te drogen. Welaan dan, aan ’t werk.”
De dichter vond niemand van zijne onderhoorigen op de bovenste terrassen. Alle priesters waren vereenigd in den tempelvoorhof, en luisterden naar het verhaal van den portier, in wiens wrok zij deelden. Hij wist op wien zij het gemunt hadden. Daarom ging hij met vasten tred naar hen toe en zeide: »Ik heb dezen man uit ons midden gebannen, omdat hij ons tot schande maakt. Morgen verlaat hij den tempel.”
»Ik ga dadelijk,” antwoordde de portier op hoogen toon, »en zal overeenkomstig den last dezer heilige vaders,” ― en de blik dien hij daarbij op de priesters sloeg, toonde duidelijk dat zij het eens waren, »den opperpriester Ameni vragen, of het in het vervolg ook onreinen zal vrijstaan dit heiligdom te betreden.”
Reeds naderde hij de poort; Pentaoer trad hem echter in den weg en zeide op beslisten toon: »Gij blijft hier en zult morgen, overmorgen en altijd de ganzen hoeden, tot het mij zal goeddunken u vergiffenis te schenken.”
De portier zag de priesters aan, maar geen hunner bewoog zich. »Ga terug in uw vertrek!” riep de dichter op hem toetredende.
De portier gehoorzaamde. Pentaoer sloot de deur van de kleine kamer, gaf den sleutel aan een tempeldienaar en zeide: »Gij verricht zijn dienst, bewaakt den man, wanneer hij ontvlucht dan volgt gij hem morgen achter de ganzen. Ziet mijne vrienden, hoevele biddende daar voor onze altaren knielen; gaat heen en doet wat uw ambt is. Ik wacht in de biechtzaal om klachten te vernemen en te troosten.”
De priesters gingen uit elkaar, allen naar de offeranden. Pentaoer besteeg opnieuw de trap, en nam plaats in de smalle door een voorhangsel afgeslotene biechtkamer, op welker wanden eene voorstelling was te zien van Hatasoe, die uit den uier van de Hathor-koe[118] de melk des eeuwigen levens ontving. Nauwelijks had hij zich daar neergezet, of een Neokore[119] kondigde hem de komst aan van eene aanzienlijke gesluierde vrouw. Ook de dragers van haar draagstoel hadden het hoofd geheel bedekt. Zij verlangde in het biechtvertrek gebracht te worden. De dienaars overhandigden Pentaoer een bewijs, waardoor de opperpriester van den grooten Amon-tempel aan de overzijde van den Nijl, haar het voorrecht toekende met de Rechioe[120] het binnenste van den tempel te betreden en met alle priesters, ja zelfs met den hoogsten onder de ingewijden te verkeeren.
[118] Een buitengewoon levendig, volkomen goed bewaard relief-beeld.
[119] De Neokoren maakten de laagste priesterorde uit. Onder hen behoorden ook de tempeldienaars.
[120] Egyptenaars, die tot de binnenste gedeelten van den tempel en tot de hoogere graden van kennis werden toegelaten.
De dichter trok zich achter een voorhangsel terug en verwachtte de vreemdelinge met eene onrust, die hemzelf te meer bevreemden moest, naarmate hij zich dikwijls in dergelijke omstandigheden had bevonden. Ameni had zelfs de voornaamste onder de grootwaardigheidsbekleeders aan hem overgelaten, wanneer zij zich naar het Seti-huis begaven, om daar hunne droomen te doen uitleggen. Eene hooge vrouwengestalte betrad het stille koele steenen vertrek, zonk op de knieën neder en bad lang en geheel in zichzelve gekeerd voor het beeld van Hathor. Ook Pentaoer hief, zonder door iemand gezien te worden, zijne handen op, en richtte zich met geestdrift tot den geest die het heelal vervult, met de bede om kracht en reinheid. Toen hij zijne armen liet nederzinken, hief de vrouw haar hoofd op. Het was alsof de gebeden van beiden zich vereenigd hadden om gemeenschappelijk ten hemel te stijgen. Nu stond de onbekende op en liet haar sluier vallen.
Het was Bent-Anat.
Zij had in de onrust harer ziel de godin Hathor opgezocht, die den harteslag der vrouwen regelde en de draden weefde, die man en vrouw verbonden. »Hooge vorstin des hemels, veelnamige en schoone van aangezicht,” begon zij overluid te bidden, »gouden Hathor, gij die de smart kent en de vreugde, het tegenwoordige en de toekomst, nader tot uw kind en leid den geest uws dienaars, dat hij mij rade! ― Ik ben de dochter eens vaders, die groot is en edel en waarachtig als een der goden. Hij raadt mij, zonder mij te dwingen, een man te volgen, dien ik nimmer zal kunnen liefhebben. Doch ik heb op mijn weg een man ontmoet, eenvoudig van geboorte, maar groot van geest en gaven....”
Tot hiertoe had Pentaoer, niet in staat een woord te spreken, de prinses aangehoord. Zou hij verborgen blijven en haar geheim afluisteren, of zou hij te voorschijn komen en zich aan haar vertoonen? Zijn trots riep luide in zijn binnenste: »Thans noemt zij uw naam, gij zijt de uitverkorene boven alle schoonen en grooten.” Maar eene andere stem, waarnaar hij zich door menige zelfbeproeving gewend had te luisteren, verhief zich en zeide: »Laat de onwetende niets zeggen, waarover de wetende zich zou moeten schamen.” Blozende voor die stem, schoof hij het voorhangsel open en trad Bent-Anat te gemoet.
De prinses week verschrikt terug en vroeg: »Zijt gij Pentaoer, of een der hemelsche goden!”
»Ik ben Pentaoer,” zeide hij met vaste stem, »een mensch met al de zwakheden van mijn geslacht, maar met den wil om het goede te doen. Verwijl hier en stort uw hart uit voor onze godin; mijn gansche leven zal een gebed zijn voor u!”
Hij zag haar hierbij met heldere oogen aan, en keerde zich daarop, zoo snel alsof hij een gevaar te ontwijken had, naar den uitgang van het biecht vertrek.
Bent-Anat riep hem bij zijn naam, en hij stond stil. »De dochter van Ramses,” zeide zij, »behoeft hare verschijning aan deze plaats niet te rechtvaardigen. Maar de jonkvrouw Bent-Anat,” en bij deze woorden bloosde zij, »vermoedde in plaats van u, den ouden Roeï hier te vinden, en zij verlangde zijn raad. Laat mij thans bidden!”
Bent-Anat zonk op de knieën en Pentaoer trad naar buiten. Toen ook de prinses de biechtkamer weder verlaten had, lieten zich aan de zuidzijde van het terras waarop zij stond, luide stemmen hooren. Zij vloog naar de borstwering. »Heil Pentaoer!” klonk het van beneden. De dichter liep insgelijks toe en plaatste zich naast de koningsdochter. Beiden zagen neder in het dal en werden door allen gezien.
»Heil Pentaoer!” klonk het nu nog eens zoo luide. »Heil onzen leermeester! Keer terug in het Seti-huis. Weg met de vervolgers van Pentaoer! Weg met onze onderdrukkers!”
Aan het hoofd der jongelieden, die, zoodra zij vernomen hadden waarheen de dichter gebannen was, uit het Seti-huis gevlucht waren, om hem te zeggen dat zij hem bleven aanhangen, stond de prins Rameri. Zegepralend wuifde hij zijne zuster toe. De jonge Anana, mede een der aanvoerders, trad vooruit, om in eene plechtige en goed bestudeerde aanspraak den vereerden meester mede te deelen, dat zij, ingeval Ameni weigeren mocht hem in het Seti-huis terug te roepen, besloten waren hunne vaders te verzoeken hen naar eene andere school over te plaatsen.
De jeugdige geleerde sprak goed en Bent-Anat volgde niet zonder bijval zijne rede. Pentaoer echter fronste al meer en meer het voorhoofd, en eer zijn geliefkoosde leerling zijne toespraak ten einde had gebracht, viel hij hem in de rede met ernstige woorden. Eerst wees hij den lof hem toegebracht af, daarna sprak hij zijn ongenoegen uit over hunne daad. Doch hoe luide hij ook zijne stem verhief, er lag in zijne taal geen toorn maar veeleer smart. »Waarlijk,” zoo besloot hij, »ik zou mij beklagen over elk woord, weleer tot u gesproken, wanneer het uw moed versterkte tot zulk eene onbezonnen daad. Gij zijt in paleizen geboren; leert gehoorzamen, opdat gij later zult kunnen bevelen. Terug naar de school! ― Talmt gij nog? Dan treed ik u met mijne wachters tegemoet, en drijf u, die mij en uzelven door zulke bewijzen van liefde weinig eer aandoet, naar de school terug, waar gij tehuis behoort!”
De leerlingen waagden geen tegenspraak, maar verbluft en ontnuchterd keerden zij zich om.