Wandelingen door Elzas-Lotharingen De Aarde en haar Volken, 1886

Chapter 8

Chapter 83,694 wordsPublic domain

Nog meer dan de vlakte, lokken de eilanden in den Rijn zoowel de jachtliefhebbers als de natuurkenners tot een bezoek uit. De machtige rivier, die de groote zwitsersche meren met de Noordzee verbindt, is eene door de natuur aangewezen heerbaan voor de tochten en verhuizingen der watervogels van allerlei pluimage. Platvoetige zwemmers, langbeenige steltloopers, breedgewiekte zeilers, allerlei soorten van vogels, grooten en kleinen, die de strenge winter van de noordpoolstreken naar zachter klimaat drijft, strijken vaak in dichte drommen neder op onzen Rijn. Daar is dan ook geen beter en gemakkelijker weg te bedenken voor de tallooze zwermen van eenden, wilde ganzen, raafeenden en talingen, uit de golf van Finland en van de klippen der IJszee afkomstig. Die weg wordt echter ook, maar zeldzamer, bezocht door den prachtigen zwarten zwaan, den noordschen vischarend, den kormoran: zeldzame, afgedwaalde bezoekers, die door stormen of heftige beroeringen in den dampkring uit hun baan zijn gedreven en het spoor bijster geraakt, maar die nu hun reis vervolgen in de richting der groenachtige wateren van het dal. De stilstaande wateren van voormalige rivierarmen, door de normaliseringswerken afgesneden en langzamerhand in dicht begroeide moerassen veranderd, bieden een uitgezocht verblijf voor de steltloopers: watersnippen, roerdompen, reigers, waterhoenders, en hoe ze verder heeten mogen, wier lange teenen hen in staat stellen over de weeke modder te loopen. Welwillend en gastvrij, deelen de steltloopers hun rijk met de plassers en ploeteraars, de zwempootigen, die in het water plompen en duiken. Als des avonds het zilveren vesperklokje luidt, verlaten de eenden de groote vijvers en kommen in de diepere gedeelten en in de overstroomde weilanden, waar zij zich veiligheidshalve overdag ophouden, en strijken onder luid gekwaak neder in de modderige poelen. De kievitten, van hun kant, vliegen des morgens en des avonds bij honderden heen en weer over de naastbijgelegen bebouwde akkers, maar koesteren zich, gedurende de warme uren van den dag, op de zandbanken en de kiezelsteenen in de oude bedding der rivier. De pluvieren, die in het naakte zand nestelen, zijn niet minder talrijk dan de spreeuwen in het riet. Twee of drie soorten van zeezwaluwen, die hier slechts tijdelijk toeven om haar jongen op te kweeken, beschrijven in het schoone jaargetijde, langs de oevers der rivier, haar bevallige lijnen en wendingen.

De Rijn was vroeger, ja eeuwen lang, zoo nukkig en grillig als een jong meisje, telkens van bedding veranderende, zich nu eens op dezen, dan op genen oever richtende, dan zich terugtrekkende van den Elzas om Baden te begunstigen, straks weer omgekeerd, zonder regel of naspeurlijke reden. Alt-Breisach, op zijn vulkanische rots tronende, lag nu eens op den rechter, dan weer op den linker oever van de veranderlijke, onstandvastige rivier, die haar luimen bot vierde. Om aan dien onhoudbaren toestand een einde te maken, zijn de regeeringen der oeverstaten in overleg getreden, en hebben den stroom eene kunstmatige bedding aangewezen, waarbuiten hij niet meer treden kan of mag. Vóór den aanvang der normaliseeringswerken, die nu langs den geheelen Elzas welhaast voltooid zijn, had de hoofdstroom, ter rechter en ter linker zijde, een groot aantal zijtakken of armen uitgezonden, die deels tot de rivier terugkeerden, deels zich in het land verloren. Deze nu afgesloten takken, die telkens meer aanslibben, deze onwettige kinderen van den Rijn, volgens de uitspraak van de moderne wetenschap, vormen nog een net van eilanden, de woon- en wijkplaats der bovengenoemde vogelen. Veroordeeld om te verdwijnen, naar gelang van de aanslibbing der afgedamde riviertakken, nemen deze eilanden van jaar tot jaar in omvang toe en naderen steeds meer tot elkander, tot groote ergernis van de toekomstige jagers. Sommige van deze eilanden zijn niet meer dan kiezelbanken, waarop niets groeit en die bij hoog water overstroomd worden. Anderen, van meer omvang, door breede en diepe wateren gescheiden, hebben hooge, zandige oevers, omzoomd met eeuwenoude wilgen, dichte bosschen van eikenopslag en hoog hout, weilanden, en op de hoogere gedeelten bebouwde akkers. Reeën zwerven bij troepjes om door het bosch en tusschen de hooge heesters en varens, waar de jonge boerinnetjes, uit het frissche bad gekomen, ze in den zomer beloeren. Het wilde zwijn kiest zich een leger in de lagere gedeelten, te midden van doornen en distelstruiken, waar de haas eene rust en veiligheid vindt, welke hij in de vlakte te vergeefs zou zoeken. In den herfst, wanneer elders, in de groote bosschen tusschen de Ill en den Rijn, vaak gebrek aan water is, wemelt het hier van fazanten, en zoekt de patrijs hier eene schuilplaats, waarin zij zich ongenaakbaar acht. Bij drijfjachten levert deze streek voor de jagers zeer groote moeilijkheden op, uithoofde van de zoo talrijke stroompjes en beken, die elkander in alle mogelijke richtingen kruisen. Wenscht gij u van het eene eiland naar het andere te laten overzetten, vertrouw u dan gerust aan een dier flinke deernen toe, die volkomen voor hare taak berekend zijn en met vaste hand het ranke bootje weten te besturen.

XVIII

Ondanks haar rang van vesting, is Neu-Breisach er erg aan toe: geene andere stad in den geheelen Elzas heeft misschien zooveel geleden door de inlijving bij Duitschland als zij. Hare bevolking, die in 1871 nog negentienhonderd-een-en-zeventig zielen bedroeg, was in 1885 tot op veertienhonderd-zeven gedaald; het garnizoen, vroeger zestienhonderd man sterk, telt thans niet meer dan ruim vierhonderd man. Van de tweehonderd-zeventig huizen van het stedeke staan er vijf-en-vijftig ledig, ten gevolge van het vertrek hunner eigenaars, zonder dat zich iemand opdoet om ze te koopen. Deze achteruitgang is het gevolg van geheel eigenaardige omstandigheden: Neu-Breisach is geene handeldrijvende, industrieele of landbouwende stad: zij is niets meer dan eene vesting, een groot fort. In de laatste jaren van de zeventiende eeuw werd deze vesting door Vauban gebouwd, tegenover de vesting Alt-Breisach, het oude Mons Brisacus, aan den anderen oever, dat krachtens den vrede van Rijswijk aan Duitschland gebleven was. De nieuwe stad moest dan ook bepaaldelijk dienen tot huisvesting van soldaten. Bij koninklijke brieven van September 1698 werden, ten einde inwoners te lokken, aan de gezinnen, die zich in Neu-Breisach vestigen zouden, zekere vrijdommen en voorrechten toegestaan. De burgerlijke bevolking leefde dan ook bijna uitsluitend van het garnizoen, en nu dit laatste zoo sterk verminderd is, zien de inwoners zich gedwongen, naar elders te vertrekken, willen zij niet van gebrek omkomen. Daar komt nog bij, dat de duitsche ambtenaren in den Elzas veelal de slechte gewoonte hebben, om hunne huishoudelijke benoodigdheden, voor zoo ver dit per post geschieden kan, uit hun geboorteland te laten komen. In de uitgestorven straten van Neu-Breisach tiert het gras dan ook zoo welig, dat men sommige buurten als weiland zou kunnen verpachten. Ja, men zou zich des noods midden op de straat kunnen verkleeden, zonder iemands aandacht te trekken of door de policie lastig te worden gevallen.

Op het midden van het plein staande, ziet de bezoeker te gelijk de vier poorten der vesting, die vlak tegenover elkander zijn gebouwd. De stad heeft de gedaante van een regelmatigen achthoek. Alle straten loopen lijnrecht, en de huizen vormen regelmatige vierkante blokken; zij zijn bovendien genoegzaam allen naar hetzelfde model gebouwd en hebben niet meer dan eene verdieping. Tijdens het bombardement van 1870 werd ongeveer een vierde gedeelte der bestaande woningen vernield. Na den oorlog werden de eigenaren schadeloos gesteld, onder voorwaarde dat zij hunne huizen zouden herbouwen, die nu voor een deel leeg staan. Het groote Paradeplein, in het midden der stad, is vierkant, en heeft eene oppervlakte van dertienduizend-vierhonderd-zes-en-vijftig vierkante ellen; het plein is omringd door eene driedubbele rij van lindeboomen, waarvan sommigen nog sporen van kogels vertoonen. Aan iederen hoek bevindt een diepe waterput; onder de boomen zijn van afstand tot afstand banken geplaatst. Op dit ruime plein kunnen tweeduizend man met gemak manoeuvreeren; tegenwoordig is het er doodstil; slechts des avonds ontmoet men er enkele eerzame oude-jongejuffrouwen, die met elkander een praatje komen houden. De vier kazernen van de vesting bevatten huisvesting voor meer dan tweeduizend man; in de partikuliere huizen kunnen nog vijfhonderd manschappen en honderd-twintig paarden worden geborgen, ongerekend de kasematten van de wallen, die nog vierduizend man konden bevatten, en de stallen van de kazernen, die ruimte hadden voor tweehonderd-veertig paarden. Behalve de tweehonderd-zeventig partikuliere huizen, vindt men te Neu-Breisach dertig woonhuizen, die aan den staat behooren en waarin de chefs van de militaire administratie waren gevestigd, benevens arsenalen. De kerk, hoewel netjes onderhouden, is een modern gebouw zonder eenig karakter. Het militaire hospitaal is thans gevestigd in de lokalen van een voormalig Kapucijnerklooster, dat tijdens de revolutie gesloten werd. De gemeente Neu-Breisach reikt niet verder dan de wallen der vesting; de grond, waarop de stad is gebouwd, werd door den staat van de gemeente Wolfganzen gekocht.

Voor de stichting van Neu-Breisach stond, op het toenmalige Stroo-eiland, dat thans met den vasten wal verbonden is, gedurende het laatste vierde der zeventiende eeuw, de kleine stad Saint-Louis, waar van 1681 tot 1698 de souvereine Raad van den Elzas zijn zetel hield. Van dit stadje is tegenwoordig geen spoor meer te vinden; de landlieden uit den omtrek noemden het Strohstadt, uit hoofde van de strooien daken der huizen. Zoo als men weet, was bij den vrede van Rijswijk bepaald, dat de tegenover Alt-Breisach gebouwde nieuwe stad moest worden gesloopt. Deze stad, die vlak aan den Rijn lag, werd ook inderdaad gesloopt, on daarmede aan de letter van traktaat voldaan; maar vlak daarnaast bouwde Vauban de vesting, die thans nog op eenige kilometers afstands van den genormaliseerden stroom ligt. Op de plaats van een bolwerk, dat vroeger den toegang verdedigde tot eene vaste brug over den Rijn, werd het fort Mortier gebouwd, vlak aan den oever der rivier. Tengevolge van de normaliseeringswerken, waarop wij straks terugkomen, werd het bed van den Rijn kunstmatig versmald en verlegd. Eene schipbrug is in de plaats gekomen van de oude houten brug uit de dertiende eeuw, die over een eiland was gelegd. Sedert 1875 is een weinig meer bovenwaarts een nieuwe ijzeren brug gebouwd ten behoeve van den spoorweg van Colmar naar Freiburg. Dicht bij de schipbrug, aan den kant van den Elzas, staat eene oude herberg, waar de liefhebbers altijd uitmuntenden visch kunnen vinden, benevens rivierkreeften uit de Giesen en smakelijk wildbraad, met witten wijn die niet te versmaden is.

Voor de vensters dezer herberg gezeten, kunt ge, in afwachting van uw vischmaal, van het uitzicht genieten op Alt-Breisach. Hoe geheel anders ziet die stad er nu uit, dan wij haar op prenten uit de zeventiende eeuw vinden afgebeeld! Verdwenen zijn de bolwerken en de driedubbele muren; verdwenen de hooge toren aan het einde van de brug, de zware gekanteelde slottoren, en de vroolijk zingende klokken van het Franciskaner- en het Dominikanerklooster, en ook de oude toren bij den waterput in de bovenstad. Slechts de statige, indrukwekkende Sint-Stefanuskerk verrijst nog in al hare majesteit op het hoogste punt van den vulkanischen heuvel, omringd door brokken muurs en geraamten van huizen: eene herinnering aan het bombardement van 1793, toen de vestingwerken der oude stad door het fransche geschut geheel werden vernield.

Tijdens de romeinsche heerschappij lag, volgens Beatus Rhenanus en Schöpflin, de Mons Brisacus of Alt-Breisach op den linker Rijnoever, hetgeen echter door Cluvier en Zeiler wordt tegengesproken. Onwaarschijnlijk is het evenwel niet. De jaarboeken der Dominikanen van Colmar berichten dat in 1295 de rivier, die sedert langen tijd de stad Breisach van den Elzas gescheiden had, hare bedding gedeeltelijk overbracht naar de andere zijde van den berg. Reeds in de tiende eeuw spreekt Luitprand van Breisach als van een eiland, terwijl de stad op de kaart van den Elzas, in 1576 door Daniel Speckle vervaardigd, door een tak van den Rijn wordt omringd. Voor den geoloog, die de gesteldheid van het terrein onderzoekt, is de aanwezigheid van voormalige bermen en geulen aan de oostzijde van den rotsheuvel waarop Alt-Breisach is gebouwd, een afdoend bewijs, dat de rivier vroeger daar haar loop had. Eene wet van Valentinianus, opgenomen in den codex van Theodosius, is gedagteekend van de romeinsche vesting Brisacus, den dertigsten Augustus 369. Tegenwoordig kunnen wij op het terrein zelf, veel duidelijker dan in charters en kronieken, het spoor volgen van de verschillende beddingen, die de rivier achtereenvolgens innam en weder verliet, naarmate de insnijdingen in den bodem der vallei dieper werden, terwijl de oevers trapsgewijze omhoog stegen. De wijde krommingen en bochten van de oude beddingen de gesteldheid van den bloot gekomen rivierbodem, nog kenbaar aan plassen en rietbosschen, waar de liefhebbers ter eendenjacht gaan; de ligging der kiezelbeddingen,--dit alles stelt ons in staat, het vermogen en de stroomsnelheid van den Rijn in verschillende tijdperken te berekenen en de langzamerhand toenemende versmalling van zijn bed na te gaan. In historische tijden lag, naar men bijna met zekerheid mag aannemen, het oude Mons Brisacus nu eens op den eenen, dan weder op den anderen oever der rivier, naar gelang deze, ten gevolge van sterken was, haar loop veranderde.

Wanneer wij met opmerkzaamheid de gesteldheid van de Rijnoevers in den Elzas en in Baden gadeslaan, kunnen wij nog de sporen ontdekken van drie groote takken of hoofdbeddingen, die betrekkelijk nog van jongen datum zijn en beurtelings door een net van zijarmen met elkander verbonden waren. Beneden Kembs liep de groote linkerarm van de rivier door de tegenwoordige vallei van de Ill tot aan Straatsburg. Naar het schijnt, zou de verzanding aan den bovenmond en de scheiding van den tegenwoordigen Rijn het gevolg zijn geweest van de natuurlijke werking der stroomingen, waarvan de sporen nog zichtbaar zijn in de aanspoelingen van keien, die van de Alpen zijn medegevoerd. Boven den Kaiserstuhl scheidde zich de rechterarm van den hoofdstroom af, liep om dien vulkanischen berg heen, en volgde dan den zoom van het Schwarzwald, waar de oude loop nog te herkennen is tot voorbij Ettlingen. Verzandingen in het bovenste gedeelte van dezen rivierarm en de voortgaande aanslibbing langs de verschillende beken en rivierkens, die van het Schwarzwald afdalen, hebben eindelijk het water van dezen tak teruggedrongen naar de hoofdbedding. Dit is ook ten slotte het geval geweest met de andere zijtakken; maar de vereeniging met de hoofdrivier schonk het aanzijn aan eene groote menigte eilanden en een warnet van grootere en kleinere kanalen en killen. Ten tijde van de romeinsche heerschappij waren Schlettstadt en Colmar misschien nog rechtstreeks met den hoofdstroom van den Rijn verbonden, hoewel dit niet uit geschreven dokumenten blijkt. Zeker is het echter, dat men te Ettlingen en te Durlach onmiskenbare sporen heeft gevonden van oude aanlegplaatsen uit den romeinschen tijd. De groote afstanden tusschen de hooge gronden ter wederzijde van de rivier, de scherpe bochten midden door het land, de talrijke greppels en killen, ten deele nog met water gevuld, de moerassen en veenen leeren ons nog heden, welke groote veranderingen, zelfs nog in betrekkelijk jongeren tijd, de loop van den Rijn heeft ondergaan. De vlekken en dorpen, in het overstroomingsgebied gelegen, zijn dan ook bij herhaling het slachtoffer geweest van deze wisselingen. Op den linkeroever werden Rheinau en Wörth in de middeleeuwen geheel verwoest en sedert herbouwd; het klooster Arnulfsau, in den omtrek van Drusenheim, is spoorloos verdwenen. Gelijk lot trof op den duitschen oever de dorpen Tringheim en Hundfeld nabij Kehl, en de kloosters Höhnua, Thumhauser en Mufflenheim boven Seltz.

Maar de Rijn is eene te belangrijke, te beroemde rivier ook, om hem niet meer van nabij te beschouwen en eene opzettelijke studie te wijden.

XIX

Er bestaat geene vertrouwbare kaart, waarop men de veranderingen in den loop van den Rijn, sedert de middeleeuwen tot op onzen tijd, zou kunnen nagaan. Eene kaart van den ridder Beaurain, in Frankrijk vervaardigd om daarop de veldtochten van Turenne langs den Rijn, in de jaren 1674 en 1675, aan te wijzen, toont ons de rivier bezaaid met een groot aantal boschrijke eilandjes, door meer of minder breede armen gescheiden; zoo zelfs, dat eene militaire brug tusschen het dorp Plobsheim en het fort Altenheim gelegd, over acht armen van de rivier moest gaan om Baden met den Elzas te verbinden. Schönau, Rheinau, Drusenheim, Schattmatten en Seltz, tegenwoordig een à twee kilometers van den Rijn verwijderd, lagen toen vlak aan den oever. Vrij breede riviertakken vloeiden langs Wanzenau en Gambsheim, terwijl Dalhunden op den rechter oever lag. Voor den aanleg van het kanaal van de Ill naar den Rijn, dat in 1838 voltooid werd, was Straatsburg door drie dwarskanalen met den hoofdstroom verbonden. De normaliseringswerken, in de jongste tijden door de regeeringen der oeverstaten naar een vast plan uitgevoerd, hebben der rivier eene regelmatige en minder wisselvallige bedding aangewezen.

Dadelijk nadat de Rijn, bij Bazel, de breede kloof tusschen de uitloopers van den Jura en het Schwarzwald verlaten heeft, raakt hij de grens van den Elzas. Op de Alpengletschers geboren en gevoed door talrijke beken en stroomen, die aan alle zijden van den Sint-Gothard, het centraalpunt der zwitsersche Alpenketen, afdalen, richt de prachtige rivier haar loop naar het meer Constanz, waarin zij zich tijdelijk verliest en als het ware de eerste periode van haar leven afsluit. Het schilderachtige zwabische meer verlatende, stroomt de Rijn naar het groote keerpunt bij Bazel, na vooraf de Limmatt en de Reuss, onder den naam van Aar tot eene belangrijke rivier vereenigd, te hebben opgenomen. De lengte van den Rijn, van zijn oorsprong in Grauwbunderland tot aan zijn uitloop in de Noordzee, bedraagt dertienhonderd-zes-en-twintig kilometers, waarvan vierhonderd-veertig tot de kromming bij Bazel en tweehonderd langs do grenzen van den Elzas. Bij het Tomameer in Grauwbunderland, dartelt de pas geboren rivier op eene hoogte van tweeduizend-driehonderd-vier-en-veertig meter boven de zee; in het meer van Constanz bedraagt die hoogte driehonderd-vier-en-tachtig meter; bij de brug te Bazel, tweehonderd-zes-en-twintig meter; bij de brug te Kehl, honderd-vijf-en-dertig meter, en te Lauterburg honderd meter: alles berekend naar het nulpunt van het amsterdamsche peil.--Het vermogen der rivier bedraagt tegenwoordig ter hoogte van Bazel, gemiddeld achthonderd kubiek meter, maar wisselt tusschen de tweehonderd en twaalfhonderd kubiek meters en meer. Bij sterken was heeft men, in het einde van December 1882, te Kehl een afvoer gehad van vijf- tot zesduizend kubiek meter per sekonde.

Men kan eigenlijk niet zeggen dat de Rijn eene natuurlijke grens is, want in de eeuwen der volksverhuizing zijn stam bij stam de rivier overgetrokken; maar toch is de Rijn, sedert den aanvang der historische tijden in Midden-Europa, eene grens geweest, welker bezit de machtigste rijken elkander bij herhaling hebben betwist. Welk eene reeks van groote en gewichtige gebeurtenissen hebben, sedert de verschijning der Romeinen, zijne oevers niet aanschouwd! Hoe veel bloed heeft er niet gestroomd om het bezit van het schoone, gezegende land, waardoor hij zijne blonde wateren stuwt, zijne blonde wateren, waarin wijd beroemde steden zich spiegelen! En ook, welk een bron van zegen en welvaart was hij, de eeuwen door, voor de bevolking langs zijn zoom! Geene andere rivier misschien werd zoo vaak bezongen; voor geene andere klopt het hart van den Duitscher zoo warm als voor _Vater Rhein_, geëerd en gevierd als ware hij de schepper des lands.

Bazel is gebouwd op een kiezelbank, bestaande uit keien gelijk aan die welke de Rijn medevoert, en waarvan het hoogste punt op vijf-en-zestig meters boven den tegenwoordigen middelbaren waterstand ligt. Deze kiezelbank verdeelt zich in en bij de stad in terrassen, die amphitheatersgewijze, soms met vrij steile hellingen, naar de rivier afdalen, en zich op regelmatige afstanden langs de beide oevers uitstrekken, tot ongeveer op de hoogte van Alt-Breisach.

Boven de oude kiezel van deze terrassen vindt men, over groote uitgestrektheden, maar in zeer ongelijke dikte, de slib of klei, waaruit de vruchtbaarste velden in de vlakte van den Elzas bestaan. Deze slib, geheel verschillende van de mergelhoudende slib welke de rivier thans achterlaat, is vermoedelijk aangevoerd door het water, dat uit den ouden Rijngletscher stroomde, toen deze zich nog tot in de omstreken van Bazel uitstrekte. De Rijn moet destijds een veel vermogender rivier zijn geweest dan tegenwoordig: anders had hij onmogelijk tot op zoo verren afstand die massa's slib kunnen medevoeren, waarvan de dikte op sommige punten vijftig meters bedraagt. Nog heden is de stroom ter hoogte van Bazel zoo sterk, dat de rivier keisteenen ter zwaarte van vijf-en-twintig pond en meer medevoert.

Tusschen de beide natuurlijke terrassen of hooge gronden, die zich beneden Bazel langs de rivier uitstrekken, begrenzen de wederzijdsche bandijken eene vlakte van drie tot zes kilometers breed, die bij hoog water nog wordt overstroomd, en waardoor de Rijn vroeger zijn loop nam in eene telkens wisselende, door tallooze kanalen doorsneden bedding. Van afstand tot afstand ziet men nog, twee of drie mijlen van den tegenwoordigen thalweg verwijderd, kommen en killen, overblijfselen van oude riviertakken, voor het meerendeel thans van den hoofdstroom afgesloten: zij vormen de thans oneigenlijk zoo genoemde eilanden van den Rijn. Bosschen en kreupelhout, akkers en weilanden, onder den naam van _ried_ en _grün_ bekend, volgen hier in bonte afwisseling op elkander: een waar paradijs voor de jagers. Zonder de kunstmatige normalisering van het rivierbed en de daarmede in verband staande bedijking, zou men ook nu nog kunnen zien gebeuren, wat vroeger herhaaldelijk plaats greep, dat de rivier bij overstrooming hare bedding verlegde. Zoo werd in 1570 het dorp Neuburg, bij Germersheim, van den rechter- naar den linkeroever verplaatst; zoo werd nog in het begin dezer eeuw het riviertje de Moder, bij Hagenau, gedwongen om zijn loop met omstreeks twintig mijlen te verlengen, ten einde den Rijn, nabij Fort-Louis, te bereiken. Hieruit blijkt, hoe moeilijk in den romeinschen tijd en in de middeleeuwen vaak de toegang tot de rivier was, en hoeveel strategisch gewicht werd gehecht aan die punten, waar het water van den Rijn in eene scherp begrensde bedding vloeide en dus de overtocht gemakkelijk viel.

Daar waar de dus genoemde thalweg--dat is, de lijn van de grootste diepte--den oever raakt, bedraagt de diepte thans, gedurende het geheele jaar, minstens zes el beneden het nulpunt der peilschaal, overeenkomende met middelbaren waterstand. Op de ondiepten tusschen de kiezelbanken staat niet meer dan een el water en vaak nog minder. De pontons van de schipbruggen te Kehl en te Breisach rusten des winters dikwijls op de kiezel, in plaats van te drijven. Telken jare worden door de ingenieurs, met de werken van den Rijn belast, die banken opgenomen en de ondiepten gepeild. Deze ondiepten zijn eene zeer wezenlijke belemmering voor de scheepvaart, die zich niet ontwikkelen kan, zoolang het bed der rivier niet zal zijn gezuiverd en de banken en ondiepten weggeruimd.