Wandelingen door Elzas-Lotharingen De Aarde en haar Volken, 1886
Chapter 7
Een satiricus van de zestiende eeuw, Johann Fischart, de straatsburgsche Rabelais, die eene soort van duitschen of elzasser Gargantua geteekend heeft, geeft ons eene opsomming van de huiselijke en openbare feesten, die met maaltijden werden gevierd. Het in zijn boek geschetste tafereel vertoont ons een zeer sprekend beeld van de zeden en gebruiken des lands in zijn tijd. Hij telt niet minder dan drie-en-vijftig verschillende gelegenheden op, die voor onze feestlievende vaderen aanleiding gaven tot pret maken. Gérard neemt de lange lijst van Fischart over en voegt er zijne scherpe, bijtende aanmerkingen bij.--Was het om aan wezenlijke of voorgewende misbruiken een einde te maken, dan wel om het heilzaam onderscheid tusschen de standen te bewaren, gedachtig aan de wijze spreuk der oudheid: _Quod licet Jovi, non licet bovi_;--was het daarom dat wettelijke bepalingen tegen weelde en overdaad in het leven werden geroepen? De verzameling der politieverordeningen of keuren van de oude vrije rijkssteden in den Elzas geeft ons in ieder geval een aardig kijkje op de buitensporigheden van den vroegeren tijd en getuigt ook van den oprechten ijver om die misbruiken tegen te gaan. Te Straatsburg werd in 1628, onder de regeering van den stadtmeister Böckling von Böcklingshausen, bij keur verboden om ter gelegenheid van een bruiloft meer dan twintig personen, behalve de familieleden, uit te noodigen. "Om de misbruiken te weren van de verderfelijke weelde en overdaad, die overal is doorgedrongen en zelfs bij lieden van lagen stand," was het aan personen uit de burgerklasse verboden om meer dan acht schotels op tafel te doen brengen; ook mochten de feesten niet langer dan twee dagen duren.
Het uitvaardigen van verbodsbepalingen tegen overmatige tafelweelde is op zichzelve nog geen bewijs, dat de geheele bevolking des lands in overvloed leeft of van alle goederen der aarde genieten kan. Tijdens den bouw der kerk van Sint-Legerius te Gebweiler, ontvingen de werklieden als voedsel gedurende de geheele week "knoflook en brood zoo veel zij verlangden; maar des zondags hadden zij vleesch en alle andere zaken in overvloed." Knoflook met roggebrood, gedurende de geheele week--dat mocht in waarheid geen overvloed heeten, vooral niet in een tijd, dien de kroniekschrijver van het jaar 1182, bij uitnemendheid een goeden tijd noemt. Nog in de achttiende eeuw aten de bergbewoners van Ban-de-la-Roche brood van boekweit, en was roggebrood voor hen eene lekkernij, waarvan de arbeiders slechts nu en dan konden genieten. Op het platteland eten de arbeiders thans voor het minst masteluinbrood, de werklieden in de stad, wit tarwebrood. Bij beider middagmaal ontbreekt maar zelden rund- of varkensvleesch. Een elzasser boer gebruikt geregeld per dag zijn vier maaltijden in den zomer en drie in den winter: ontbijt ten zeven uren 's morgens, middagmaal tusschen elf en twaalf uur, vesperbrood ten vier uren, en avondmaal na zeven uren. Het middagmaal ten elf of twaalf uur is meestal de voornaamste maaltijd van den dag. Op de tafel der burgers verschijnen elke week, in regelmatige volgorde, ongeveer dezelfde spijzen, verschillend naar gelang van de saizoenen, en natuurlijk behoudens afwijkingen naar smaak of goedvinden. Voor de invoering van de aardappelen, at men te Straatsburg, 's maandags, schnitze; dinsdags, koolrapen; woensdags, erwten of bonen; donderdags, rijst of gerst; vrijdags, spinazie of snijboonen; zaterdags, linzen; zondags zuurkool. Nog voor korten tijd was het te Colmar algemeen gebruik, 's maandags aardappelen te eten; dinsdags zuurkool; woendags, peen, rapen of kool; donderdags, ingemaakte groente, rijst of gerst; vrijdags, meelspijs; zaterdags koolrapen; zondags zuurkool, waarvan het overschot dinsdags weer op tafel verscheen.
Nu zijt ge vrij wel op de hoogte, hoe men in den Elzas eet. Ter wille der volledigheid zou ik nu nog het een en ander moeten zeggen over sommige spijzen, die meer bepaald aan het land eigen zijn. Maar wie kent niet, bij ervaring of bij gerucht, de zuurkool, de noedels en meelspijzen, de schnitze van gedroogde appelen of peren, de verschillende soorten van pannekoeken, de rijstenbrij en gortepap, de brij van ingemaakte groenten, de ganzeleverpasteitjes, de leberknöpfle of balletjes van kalfslever, de karpfenkröplin of balletjes van karpers, de velerhande gebakjes, taarten en koeken? Reeds in de vijftiende eeuw heeft Anna Keller, huisvrouw van Wecker, geneesheer te Colmar, een boek over de kookkunst uitgegeven, dat aan de prinses van Oranje was opgedragen en waarin de beste wijze werd omschreven voor het toebereiden der meest gebruikelijke spijzen. Een ander gastronomisch handboek, in 1671 te Molsheim verschenen onder den titel van _Kochbuch so für geistliche als auch weltliche Haushaltungen_, heeft niemand minder tot schrijver dan Bernardijn Buchinger, bij zijn leven abt van Lützel, kerkelijk ridder in den souvereinen raad van den Elzas, een geleerd en ernstig man, die het toch niet beneden zich achtte, een kookboek te schrijven voor geestelijke en wereldlijke keukens.
En nu genoeg van de keuken en hetgeen daarmede in verband staat. Wij eindigen met den hartelijken wensch, dat de aloude zin voor gezelligheid in deze verre van opwekkende, aangename tijden niet moge verkoelen; dat de lange reeks der voorvaderlijke feestdagen, dagen van maaltijden en van hartelijke verkwikkende vroolijkheid, niet worde ingekrompen, hetzij dan omdat de middelen het volgen der overgeleverde gewoonte niet meer toelaten, wat treurig is; hetzij, wat nog veel treuriger en bedenkelijker is, omdat de rechte stemming tot feestvieren meer en meer gaat ontbreken, omdat de naïeve gulle, kinderlijke vroolijkheid, desnoods overslaande tot uitgelatenheid, meer en meer eene vreemdelinge dreigt te worden in onze eeuw, waarin het leven, ook nog in anderen dan bloot materieelen zin, voor duizenden bij duizenden in toenemende mate zoo zwaar en moeilijk wordt, en de koortsige opwinding van alle krachten en vermogens den glimlach wegvaagt van de lippen en het harte doet verdorren reeds in den opgang der jeugd.
XVII
Als wij Colmar verlaten, strekt zich de vlakte voor ons uit, de vlakte van de Ill, effen en vlak en bij uitnemendheid vruchtbaar; de groote vlakte van den Elzas, die ten westen door de fraaie bergketen der Vogesen, ten oosten door de snelvlietende wateren van den Rijn wordt begrensd. Elzas beteekent eigenlijk het land van de Ill: door de aanspoelingen van de Ill en den Rijn werd het land zelf gevormd. De alluviaalgronden van den Rijn zijn echter veel minder vruchtbaar dan die van de Ill, langs wier boorden zich een vette kleigrond uitstrekt, waarop alle granen en andere produkten uitmuntend gedijen. Op de meer steenachtige gronden, door de aanspoelingen van den Rijn gevormd, ziet men bosschen en boomgroepen overal waar de noodige vochtigheid voor weilanden of korenakkers ontbreekt. De streken langs de Ill zijn dan ook tweemaal zoo sterk bevolkt als die langs den Rijn, hoewel in beiden de landbouw de hoofdbron van het bestaan is. Noch hier, noch daar heeft de industrie bijzonder veel te beteekenen. Mülhausen reikt met haar fabrieken niet verder dan de grenzen der vlakte en der heuvels van de Sundgau. Buiten de industriëele middelpunten, in en aan den uitgang van de valleien, neemt het aantal inwoners af naarmate de grond armer wordt. Toch biedt deze vlakte geen wijduitgestrekte vergezichten: overal, tusschen de dorpen en langs de beken en wateringen, verheffen zich boschjes en boomgroepen, die de eentonigheid van het landschap breken.
Maar eer wij langs de stoffige wegen onzen wandeltocht voortzetten, willen wij een overzicht nemen van het land, dat zich voor ons uitbreidt. Wij zeiden reeds dat de vlakte vden Elzas begrensd wordt door de keten der Vogesen en door den Rijn, die beiden van het zuidwesten naar het noordoosten loopen. De vlakte zet zich voort aan de overzijde der rivier, waar zij door de bergen van het Schwarzwald wordt begrensd. De Ill, op de grenzen van Zwitserland, in de Jura ontsproten, vervolgt haar kronkelenden loop tusschen de heuvelen en de golvende vlakte der Sundgau, om van Mülhausen tot Straatsburg evenwijdig met den Rijn te vloeien. De geheele lengte der rivier bedraagt honderd-tachtig kilometer, waarvan honderd-twintig voor het gedeelte van Mülhausen tot de samenvloeiing met den Rijn. Haar verval, van haar oorsprong tot haar uitmonding, bedraagt omstreeks vierhonderd el. Mülhausen ligt tweehonderd-veertig el boven de zee, Straatsburg honderd-veertig, Colmar honderd-negentig, Altkirch driehonderd-drie-en-twintig. Te Altkirch neemt de Ill de Largue op, even als zij uit de Jura afkomstig; vervolgens ontvangt zij achtereenvolgens de Doller, de Thur, de Lauch, de Fecht, de Liepvrette, de Giesen, de Bruch en nog andere rivierkens, die allen uit de valleien van de Vogesen afstroomen. Terwijl de Vogesen hun hoogste punt bereiken in den Gebweiler Belchen (1426 el), ligt de bedding van den Rijn, die langs den geheelen Elzas eene totale lengte heeft van tweehonderd kilometers, nabij Basel op tweehonderd-veertig meters boven de zee en te Lauterburg op honderd-vier. De totale oppervlakte van den Elzas bedraagt achtduizend-tweehonderd-zes-en-tachtig vierkante mijlen of acht-en-twintig-duizend-zeshonderd-zeven-en-zestig hektaren. Tusschen Sennheim en Ottmarheim, waar zij het breedst is, beslaat de vlakte van den Elzas acht-en-twintig kilometers, tegen twintig op de hoogte van Colmar of Straatsburg.
Hetzij men van Colmar over Ensisheim naar het Hartwald gaat, hetzij men over Horburg en Breisach den weg naar den Rijn volgt, steeds vertoont de vlakte hetzelfde eigenaardige karakter. Ons oog ontmoet geen grootsche, majestueuse landschappen, zoo als de bergen en valleien der Vogesen ze in zoo ruimen overvloed aanbieden, en evenmin belangrijke monumenten; maar ter rechter- en ter linkerhand breidt zich het vruchtbare land uit, waarop altijd menschen aan den arbeid zijn en dat ons verheugt door het beeld van den gezegenden overvloed. Het eerste dorp, dat wij op den weg naar het Hartwald ontmoeten, is Heiligkreuz, dat achthonderd inwoners telt en zich in de veilige en weldadige schaduw van een voormalig nonnenklooster heeft gevormd. Dan volgt, tien mijlen verder, Meienheim, waar de weg over eene fraaie steenen brug naar den anderen oever van de Ill overgaat. Niederhergheim, Oberhergheim, Biltzheim, Niederentzen en Oberentzen beuren ter linkerhand langs de murmelende rivier hun fijne kerkspitsen ten hoogen. Dan ziet men, aan den anderen oever van de Ill, Regisheim en Ensisheim. Voor den tijd der spoorwegen werden deze dorpen, waar de paarden moesten drinken of verwisselen, dagelijks bezocht door twaalf of vijftien diligences, ongerekend de talrijke voertuigen en wagens. Tegenwoordig is de vroeger zoo drukke en levendige weg eenzaam en verlaten en wordt alleen nog maar gebruikt door boerekarren. Gelukkig heeft de vermindering van het verkeer geen afbreuk gedaan aan de welvaart der bevolking, dank zij de buitengewone vruchtbaarheid van den vetten kleigrond. Men ziet weinig boomen, hetgeen aan het landschap iets eentonigs en plats geeft. Bij de jongste normalisering van den loop der Ill heeft men hier en daar jonge wilgen en acacia's geplant. Voor deze normalisering, waarmede nu omstreeks tien jaren geleden begonnen werd, veranderde de rivier dikwijls van bedding en wijzigde haar onregelmatigen loop na iederen was, tot groote schade van het bebouwde land.
Horburg mag welhaast eene voorstad van Colmar worden genoemd, even als Logelbach. Even boven de prachtige steenen brug van Horburg neemt de Ill de Thur op, en even benedenwaarts de Lauch: twee rivierkens, uit de valleien van Thann en Gebweiler afkomstig, en wier vereeniging met de Ill deze laatste, beneden den Ladhof bevaarbaar maakt. Deze Ladhof diende gedurende de middeleeuwen der stad tot haven: de scheepvaart op de Ill was toen, bij gemis van andere gemeenschapswegen, veel drukker dan tegenwoordig. Het dorp Horburg met eene bevolking van achttienhonderd-vijf-en-tachtig inwoners, behoort tot het kanton Andelsheim, met achttien andere gemeenten, die uitsluitend van landbouw leven, en die tusschen den weg langs den Rijn en de Ill verspreid liggen. De bevolking van het geheele kanton bedroeg in 1880 twaalfduizend-zes-honderd-twee-en-veertig zielen, omstreeks duizend minder dan twintig jaar vroeger. Die vermindering der bevolking van het platte land is een zeer ongunstig verschijnsel, maar dat zich overal voordoet waar geen industrie of fabrieken zijn. Toch bezitten alle gemeenten langs de Ill uitmuntende bouwgronden, waarvan de vruchtbaarheid door geen andere overtroffen wordt. Hoewel de opbrengst van den grond in kwantiteit toeneemt, vermindert het aantal personen, die van den landbouw leven: de reden hiervan ligt zoowel in de steeds klimmende eischen der arbeiders, als in het toenemend gebruik van werktuigen.
Horburg, dat met zijn prachtige linden en zijne brug over de Ill geene onaardige vertooning maakt, is beroemd om zijn sperges, waarin hier een belangrijke handel gedreven wordt, en die onze boeren uit de vlakte van de Ill, naar het zeggen der kenners, uitnemend weten klaar te maken. Gedurende zeven of acht eeuwen was Horburg een graafschap, dat onder de vorsten van Wurtemberg stond. Zijn sterke burcht werd herhaalde malen verwoest en weder opgebouwd. Opgravingen hier ter plaatse hebben de overblijfselen aan het licht gebracht van een romeinsch castrum, benevens verschillende andere voorwerpen uit dien tijd. Beatus Rhenanus en andere geschiedschrijvers van den Elzas zoeken hier de plaats van het oude Argentovaria, waar de legioenen van keizer Gratianus de Allemannen versloegen, na de schitterende overwinning, waarvan Ammianus Marcellinus ons een zoo treffend verhaal heeft gegeven. De commissie van de op last van keizer Napoleon III vervaardigde historische kaart van Gallië plaatst daarentegen Argentovaria bij het tegenwoordige Grusenheim, terwijl d'Anville en Walckenaar het te Atzenheim zoeken. Er is een geruime tijd verloopen sedert het jaar 377 of 384, waarin de groote slachting plaats had, aan welke nauwelijks een tiende gedeelte van het leger der Allemannen ontkwam. Bij gebreke van afdoende bewijzen en bij mijne volkomen onbekwaamheid in het oplossen van etymologische raadseltjes, moet ik mij van een oordeel omtrent de verschillende aanwijzingen der archeologen onthouden. Trouwens, Artzenheim, Grusenheim en Horburg kunnen als de punten van een driehoek beschouwd worden, waarvan de oppervlakte niet grooter is dan die van het slagveld van Froschweiler-Wörth-Reichshofen, op 6 Augustus 1870. De afstand tusschen Horburg en Artzenheim, zoowel als tusschen Horburg en Grusenheim bedraagt in rechte lijn niet meer dan tien kilometers. Daar het germaansche leger, dat door Gratianus verslagen werd, op zestigduizend man wordt begroot, en dat der Romeinen op een derde of de helft, kunnen de beide legers zeer wel een terrein hebben ingenomen van zoodanige uitgestrektheid, dat de naam van Argentovaria op elk der drie genoemde dorpen kan worden toegepast. De verschillende meeningen omtrent de juiste ligging der plaats kunnen inderdaad vrij wat gemakkelijker met elkander in overeenstemming worden gebracht, dan die omtrent de etymologie van den naam Argentovaria en omtrent de wijze waarop daaruit de duitsche naam Horburg zou zijn gevormd of afgeleid. Beatus Rhenanus schreef in de zestiende eeuw, dat de Duitschers de laatste lettergrepen van Argentovaria hadden geschrapt, en aan de overblijvende syllabe _ar_ hun _burg_ hadden toegevoegd; even als zij, op omgekeerde manier, van _Argentoractem_ eerst _Storatiburgum_ hadden gemaakt, en wel door weglating van de eerste lettergrepen; vervolgens hadden zij door het schrappen der klinkers _o_ en _i_, _Stratburgum_ verkregen, waaruit dan ten slotte Straatsburg was gegroeid! Volgens Schöpflin is Argentovaria aan het keltisch ontleend en beteekent zooveel als _gesloten plaats des lands_; hij geeft echter dadelijk toe, dat het ook kan beteekenen, _stad op den doortocht door het land_. Pater Bach, een geleerde Jezuïet, vertaalt Argentovaria, Argontarat, als _doortocht_ of _verblijf der ganzen_; want in het keltisch wil _rat_ zeggen doortocht, _ari_ verblijf, en de Galliërs noemden de wilde ganzen _gantae_, _gantes_. Willen wij het bij deze aardigheden maar laten?
Wat er ook zij van deze etymologische raadseltjes, zooveel is zeker dat nog heden ten dage, in iederen herfst de wilde ganzen in den Elzas verschijnen, vermoedelijk zonder zich het hoofd er mede te breken, of zij haar naam hebben gegeven aan eene keltisch-romeinsche nederzetting. In al de dorpen der vlakte van de Ill houden de bewoners ook tamme ganzen in groote menigte. De laatsten moeten haar lever offeren voor de beroemde pasteitjes; op de eersten wordt jacht gemaakt. Zij die de plaats bezoeken, waar de slag van Argentovaria geleverd werd, doen dit voor verreweg het meerendeel meer ter wille van de jacht, dan om archeologische studiën te maken.
Het verdient wel opmerking, dat de Landesausschuss, die te Straatsburg zitting houdt, onlangs eene wet heeft uitgevaardigd, die den wildstand zeer ten goede komt en ten gevolge zal hebben dat het getal der hazen toeneemt, terwijl dat der plattelandsbewoners vermindert. De jagers en jachtliefhebbers zijn met deze wet zeer ingenomen; de boeren echter, meestal kleine grondbezitters, dwepen er minder mede. En niet geheel zonder reden. Veronderstel, gij bezit een kleinen tuin of akker, dien gij met kool hebt beplant, en nu komen de hazen de jonge groenten opeten. Staat u dit niet aan en slaat gij een dezer ongenoode gasten dood, dan maakt de jachtopziener proces-verbaal tegen u op en ge betaalt eene boete, behalve de beschadiging van uw eigendom. Slechts wanneer uw grond behoorlijk afgesloten is, of wel indien ge eigenaar zijt van een stuk land van minstens vijf-en-twintig hektaren, valt ge buiten de termen der wet. Het is den boeren niet gemakkelijk aan het verstand te brengen, dat zij eene onrechtmatige daad plegen, wanneer zij op hun eigen grond een stuk wild, dat aan niemand behoort en hun groenten vernielt, vangen of doodslaan.
Inmiddels vermenigvuldigen zich, in de vlakte van de Ill tot den Rijn, hazen en fazanten, reeën en patrijzen en kwartels naar hartelust, zoo zelfs dat periodieke drijfjachten moeten gehouden worden om, in het belang van den landbouw, eene al te sterke vermenigvuldiging tegen te gaan. Na zulk een drijfjacht keeren de jagers soms met drie of vier vol geladen wagens terug, met een buit van vierhonderd hazen, dertig reeën en tachtig fazanten, naar de heer Engelhard in zijn _Souvenirs d'Alsace_ verhaalt.
In onzen tijd van sentimenteele dierenbescherming ontbreekt het natuurlijk ook niet aan strafpredikatiën tegen het jachtvermaak. En toch, hoe heerlijk is zulk eene jachtpartij, hoe rijk aan afwisseling en genot! Met het krieken van den dag verlaat ge uwe dompige woning, en wandelt in de frissche, heerlijke morgenlucht, met drie of vier vrienden, naar de aangewezen loopplaats. Allengs komen daar, van verschillende zijden, kleine groepen opdagen; het getal liefhebbers groeit; weldra is het gezelschap kompleet. Nu schaart ge u, met twintig of dertig andere jagers, langs een sloot of een hollen weg; wegschuilende achter boomen of golvingen van den grond. Tegenover u, op betamelijken afstand, heeft zich eene andere lijn gevormd van mannen en jongens, die nu met luid geroep en geschreeuw, en het slaan met stokken tegen steenen en boomen, het verschrikte wild opjagen en heendrijven in de richting waar gij u bevindt. Daar komen ze aansnellen, in ijlende vlucht, de hazen en reeën, onwetend den dood te gemoet. Daar knallen de schoten; daar buitelen de hazen en springen de reeën omhoog, om dan neer te vallen onder het knetteren der geweren, onder de luide bravo's bij welgelukte schoten, onder het tergend gefluit bij mislukte. Voorzeker, ik kan het niet tegenspreken, daar is iets.... nu ja, iets onridderlijks in dat neerschieten van weerlooze dieren, waartoe niet de minste moed wordt vereischt, niets dan zekere bekwaamheid in het schieten. Maar toch, de rook, het schieten, de reuk van het kruit, het gezicht van het bloed, het gekerm der getroffen dieren, het tellen van den buit, de vroolijke gesprekken, het verhaal van werkelijke of half werkelijke jachtavonturen:--al die beweging, dat rumoer, die opwinding, ze doen u het bloed sneller vlieten door de aderen, ze ontrukken u aan het alledaagsche, ze doen u met dubbel genot gevoelen dat gij leeft. En dan, dat heerlijke gevoel van vrijheid; die beweging en oefening in de frissche vrije lucht; het genot der telkens afwisselende tooneelen en landschappen, naar gelang van den tijd des jaars, van het weer, van plaats en uur, bij zonneschijn of nevel, bij regen of felle vorst, in het dichte bosch of op een open, zonnige plek in het woud, of wel in de vlakte, op het open kale veld zich uitstrekkende tot den schemerenden gezichteinder. Kunt ge niet begrijpen, dat het jachtvermaak, eens in vollen omvang gesmaakt, welhaast een hartstocht wordt?
Een drijfjacht op hazen wordt doorgaans gehouden in eene vlakte van eene halve vierkante mijl. De jagers omsingelen het terrein, dat door de drijvers onder geleide van eenige jachtopzieners is afgezet. Bij de eerste geweerschoten trachten de meest achterdochtige hazen, opgeschrikt door het rumoer van de drijvers, die naar de jagers toe gaan, door den doodelijken cirkel heen te breken, en vallen als slachtoffers van hunne onvoorzichtigheid. Anderen zijn minder roekeloos en maken minder haast; zij gaan kalm op hun achterpooten zitten om den toestand te overzien. Zoo opzittende, zijn hunne voor- en achterpooten onophoudelijk in beweging, als trachtten zij in zenuwachtige spanning, onder de hen omsingelende vijanden de slechtste schutters uit te zoeken. Somwijlen raden zij goed, en gelukt het hun tusschen de nieuwelingen door te ontsnappen. Blijkt het dat zij zich vergissen, dan keeren zij terug, niet wetende waarheen zich te wenden, loopen heen en weer, gaan weer zitten, tot zij eindelijk meenen een vrijen uitgang, eene onbewaakte plek gevonden te hebben. Daar stormen zij dan op los: helaas, meestal om te vallen onder de kogels van dezen of genen rustenden jager. De schrik en de verbijstering van de arme dieren bereiken hun toppunt, wanneer de drijvers, die met hunne stokken zwaaien en luid schreeuwen, tot op eenige honderden schreden van de schutters genaderd zijn. Dan is het oogenblik gekomen van de groote slachting, het laatste oogenblik voor een honderdtal hazen, op eene kleine ruimte saamgedrongen. Zij kunnen niet teruggaan, zonder zich aan het gevaar bloot te stellen, dood geslagen te worden. Razend van schrik, overschrijden zij den noodlottigen cirkel, waarin de jagers, die zich nu saamgetrokken hebben en zonder tusschenpoozen hunne geweren laden, afvuren en weder laden, hen opsluiten. De meesten vallen dood op de plek of sterven, gewond, op eenigen afstand. Zoodra de gevallenen bijeen zijn verzameld, wordt de drijfjacht elders voortgezet.
Maar het gebeurt niet altijd, dat na afloop van zulk een jacht eenige honderden hazen als buit worden medegevoerd: somwijlen keeren de jagers platzak terug, zelfs in de vlakte van den Rijn. Dit is mij zelven overkomen bij de eerste drijfjacht, waaraan ik deel nam, te Widensohlen, waar het jachtveld toch als goed bekend is. Volgens het zeggen van mijne medejagers, hadden de hazen zich in het kreupelhout verscholen, en wij konden het bosch niet laten afloopen, omdat de bladeren nog aan de boomen zaten. Om mijn weitasch te vullen, moest ik op eene boeren hofstede een kalkoen doodschieten, natuurlijk tegen betaling van schadevergoeding aan den eigenaar.