Warda: Roman uit het oude Egypte

Part 15

Chapter 154,117 wordsPublic domain

»Hm,” bromde de heks, en zij zag Nemoe met beide oogen vragend aan, terwijl zij zich aan het stokje in haar hand zoo hoog mogelijk oprichtte. »Wat is er dan toch met je gebeurd dat ge het lot der grooten zóo ter harte neemt, alsof het je eigen was?”

De dwerg kreeg een kleur en antwoordde aarzelend: »Katoeti is eene goede meesteres, en als het haar welgaat, kan er voor u en voor mij nog al wat afvallen.”

De heks schudde ongeloovig het hoofd en zeide met schamperen lach: »Misschien een brood voor u en voor mij een kruimel! ― Gij voert ook nog iets anders in het schild, en ik lees in uw hart alsof ge deze opengesneden raaf waart. Gij behoort tot het soort van lieden, die hunne vingers niet stil kunnen houden en dag aan dag elk deeg kneden, overal schuiven, wrijven, iets maken moeten. Elke rok is u te eng. Waart ge drie hoofden grooter en het kind van een priester dan hadt ge het misschien ver gebracht. Hoog wilt ge vliegen en hoog zult ge ook eindigen, als vriend van een koning of ― aan de galg!”

De oude lachte weder, maar Nemoe beet zich op de lippen en zeide: »Hadt ge mij naar de school gezonden, ware ik niet de zoon van een heks en geen dwerg, dan speelde ik met de menschen, gelijk gij met mij hebt gespeeld. Want ik ben slimmer dan zij allen, en geen hunner drijfveeren blijft mij verborgen. Honderd wegen liggen voor mij open, als zij heg noch steg weten, en waar zij zorgeloos voortjagen, zie ik den afgrond waarin zij onvermijdelijk zullen nederstorten.”

»En toch komt ge bij mij?” hernam de oude spottend.

»Ik verlang uw raad,” antwoordde Nemoe ernstig, »omdat vier oogen meer opmerken dan twee; omdat de belangelooze toeschouwer helderder ziet dan de speler, en omdat gij verplicht zijt mij te helpen.”

De heks keek verwonderd op en vroeg: »Ik? Verplicht? En waartoe dan?”

»Mij te helpen,” herhaalde de dwerg half smeekend. »Gij hebt mijn groei belemmerd en mij tot een wangedrocht gemaakt.”

»Eenvoudig omdat niemand het in de wereld beter heeft dan gij dwergen,” haastte de oude zich te zeggen.

Nemoe schudde het hoofd en vervolgde droefgeestig: »Dat hebt ge mij reeds zoo dikwijls verteld. Ten aanzien van menig ander, die als ik in ellende werd geboren, moogt gij gelijk hebben. Doch gij hebt mij het leven bedorven; ge hebt mij niet alleen naar het lichaam, maar ook naar de ziel verminkt. Mij hebt gij tot een nameloos lijden gedoemd, dat met geen woorden is te beschrijven.”

Het groote hoofd van den dwerg zonk neder op zijn borst, en hij drukte zijne linkerhand tegen zijn snelkloppend hart. De oude naderde hem daarop en vroeg wat vriendelijker: »Wat hebt gij dan toch? Ik dacht dat het u goed ging in Mena’s huis.”

»Dat denkt ge,” sprak de kleine, »gij, die mij zooeven als in een spiegelbeeld toondet, wie ik ben, en hoe geheimzinnige krachten mij dringen en drijven! Kunstmatig hebt ge mij gemaakt tot hetgeen ik ben. Gij hebt mij verkocht aan den schatmeester van Ramses, en deze schonk mij aan Mena’s vader, zijn zwager. Dat is nu vijftien jaren geleden! Ik was toen nog een jongeling, een knaap als zoovele anderen, alleen wat levendiger van geest, wat onrustiger en driftiger dan zij. Men gaf mij als speelgoed aan den kleinen Mena, en hij spande mij voor zijn wagentje en schikte mij op met linten en vederen, en sloeg mij met de zweep, als ik hem niet hard genoeg voorttrok. Wat heeft dat meisje, waarvoor ik mijn leven zou hebben gegeven, dat dochtertje van den portier, om mij gelachen, als ik in mijn maskeradetuig hijgend voor het wagentje huppelde, en de geeselstriemen van het jongeheertje mij om de ooren suisten, het zweet mij van het voorhoofd gutste en mijn diep gewond hart bloedde! Toen stierf Mena’s vader; de knaap kwam in het Seti-huis, en van toen aan diende ik de vrouw van zijn hofmeester, dien Katoeti later naar het erfgoed in Hermonthis verbande. Dat waren jaren! De dochtertjes van den huize speelden met mij als met eene pop[103], legden mij in de wieg en dwongen mij de oogen te sluiten en mij te houden alsof ik sliep, terwijl liefde en haat strijd voerden in mijne ziel en groote ontwerpen mijn brein vervulden. Zoodra ik poogde mij te verzetten, sloegen ze mij met roeden, en toen ik eens in boosheid mijzelf had vergeten, de kleine Mertitefs geslagen en gewond had, hing Mena, die er ongelukkig juist opaan kwam, mij met mijn gordel aan een spijker in de schuur, en liet mij daar eenvoudig bengelen, later zeggende, dat hij vergeten had mij af te nemen. De ratten vielen mij op ’t lijf! Daar zijn nog de litteekens, de kleine witte puntjes hier. Zie maar! Misschien zullen zij eens geheel vergroeien, maar de wonden, die mijn hart in die ure geslagen zijn, zullen niet ophouden te bloeden! Daarna huwde Mena met Nefert, en met deze vrouw kwam ook zijne schoonmoeder Katoeti in huis. Zij verloste mij van den hofmeester. Ik werd voor haar onontbeerlijk. Zij behandelt mij als een man. Zij weet de gaven mijns geestes te schatten en luistert naar mijn raad. Daarom wil ik haar groot maken, met haar en door haar machtig worden. Als Ani den troon bestijgt, dan zullen wij hem besturen, gij en ik en zij! Ramses moet vallen en met hem Mena, die mijn lichaam onteerd en mijne ziel vergiftigd heeft.”

[103] Poppen worden in verschillende museën bewaard, o.a. een ledepop te Leiden.

De oude had onder deze woorden zwijgend tegenover den dwerg gestaan. Zij zette zich thans op haar ruwen houten zetel neer en zeide, terwijl zij eene hoppe begon te plukken: »Nu begrijp ik u. Gij verlangt u te wreken. Gij wenscht hoog te stijgen, en ik zal uw mes wetten en de ladder voor u vasthouden. Arme kleine! Kom, zet je neder; drink om tot bedaren te komen nog een slok melk en hoor mijn raad. Katoeti heeft veel geld noodig om eerloosheid te voorkomen. Welnu, zij heeft het maar op te nemen, want het ligt voor haar deur.”

De dwerg zag de heks met verbazing aan.

»De Mohar Paäker,” vervolgde zij, »is de zoon van hare zuster Setchem, niet waar?”

»Zoo als gij zegt.”

»Katoeti’s dochter Nefert is de vrouw van uw meester Mena en ik geloof dat een ander dit verlaten hoentje gaarne in zijn hof zou lokken.”

»Gij doelt op Paäker, die met Nefert verloofd was, voor zij Mena volgde.”

»Paäker was eergisteren bij mij.”

»Bij u?”

»Ja, bij mij, de oude Hekt, en wel om een liefdedrank te koopen. Ik gaf hem zoo iets, en daar ik nieuwsgierig ben, liep ik hem achterna, zag hoe hij het vrouwtje het water aanbood, en vorschte uit hoe zij heette.”

»En Nefert dronk den tooverdrank?” vroeg de dwerg met ontzetting.

»Azijn en wortelsap!” spotte de oude. »Een groot heer, die tot mij komt om eene vrouw te winnen, is tot alles in staat. Laat Nefert Paäker om het geld smeeken, en de schulden van den lichtzinnigen jonkman zijn betaald.”

»Katoeti is trotsch en heeft mij streng afgewezen, toen ik zoo iets durfde voorslaan.”

»Dan moet Paäker zelf haar het geld aanbieden. Ga tot hem, wek in hem de hoop op Nefert’s genegenheid, vertel hem wat de vrouwen beangstigt, en laat hem, als hij weigert, maar ook dan eerst, merken dat gij iets van het drankje weet.”

De dwerg zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich en sprak toen, terwijl hij de oude vol bewondering aanstaarde: »Juist, dat is de rechte weg.”

»Den verkeerden vindt ge ook wel zonder mij,” prevelde de heks. »Uw zaak is misschien toch nog zoo slecht niet, als ze mij in den beginne wel toescheen. Katoeti mag den deugniet, die zijns vaders mummie verspeelde, danken. ― Begrijpt ge mij niet! Nu, als gij van allen daarginds de slimste heet, wat moeten de anderen dan wel zijn?!”

»Gij meent dat men mijne meesteres roemen zal,” zeide de dwerg, »dat zij er zulk eene groote som voor overheeft, om den naam....”

»Wat naam, wat roemen!” riep de oude ongeduldig. »Wij hebben met andere, met werkelijke dingen te doen! Dáar staat Paäker, dàar de vrouw van Mena. Wanneer de Mohar voor de jonge vrouw een geheel vermogen weggeeft, dan wil hij haar bezitten, en Katoeti zal hem niet in den weg staan. Zij weet toch, waarvoor hij haar schuld betaalt. Maar een ander verspert haar den weg, en dat is Mena. Hij moet uit den weg geruimd! De wagenmenner staat dicht bij den pharao, en de strik dien men naar den een werpt kan ook licht om den hals van den ander heenslaan. Maak den Mohar tot uw bondgenoot; gebruik hem met verstand. En dan zou het wel eens kunnen gebeuren, dat uwe rattenbeten en doodswonden vergolden werden; dat Ramses, die u omver blaast, wanneer gij openlijk tegen hem optreedt, getroffen werd door eene lans uit eene hinderlaag geslingerd. Is de troon eens ledig, dan zullen de zwakke beenen van den stadhouder misschien er op kunnen klimmen, wanneer de priesters hem een handje helpen. ― Zie, daar zit ge nu met open mond te luisteren, en ik heb u toch niets geraden, wat gij zelf niet hadt kunnen vinden.”

»Gij zijt een vat vol wijsheid!” riep Nemoe.

»En nu zult gij heengaan,” vervolgde Hekt, »en uwe meesteres en den stadhouder uwe plannen onthullen, opdat zij uwe slimheid bewonderen. Heden weet gij nog, wat ik u aan het verstand hebt gebracht en wat u te doen staat; morgen zult gij het weder vergeten zijn, en overmorgen beeldt ge u in, dat de geest der negen groote goden u bezielt. Ik ken dat. Maar ik kan niets geven om niet. Gij leeft van uwe kleinheid; een ander voedt zich door zijne sterke handen; ik verdien mijn schamel brood door wat hier in mijn hoofd omgaat. Hoor! Als gij Paäker half gewonnen hebt en Ani blijkt genegen te zijn om zich te laten gebruiken, dan kunt ge den stadhouder zeggen, dat ik een geheim weet ― en ik weet er een, ik alleen! ― een geheim, dat den Mohar tot zijn speelbal maakt. Ik ben bereid mij dit geheim te laten afkoopen.”

»Dat zal geschieden! ja stellig moeder!” riep de dwerg. »Wat verlangt gij?”

»Weinig,” zeide de oude. »Alleen een vrijbrief, die mij waarborgt ongehinderd, ook van de zijde der priesters, te mogen doen en laten wat mij lust, en die mij verzekert, dat ik na mijn dood eene eerlijke begrafenis zal hebben.”

»De stadhouder zal zich daar niet gemakkelijk toe laten overhalen, want hij moet alles vermijden, wat de dienaars der godheid kwetsen kan.”

»En alles doen,” ging de oude voort, »wat Ramses in hunne oogen vernedert. Ani, hoort ge, behoeft mij geen nieuwen vrijbrief te schrijven, hij kan volstaan met den ouden te hernieuwen, dien Ramses mij verleende, nadat ik zijn ziek lievelingspaard had genezen. Zij hebben dien met al mijne overige bezittingen verbrand, toen zij mijne hut plunderden, mij voor eene tooveres en al mijn huisraad typhonisch verklaarden. Wat de begrafenis aangaat, dat heeft voorloopig nog den tijd. Ik verlang den vrijbrief van Ramses, meer niet.”

»Gij zult dien hebben,” zeide de dwerg. »Vaarwel! Ik heb in last in het familiegraf mijner meesteres te onderzoeken, of de doodenoffers naar behooren geplaatst zijn, verder nieuwe reukwerken te plengen, en nog andere dingen te laten vernieuwen. Als Sechet niet meer woedt[104] en het koeler wordt, kom ik hier nog eens voorbij, want ik zou den Paraschiet Pinem wel willen spreken en zien hoe het die arme Warda gaat.”

[104] Zie boven blz. 61.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Terwijl dit gesprek werd gevoerd, waren voor de hut van den Paraschiet twee mannen druk bezig met palen in den grond te bevestigen, en daarover een gescheurden linnen lap uit te spannen. Een hunner, de oude Pinem, dien wij als pleegvader zijner kleindochter hebben leeren kennen, vermaande den ander van tijd tot tijd aan de kranke te denken, en wat minder leven te maken. Toen zij hun eenvoudig werk voltooid en onder deze tent eene ligplaats van frisch stroo gemaakt hadden, gingen beiden op den grond zitten met het gezicht naar de hut, waarvoor de arts Nebsecht zich had nedergezet, wachtende op het ontwaken van de sluimerende kranke.

»Wie is die man?” vroeg de heelmeester den oude, doelende op diens jongeren metgezel, een stevig bruinkleurig soldaat, met dikken ronden baard.

»Mijn zoon,” antwoordde de Paraschiet, »die uit Syrië is teruggekeerd.”

»Warda’s vader?” vroeg de arts.

De soldaat knikte toestemmend en zeide met een ruwe stem, maar toch op trouwhartigen toon: »Men kan het mij wel niet aanzien, want zij is zoo blank en blozend. Doch hare moeder was eene vreemdelinge, en zij is ook zoo teer geworden als deze was. Ik was schier te bevreesd haar met mijn pink aan te raken, en daar rijdt me nu een wagen over het tengere popje, en zij houdt het uit en blijft leven.”

»Zonder de hulp van dezen heiligen vader,” zeide de Paraschiet, terwijl hij den arts naderde en diens gewaad kuste, »zoudt gij haar niet levend hebben weergezien. De goden mogen u loonen voor hetgeen gij aan ons armen gedaan hebt.”

»En wij kunnen ook betalen,” riep de soldaat, slaande op den vollen buidel die aan zijn gordel hing. »Wij hebben in Syrië buit gemaakt, en ik zal een kalf koopen om het uw tempel te wijden.”

»Offer liever een dier van deeg,”[105] zeide de arts, »en wanneer gij u dankbaar wilt toonen, geeft dan uw vader het geld, opdat hij uw zwak dochtertje volgens mijn voorschrift voede en verplege.”

[105] Bij de feesten van Selene (Egyptisch Nechebt) werden zwijnen geofferd. Herodotus zegt (II, 47): „De onbemiddelden bakken uit armoede zwijnen van tarwedeeg, en brengen die ten offer.” Op de gedenkteekenen vindt men zulk gebak afgebeeld, in allerlei gedaanten van dieren.

»Hm,” bromde de soldaat, nam den buidel van zijn gordel, woog dien met de hand en zeide, terwijl hij hem den Paraschiet overhandigde: »Ik zou het toch verbrassen! Daar vader, neem het geld voor de kleine en voor moeder.”

Terwijl de oude aarzelend de hand uitstak naar het kostelijk geschenk, bezon de soldaat zich en zeide, den buidel openende: »Laat mij er toch eenige ringen uitnemen, want heden kan ik nog niet op een droogje liggen. Ik heb een paar kameraden besteld in den Rooden kroeg. Dat is ook voldoende voor morgen en overmorgen. Zoo zal het goed zijn. Daar, neem het andere bagatel!”

Nebsecht gaf den soldaat een teeken van goedkeuring; deze riep echter, toen de Paraschiet uit dankbaarheid den arts de hand kuste: »Maak me die kleine gezond, heilige vader! Met geschenken en offers is het nu uit, want ik heb niets meer, maar hier zijn een paar ijzeren vuisten en een borst als een vestingmuur! Als gij eens hulp noodig hebt, laat mij dan roepen, en ik zal u tegen twintig vijanden beschermen. Gij hebt mijn kind gered. Goed! Leven om leven! Ik verklaar met mijn eigen bloed dat ik uw schuldenaar ben. Dáar!”

Onder het uitspreken dezer woorden had hij een dolkmes uit zijn gordel getrokken. Hij gaf zich eene snede in den arm en liet eenige droppels van zijn bloed vallen op een steen voor de voeten van den arts. »Ziedaar,” vervolgde hij, »dit is mijne schuldbekentenis! Kaschta heeft zich tot uw schuldenaar verklaard en gij kunt over zijn leven beschikken als over het uwe. Wat ik gezegd heb, dat heb ik gezegd!”

»Ik ben een man des vredes,” stamelde Nebsecht, »en mijn wit gewaad beschermt mij. Maar ― ik geloof dat onze kranke ontwaakt is.”

De arts stond op en ging de hut binnen. Warda’s lieve hoofdje lag in den schoot harer grootmoeder, en hare groote blauwe oogen keerden zich rustig naar den priester.

»Zij zou nu wel mogen opstaan en buiten komen,” zeide de oude. »Zij heeft lang en zacht geslapen.”

De arts onderzocht haar pols en de wond, waarop groene bladeren lagen, en zeide: »Voortreffelijk! Wie heeft u toch dit kruid gegeven dat zulk eene genezende kracht bezit?”

De Paraschiet werd verlegen en draalde met het antwoord. Warda zeide echter zonder schroom: »De oude Hekt, die daar ginds woont in het zwarte hol.”

»De tooveres!” prevelde de arts. »Wij zullen de bladeren toch maar laten liggen; daar zij helpen, komt het er niet op aan vanwaar zij komen.”

»Hekt heeft ook de druppels geproefd, die gij haar geeft,” zeide de oude vrouw, »en toegestemd dat zij goed waren.”

»Dan zijn wij over elkaar tevreden,” gaf Nebsecht met een schalksch lachje ten antwoord. »Meisje, wij zullen u nu naar buiten dragen, want de lucht hier binnen is zoo zwaar als lood, en uwe teedere longen hebben lichter voedsel noodig.”

»Ja, laat mij in frisscher lucht,” smeekte de kranke. »Het is goed, dat gij dien andere niet weder hebt medegebracht, die mij met zijne bezweringen zoo bang maakte.”

»Gij meent den blinden Teta?” hernam Nebsecht. »Die zal niet terugkomen. Maar de jonge priester, die uw grootvader tot bedaren bracht, toen hij de prinses terugwees, hij zal u bezoeken. Hij is zoo vriendelijk, en gij moest, moest....”

»Zal Pentaoer komen?” vroeg het meisje levendig.

»Voor den middag. Maar hoe kent gij zijn naam?”

»Ik ken hem,” zeide Warda op een toon die geen twijfel overliet.

De arts zag haar verwonderd aan en zeide: »Gij moogt niet meer spreken, want uwe wangen gloeien, en de koorts mag niet wederkeeren. Wij hebben eene tent voor u gereed gemaakt en zullen u naar buiten dragen.”

»Nog niet,” bad het meisje. »Grootmoeder, maak mijn haar wat op; het hangt zoo zwaar.”

Dit zeggende greep zij zelve hare dikke roodblonde haren, en trachtte ze met hare kleine handen te scheiden en te ontdoen van de stroohalmen, die er in vast geraakt waren.

»Houd u toch stil,” vermaande de arts.

»Het is zoo zwaar,” zeide het meisje lachend, en toonde Nebsecht den weelderigen rijkdom harer goudgele haren, als ware zij met zulk een last verlegen. »Kom grootmoeder, help mij toch!”

De oude vrouw boog zich over het hoofd der kranke en haalde voorzichtig een groven grijzen hoornen kam door hare lange lokken, maakte zeer behoedzaam de stroohalmen los uit die gulden verwarring en legde ten laatste twee dichte glanzende vlechten over de schouders harer kleindochter. Nebsecht wist, dat iedere beweging de lijderes kwaad kon doen, en dit drong hem beiden dit werk te verbieden. Doch zijne tong was als verlamd. Verbaasd, onbeweeglijk en met blozende wangen stond hij tegenover het meisje, en zijne blikken volgden met angstige opmerkzaamheid elke beweging harer handen.

Zij gaf op hem echter geen acht. Toen de oude vrouw den kam uit de hand legde, haalde Warda diep adem en vroeg: »Grootmoeder, de spiegel!”

De grijze pleegmoeder bracht een scherf van donker verglaasd aardewerk. De kranke draaide de glanzige binnenzijde naar het licht, staarde een oogenblik het onduidelijk spiegelbeeld aan en zeide: »Ik heb in zoolang geen bloem gezien, grootmoeder!”

»Wacht, mijn kind!” zeide de oude, nam uit eene kan de roos die de prinses Bent-Anat op de borst harer kleindochter had gelegd, en stak haar die toe. Doch alvorens Warda haar grijpen kon, vielen de verdorde bloemblaadjes uit elkander en op haar neder. De arts bukte, raapte ze bij elkaar en gaf ze de kranke in de hand.

»Wat zijt ge toch goed,” zeide zij. »Ik heet Warda als deze bloem, en ik houd zooveel van de rozen en van frissche lucht. Kom, draag mij naar buiten.”

Zoodra Nebsecht riep, trad de Paraschiet met zijn zoon de hut binnen; beide droegen de lijderes buiten de deur en legden haar onder de eenvoudige door hen gespannen tent. De voeten van den soldaat knikten, toen hij den lichten last van zijn dochtertje in zijne sterke handen hield, en hij haalde weder adem, zoodra zij op de mat rustte.

»Wat is de hemel heerlijk blauw!” zeide Warda. »En grootvader heeft mijne granaatstruik begoten. Ja, dat dacht ik wel! ― Ach, daar zijn mijne duifjes ook, daar komen ze! Geef mij wat graan in de hand, grootmoeder! ― Wat zijn ze blijde!”

De sierlijke vogeltjes, met zwarte ringen om den roodgrijzen hals, klapwiekten zorgeloos om haar heen en pikten de graankorrels, die zij spelende op hare lippen legde, van haar mondje weg. Nebsecht zag dit tooneel met stille bewondering aan. Het was hem alsof eene nieuwe wereld zich voor hem opende, als was er een nieuw orgaan, dat hem tot hiertoe vreemd was gebleven, gewekt in zijne borst. Zwijgend zette hij zich voor de hut neder en teekende het beeld eener roos met een door hem opgenomen rietstaafje in het zand.

Alles bleef stil in den omtrek, ook toen de duifjes de kranke verlaten en het dak van de hut weder opgezocht hadden. Op eens sloeg de hond van den Paraschiet aan; men hoorde voetstappen naderen. Warda richtte zich op en zeide: »Grootmoeder, de priester Pentaoer!”

»Wie zegt u dat?” vroeg de oude.

»Ik weet het,” antwoordde het meisje op stelligen toon. Weinige oogenblikken later riep een heldere stem: »Heil u! Hoe gaat het uwe kranke?”

Weldra stond Pentaoer naast Warda, zich verheugende over het gunstig bericht van den arts Nebsecht en het vriendelijk gelaat van het meisje. Hij had bloemen in de hand, door eene gelukkige jonkvrouw gelegd op het altaar der godin Hathor, die hij sedert gisteren als priester diende. Hij overhandigde ze de kranke, die ze blozend aannam en in de gevouwen handen vasthield.

»Dat zendt u de hooge godin, die ik thans dien,” zeide Pentaoer, »en zij zal u genezing schenken. Blijf haar gelijk! Gij zijt als zij rein en lieflijk; moge ook verder uw handel met den haren overeenstemmen. Gelijk de zon leven geeft aan den nevelachtigen horizont, zoo brengt gij vreugde in deze donkere hut. Bewaar uwe onschuld, en overal waar gij uwe schreden richt zult gij liefde wekken, evenals er bloemen ontluiken op elke plek, die Hathors gouden voet[106] betreedt. Haar zegen rust op u!”

[106] Hathor wordt meermalen, bijv. te Dendera de „gouden” genaamd. Deze godin heeft veel overeenkomst met de „Gouden Aphrodite.”

Hij had de laatste woorden half tot het Paraschieten-paar, half tot Warda gericht. Reeds maakte hij zich gereed om terug te keeren, toen zich achter het maïs-stroo, dat dicht bij de tent van de kranke lag, eene angstige kreet van een kind deed hooren. Spoedig daarop kwam een knaapje te voorschijn, dat in de hoogopgeheven hand een koek hield, door den hond, die het kind overigens wel scheen te kennen, voor de helft afgebeten.

»Hoe komt gij hierheen, Scheraoe?” vroeg de Paraschiet aan het pruilende ongelukkige kind, dat door de oude Hekt tot een dwerg werd misvormd.

»Ik wilde,” zeide de kleine al snikkende, »ik wilde Warda de koek brengen. Zij is ziek en ik had zooveel....”

»Arm kind,” haastte de Paraschiet zich te zeggen, terwijl hij het haar van den kleine streelde. »Daar, geef het aan Warda.” Scheraoe naderde de lijderes, knielde naast haar neer en fluisterde met van blijdschap stralende oogen: »Toe neem het! De koek is goed en zeer zoet, en wanneer ik er weder een krijg en Hekt laat mij vrij, dan breng ik die naar u.”

»Ik dank u beste Scheraoe,” antwoordde Warda en gaf den knaap een kus. Toen richtte zij zich tot Pentaoer en zeide: »Sedert weken heeft hij niets gehad dan papyrus-merg[107] en lotus-brood[108], en nu brengt hij mij den koek, die moeder gisteren de oude Hekt mede naar huis gaf.”

[107] Volgens Herodotus II, 92, Diodorus I, 80 en Plinius XIII, 10, aten de Egyptenaars het beneden deel van den papyrus-stengel, d. w. z. het merg dezer plant, en wel het liefst op den oven geroosterd.

[108] „Zij stooten de kern van den lotus, die uiterlijk gelijkt op een maankop, fijn en bakken daarvan brood” (Herodotus II, 92). Daar, zooals de gedenkteekenen ons leeren, de lotus-planten in overgroote menigte op het water en de papyrus-struiken aan den Nijloever wiesen, is de opteekening van Diodorus dat, namelijk een kind, tot het volwassen is, zijne ouders niet meer dan 20 drachmen (ongeveer 9 gulden) heeft gekost, wel te gelooven. Het is zeker vreemd, dat ondanks de nuttigheid van beide planten, met name van den papyrus, de eene zoowel als de andere in Egypte niet meer vóorkomen.

Het knaapje bloosde tot over de ooren en stamelde: »Hij is nog maar half, en toch heb ik hem niet aangeroerd; uw hond beet dit stuk hier af, en dáar.” Het kind raakte even met zijn vinger de honig aan en bracht dien aan zijne lippen. »Ik zat reeds lang achter het stroo te wachten, want ik durfde niet voor die vreemde heeren daar.” Hij wees daarbij op den arts en Pentaoer, en zeide daarop: »Maar nu moet ik naar huis.”