Warda: Roman uit het oude Egypte
Part 14
Katoeti kuste haar en zeide: »Hoor toch eens wat uw broeder schrijft.”
Maar Nefert schudde het hoofd, wendde zich zwijgend af en verdween in het huis.
Katoeti was haar schoonzoon niet bijzonder genegen, maar zij hing met geheel haar hart aan haren schoonen lichtzinnigen zoon, het evenbeeld van haar gestorven gemaal, den lieveling der vrouwen, den vroolijksten jongeling onder de jonge edelen, die de koninklijke garde van wagenstrijders uitmaakten. Hoe uitvoerig had hij, die zoo moeielijk met het schrijfriet kon omgaan, ditmaal geschreven! Anders was hij gewoon in korte woorden te vragen om nieuwe middelen tot bevrediging van zijne spilzucht, maar dit was nu eens een degelijke brief. Heden mocht zij ook eene dankzegging verwachten, want nog kort geleden had hij eene aanzienlijke toelage ontvangen, die zij weder had afgezonderd van de inkomsten der goederen, die haar schoonzoon haar had toevertrouwd. ― Zij begon nu te lezen. De blijdschap waarmede zij den dwerg had ontvangen was geveinsd geweest, en niet ongelijk aan de fraaie regenboog-kleuren, die de sombere oppervlakte van een moeras bedekken: Werp een steen in den poel, de glans zal verdwijnen; troebele wolken borrelen op en verven het water met onreine donkere tinten. Zoo vielen de berichten, die de brief van haar zoon inhield, als zware rotsblokken in Katoeti’s ziel. De diepste smart welt voor ons altijd op uit dezelfde bron, die ons met vreugde kan verzadigen, en die wonden branden het heetst, die eene geliefde hand ons slaat. Hoe meer Katoeti zich verdiepte in de moeilijk te ontcijferen volzinnen van haar lieveling, die jammerlijk vol fouten waren, des te bleeker werd haar gelaat, dat zij telkens bedekte met de bevende handen, waaraan ten laatste het blad ontviel.
Nemoe zat tegenover haar neergehurkt op den grond en volgde elke harer bewegingen. Toen zij eindelijk opsprong met een gil, die door merg en been drong, en haar voorhoofd drukte tegen een ruwen palmstam, kroop hij naar haar toe, kuste hare voeten, en riep zoo hartelijk, dat het Katoeti zelfs verraste, zij die enkel gewoon was jolige of scherpe woorden uit den mond van haar dwerg te vernemen: »Meesteres, meesteres! Wat is er toch gebeurd?”
Katoeti kwam weer tot zich zelve, keerde zich om en trachtte te spreken; maar haar doodsbleeke lippen bleven gesloten, en hare oogen staarden zoo dof in de ruimte, als ware zij door doodskramp overvallen.
»Meesteres, meesteres!” sprak de dwerg op nieuw, en steeds hartelijker. »Wat deert u toch? Zal ik uwe dochter roepen?”
Katoeti maakte eene ontkennende beweging met de hand en riep halffluisterend uit: »Die ellendigen, die laaghartigen!”
Haar adem begon sneller te gaan; het bloed steeg haar naar wangen en oogen. Zij vertrapte den brief, en snikte zoo luid en hevig, dat de dwerg, die nog nooit tranen in hare oogen had gezien, angstig opstond en zacht berispend durfde zeggen: »Katoeti!”
Zij begon hierop bitter te lachen en sprak met bevende stem: »Waarom roept gij dezen naam zoo luid? Hij is onteerd, geschandvlekt. Hoe zullen de heeren en vrouwen zich nu verheugen! Nu kan de nijd zijn geliefd kind, den spot, tegen ons in ’t harnas jagen. En ik heb dezen dag zooeven nog geprezen! Men zegt: vertoon uw geluk op de straten en verberg uw ongeluk. Omgekeerd! omgekeerd! Den goden mag men zelfs niet laten blijken, dat men zich verblijdt en hoopt, want ook zij zijn naijverig en hebben vermaak in ons leed.”
Andermaal liet zij haar hoofd tegen den palmboom rusten.
»Gij spreekt van schande en niet van dood,” zeide Nemoe, »en toch heb ik van u geleerd, dat men niets verloren moet achten, behalve de afgestorvenen.”
Deze woorden misten hare krachtige uitwerking niet op de vrouw, die bijna vertwijfelde. Driftig en onstuimig wendde zij zich tot den dwerg en sprak: »Gij zijt verstandig en zeker wel te vertrouwen. Hoor dan! Doch al waart gij Amon zelf, er is geene redding meer mogelijk; neen, geene!”
»Toch moet men een middel trachten uit te denken,” hernam Nemoe, en zijne slimme oogen ontmoetten die van zijne meesteres. »Spreek toch! en geef mij uw vertrouwen. Mogelijk kan ik u helpen. Gij weet dat ik de kunst versta om te zwijgen.”
»Weldra zullen de kinderen elkaar op straat vertellen, wat deze brief mij heeft gemeld,” zeide Katoeti met bittere ironie. »Nefert alleen mag van het gebeurde niets weten, niets, hoort gij! ― Wat is dat? De stadhouder komt! Ga dadelijk tot hem! Zeg hem dat ik plotseling ongesteld ben geworden, zeer erg! Ik kan hem niet zien, nu althans niet! ― Niemand mag toegelaten worden, niemand! Verstaat ge?”
De dwerg verdween terstond. Toen hij zijn last had volbracht en terugkwam, vond hij zijne meesteres nog altijd in koortsachtige overspanning. »Hoor dan,” zeide zij. »Eerst wat van minder beteekenis is, dan het verschrikkelijke, het onuitsprekelijke. Ramses overlaadt Mena met gunstbewijzen. Men is overgegaan tot de verdeeling van den krijgsbuit van dit jaar. Voor elken aanvoerder lagen groote schatten gereed, en de wagenmenner mocht vóor allen kiezen.”
»Welnu?” vroeg de dwerg.
»Welnu?” herhaalde Katoeti. »Welnu? Hoe zorgde de waardige huisheer voor de zijnen in het vaderland; hoe eerde hij zijne arme verlatene vrouw; hoe zocht hij zijn bezwaard erfdeel van schulden te ontheffen? Het is schandelijk, afschuwelijk! Het zilver, het goud, de edelgesteenten ging hij met een glimlach voorbij, en hij nam de schoone krijgsgevangene dochter van den vorst der Danaërs en voerde haar naar zijne tent.”
»’t Is schandelijk!” prevelde de dwerg.
»Arme, arme Nefert!” riep Katoeti, en zij verborg haar aangezicht met beide handen.
»En het andere?” vroeg Nemoe somber.
»Dat,” zeide Katoeti, »dat is... Maar ik wil kalm blijven, dood bedaard en koel. Gij kent mijn zoon. Hij is lichtzinnig, maar hij heeft mij lief en zijne zuster meer dan alles in de wereld. Dwaze die ik was! Om hem tot spaarzaamheid te bewegen, had ik hem onze benarde omstandigheden geschilderd. Toen nu die schandelijke daad door Mena was bedreven, dacht hij aan ons en onze zorgen. Zijn aandeel in den buit was gering en kon ons niet helpen. Zijne kameraden dobbelden om de gewonnen deelen; hij zette het zijne op ’t spel, om meer voor ons te winnen. Alles verloor hij, alles! Eindelijk ― het is afgrijselijk, schier niet om uit te spreken ― eindelijk zette hij tegenover eene ongehoorde som, altijd aan ons denkende en aan ons alleen, de mummie van zijn afgestorven vader[96]. Hij verloor! Lost hij dit heilig onderpand niet in vóor het einde van de derde nieuwe maan, dan wordt hij eerloos verklaard[97], en de mummie valt den winner ten deel. Verachting en verbanning uit de samenleving zullen dan zijn en mijn deel zijn.”
[96] De koning, dien Herodotus Asychis noemt, en die waarschijnlijk tot de 4e dynastie gebracht moet worden, zal het eerst hebben toegelaten de mummiën der voorvaderen te verpanden. „Wie dit onderpand gaf, en de schuld niet had willen terugbetalen, dien zou na zijn dood noch in zijn vaderlijk, noch in eenig ander graf eene plaats worden ingeruimd. Ook aan zijne nakomelingen zou de begrafenis worden geweigerd.” Herodotus II, 136.
[97] De zwaarste straf, die een Egyptisch soldaat treffen kon. Het schijnt dat deze straf ook alleen voor krijgslieden bestond.
Katoeti drukte de handen stijf tegen het gelaat. De dwerg prevelde echter bij zichzelf: »Die speler en huichelaar!” Toen zijne meesteres wat bedaarde, zeide hij overluid: »Dat is ontzettend; maar toch is alles nog niet verloren. Hoeveel bedraagt de schuld?”
Het klonk als een zware vloek, toen Katoeti antwoordde: »Dertig Babylonische talenten”[98]!
[98] Ongeveer 81,000 gulden.
De dwerg sprong op met een gil, als had hem een adder gebeten, en vroeg: »Wie waagde het tegen zulk een waanzinnigen inzet?”
»Antef, de zoon van vrouw Hathor,” antwoordde Katoeti, »die reeds in Thebe het erfgoed zijns vaders heeft verspeeld.”
»Die laat geen graankorrel van zijne vordering vallen!” riep de dwerg. »En Mena?”
»Hoe kon mijn zoon, na al het gebeurde, zich tot hem wenden? Het arme kind smeekt mij de hulp van den stadhouder in te roepen.”
»Van den stadhouder?” vroeg de dwerg, terwijl hij zijn groot hoofd schudde. »Onmogelijk!”
»Ik weet hoe het met hem gesteld is; maar zijn stand, zijn naam!”
»Meesteres!” sprak de dwerg, en in zijne woorden lag hooge ernst, »bederf de toekomst niet ter wille van het tegenwoordige. Wanneer uw zoon zijne eer verliest onder koning Ramses, kan zij hem door den toekomstigen pharao Ani teruggegeven worden! Bewijst de stadhouder u thans zulk een ongehoorden dienst, dan zal hij meenen met u afgerekend te hebben, wanneer dat werk gelukt en hij den troon beklimt. Op dit oogenblik laat hij zich geheel door u leiden, terwijl gij hem niet noodig hebt en enkel om zijnentwil voor zijne verheffing schijnt te werken. Zoodra gij nu zijne hulp inroept en hij u redt, verliest gij de vrijheid en belangeloosheid, waarin tegenover hem uw kracht is gelegen. Hij zal met te meer onwil bemerken dat gij van hem denkt partij te trekken, naarmate het hem moeielijker vallen zal zulk eene groote som in korten tijd bijeen te brengen. Gij weet toch in welke omstandigheden hij verkeert.”
»Hij steekt in schulden,” zeide Katoeti, »dat weet ik.”
»Dat moet gij ook weten,” ging de dwerg voort, »want gij zelve drijft hem tot ongehoorde uitgaven. Door schitterende feesten aan te richten, heeft hij de bevolking van Thebe voor zich gewonnen; als verzorger van den heiligen Apis heeft hij te Memphis schatten uitgegeven[99]; de aanvoerders der door hem uitgeruste troepen, die naar Ethiopië bestemd zijn, heeft hij met duizenden begiftigd; en gijzelve weet wat zijne geheime agenten kosten in het koninklijk leger. Van de meeste rijken hier te lande heeft hij sommen geleend, en dat is goed, want zoovele schuldeischers zijn tevens zoovele bondgenooten. De stadhouder Ani is volgens hunne berekening een slecht schuldenaar, maar koning Ani zal een dankbaar betaler zijn.”
[99] Toen onder Ptolemaeus I Soter, de Apis stierf, gaf zijn verpleger voor de begrafenis van het heilige dier, niet alleen al het geld uit, waarover hij te beschikken had, maar hij borgde bovendien van den koning nog 50 talenten zilver, ongeveer 135,000 gulden. In den tijd van Diodorus gaf de Apis-verzorger voor hetzelfde doel 100 talenten, d. i. 270,000 gulden uit.
Katoeti zag den dwerg verbaasd aan en kon niet nalaten te zeggen: »Gij kent de menschen.”
»Helaas, ja!” antwoordde de dwerg. »Wend u niet tot den stadhouder. Eer gij het werk van jaren afbreekt en de toekomstige grootheid van u en de uwen opoffert, moet gij liever de eer van uw zoon prijsgeven.”
»En die van mijn gemaal en mijne eigene?” vroeg Katoeti. »Maar gij weet niet wat dat beteekent! =Eer= is een woord dat de onvrije wel kan nastamelen maar nimmer begrijpen. Gij wrijft de eeltplekken die men u geslagen heeft; mij zal elke vinger, die met minachting op mij wijst, verwonden als eene lans van essenhout met eene vergiftigde koperen punt. O eeuwige goden, wie kan hier helpen?!”
De gefolterde vrouw bedekte hare oogen weder met de handen, als wilde zij hare eigene smaadheid niet aanschouwen. De dwerg zag haar medelijdend aan en zeide op zachter toon: »Herinnert ge u den diamant, die uit Nefert’s schoonsten ring was gevallen? Wij zochten dien maar vonden hem niet. Den volgenden dag liep ik door de kamer en trapte op iets hards. Ik bukte en vond den steen. Wat aan het edele gezichtsorgaan, het oog, was ontsnapt, dat had de verachte eeltachtige voetzool gevonden. Wellicht gelukt het den onvrijen kleinen Nemoe, die niet weet wat eer is, een redmiddel uit te denken, dat zich aan den verheven geest zijner meesteres niet voordoet.”
»Waaraan denkt gij dan?” vroeg Katoeti.
»Aan redding!” antwoordde de dwerg. »Is het waar dat uwe zuster Setchem u heeft bezocht en dat gij u met elkander hebt verzoend?”
»Zij bood mij de hand, en ik nam haar aan.”
»Ga dan tot haar. De menschen zijn nooit dienstvaardiger dan na eene verzoening. De vijandschap die werd uitgedelgd beschouwen zij als eene pas geheelde wond, die men met voorzichtigheid moet aanraken. Setchem is van uw bloed en zij heeft een gevoelig hart.”
»Zij is niet rijk,” gaf Katoeti ten antwoord. »Elke palm in haar tuin komt van haar echtgenoot en behoort aan hare kinderen.”
»Was ook Paäker niet bij u?”
»O ja, maar op verlangen zijner moeder,” zeide Katoeti. »Gij weet, hij haat mijn schoonzoon.”
»Ik weet het,” zeide de dwerg, half binnen ’s monds; »doch als Nefert hem wilde verbidden....”
De trotsche weduwe schrikte. Zij gevoelde dat zij den dwerg te veel vrijheid had gegeven, en beval haar alleen te laten.
Nemoe kuste haar gewaad en vroeg schuchter: »Zal ik vergeten wat ge mij hebt toevertrouwd, of veroorlooft ge mij, dat ik verder over middelen peins om uw zoon te redden?”
Katoeti bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan, en zeide toen: »Gij hebt zeer verstandig uiteengezet wat ik laten moet: mogelijk openbaart eene godheid u wat ik doen zal. Laat mij nu alleen!”
»Hebt ge mij morgen vroeg ook noodig?” vroeg het manneke.
»Neen!”
»Dan rijd ik naar de Nekropolis om te offeren.”
»Ga,” zeide Katoeti, en ging met den noodlottigen brief het huis binnen.
Nemoe bleef alleen staan. Peinzend keek hij voor zich en prevelde: »Zij mogen niet tot eerloosheid vervallen, nu ten minste niet, want anders is alles verloren. Wat is toch die =eer=! Alle menschen komen zonder haar ter wereld, en de meeste onzer dalen als goede lieden ten grave, zonder haar ooit gekend te hebben. Maar enkelen, die rijk zijn en niets te doen hebben, bestrijken daarmede het gladde weefsel hunner ziel, evenals de Koeschiten[100] hun haar met vet en balsem, tot het een kapsel wordt[101], dat hun leelijk staat, maar waarop zij zoo trotsch zijn, dat zij zich liever de ooren dan dit onding laten afsnijden. Ik vermoed, ja ik vermoed.... doch eer ik mijn mond weder open doe, ga ik naar mijne moeder, die meer weet dan twintig profeten.”
[100] Ethiopiërs.
[101] Wij weten uit de gedenkteekenen, dat de zwarte bewoners van den Boven-Nijl, reeds in den tijd der pharao’s, de leelijke mode huldigden, die nog steeds door hunne nakomelingen wordt gevolgd.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Voordat de zon den volgenden dag was opgegaan, liet Nemoe zich met den kleinen witten ezel, dien de overleden vader van den wagenmenner Mena hem jaren geleden geschonken had, over den Nijl zetten. Voor zijn rit door de Nekropolis maakte hij wijselijk gebruik van de morgenkoelte, die de verschijning der dagvorstin voorafgaat. Goed bekend met alle wegen en paden, vermeed hij met opzet de straat, die naar de plaats voerde waar hij zijn wilde. Hij draafde voort in de richting van den berg, die het dal der koningsgraven van de Nijlvlakte scheidt. Vóór zich zag hij hemelhooge kalkrotsen indrukwekkend in een halfrond oprijzen; zij maakten den achtergrond uit van den statigen op terrassen gebouwden tempel, die de groote Hatasoe, de trotsche voogdes van twee pharao’s uit het gevallen koningshuis, tot haar eigen aandenken en ter eere van de godin Hathor had opgericht. Nemoe liet het heiligdom links liggen en reed het steile bergpad op, den naasten weg van de vlakte naar het dal der koningsgraven. Weldra kon hij den terrasvormigen Hatasoe-tempel in alle zijne onderdeelen beneden zich zien; en vóor zich de Nekropolis met hare gebouwen, tempels en kolossen, nog sluimerende in de koele ochtendschemering; en daarachter den breeden zilveren stroom, half gesluierd door de witte zeilen en de langzaam optrekkende morgennevelen; en nog verder de woonstad Thebe met hare reuzentempels, duidelijk uitkomende tegen de oosterkim, door de opgaande zon gloeiend rood gekleurd.
Doch de dwerg zag niets van dit heerlijk tafereel aan zijne voeten. In gedachten verzonken, ver over den hals van zijn beest gebogen, liet hij den hijgenden ezel naar welgevallen nu eens klimmen dan weder stilstaan. Toen hij zoowat ter halver hoogte was gekomen, hoorde hij de voetstappen kraken van een wandelaar, die hem langzamerhand naderde. De man, die bedaard naar boven klom, had hem weldra ingehaald, en bracht hem een morgengroet. Het bergpad was smal, en zoodra de dwerg had opgemerkt, dat de persoon die achter hem liep een priester was, hield hij op een minder steil gedeelte van den weg zijn ezeltje stil en zeide eerbiedig: »Wandel voorbij, heilige vader, want uw beide voeten loopen harder dan mijne vier hoeven.”
»Eene lijdende heeft mijne hulp noodig,” antwoordde de arts Nebsecht, Pentaoer’s vriend, dien wij in het Seti-huis en bij het gewonde Paraschieten-meisje hebben leeren kennen; en hij versnelde zijn stap, om den tragen ruiter vooruit te komen.
Juist verscheen in het oosten aan den purperen horizont de vurige zonneschijf, en uit het heiligdom beneden hen klommen de tonen op van een godsdienstig lied, door een veelstemmig mannenkoor aangeheven. Nemoe liet zich van zijn ezel glijden en nam de houding van een biddende aan. De priester volgde zijn voorbeeld, doch terwijl de dwerg aandachtig zijne oogen richtte op de wedergeboorte van den zonnegod achter de oostelijke bergketen, staarden de zijnen naar den grond, en een zijner ten hemel geheven handen daalde onopgemerkt neder, en greep naar eene zeldzame versteende schelp die op den weg lag. Eenige oogenblikken later stond Nebsecht op, door Nemoe gevolgd.
»Een schoone morgen,” zeide de dwerg. »De heilige vaders daar beneden zijn heden vroeger op dan gewoonlijk.”
De arts lachte toestemmend en vroeg: »Behoort gij in de Nekropolis te huis? Wie houdt er hier dwergen op na?”
»Niemand,” antwoordde het manneke. »Maar vergun mij eene wedervraag. Welk aanzienlijk persoon woont er hier achter de bergen, dat een priester uit het Seti-huis zijne nachtrust voor hem opoffert.”
»Mijn bezoek geldt iemand uit den geringeren stand. Maar zij lijdt veel,” zeide Nebsecht.
Nemoe zag hem verwonderd aan en zeide: »Dat is edel, dat is....” Maar hij voltooide den volzin niet, hij sloeg zich opeens tegen het voorhoofd en zeide: »Gij gaat, ingevolge eene last van de prinses Bent-Anat, naar het overreden Paraschieten-kind; ja, ik begreep het wel. De spijs waarvoor de heeren zoo vroeg opstaan, moet toch een voornamen bijsmaak hebben. Hoe gaat het met het arme kind?”
In de laatste woorden lag zooveel warme deelneming, dat de arts, die de opmerking van den dwerg niet zoo onnatuurlijk vond, vriendelijk antwoordde: »Niet slecht; zij kan behouden worden.”
»Den goden zij dank!” riep Nemoe, terwijl de priester hem voorbijging.
Met verdubbelde snelheid steeg Nebsecht den berg op en weder af, en hij had reeds lang in de hut van den Paraschiet naast het leger van de gewonde Warda plaats genomen, toen Nemoe de woning naderde van zijne moeder Hekt, de tooveres, van wie Paäker den liefdedrank had ontvangen. De oude vrouw zat weder voor de deur van haar hol. Naast haar lag eene plank met dwarshouten, waartusschen een kleine knaap lag uitgestrekt, zoodat de houten juist zijn hoofd en zijne voetzolen raakten. Hekt verstond de kunst om dwergen te maken. Dit soort van speelgoed in de gedaante van een mensch werd goed betaald, en het kind op de martelplank, met zijn aardig gezichtje, beloofde een kostbaar artikel te worden.
Zoodra de tooveres bemerkte dat er iemand naderde, boog zij zich over het knaapje, nam het met plank en al in de armen, droeg het in haar hol en zeide streng: »Verroer je niet jongen, anders krijg je slagen! Laat je nu binden.”
»Niet binden!” smeekte het kind. »Ik zal stil zijn en rustig blijven liggen.”
»Strek je uit!” beval de oude, en sjorde het schreiende kind met een touw aan de plank vast. »Als je stil bent, geef ik je later een honigkoek en mag je met de jonge hoenders spelen.”
Het jongske kwam tot bedaren; een lachje speelde om zijn mond en zijne lieve oogjes straalden van vreugde en hoop. Het greep met beide handen het kleed van de oude en zeide op dien zoet vleienden toon, dien de godheid in eene aanvallige kinderstem heeft gelegd. »Ik zal als een muisje zoo stil zijn, en niemand zal weten dat ik er ben. Doch als ge mij een honigkoek geeft, toe, laat mij dan vrij en naar Warda gaan hierover.”
»Warda is ziek; wat wilt ge hierover doen?” vroeg de oude.
»Ik zou haar den koek willen brengen,” zeide het knaapje zacht, en tranen glinsterden in zijne oogen.
De oude streelde het kind met den vinger om zijn kin, en eene geheimzinnige macht trok haar naar omlaag, om het te kussen. Doch vóor hare lippen zijn gezichtje vonden, keerde zij zich af en zeide streng: »Blijf rustig. Straks zullen wij zien!” Zij raapte een bruinen zak van den grond op en wierp dien over den knaap. Daarop ging zij weder naar buiten begroette Nemoe, zette hem melk, brood en honig voor, gaf hem op zijn verlangen inlichtingen aangaande het overreden meisje, wier ongeluk hem zeer ter harte scheen te gaan, en vroeg eindelijk: »Wat voert u hierheen? De Nijl stond nog laag, toen ge mij de laatste maal een bezoek hebt gebracht, en thans is hij reeds lang beginnen te vallen[102]. Zendt uwe meesteres u hierheen, of begeert gij zelf mijne hulp? Al dat gespuis blijft zich toch gelijk. Niemand gaat tot een ander, als hij hem niet noodig heeft. Wat zal ik je geven?”
[102] Wij zijn in de eerste dagen van November. Bij het begin van Juni begint de Nijl langzaam te wassen, tusschen den 15den en 20sten Juli zwellen zijne wateren op eens zeer hoog, en in de eerste helft van October (niet op het eind van September, gelijk men vroeger meende) bereikt de overstrooming haar hoogsten stand. Heinrich Barth heeft dit stellig uitgemaakt. Nadat het water in September is begonnen te dalen, tracht het in October zijn hoogste punt nog eens te bereiken, ja zelfs daarboven te stijgen. Spoedig daarop neemt het, eerst langzaam, vervolgens steeds sneller af.
»Ik heb niets noodig,” antwoordde de dwerg, »maar....”
»Maar gij komt op last van een derde,” sprak de heks lachend. »’t Is alles één en ’t zelfde! Wie iets voor een ander verlangt, denkt toch aan zichzelf alleen.”
»’t Kan zijn,” hernam de kleine man. »Uwe woorden bewijzen in elk geval, dat gij, sedert ik u het laatst zag, niet minder wijs zijt geworden, en dat doet mij genoegen, want ik heb uw raad noodig.”
»Die is goedkoop te krijgen. Wat is er dan gaande aan de overzijde?”
Nemoe vertelde zijne moeder kort, duidelijk en zonder terughouding, van welke gedachten men zwanger ging in het huis zijner meesteres, en van de verschrikkelijke schande, waarmede zij door haar zoon werd bedreigd. De oude schudde bij herhaling bedenkelijk het grijze hoofd, maar zij liet den dwerg uitspreken, zonder hem in de rede te vallen. Daarop vroeg zij, met bliksemende oogen: »En gelooft gij werkelijk, dat het u gelukken zal een adelaar door een musch te vervangen, een Ani te plaatsen op den troon van een Ramses?”
»De troepen die in Ethiopië strijden zijn aan onze zijde,” riep Nemoe; »de priesters verklaren zich tegen den koning en erkennen in Ani het echte bloed van Ra.”
»Dat zegt veel,” hernam de oude.
»En vele honden zijn de dood eener gazel,” voegde Nemoe er lachend bij.
»Doch Ramses is geen vluchtend wild, maar een leeuw,” sprak de heks weder ernstig. »Inderdaad, gijlieden speelt hoog spel.”
»Dat weten we,” antwoordde Nemoe, »maar daar is ook iets groots mede te winnen.”
»Of alles mede te verliezen,” mompelde de oude, terwijl zij met de vingers over de dikke spieren van haar hals wreef. »Doe echter wat ge wilt; mij kan ’t niet schelen wie het jonger geslacht naar het slagveld stuurt, en het vee der ouderen van het veld laat drijven. Wat wilt ge van mij?”
»Mij zendt niemand,” antwoordde de dwerg. »Ik kom uit eigen beweging, om u te vragen wat Katoeti doen moet ten einde haar zoon en haar huis voor eerloosheid te bewaren.”