Warda: Roman uit het oude Egypte

Part 11

Chapter 113,847 wordsPublic domain

De wagen van den gids rolde door de hooge poort vóor zijn huis den hof binnen. De honden in hunne hokken begonnen vroolijk te blaffen. De stalmeester vloog Paäker te gemoet en nam de teugels over, de hofmeester geleidde hem en de kok spoedde zich naar de keuken, om een nieuw maal gereed te maken. Eer Paäker nog aan de tuindeur gekomen was, deed zich van de pylonen van den reusachtigen Amon-tempel eerst het wijd in ’t rond klinkend geluid van hard geslagen metalen platen vernemen, dat gevolgd werd door het veelstemmig gezang van eene statige hymne. De Mohar bleef stilstaan, zag op naar den hemel, riep zijne dienaars toe: »de goddelijke Sothis-ster is opgegaan!” wierp zich ter aarde en hief biddend zijne armen naar het gesternte omhoog. De slaven en beambten volgden terstond zijn voorbeeld.

Er gebeurde niets in de natuur, waarop de priesterlijke leiders van het Egyptische volk niet nauwlettend acht sloegen. Elk verschijnsel op aarde en aan den sterrenhemel begroetten zij als de openbaring eener godheid, en zij omsponnen het leven der bewoners van het Nijldal van den morgen tot den avond, van het begin van den overstroomingstijd tot aan de dagen der droogte, met een net van gezangen en offeranden, van processiën en feesten, dat alle menschelijke wezens onverbrekelijk vast aan de godheid en hare vertegenwoordigers verbond.

Gedurende eenige minuten lag de meester met zijne dienaars zwijgend op de knieën, met de oogen onafgebroken op het heilig gesternte gericht en luisterende naar de vrome gezangen der priesters. Zoodra de laatsten verstomden stond Paäker op. Alles rondom hem lag ter aarde; alleen bij de woningen der slaven stond eene door het maanlicht helder beschenen naakte gestalte roerloos tegen een pijler. De gids gaf een wenk en de dienaars rezen op; hijzelf echter ging met rasse schreden naar den persoon, die de godsdienstoefening, door hem met zooveel gestrengheid gehandhaafd, scheen te minachten, en riep: »Hofmeester, honderd slagen op de voetzolen van den verachter der godheid!”

De aangesprokene boog zich en zeide: »Meester, de arts heeft den mattenvlechter bevolen zich niet te verroeren, en hij kan zijn arm niet opheffen. Hij lijdt zeer veel pijn. Gij hebt hem gisteren het sleutelbeen verbrijzeld.”

»Hem is recht geschied,” antwoordde Paäker, daarbij zijn stem zoo luid verheffende, dat de verwonde hem hooren moest. Daarop keerde hij hem den rug toe en liep den tuin in. Hier riep hij den keldermeester en zeide: »Geef den slaven heden bier als nachtdronk, allen, en rijkelijk!”

Weinige oogenblikken later stond hij voor zijne moeder, die hij vond op het met breede bladplanten versierde dak van haar woning. Zij had zooeven haar tweejarig kleindochtertje een spruit van haar jongeren zoon, in de armen van de kindermeid gelegd, om het naar bed te brengen. Paäker groette de waardige matrone eerbiedig. Zij zag er zeer vriendelijk uit. Een aantal jonge honden, de lievelingen der weduwe, die zoo vaak tot lange eenzaamheid was veroordeeld, lag stoeiend hare voeten te liefkozen. Haar zoon weerde de dadelijk op hem toespringende beestjes af en ging naar de kleine, die hij uit de armen van de meid in de zijne overnam. Maar het kind verzette zich hiertegen; het begon hevig te schreien, en toen het zich niet tot bedaren liet brengen, zette Paäker het op den grond, knorrig zeggende: »Jou ondeugend ding!”

»Zij was den geheelen achtermiddag zoo lief en aardig,” zeide moeder Setchem. »Zij ziet u ook zoo zelden!”

»’t Kan zijn,” antwoordde Paäker. »Doch ik weet het wel: de honden mogen mij wel lijden, maar geen kind laat zich door mij liefkozen.”

»Gij hebt ook zulke harde handen.”

»Breng den schreeuwleelijk weg!” riep Paäker de meid toe. »Ik heb met u te spreken, moeder!”

Setchem bracht de kleine tot rust, gaf haar vele kussen en zond haar toen naar bed. Daarop ging zij naar haar zoon toe, streelde zijne wangen en zeide: »Als dit kind het uwe was, dan zou het zeker tot u komen, en u leeren, dat een kind de grootste is van alle schatten, welke de goden aan menschen toevertrouwen!”

Paäker lachte even en zeide: »Ik weet waarop gij zinspeelt; maar laat dit thans rusten, want ik heb u wat gewichtigers mede te deelen.”

»Welnu?” vroeg Setchem.

»Ik heb heden voor het eerst sedert toen, gij begrijpt mij, met Nefert gesproken. Al wat sedert gebeurd is mogen wij vergeten! Gij verlangt zoo zeer naar uwe zuster: welnu, ga haar bezoeken, ik heb er niets meer tegen.”

Setchem zag haar zoon met ongeveinsde verwondering aan; hare oogen, waarin spoedig een traan welde, vloeiden nu over, en aarzelend vroeg zij: »Kan ik mijne ooren vertrouwen, kind, hebt gij....”

»Het is mijne bepaalde wensch,” zeide Paäker op beslissenden toon, »dat gij den ouden hartelijken band met uwe bloedverwanten weder aanknoopt. De vervreemding heeft lang genoeg geduurd.”

»Veel te lang!” riep Setchem.

De gids zag zwijgend naar den grond, en voldeed aan het verlangen zijner moeder, door zich naast haar neder te zetten.

»Ik wist het wel,” zeide zij, zijne hand in de hare nemende, »dat deze dag ons vreugde zou brengen, want ik heb van uw Osirischen vader gedroomd, en toen ik mij naar den tempel liet dragen, ontmoette ik eerst eene witte koe en daarna een bruidsoptocht. De heilige ram van Amon raakte ook den tarwekoek aan, dien ik hem aanbood”[79].

[79] Het was voor Germanicus eene voorspelling van zijn aanstaanden dood, toen de Apis weigerde uit zijne hand te eten.

»Dat zijn gelukkige voorteekenen,” zeide Paäker ernstig en op een toon van stellige overtuiging.

»Haasten wij ons dankbaar aan te grijpen wat de goden ons willen toezeggen,” riep Setchem vol vreugde. »Morgen ga ik naar mijne zuster en zeg haar, dat wij weder met dezelfde liefde van weleer bij elkander willen wonen, en het goede zoowel als het kwade samen deelen. Wij behooren immers tot hetzelfde geslacht, en ik weet dat, evenals orde en reinheid een huis voor verval bewaren en den gast verblijden, eendracht alleen het geluk eener familie waarborgt en haar aanzien onder de menschen ophoudt. Wat gebeurde is nu eenmaal gebeurd en worde vergeten! Er zijn behalve Nefert nog vele vrouwen in Thebe, en honderd aanzienlijken des lands zouden zich gelukkig achten, u tot schoonzoon te krijgen.”

Paäker stond op en begon peinzend de groote ruimte op en neer te wandelen, terwijl Setchem verder sprak:

»Ik weet,” zeide zij, »dat ik eene pijnlijke wond in uw hart heb aangeraakt, maar zij is reeds half gesloten en zal wel genezen, wanneer gij gelukkiger zult zijn dan de wagenmenner Mena, en hem daarom niet meer zult behoeven te haten. Nefert is teer en onervaren; zij zou niet opgewassen zijn tegen eene zoo groote huishouding als de onze. Eerlang zal men ook mij wikkelen in de mummie-windsels, en wanneer dan uw plicht u naar Syrië roept, moet eene omzichtige huisvrouw in mijne plaats alles bestieren. Dat is waarlijk geen kleinigheid! Uw grootvader Assa heeft dikwijls gezegd: een huis waar overal goede orde heerscht is het beeld van een gezin, dat prijs stelt op een onbevlekten naam, waarin alles met wijsheid wordt geregeld en deugdelijk wordt geleefd; van een gezin waarin ieder zijn aangewezen plaats inneemt, zijne bepaalde plichten heeft te vervullen, en zeker kan zijn dat zijne rechten zullen worden gehandhaafd. Hoe dikwijls heb ik tot de Hathors gebeden, dat zij u eene gade mochten schenken naar mijn hart!”

»Eene Setchem zal ik wel niet vinden,” zeide Paäker, terwijl hij zijne moeder op het voorhoofd kuste, »want de vrouwen zooals gij zijt sterven uit.”

»Gij vleier!” zeide Setchem met een lach, terwijl zij haar zoon met den vinger dreigde. »Maar het is waar! Het opkomend geslacht pronkt en siert zich op met stoffen uit Kaft[80], het kruidt zijne gesprekken met Syrische woorden en laat den hofmeester en de kokkin de handen vrij, waar men zelf gebieden moest. Ook mijne zuster Katoeti en Nefert...”

[80] Phoenicië.

»Nefert is anders dan de overige vrouwen,” viel Paäker zijne moeder in de rede. »Ware zij door u opgevoed, dan zou zij de kunst verstaan om niet alleen een huis sierlijk in te richten, maar ook het te besturen.”

Setchem zag haar zoon verwonderd aan; daarop zeide zij half in zichzelve: »Ja, ja, zij is een lief kind, waarop men niet boos kan worden, wanneer men haar in de oogen ziet. En toch was ik boos op haar, omdat gij het waart, en omdat.... nu ja, gij weet het wel! ― Doch nu gij haar vergeven hebt, vergeef ook ik gaarne, haar en haar echtgenoot.”

Er kwam een wolk op Paäker’s voorhoofd, en terwijl hij voor zijne moeder bleef staan, zeide hij met zijne gewone schrille stem: »Hij moge in de woestijn versmachten, en de hyena’s van het Noorderland mogen zijn onbegraven lichaam verslinden!”

Setchem trok, toen zij deze taal hoorde, den sluier voor haar aangezicht, en klemde de aan haar hals hangende amuletten vast in hare handen. Daarop zeide zij zacht: »Wat kunt gij toch vreeselijk zijn! Ik weet wel dat gij den wagenmenner haat, want ik heb de zeven pijlen boven uw legerstede wel gezien, waarop geschreven staat: Dood aan Mena! Het is een Syrisch toovermiddel, dat hem in het verderf moet storten tegen wien het wordt aangewend. Hoe somber staat gij te staren! Ja, het is een toovermiddel, dat de goden haten en den booze macht geeft over ieder die er zich van bedient. Uw vader en ik hebben u geleerd de goden te eeren. Laat het aan hen over den misdadiger te treffen, want Osiris ontzegt hen zijne bescherming, die zich den booze tot bondgenoot kiezen.”

»Mijne offers,” antwoordde Paäker, »verzekeren mij de hulp der goden. Wat Mena aangaat, die als een gevloekte roover jegens mij gehandeld heeft, ik lever hem over aan den booze, wien hij toebehoort. Genoeg hiervan! Wanneer gij mij liefhebt, spreek dan den naam van mijn vijand niet meer in mijne tegenwoordigheid uit! Nefert en hare moeder heb ik vergiffenis geschonken; dit zij u genoeg!”

Setchem schudde het hoofd en riep: »Waar moet dat op uitloopen! De krijg kan toch niet eeuwig duren, en wanneer Mena terugkeert, dan zal de verzoening van heden in des te erger vijandschap overslaan. Ik zie maar éen redmiddel! Volg mijn raad en laat mij eene vrouw zoeken uwer waardig.”

»Thans niet,” antwoordde Paäker ongeduldig. »Binnen weinige dagen vertrek ik weder naar het land van den vijand, en ik wensch niet even als Mena, mijne vrouw terwijl ik leef, als eene weduwe achter te laten. Waarom wilt gij daarop aandringen? De vrouw van mijn broeder en hare kinderen zijn immers bij u? Wees daarmede tevreden!”

»De goden weten hoe ik ze liefheb,” hernam Setchem, »maar uw broeder Horus is de jongste, gij zijt de oudste zoon, wien het erfdeel toekomt. Uw nichtje is voor mij een aangenaam tijdverdrijf. Maar hadt gij een zoon, dan kon ik dezen opvoeden in mijn en uws vaders geest, als toekomstigen stamhouder en hoofd der familie. Bovendien, alles is mij heilig, wat mijn gestorven echtgenoot wenschte. Hij verheugde zich er over, dat gij zoo vroeg reeds verloofd waart met Nefert, en hoopte dat een zoon van zijn oudsten zoon Assa’s geslacht in stand zou houden.”

»Het zal mijne schuld niet zijn,” zeide Paäker, »wanneer een zijner wenschen onvervuld blijft! De sterren staan reeds hoog. Slaap wel, moeder, en wanneer gij morgen Nefert en uwe zuster bezoekt, zeg hen dan, dat de poort van mijn huis voor haar open staat! ― Nog iets! Katoeti’s hofmeester heeft den onzen eene kudde te koop aangeboden, niettegenstaande de veestapel op Mena’s landgoed zeer klein moet zijn. Wat heeft dat te beteekenen?”

»Gij kent mijne zuster,” antwoordde Setchem. »Zij bestuurt Mena’s bezittingen, heeft groote behoeften, zoekt door uiterlijk vertoon de grooten te overtreffen, ziet den stadhouder dikwijls bij zich aan huis, en heeft bovendien een zoon, die nog al verkwistend is. Zoo kan er nu en dan wel eens gebrek zijn aan het noodigste.”

Paäker haalde de schouders, op, groette andermaal en verliet zijne moeder.

* * * * *

Niet lang daarna stond hij in het ruime vertrek, dat hem tot woon- en slaapkamer diende, wanneer hij in Thebe was. De wanden waren wit bepleisterd en rondom de deuren en vensteropeningen van de tuinzijde met eenige vrome spreuken in hiëroglyphen beschilderd. Midden tegen den achtergrond stond een bed, in de gedaante van een leeuw; het hoofdeinde stelde de kop en het voeteneinde de staart voor. Over het bed was eene fijn gelooide leeuwenhuid gespreid, en een met vrome spreuken beschreven hoofdsteunsel van ebbenhout stond op eene trapvormige hooge voetbank gereed, wanneer hij slapen wilde. Boven het bed waren kostbare wapenen en zweepen van allerlei soort in keurige orde opgehangen, en daaronder ook de zeven pijlen, waarop Setchem de woorden: »Dood aan Mena!” had gelezen. Zij kruisten juist de letters eener spreuk, die beval de hongerigen te spijzigen, de dorstigen te drenken, de naakten te kleeden, en barmhartig te zijn jegens grooten en kleinen[81]. Aan het hoofdeinde van het bed kon men in de muur nog eene nis opmerken, die zorgvuldig door een purperen gordijn werd gesloten. Voorts stonden in alle hoeken van het vertrek beelden, waarvan drie de trias van Thebe: Amon, Moeth en Choensoe voorstelden, en de vierde Paäkers gestorven vader. Voor elk was een klein offeraltaar geplaatst met holten, die met fijne reukwerken waren gevuld. Op een houten toestel vond men kleine godenbeeldjes en amuletten in overvloed. Een aantal bont beschilderde kasten dienden tot bergplaats voor de kleederen, de sieraden en de papieren van den gids. Midden in de kamer stond eene tafel, omringd door eenige stoelen in den vorm van tabouretten.

[81] Een gebod uit de heilige schriften, dat telkens wederkeert. Wij vinden het reeds op gedenkteekenen uit het oude rijk, bijv. te Beni Hassan (12e dynastie).

Toen Paäker dit vertrek binnentrad, vond hij het door lampen verlicht en een groote hond vloog dadelijk kwispelstaartend naar hem toe. Hij liet toe dat het beest tegen zijne schouders opsprong, wierp het op den grond, vergunde het andermaal op hem aan te stormen, en gaf het toen een kus op zijn verstandigen kop. Vóor zijn bed lag een kolossale oude neger te ronken. Paäker gaf hem een schop met zijn voet en riep hem toe, toen hij wakker werd: »Ik heb honger!” waarop de zwarte grijskop langzaam oprees en het vertrek verliet.

Zoodra de gids alleen was, haalde hij het fleschje met den liefdedrank uit zijn gordel, beschouwde het met teedere blikken en legde het in eene kist, die verschillende fleschjes met heilige offeroliën bevatte. Hij was gewoon elken avond de holten der altaren op nieuw met zulke vluchtige reukoliën te vullen en zich biddend voor de godenbeelden neer te werpen. Heden plaatste hij zich alleen voor de beeltenis zijns vaders, en kuste de voeten ervan, prevelende: »Uw wil zal geschieden! De vrouw, die gij voor mij bestemd hebt, zal uw oudsten zoon toebehooren!”

Hierna liep hij op en neder, en overdacht alles wat dezen dag gebeurd was. Eindelijk bleef hij staan met de armen over elkaar, en zag daarbij de godenbeelden uit de hoogte aan, als een wandelaar, die een slechten gids wegjaagt en voornemens is zelf den weg te zoeken. Zijn blik viel op de pijlen boven zijn bed. Hij lachte, en terwijl hij met de vuist op de breede borst sloeg, riep hij: »Ik, ik, ik ―!” De dog, die meende dat zijn meester hem riep, sprong naar hem toe, doch Paäker weerde het dier af, en sprak: »Als gij eene hyena in de woestijn tegen komt, valt gij het ondier aan, en wacht niet af tot mijne lans het bereikt heeft, en daar de goden, mijne meesters, talmen, zoo zal ik mijzelf recht verschaffen. Gij echter,” ging hij voort, terwijl hij zich tot het beeld zijns vaders richtte, »zult mij bijstaan.”

Deze alleenspraak werd afgebroken door de slaven, die zijn maaltijd brachten. Paäker liet zijn oog gaan over de verschillende spijzen, die de kok voor hem had gereed gemaakt, en vroeg knorrig: »Hoe dikwijls moet ik bevelen, voor mij niet allerlei klaar te maken, maar slechts éen groot krachtig gerecht? En waar is de wijn?”

»Gij zijt gewoon deze niet aan te raken,” antwoordde de oude neger.

»Maar heden heb ik trek in een dronk,” riep de gids. »Breng een van die oude kruiken met rooden wijn van Kakem”[82]!

[82] Eene plaats in de nabijheid van de trappenpyramide van Saqqarah in de Nekropolis van Memphis, waar reeds in de oudheid druiven moeten zijn geteeld, want van rooden wijn van Kakem (Kochome?) wordt meer dan eens gewaggemaakt.

De slaven keken elkander verbaasd aan. De wijn werd gebracht en Paäker dronk den eenen beker na den anderen ledig. Toen de bedienden de hielen hadden gelicht, zeide een hunner, die het meest durfde: »Anders vreet de meester als een leeuw en zuipt hij als een mug; maar heden....”

»Hou je mond!” riep zijn metgezel, »en kom in den hof want Paäker laat ons heden bier schenken. Hij heeft zeker de Hathors ontmoet!”

De gebeurtenissen van dezen dag moesten wel diep in het innerlijk leven van den gids hebben ingegrepen, want de man, die onder alle krijgers van Ramses wel de matigste was, die den roes niet kende en de drinkgelagen van zijne gezellen in het legerkamp zorgvuldig ontweek, zat heden in het middernachtelijk uur alleen aan zijn tafel en dronk, tot het vermoeide hoofd hem zwaar werd. Op eens herstelde hij zich. Hij liep naar zijn bed en schoof het gordijn op zij, dat de nis aan het hoofdeinde van zijn legerstede bedekte. Er kwam een bontbeschilderd vrouwenbeeldje van kalksteen te voorschijn, met het hoofdsieraad en de attributen van de godin Hathor. Haar gelaat vertoonde de trekken van de vrouw van Mena. Vier jaren geleden had de koning bevolen een beeld der godheid te vervaardigen, met de aanminnige trekken der jonge vrouw van zijn wagenmenner, en het was Paäker gelukt zich er eene kopie van te verschaffen. Hij knielde nu op zijn bed neder, beschouwde het beeld met vochtige oogen, sloeg een onderzoekenden blik in het rond, om zich te verzekeren dat hij alleen was, boog zich daarop voorover en drukte eene kus op de zachte koude steenen lippen, legde zich neer en sliep in, zonder zich te ontkleeden en de lampen in zijn vertrek te doen uitblusschen.

Onrustige droomen benauwden zijn gemoed. Toen de morgen begon te schemeren gaf hij, door een akelig droombeeld beangstigd, zulk een rauwen gil, dat de oude neger, die zich naast den hond vóor zijn bed had neergelegd, verschrikt opsprong en hem bij zijn naam riep om hem wakker te maken, terwijl de dog luid begon te huilen. Paäker werd wakker met zware hoofdpijn. Het droomgezicht, dat hem zoo beangstigd had, stond hem levendig voor den geest, en hij trachtte het vast te houden, tot hij een Horoscoop zou hebben doen ontbieden om het uit te leggen. Na de phantasieën van den vorigen avond, die hem het uitzicht hadden geopend op de vervulling zijner wenschen, gevoelde hij zich neerslachtig en bedrukt. De morgenhymnen uit den Amonstempel drongen als eene vermanende stem tot zijn vertrek door, en hij zette alle zondige gedachten van zich, met het voornemen de beslissing van zijn lot weder aan de goden over te laten en zich van alle tooverkunsten te onthouden. Als naar gewoonte daalde hij af in het voor hem gereed gemaakte bad. Terwijl het lauwe water hem omspoelde, dacht hij met klimmende levendigheid aan Nefert en aan den tooverdrank, dien hij haar eerst niet had willen inschenken, maar dien hij haar toch werkelijk had toegereikt, en die nu reeds kon gewerkt hebben. De liefde tooverde rooskleurige, de haat bloedroode beelden voor zijne oogen. Hij spande zijne krachten in om zich los te maken uit het net van verzoekingen, dat hem al vaster en vaster scheen te omklemmen; doch het ging hem als den man, die in een moeras is geraakt en dieper zinkt, hoe meer moeite hij doet om zich uit den modder te werken. Met het klimmen der zon steeg ook zijn levensmoed en zijn zelfvertrouwen. Toen hij zich gereed maakte in zijn kostbaarst kleed zijn huis te verlaten, was hij weder gestemd als gisteren avond, en stond zijn besluit vast, zonder, en als het zijn moest zelfs in weerwil van de goden, zijn doel na te streven.

De Mohar had zijn weg gekozen, en hij keerde nooit om, als hij eene wandeltocht was begonnen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

De zon stond ter middaghoogte. Hare stralen vonden geen toegang tot de nauwe schaduwrijke straten van de woonstad Thebe, maar zij brandden met verzengende hitte op den breeden weg van den dijk, die naar het koninklijk paleis voerde en in den regel op dit uur niet zeer bevolkt was. Maar op dienzelfden weg verdrongen zich heden wagens en voetgangers, ruiters en dragers van draagstoelen. De wandelaars kwamen niet enkel uit de stad, maar ook van de havenzijde, waar de booten gewoonlijk de bewoners der Nekropolis aan wal zetten. Op sommige plaatsen goten negers uit lederen zakken water op den weg, maar er was zoo geweldig veel stof, dat de straat en al wat zich daarop bewoog in een drogen nevel werd gehuld.

De residentie van den pharao verkeerde in buitengewone beweging, want als een loopend vuur, door een stormwind aangeblazen, had zich een gerucht verbreid, dat de hutten der armen zoowel als de paleizen der aanzienlijken met hoop en vrees vervulde. Vroeg in den morgen waren drie boden te paard met zwaar beladen briefzakken[83] uit het leger des konings gekomen, en vóor het paleis van den stadhouder afgestegen. Evenals de dorpsbewoners na lange droogte naar de zwarte onweerswolken zien, die zich boven hun hoofd samenpakken, waaruit verkwikkende regen, maar ook de vernielende bliksem en de verpletterende hagel te voorschijn kunnen komen, zoo verkeerden de burgers in angstige spanning en in blijde verwachting, zoo vaak er tijdingen kwamen van het oorlogstooneel, iets wat maar zelden en met onregelmatige tusschenpoozen gebeurde. Er was toch geen huis in de reusachtige stad, dat niet een vader, een zoon of een bloedverwant had gezonden naar het leger, dat in het verre noordoosten onder den koning streed. Wel is waar brachten de boden uit het kamp meer droeve dan blijde berichten over. De schriftrollen die zij bij zich droegen, hielden gewoonlijk kennisgevingen in van dood en verwonding, maar zelden van bevorderingen, koninklijke geschenken en behaalden buit. Dit nam niet weg, dat zij toch met smachtend verlangen werden te gemoet gezien en met gejuich ontvangen. Na de aankomst snelden groot en klein naar het paleis van den stadhouder; men verdrong zich om de schrijvers, die de ontvangen brieven uitdeelden, en de berichten voor openlijke mededeeling bestemd, alsmede de lijsten der gevallenen, of die op eene andere wijze bezweken waren, voorlazen. Er is voor een mensch niets pijnlijker dan de onzekerheid, en meestal ziet hij de slechte tijding met grooter spanning dan de goede te gemoet. Ongeluksboden rijden ook sneller, dan zij die goede dingen te verkondigen hebben.

[83] De schrijflustige Egyptenaars schreven vele brieven, waarvan er een groot aantal voor ons bewaard bleven. Zij kenden ook eene vereeniging van briefbestellers en hadden daarvoor in hunne taal het woord „faï sjaat.” Vgl. het voortreffelijk geschrift van Maspero, =Du genre épistolaire chez les anciens Egyptiens de l’époque pharaonique=.