Wandelingen door Elzas-Lotharingen De Aarde en haar Volken, 1886

Chapter 9

Chapter 93,849 wordsPublic domain

In de maand Februari begint de rivier te wassen. Deze aanvankelijk zeer geringe was houdt weder op in Maart, welke maand in onze streken doorgaans zeer droog is; te beginnen met April gaat de was echter sneller, om haar toppunt te bereiken in Juni. In Juli begint het water weder te zakken; de sterkste daling heeft plaats in de maand September. Natuurlijk komen er in de verschillende jaren meer of minder sterke afwijkingen voor, naar gelang het jaar droger of regenachtiger is.--Zoo als ik reeds zeide, nemen de ingenieurs telken jare de ligging en de gesteldheid der kiezelbanken op, die het bed van den Rijn versperren. Bij hoog water worden die banken of platen overstroomd; als het water zakt, komen zij weer boven. Tusschen Lauterburg en Straatsburg telt men niet minder dan drie-en-zestig van zulke platen; boven Straatsburg tot Bazel is haar aantal vooral niet minder. Ten gevolge van de verplaatsing van de kiezel bij hoog opperwater en sterken stroom, ondergaan die platen gedurige verandering, waarmede de schippers op den Rijn rekening hebben te houden.

Deze kiezelplaten in den Rijn, die ook voor de zalmvisscherij benuttigd worden, verschaffen mede bezigheid aan de goudzoekers. Een charter van het jaar 667, door een hertog van den Elzas, Etichon genoemd, verleend, geeft reeds aan een klooster het recht om goud te wasschen. Nog in de laatste tijden leverden de goudzoekers uit den Elzas en uit Baden jaarlijks aan de munt te Karlsruhe voor de waarde van veertig à vijftigduizend francs van het kostbare metaal. Men vindt dit goud vooral op de kiezelplaten, met zand vermengd. Maar de arme lieden, die het zoeken, verdienen zoo weinig met dien arbeid, dat zij daartoe alleen hunne toevlucht nemen als zij niets anders te doen hebben. Het goud komt niet voor in de gedaante van groote of kleine korrels, maar van zeer dunne loovertjes, die ter nauwernood een millimeter groot zijn. Doorgaans bevatten tienduizend pond kiezel niet meer dan zes grammen goud. Een hoop kiezel van tien kubiek meters levert bij de wassching niet meer op dan twee en een half gram goud. Gedurende de beste jaren ontving de munt te Karlsruhe van twaalf tot vijftien pond, vertegenwoordigende vier vijfden van de geheele produktie langs den loop der rivier van Bazel tot Philipsburg. Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat een goudzoeker nog geen twee francs per dag verdient, dan zal men lichtelijk begrijpen dat een zoo weinig winstgevend bedrijf al meer en meer verwaarloosd wordt. Het is veel voordeeliger zich als dijkwerker te verhuren of in de fabrieken te arbeiden, dan langs den Rijn goud te zoeken.

Voor de uitoefening van dat bedrijf heeft de goudzoeker overigens niet veel gereedschap noodig. Het goudwasschen geschiedt tegenwoordig op vrij wel dezelfde manier, die Heberer, in 1582, te Seltz in praktijk zag brengen. Met een ijzeren schop voorzien, schept de goudzoeker eenige ponden kiezel op en schudt die in het water heen en weer, ze tevens oppervlakkig onderzoekende. Na de groote keien verwijderd te hebben, maakt hij eene beweging met de schop, zoodat het lichte zand door het water wordt medegespoeld. Vervolgens worden ook de kleine steentjes verwijderd. Na nog eenige bewegingen met de schop, houdt hij niets over dan zwart zand, dat eene groote hoeveelheid met titanium verbonden ijzer bevat, en waarin een geoefend oog al spoedig de verborgen goudloovertjes ontdekt. Als hij met iedere schop meer dan een dozijn loovertjes verkrijgt, heeft hij kans meer dan een franc per dag te verdienen. Na aldus eene zekere hoeveelheid zand verzameld te hebben, begint de operatie van het wasschen. Daartoe gebruikt hij eene twee el lange en een el breede schuine plank, die met een stuk grove wollen stof is bekleed, en aan welker boveneinde een soort van teenen horde is aangebracht, waarvan de traliën twee duim tusschenruimte hebben. Het kiezel wordt nu tegen die horde gelegd en vervolgens met water begoten: het zand en de nog overgebleven kleine steentjes worden door het afstroomende water medegevoerd, terwijl de goudloovertjes en het fijne zand in de wol blijven vastzitten. Het wollen kleed wordt nu van tijd tot tijd in eene tobbe uitgespoeld; en het op den bodem achtergebleven zand naar huis medegenomen om daar eene laatste zuivering te ondergaan. Ge ziet, het kost moeite genoeg, een weinig goud machtig te worden.

Twee malen ben ik, te beginnen van Bazel, den Rijn afgevaren: eens met de ingenieurs, aan wie de uitvoering der rivierwerken is opgedragen, en eens in gezelschap van de leden van onzen provincialen landdag, die zich door eigen aanschouwing van den stand der werken wenschten te vergewissen.

Bij den laatsten tocht was het bij uitnemendheid mooi weer met prachtigen zonneschijn. En de tocht was inderdaad een soort van triomftocht: overal werden wij met gejuich, met kanon- en geweerschoten ontvangen; steden en dorpen waren met vlaggen en groen versierd; overal werd ons de eerewijn aangeboden, en de heeren zelven waren in de beste en vroolijkste stemming. De vergadering was bijna kompleet, evenzoo als de regeeringscommissarissen. Slechts enkelen ontbraken, die tegen zulk eene vaart, met het oog op hunne gezondheid of hun gestel, meenden bezwaar te moeten maken. Daar gaat op den Rijn, zoo als men weet, een zeer snelle en sterke, bij wijlen zelfs een zeer hevige stroom; en al is iemand volksvertegenwoordiger, kan het hem toch overkomen, dat hij zich op het water minder op zijn gemak gevoelt.

Maar liever dan u een officieel proces-verbaal aan te bieden van de stroombevaring door de leden van den landdag, wil ik u eenvoudig het verhaal doen van mijn eerste tochtje op de rivier met de ingenieurs. Op dien dag--het was Vrijdag, 28 September 1882--was het weer veel minder mooi: de hemel was grauw en donker en het regende hard. De hoog gezwollen wateren kookten en bruisten onder de oude brug te Bazel. Vader Rijn was blijkbaar niet in zijn humeur en scheen ons toe te roepen: "Vandaag niet! Komt mij een anderen dag bezoeken: ik ben nu niet te spreken." Te spreken of niet, wij zijn in het schuitje en kunnen niet meer terug. Vader Rijn moet het nu maar voor lief nemen. In woeste snelle vaart voeren de voortgejaagde golven ons mede: eer wij het weten, varen wij onder de brug van Huningen door. Bazel verdwijnt welhaast uit het gezicht, met zijne torens en hooge oevers. Beneden de stad verheffen zich langs de rivier eenige fabrieken van chemische stoffen, met haar leelijke schoorsteenen, die ons hun rook en roet nazenden: even onaangenaam voor den reuk als het vuile water en de verwerkte stoffen dier fabrieken, die in den Rijn uitstroomen, verderfelijk zijn voor de zalmteelt.

Dicht bij de schipbrug van Huningen verbindt een ijzeren brug de badensche spoorwegen met het spoorwegnet van Elzas-Lotharingen; deze verbinding heeft voornamelijk een strategisch doel: zij moet namelijk de beweging mogelijk maken van troepen, die uit Zwaben en Wurtemberg komen, zonder het neutrale grondgebied van Zwitserland te schenden. Dicht bij de brug ziet men ook den mond van het kanaal, dat den Rijn met de Rhône verbindt; vlotvoerders zijn bezig met houtvlotten, uit Zwitserland en het Schwarzwald afkomstig, binnen het kanaal te sturen. De pontons van de schipbrug zijn gedeeltelijk van hout, gedeeltelijk van zink; maar deze laatsten, die moeilijk te herstellen zijn, verdienen geene aanbeveling. Naast de brug staat een magazijn, waarin de noodige materialen voor herstellingen worden geborgen. Ten einde in geval van snellen was of hoog opperwater tijdig te kunnen waarschuwen, heeft men eene telegraaflijn aangelegd, waardoor de bureaux van de ingenieurs te Colmar en te Straatsburg in rechtstreeksche verbinding staan met de brug- en dijkwachters, die onderling telefonisch verbonden zijn. Minder goed geregeld is de dijkverdediging door de oeverbewoners, wanneer er gevaar is voor doorbraak; het ware zeer wenschelijk, dat de regeering zich die zaak aantrok en eene behoorlijke organisatie met een vast personeel invoerde.

Een paalregel, uit houten en ijzeren palen samengesteld en die in schuine lijn, van het midden der schipbrug, in de richting van den linker oever loopt, beschermt de pontons tegen het geweld van den stroom, wanneer bij hoog water de brug moet worden weggenomen. Ook de houtvlotten zoeken vaak in deze soort van haven eene wijkplaats. Hier verlaten wij het bootje, waarmede wij van Bazel zijn gekomen, om over te gaan in de gouvernementsboot voor den dienst der rivierwerken. Deze boot, die met vier roeiers is bemand, heeft in het midden een overdekte kajuit, waar wij althans voor regen en zonneschijn veilig zijn. De regen heeft trouwens voor het oogenblik opgehouden, maar de lucht blijft betrokken. Veel liever hadden wij helder en warm weer gehad: doch daar is niets aan te doen, en pruttelen maakt de zaak niet beter.

Terwijl de boot met groote snelheid door het water glijdt, hooren wij in onze onmiddellijke nabijheid een zonderling geluid, het best te vergelijken bij het kletteren van hagel tegen de ruiten. Een der ingenieurs deelde mij mede, dat dit geluid werd veroorzaakt door de beweging der steenen op de kiezelbanken. Voor het oogenblik is geen van deze platen zichtbaar: bij zulk een hoogen waterstand zijn zij allen overstroomd. Eerst later, als het water zakt, komen zij weer voor den dag, maar dan op andere plaatsen dan waar zij zich vóór den was bevonden. Die platen zijn dus in beweging, en die beweging is sneller, naarmate in den Rijn sterker stroom gaat. De wrijving en schuring van die kiezel veroorzaakt het slib, dat het water troebel maakt. Op sommige plaatsen worden de kiezelsteenen, door de kracht van den stroom, over de lage kribben en dammen heengeworpen, hoewel die minstens een el boven de kiezelplaten reiken. De normaallijnen, die een kunstmatig bed bij middelbaren rivierstand moeten vormen, zijn aangewezen door rijswerk en steenglooiingen; deze kunstmatige bedding doorsnijdt op verschillende punten den ouden thalweg. Langs de afgesneden rivierarmen zien wij bootslieden, die hunne schuiten voorttrekken; visschers maken daar, vooral bij regenachtig weer, hunne beste vangst, want dan zwemmen de visschen, door de openingen in de oeverwerken, de zijtakken in, waar zij in menigte gevangen worden. Het rijsbeslagwerk is bijna overal langs de normaallijnen aangebracht en met steen bestort; de oude zijtakken zijn op die wijze voor het meerendeel afgedamd; bij hooge waterstanden stroomt het water over die dammen heen en ontlast zich in de afgesneden killen.

Wij varen onder de brug van Rheinau door en roeien voort, nu met de zon vlak in het gezicht. Gelukkig! want bij zulk eene vaart op den Rijn is mooi weer eigenlijk een vereischte. Zonder eenige inspanning bereiken wij omstreeks vier uren in den namiddag de uitmonding van de Kraft, eigenlijk een tak van de Ill, die zich bij Erstein van deze rivier afscheidt. Twee mijlen verder ligt de fraaie hoeve Altenheimer Hof schilderachtig tusschen het geboomte. Troepen soldaten oefenen zich in het zeilen en sturen, in de nabijheid van een fort, dat onlangs aan den oever der rivier is gemaakt en waarvan niets zichtbaar is dan de met gras begroeide taluds. Slechts de punthelmen der schildwachten op den wal verkondigen u, dat wat ge daar ziet, een fort is. Niet ver van daar, op den badenschen oever, ligt een tweede fort: beiden maken deel uit van de lijn van defensie der stelling Straatsburg. Rondom het fort Altenheim sluiten bosschen den horizon af, maar de Rijn zelf opent heerlijke gezichtspunten. De rivier heeft hier eene breedte van tweehonderd-vijftig el; de kalme watervlakte wordt door geen enkele bank of plaat gebroken. De stroom is hier veel minder snel; bij wijlen schijnt de koninklijke stroom een effen meer. Eene kleine boot, vol heeren en dames, steekt vlug en licht, vlak langs ons heen, de rivier over. In de verte beurt de kathedraal van Straatsburg haar fijne torenspits in de nu helder blauwe lucht. Welk eene afwisseling van gezichten en landschappen, bij iedere kromming van de rivier! Toch valt het niet tegen te spreken, dat de rivierverbetering, hoe nuttig ook onder andere opzichten, niet aan het schilderachtige bevorderlijk is geweest: trouwens de ingenieurs-wetenschap heeft niets te maken met schoonheid. Haar ideaal is eene zooveel mogelijk rechte rivier, tusschen regelmatige, rechtlijnige oevers ingesloten; en dit ideaal is gewis een geheel ander dan dat van dichters en kunstenaars, ja ook van hen, voor wie de schoonheid der levende natuur zeer, zeer veel meer waard is dan de mooiste mathematische figuur. Zoo was dan ook, vóór de normaliseering, de Rijn onbetwistbaar veel schooner en pittoresker. Toen vormden, bij hoog water, de verschillende vertakkingen van de rivier een majestueusen, uitgestrekten waterplas, die op sommige plaatsen eene breedte had van ettelijke mijlen. Ook nu nog biedt de rivier juist daar de schoonste gezichtspunten, waar de nog niet afgedamde zijtakken diep landwaarts indringen, te midden der statige, eeuwenheugende bosschen. Welke prachtexemplaren van eiken en ahornen vindt men nog op de voormalige eilanden, voor het meerendeel begroeid met schier ondoordringbaar kreupelhout, de geliefkoosde verblijfplaats van wilde zwijnen en fazanten. In de lagere gedeelten betwisten riet en biezen en gras de plaats aan het kreupelhout, tenzij een warnet van doornstruiken en wilde moerbeziën het geheele terrein inneme. Hier en daar vindt men, op de dichtst begroeide eilanden, nog enkele bevers, maar zij worden van jaar tot jaar zeldzamer. In het museum van natuurlijke historie te Mainz zag ik een grooten opgezetten bever, die aan den oever van Rijn gevangen was.

Omstreeks vijf uren in den namiddag varen wij onder de brug van den spoorweg van Straatsburg naar Kehl, en komen even daarna aan den mond van den zoogenoemden Kleinen-Rijn, waar wij aan land gaan. Wij zijn te Straatsburg.

XX

Een ander maal zullen wij het gedeelte van den Rijn tusschen Straatsburg en Lauterburg bevaren. Wij moeten nu eerst den stroom weer opvaren en onze wandeling voortzetten door de Sundgau en het Hartwald. Maar alvorens daarheen te gaan, kan ik den lust niet bedwingen, nog weer eens om te dolen op de eilanden in de oude rivier: laat het zijn om te teekenen en, lukt het, ook te jagen. Wie op de manier van onze moderne toeristen door een land heenvliegt, leert het immers nooit kennen; en onze schoone Elzas is het inderdaad wel waard, goed bezien en gekend te worden.

In den vroegen morgen van den 24sten September ging ik met den schilder Lix op weg naar Plobsheim, om daar onzen gemeenschappelijken vriend Louis Schutzenberger op te zoeken, die op zoo menige schilderij de natuur en het leven langs de boorden en op de eilanden van den Rijn met treffende waarheid en diep gevoel heeft weergegeven. De kunstenaar, die naar buiten was gegaan om te jagen, had voor het oogenblik zijn intrek genomen bij de villa Finck. De villa Finck, wel bekend bij alle jachtliefhebbers in Straatsburg, is eene eenvoudige visschershut, verbonden met eene tapperij. De huurders der omringende jachtterreinen hebben daarnaast een witgepleisterd huisje gebouwd, waarin ieder van de gasten, naar eigen lust en smaak, zijn nachtlogies inricht, hetzij in een hangmat, hetzij op eene eenvoudige matras. Als de regen lang aanhoudt, of als het te koud wordt, kan men zich bij het vuur warmen. Moeder Finck, de kookvrouw, heeft in haar kelder een zekeren witten wijn, waarvan de goede oude vrouw zelve wel wat druk proeft. Over het eten behoeft men zich niet bekommerd te maken: de stille wateren van de voormalige Rijntakken wemelen van visch, en het wild van allerlei soort is niet minder overvloedig. Zelfs de minst geoefende jagers kunnen zooveel wilde zwijnen en reeën, hazen, otters, dassen, eenden, kievitten, patrijzen en fazanten, snippen en pluvieren schieten, als zij maar verkiezen.

Wellicht kunnen niet al mijne lezers zich eene duidelijke voorstelling maken van de villa Finck, ook al deel ik hun mede, dat zij op vijftien mijlen afstands van Straatsburg ligt, in de gemeente Plobsheim, op een eiland in den Rijn. Welnu, verbeeld u een open plek in het bosch, ter uitgestrektheid van een bunder, aan den eenen kant besproeid door een voormaligen arm der rivier, aan de andere zijde ingenomen door het jachthuis en de visschershut; rondom die woningen een moestuin met vruchtboomen en een op latwerk rustende wingerd, waaraan donkerblauwe druiven hangen. Tegen den muur van het huis hangen een aantal fuiken; terwijl aan den waterkant een groot, op palen uitgespannen kruisnet hangt te drogen. Eenige blondharige kinderen, flink en gezond van uitzicht, barrevoets, spelen met een troepje tamme eenden, die zich voor de deur hebben verzameld, maar zoo straks weder te water zullen gaan. Een gedeelte van dit terrein behoort aan den visscher Finck, die hier woont met zijne zonen en kleinkinderen; het overige wordt bebouwd door boeren uit het naburige dorp. Een koel en lommerrijk pad voert, midden door het eikenbosch, naar Plobsheim. Hier en daar worden de eiken afgewisseld door populieren, elzen en wilgen, als ook door de heesters en struiken, die gemeenlijk op lage vochtige plaatsen groeien.

Toen wij aankwamen scheen het mooi weer. Bij ons vertrek van Straatsburg, omstreeks zes uren in den morgen, hing er een dikke nevel over de weilanden en over het water. Nu schijnt de zon helder en warm, en ondanks eenige min of meer verdachte wolken, zal de zon ook den geheelen dag blijven schijnen:--althans naar de verzekering van vader Finck, die ons zeer hartelijk ontvangen heeft en dien ik u nog moet voorstellen. Vader Finck is visscher van beroep, maar oefent daarnevens, als de gelegenheid gunstig is, ook het bedrijf van strooper uit. Hij is altijd op den uitkijk: geen schepsel kan zich boven, op, of in de wateren onder de aarde bewegen, of hij merkt het op met zijn scherpen, doordringenden, loerenden valkenblik, die altijd naar eene prooi schijnt te speuren. Naar men ons verhaalde, had die brave man eertijds een bijzonder zwak voor het wild op den badenschen oever. De hemel mag weten, hoeveel reeën en fazanten hij, zonder jachtakte of vergunning, aan den overkant van den Rijn gevangen heeft! Geen wonder dat hij nu en dan in botsing kwam met de jachtopzieners en veldwachters, die op hem loerden. Op zekeren dag of in zekeren nacht--de kroniek vermeldt niet of het feit bij zon- of bij maanlicht plaats greep,--keerde de visscher-strooper naar huis terug met een portie ganzenhagel in zeker lichaamsdeel. Zoo iets vergeet men niet licht, vooral omdat Finck wist welke jachtopziener hem die poets gebakken had. Eenigen tijd daarna lag onze vriend, wiens wonden waren geheeld, maar die even onbekeerlijk was gebleven, op de loer in de biezen. Hij zag den jachtopziener, die hem zoo goed geraakt had, zijn geweer op een zonnig plekje in het gras nederleggen, vervolgens zijne kleederen uittrekken en bij zijn geweer leggen, en eindelijk in het water afdalen. Nauwelijks was de jachtopziener in het bad, of de strooper sprong uit zijn schuilhoek te voorschijn, en maakte zich in een oogwenk meester van de kleederen en ook van het geladen geweer. Toen riep hij op spottenden toon den onthutsten jachtopziener toe, dat hij hem de keus liet, waar hij den kogel, dien hij, Finck, hem nog schuldig was, wilde ontvangen, in zijn hoofd of ergens anders. De badensche jachtopziener, die bij ondervinding wist dat de strooper nooit zijn doel miste, stond daar, ter dood verschrikt... "Kom aan, neen!" voer Finck voort, "ik zal u niet dooden. Maar vergeet niet dat ik uw leven in mijne hand heb gehad."--En zonder de dankbetuiging van den opziener af te wachten, verwijderde de strooper zich. Later zijn beiden goede vrienden geworden: volgens booze tongen zelfs zoo goed, dat zij voor gezamenlijke rekening stroopten.

Al was ons bezoek bij Schutzenberger onverwacht, de ontvangst was er niet minder hartelijk om. De jagers lagen nog in bed; terwijl zij zich gereed maakten om op te staan, namen wij een kijkje voor het venster. O ramp! het is eensklaps gedaan met het mooie weer: de lucht is geheel betrokken. Terwijl onze vrienden zich aankleeden, regent het reeds vrij hard. En nog geen uur geleden, verzekerde vader Finck ons dat de zon den geheelen dag schijnen zou! Wij vertrouwden op zijn woord en rekenden op zijne weerkennis. Immers, een inboorling van de eilanden in den Rijn, die zijn leven lang in de buitenlucht heeft verkeerd, die vijftig jaren achtereen het beroep van visscher en strooper heeft uitgeoefend, zoo iemand dient toch de voorteekenen van goed of slecht weer te kunnen onderscheiden! Nu, als ware hij een almanak, antwoordt hij, dat het best mogelijk den geheelen dag kan regenen. Natuurlijk, als het geen mooi weer is, zal het wel regenen! Maar, als om den spot te drijven met den profeet, keert de wind en de regen houdt op. Na verloop van eenige oogenblikken schijnt de zon weer zoo helder als ooit. Na een landelijk ontbijt gebruikt te hebben, gaan Schutzenberger en de andere heeren op de patrijzenjacht, om voor het diner te zorgen. Lix en ik gaan met den zoon van Finck een watertochtje op den rivierarm maken, vooral met het doel om te teekenen en te schetsen.

Hoe heerlijk is toch zulk een watertochtje, onder den lommer der overhangende takken. Op dezen grillig kronkelenden voormaligen arm van den Rijn behoeven wij niet eens de riemen te gebruiken; met een eenvoudigen boom kan onze schipper aan de boot de gewenschte richting en beweging geven. Bij de villa Finck verheft zich de oever ter hoogte van drie el boven het kristalheldere water, rustig kabbelend over eene bedding van fijn kiezelzand. Verscheidene bootjes liggen hier aan den oever, voorzien van teenen korven, waarin de visch geborgen wordt. Langs den oever staan oude knoestige wilgen naast kleine knotwilgen, beiden nog prijkende in den dos hunner grijsachtig zilveren bladeren. Op den achtergrond breiden krachtvolle eiken hunne zware takken over het kreupelhout uit. Het hooge geboomte en het lage hout, doornstruiken en heesters, het heldere water, de weilanden en akkers--wat bieden ze een rijkdom van telkens afwisselende gezichten. Voeg daarbij de volmaakte kalmte, de vredige stilte en rust, een zeker geheimzinnig iets, dat onwillekeurig tot ernst stemt en zoo weldadig aandoet.--De Rijn is voor het oogenblik laag. In den vroegeren arm der rivier, waarop wij zachtkens voortglijden tusschen beurtelings kale en boschrijke oevers, nu eens in den vollen zonneschijn, dan wegduikende in den half doorzichtigen lommer, is de stroom vrij zwak. Somwijlen nemen riet en biezen de plaats in der boomen: hun vezelige wortels bedekken de hellingen en zweven boven het gedaalde water.

Na een half uur gevaren te hebben komen wij aan de uitmonding van dezen arm, die nog niet geheel van den genormaliseerden Rijn is afgesloten. Dit is op meer plaatsen het geval, maar die openingen verminderen van jaar tot jaar, en binnen een niet al te langen tijd zal de geheele Rijn ter wederzijde met eene bijna onafgebroken doorloopende kaai of oeverbekleeding zijn voorzien.--Terwijl mijn vriend Lix eene schets maakt van de dijk- en oeverwerken, ga ik bij de hoeve van Altenheim, tegenover het nieuwe fort, aan wal. Men is daar bezig eene nieuwe dijkwachterswoning te bouwen. Daar de stand van den Rijn op dit oogenblik vrij laag is, zijn hier en daar de kiezelplaten ook weder zichtbaar. Op een dezer platen is een geheele zwerm van kievitten, minstens vijftig in getal, neergestreken: zij verzamelen zich daar voor de verhuizing naar zuidelijker klimaat, warrelen door elkaar en zwieren nu en dan boven de rivier. Een andermaal hoop ik over de fauna van de Rijnoevers te spreken.