Wandelingen door Elzas-Lotharingen De Aarde en haar Volken, 1886

Chapter 5

Chapter 53,678 wordsPublic domain

Deze brand mocht veeleer eene weldaad dan een ramp heeten. Niet alleen herrees de villa uit haar puin, maar reeds eene eeuw later had zij zoodanige beteekenis verworven, dat zij tot den rang van stad werd verheven en met een muur omgord. De vrije boeren, eigenaars of pachters van de verstrooide hoeven, waaruit Colmar toen bestond, en de werklieden--vrijgelatenen of vluchtelingen--die zich bij hen gevoegd hadden, gevoelden weldra de behoefte om hunne personen, hunne bezittingen en hunne vrijheid te kunnen verdedigen tegen de aanvallen der adellijke heeren uit den omtrek. Daartoe was het noodig, de stad met stevige muren te omringen, die haar beveiligden tegen verrassing en overrompeling. De landvoogd Wölfelin gaf dus, in 1214, vergunning, de stad met muren en wallen te versterken. De ommuurde ruimte omvatte in de dertiende eeuw niet meer dan de zuidelijke en oostelijke wijken van de tegenwoordige stad, en toch was het er nog verre van af, dat deze ruimte geheel zou bebouwd zijn. De sedert gevolgde stichting van de kommanderij van Sint-Jan en van een paar kloosters bewijst, dat er nog genoeg onbezette terreinen binnen de muren te vinden waren.

Bij een octrooi van 1226, door keizer Frederik II tot den rang eener vrije, keizerlijke rijksstad verheven, koos Colmar met warmte de partij van dien monarch in zijne geduchte worsteling met de Curie. De vrij verklaarde gemeente bleef met zoo trouwe gehechtheid aan haar weldoener verknocht, dat zij zelfs de partij koos van een avonturier, die zich, na 's keizers dood, voor Frederik II wilde doen doorgaan, hetgeen der poorterij op eene zware boete te staan kwam ten behoeve van den levenden keizer, Rudolf van Habsburg. In dien tusschentijd had de bisschop van Bazel een kapittel ingesteld, om met den pastoor de goederen der Sint-Maartenskerk te beheeren. Aan het hoofd van dit kapittel, dat door twee bullen van Paus Gregorius IX, in Juni 1234, bevestigd werd, stond de domproost, die door de kanunniken werd verkozen, maar de investituur van den abt van Munster ontving. Een deken, door den abt benoemd, nam de dienst van pastoor waar; terwijl een der andere kanunniken met de leiding van het koor was belast. De kanunniken, die door het kapittel verkozen werden, waren niet aan het gezag van de poorterij onderworpen. Zij ontvingen zekere uitdeelingen in natura, onder voorwaarde dat zij te Colmar wonen zouden, maar met de bevoegdheid om elders de lessen aan eene universiteit te volgen, zonder daardoor de inkomsten van hunne prebende te verliezen. Bij giftbrief van 15 December 1283 schonk een der kanunniken, meester Jacob, die jaren lang gratis het ambt van scholaster had vervuld, veertig pond, waarbij het kapittel nog tien pond voegde: van welk kapitaal de jaarlijksche rente, ten bedrage van vijf pond, moest dienen om den scholaster te bezoldigen. Ook hier, als schier overal elders, was de school eene stichting der kerk en wies onder hare hoede op. Het zegel van een der scholasters van Sint-Maarten stelt den eerwaarden leeraar voor, gezeten voor zijn lessenaar en een schrijver verklarende, terwijl de leerlingen rondom hem op den grond zitten en met ingespannen aandacht luisteren.--In dien zelfden tijd was een aanvang gemaakt met den bouw der collegiale kerk, maar de voortgang van dien arbeid werd belemmerd door innerlijke verdeeldheid en burgertwist. Er waren toen twee partijen in de stad: de eene hield de zijde van den bisschop van Straatsburg, de andere stond voor den keizer en het rijk. Deze laatste partij werd aangevoerd door den provoost Johan Rösselmann, den zoon van een gewoon werkman uit Turckheim, die, ten koste van zijn leven, Colmar in handen leverde van Rudolf van Habsburg, geruimen tijd voor deze den keizerlijken troon beklommen had. Na zijne verkiezing tot Roomsch koning schonk het hoofd der dynastie van Habsburg, te Weenen, den 29 December 1278, aan de burgers van Colmar eene stedelijke keur, die de grondslag werd van hun recht en later tot regel diende ook voor andere steden. De keizer verbond zich daarbij, niemand dan een poorter van Colmar tot provoost of schout te benoemen; deze schout zou de bevoegdheid hebben om het burgerrecht te verleenen aan wien hij wilde, zelfs aan hoorigen, die, wanneer hun heer hen niet binnen het jaar opvorderde, niet meer van hun recht konden worden ontzet. De burgers mochten leenen bezitten; de edelen werden vrijgesteld van gewone belastingen, op grond van hunne bijzondere persoonlijke verplichtingen jegens het rijk.

Weldra vinden wij, naast den schout, die door den keizer werd benoemd en als diens vertegenwoordiger gold, melding gemaakt van den burgemeester en de vertegenwoordigers der gilden. Naar het schijnt, was de burgemeester aanvankelijk niet anders dan een afgevaardigde van de gilden, dat is van de burgerij, bij het stedelijk bestuur. Door de burgers als hun hoofd erkend, hoogst waarschijnlijk rechtstreeks door hen gekozen, en geroepen om een tegenwicht te vormen tegenover het gezag van den keizerlijken schout, kon het niet anders of het gezag en de invloed van dezen magistraatspersoon moest zich gaandeweg uitbreiden. Onder den invloed der gilden won de demokratische geest steeds in kracht; en langzamerhand, met en zonder schokken en botsingen, ging ook hier het gezag en de leiding der zaken uit de handen van den schout over in die van den stedelijken raad, waarvan de burgemeester voorzitter was. Zoo als wij zagen, was reeds bij het octrooi van 1278 bepaald, dat de waardigheid van schout uitsluitend aan een poorter van Colmar kon worden opgedragen. Dat was een eerste stap; later kocht de stad van den keizer het recht der benoeming, en nu werd het schoutambt eenvoudig eene stedelijke betrekking, en de schout, in plaats van een keizerlijk, een stedelijk ambtenaar. Van toen af was de burgerij in het volle bezit der macht; maar daarmede was in geenen deele aan de stad het genot van rust en vrede verzekerd: evenals in bijna alle andere stedelijke republieken der middeleeuwen, waren ook te Colmar twisten en partijschappen aan de orde van den dag.

De gilden namen, door hare hoofdmannen, rechtsstreeks aandeel aan de regeering; het getal dier gilden, die de gansche burgerij omvatten, was aanvankelijk twintig, later tien; daarnevens vormden de adellijke familiën, wier aantal omstreeks dertig bedroeg, twee curiën. De eerste, die op de lijst der burgemeesters voorkomt, is Walther von Sleztat, die in 1296 _magister burgensium_ was.--Uit een vonnis, des vrijdags na Sint-Nicolaas van het jaar 1323 gewezen, in een proces van de nonnen van Unterlinden tegen de edelen van Nortgasse, leeren wij de inrichting der rechtspleging kennen. In eerste instantie werd recht gesproken door de schepenbank, onder voorzitting van een afgevaardigde van den keizerrijken schout; van de uitspraken van deze rechtbank was beroep op den stedelijken raad, die in hoogste ressort vonnis velde. Natuurlijk was de stedelijke raad, behalve met de hoogste rechterlijke macht, ook met wetgevende macht bekleed en berustte de regeering der stad in zijne handen.

Na de inlijving bij Frankrijk, ging natuurlijk de zelfstandigheid en autonomie der oude vrije rijksstad verloren. De stedelijke regeering van Colmar werd ondergeschikt aan het gezag van den koninklijken raad, die binnen zijne muren zetelde. Een _préteur_, door den koning benoemd, verving de plaats van den ouden keizerlijken schout: de stedelijke regenten werden onafzetbaar verklaard en ontleenden dus hun mandaat niet langer aan de keuze der burgerij. Dit bleef zoo tot de omwenteling uitbrak, die de bestaande instellingen vernielde en der maatschappij een ander aanzien gaf.

XV

Onder de monumenten van de oude stad hebben wij ook het klooster Unterlinden genoemd: een eenvoudig, onaanzienlijk gebouw, in de nabijheid van de Korenbeurs, in de voormalige kerk der Dominikanen. Dit oude klooster is thans tot museum ingericht. Voor den hoofdingang staat het standbeeld van Pfeffel, door den beeldhouwer Friedrich vervaardigd. Een smal straatje of poortje, aan de beide einden met een ijzeren hek gesloten, geeft toegang tot het museum. Ondanks den frisschen, geurigen naam van Unterlinden, is nergens een linde te bespeuren. Boven de poort ziet gij het wapenschild van de orde van Sint-Dominicus: een hond, met een brandenden fakkel in den bek, waarmede hij de wereld verlicht. Behalve eene galerij van schilderijen uit de school van Schöngauer, die voor de geschiedenis der kunst in Duitschland van groot belang is, bevat het museum eene rijke verzameling van antiquiteiten en medailles, eene ethnografische collectie en eene van natuurlijke historie, benevens eene belangrijke bibliotheek. Het inwendige van het klooster is, op zich zelve, uit een architektonisch oogpunt bovendien wel de aandacht waard.

Binnentredende, ziet ge een ruimen vierkanten hof, door eene sierlijke zuilengalerij omringd. In het midden van den hof verrijst het steenen standbeeld van den schilder-graveur Maarten Schöngauer; het voetstuk is tot fontein ingericht. Aan de eene zijde wordt de voormalige kloosterhof begrensd door het schip der kerk, aan de drie andere door gebouwen voor woning en andere doeleinden bestemd. Reeds vóór de revolutie heeft het schip zulke belangrijke veranderingen ondergaan, dat het niet meer mogelijk is, zich eene voorstelling te maken van zijne oorspronkelijke gedaante; daarentegen munt het koor uit door zuiverheid van stijl en edele soberheid. Maar ondanks de omgeving, is het toch de kloosterhof zelf, die bovenal uwe aandacht trekt. Met zijn sierlijke bogen, zijne zuiltjes, zijne opengewerkte rozetten, mag deze kloosterhof als een der schoonste gewrochten gelden uit den tijd der invoering van den franschen spitsbogenstijl in Duitschland. Misschien is dit het eenige zoo volledige exemplaar in den stijl der dertiende eeuw, dat wij bezitten. Drie dubbele rondbogen met gebloemde kapiteelen, in den westelijken kloostergang, zijn vermoedelijk van een vroegeren bouw afkomstig en behooren tot de eerste helft der dertiende eeuw. Het standbeeld van Schöngauer, een werk van Bartholdi, is in volkomen overeenstemming met het karakter van den hof. Het beeld stelt een middeleeuwschen kunstenaar voor, in de kleederdracht van zijn tijd, in een album bladerende. Het voetstuk is versierd met vier allerbevalligste figuurtjes: een schilder, kleuren mengende op zijn paneel; een graveur, met zijn stift op de plaat teekenende; een beeldhouwer, die zoo juist een prachtig wierookvat heeft voltooid; eindelijk een geleerde in de lezing van een boek verdiept. De wetenschap en de plastische kunst zijn dus vertegenwoordigd.--Deze stille hof, met zijn groen en bloemen, zijne speling van licht en schaduw, zijne rust en kalmte en die omlijsting van sierlijke booggangen, stemt u onwillekeurig tot peinzen en nadenken; en het kost inderdaad moeite een gevoel van wangunst te onderdrukken jegens de gelukkigen, wien het in minder koortsige en bewogen tijden vergund was in zulke kalme verblijven hun leven aan studie en kunst, aan wetenschap en gebed te mogen wijden, zonder onophoudelijk door het rumoer der buitenwereld aan hun idealen levenskring ontrukt te worden.

De stichting van het klooster Unterlinden valt in de eerste jaren der dertiende eeuw. Twee edele vrouwen, Agnes van Mittelheim en Agnes van Herckenheim, vestigden zich op de plaats van het tegenwoordige klooster, waar eene van haar een huis bezat, in de nabijheid van een lindenboschje. Op raad van eenige andere vrome dames, die zich bij haar aangesloten hadden en eene godsdienstige vereeniging vormden, brachten zij hare woning over buiten de stad, op eene plaats _Uff Muhlin_ genaamd, nevens eene aan Sint-Jan den Dooper gewijde kapel. Broeder Walther, lezer der Dominikanen te Straatsburg, nam zelf de godvruchtige vrouwen in de orde op, op Sint-Andriesdag van het jaar 1232. Maar de toenemende onveiligheid buiten de stad noopte de nonnen, twintig jaren later, om haar oud verblijf binnen de muren weder te betrekken. Voor zoo ver zij nog mochten aarzelen, moest, naar de legende verhaalt, elke twijfel wijken tengevolge van een visioen van haar heiligen patroon, die in den eigen nacht aan alle zusters verscheen en haar gelastte naar de stad terug te keeren. Toen zij gereed stonden _Uff Muhlin_ te verlaten, hoorden zij eene stem, die smeekend zeide: "Neemt mij mede." Verwonderd omziende, van waar dat verzoek komen mocht, bespeurden de nonnen een klein beeld van den Dooper. Zij verstonden den wenk en namen het beeld met zich: nog heden kunt gij het zien in de sakristij van de Sint-Maartenskerk, een der weinige monumenten van de kunst des houtsnijders uit de dertiende eeuw. Het oude klooster moest aanzienlijk worden vergroot, en eene nieuwe kerk gebouwd, die in 1269 door Albrecht den Groote, bisschop van Regensburg, werd ingewijd. Weldra verwierf het klooster der Dominikaner nonnen van Colmar eene groote vermaardheid; in de geschiedenis van de duitsche mystiek neemt dit Unterlinden eene zeer voorname plaats in. Binnen de muren van dit klooster leefden, in de veertiende en de vijftiende eeuw, uitmuntende vrouwen, de geur van wier innige godsvrucht, heiligen levenswandel en hooge geestesgaven zich wijd en zijd verspreidde en niet weinig bijdroeg tot de edele glorie van het gewijde gesticht, omzweefd door liefelijke legenden en dichterlijke wonderverhalen.

Eeuwen lang was het uitgestrekte, rijke klooster de roem van Colmar, tot de revolutie ook dit monument vernielde. Op den tweeden Maart van het jaar 1792 werden, op bevel van het departementaal bestuur, ondanks de tranen en smeekbeden der nonnen, de klokken weggenomen: zestig nationale garden beschermden de kerkschenners tegen de verbitterde bevolking. Reeds in Mei van het vorige jaar, bij de uitdrijving der Kapucijners, had de kavalerie eene charge moeten maken op de burgers, die dom en bekrompen genoeg waren om de zegeningen der revolutionaire vrijheid niet te begrijpen!--Tot staatseigendom verklaard, werden de gebouwen van Unterlinden tot in 1842 als kazerne gebruikt; in dat jaar gingen zij aan de stad over, als vergoeding voor de geldelijke bijdrage voor den bouw eener nieuwe kavalerie-kazerne. Een deel der gebouwen werd sedert afgebroken: een ander deel tot verschillende doeleinden gebruikt, om niet te zeggen vernederd. Eindelijk kwam men op het denkbeeld, om de eerbiedwaardige, zoo gruwelijk mishandelde en geschonden zalen en vertrekken van Unterlinden uit hun diep verval op te heffen, door er eene bestemming aan te geven, althans niet te zeer in strijd met de edele traditiën aan dit eenmaal zoo beroemde klooster verbonden. Er werd dan besloten, de stedelijke bibliotheek en de wetenschappelijke en artistieke collectiën van den Opper-Elzas in de nog gespaard gebleven gebouwen van Unterlinden te plaatsen: een besluit, dat op de ontwikkeling en den wetenschappelijken zin van deze geheele streek een zeer gelukkigen invloed heeft uitgeoefend.

In de eerste plaats wordt de belangstelling der kenners gewekt door de schilderij-verzameling, bepaaldelijk door de werken van oude duitsche meesters, de voorgangers van Dürer en Holbein. Deze schilderijen zijn in het schip van de oude kloosterkerk geplaatst, dat, hoewel wat bekrompen, toch eene geschikte gelegenheid aanbiedt en door de smalle spitsboogvensters voldoende licht ontvangt. Achter in het koor staat het beroemde, geheel uit hout gesneden en vergulde altaar uit eene kerk van Isenheim afkomstig. De twee beschilderde vleugeldeuren van dit altaar vormen nu, in de kerk van Unterlinden, de scheiding tusschen de schilderijen in het koor en die in het schip. In het koor hangen de werken van de oude duitsche school; het schip is bestemd voor de schilderijen uit later tijd. De twee diptyken stellen voor, de eene Christus aan het kruis; de andere, de Moedermaagd met het Kind; en aan de keerzijde Maria-Boodschap en de Opstanding, en de Verzoeking van Sint-Antonius en Sint-Paulus, en Sint-Antonius in de woestijn. Volgens eene oude overlevering zouden deze schilderijen het werk zijn van Albrecht Dürer; maar de tegenwoordige kunstcritici kennen ze toe hetzij aan Hans Baldung Grün, hetzij aan Matthias Grünewald van Aschaffenburg, zonder dat echter voor de eene of de andere hypothese afdoende argumenten kunnen worden aangevoerd. Aan den linkerwand van het koor ziet men eene reeks tafreelen uit het Lijden, met groote uitvoerigheid en nauwkeurigheid op gouden grond geschilderd: dit kunstwerk draagt het jaartal 1465. De tafreelen uit het leven van Jezus, uit de school van Schöngauer afkomstig, zijn van een anderen stijl: de teekening verraadt meer gevoel en de techniek staat hooger; getuige de zoo zeer bewonderde Pietà, de Maagd het Kind aanbiddende, de engel in Maria-Boodschap, de heilige Antonius, en de Heilige Maagd den engel ontvangende: al te gader uitmuntend geconserveerde schilderstukken. Men is het niet eens over de vraag, van wie deze stukken afkomstig zijn, en de vergelijking met de gravuren van Schöngauer schijnt eene andere hand te verraden. Wij zullen hierop nader terugkomen, na een blik op de galerij van moderne schilderijen, waarin sommige voortreffelijke stukken van nog levende meesters uit den Elzas de aandacht trekken en ten volle verdienen. Wij wijzen slechts op de genre-stukken en op de tafreelen uit het elzasser leven van Pabst, van Jundt, van Brion; op de landschappen van de twee Salzmann's en Bernier; het gezicht op Capri van Benner, den slapenden Bader en eene Magdalena van Henner; de zegekar des Doods van Schuller en vooral zijn Schlitters uit de Vogezen; eindelijk op de miniaturen van Michel Hertrich.

In den vloer van het koor ziet men de fragmenten van een prachtig romeinsch mozaïek, te Bergheim, in den omtrek van Colmar, opgegraven. De vleugels van den kruisgang bevatten een aantal steenen monumenten en antiquiteiten, fragmenten van beeldhouwwerk uit alle tijdperken, beginnende met de gallo-romeinsche grafteekenen van Kempel, de eigenaardig bewerkte steenen van den ouden heidenschen muur van Frankenburg, de votief-altaren uit het Hattenerwoud, de stèles en grafzerken van Horburg, tot de romaansche basreliefs en de spuiers aan de gothische kerken der middeleeuwen. Deze fragmenten zijn uit verschillende deelen van den Elzas afkomstig. Het standbeeld van Schöngauer, dat daar zoo rustig en ernstig midden op den hof verrijst, die schepping van een onzer tijdgenooten, waardig eene plaats in te nemen onder de meesterstukken der kunst, schijnt te waken over deze overblijfselen van de beeldhouwkunst der vroegere eeuwen. Bij gebrek aan ruimte in den kruisgang rondom den kloosterhof, is men genoodzaakt geweest, eenige steenen monumenten buiten te plaatsen, op het square rondom het monument van Pfeffel. Eene afzonderlijke zaal bevat de afgietsels en pleisters van de meesterstukken der klassieke beeldhouwkunst. Overigens bevatten de gebouwen van het museum schier geene andere beeldwerken dan het blazoen van de orde der Dominikanen, boven den ouden ingang, waarvan wij reeds met een enkel woord gesproken hebben. Dit blazoen is ontleend aan de legende van Sint-Dominicus, waarin onder anderen verhaald wordt, dat zijne moeder, eenigen tijd voor zijne geboorte, een geheimzinnigen droom had: zij droomde namelijk, dat zij een hond ter wereld bracht, die de wereld verlichtte met een fakkel, welken hij in den bek hield. In het klooster van Santa-Maria del Fiore te Florence, dat aan de Dominikanen behoort, ziet men eene oude fresko, waarop de Paus is afgebeeld, omringd door kardinalen en prelaten, terwijl de geloovigen, onder de gedaante van eene kudde schapen, rondom hem op den grond liggen, terwijl honden, de Dominikanermonniken voorstellende, de kudde tegen de wolven der ketterij verdedigen. Deze voorstelling is, even als het blazoen, eene woordspeling: de jongeren van Sint-Dominicus noemden zich ook _domini canes_, honden des Heeren.

Behalve de beide genoemde galerijen van beeldwerken en schilderijen, bevat het museum ook nog eene verzameling antiquiteiten en medailles. Geheel het leven der voorgeslachten op den alouden bodem van den Elzas treedt ons hier aanschouwelijk voor oogen; en daar het museum voor ieder gratis openstaat, wordt het ook druk bezocht en wekt het de algemeene belangstelling. Wordt ergens in de stad of op het land, iets gevonden dat uit een artistiek of archeologisch oogpunt waarde heeft, aanstonds wordt het naar Colmar, naar Unterlinden gezonden. Een reeks van vitrines, wier aantal van jaar tot jaar toeneemt, bevat een schat van voorwerpen van allerlei aard, sieraden, gereedschappen, wapens, zooveel mogelijk naar geografische orde gerangschikt, en met opgave van de plaats, waar ze gevonden zijn. Men vindt hier gedenkteekenen van alle rassen, die den Elzas bewoond hebben, van de voorhistorische tijden en de vestiging der Kelten af, overblijfselen van alle beschavings-perioden. Hier zijn oude kleedingstukken en tapijtwerken, fraaie geschilderde glazen, prachtige meubelen van gesneden eikenhout, die nog tot voorbeeld voor onze kunstenaars kunnen dienen. Zie eens die reusachtige koffers en die vorstelijke, zoo uitnemend schoon bewerkte kasten, waarin bijna plaats is voor een geheel huishouden. Op de beschilderde glazen de portretten van aanzienlijke burgers van Colmar in ouderwetsche kleederdracht, en de wapens der steden van den elzasser stedenbond, afkomstig van vensters der groote zaal van het Kaufhaus, waar zij eigenlijk hadden behooren te blijven; in den ijver om het museum van Unterlinden te verrijken, is men hier te ver gegaan. Een smaakvol en ijverig verzamelaar, de heer Fleischhauer, de tegenwoordige president van de Schöngauer-Vereeniging, wier schepping het museum is, heeft al deze voorwerpen met grooten takt gerangschikt, zoodat zij rondom den schoorsteen van den Waagkeller, eene soort van antiek gemeubeld vertrek vormen. De groote moderne vensters, die men in deze zaal heeft aangebracht, passen echter ten eenemale niet bij de omgeving, en maken in een gothisch monument een allerongelukkigst effekt.

Wij moeten nog terugkomen op de schilderijen van de oude school, in het museum van Unterlinden bewaard, die vooral voor de geschiedenis der kunst van zoo groote waarde zijn. Trouwens, al hadden zij geene andere verdienste, dan haar wondervol, schitterend koloriet, dat ondanks den tijd nog al zijn frischheid en glans behouden heeft, dan nog zouden deze schilderijen ten volle de belangstelling verdienen. Het is voorwaar geen kleine lof voor den ouden kunstenaar, dat vier eeuwen niets hebben ontnomen aan den gloed en de pracht zijner verwen, wanneer wij zien, dat moderne schilderijen, in ditzelfde museum aanwezig, binnen de korte spanne tijds van een menschenleven, geheel van toon en kleur veranderen. De vorderingen der scheikunde, waarvan de industrie in zoo velerlei opzicht voordeel trekt, hebben onze hedendaagsche schilders nog niet in staat gesteld, het koloriet der meesters uit de vijftiende eeuw ook maar nabij te komen.

Wanneer wij de oude schilderijen in het museum van Colmar aan Schöngauer toeschrijven, dan volgen wij daarin de traditie en de algemeen aangenomen meening. Wij kunnen ons hier niet verdiepen in de kritische beschouwingen en geleerde vertoogen, waartoe de veel besproken kwestie omtrent Schöngauer en zijn werk aanleiding heeft gegeven. Noch de meester zelf, noch zijne leerlingen hebben de moeite genomen de schilderijen te teekenen, waarvan de echtheid zoo hevig betwist of betwijfeld wordt. De verdienste van deze stukken is geheel afgescheiden van den naam des schilders: zij ligt in haar beteekenis voor de geschiedenis der kunst en in haar verwonderlijk koloriet. Sommigen getuigen van diep gevoel en verdienen ook om de uitdrukking waardeering: maar afgescheiden van de kleur, zijn de meesten, althans met onzen tegenwoordigen maatstaf gemeten, niet meer dan middelmatig, vooral door de gebrekkige teekening.