Wandelingen door Elzas-Lotharingen De Aarde en haar Volken, 1886

Chapter 4

Chapter 43,658 wordsPublic domain

Wie zich op een mooien avond, als de maan haar fantastisch schijnsel over de stad werpt en licht en schaduw zoo tooverachtig verdeelt, op den hoek plaatst van de oude Schädelgasse, tegenover de Groenmarkt, tusschen het Kaufhaus en het gebouw van het Hof van appèl, die kan zich gemakkelijk verbeelden eenige eeuwen terug te zijn gegaan. Voor zich ziet hij een huis met een puntgevel in renaissancestijl, versierd met gegroefde pilasters; en links daarnaast verrijst, met hare zware steenen leuning en haar koepelvormig dak, de buitentrap van het Kaufhaus, waarvan de smaakvolle balustrade zich tegen den hemel afteekent. Op de Groenmarkt zelve, ter rechterhand, beurt het Edelhof zijn hoogen trapgevel ten hemel, waarvan elke trede met een pinnakel is versierd. Links stuit de blik tegen den gelijksoortigen gevel van het huis met den zuilengang, waarvan de slanke achtkantige torentjes, met hun arabesken en spitse daken, door hun bevalligen vorm en schoone evenredigheden zoo te recht de bewondering opwekken.--Het Kaufhaus, dat vier eeuwen oud is, is meermalen in den loop der tijden van bestemming veranderd. In 1480 gebouwd, diende het aanvankelijk als entrepôt voor de wijnen, het graan en de verschillende koopwaren, waarvan de stad Colmar, krachtens octrooi van de Keizers Lodewijk van Beieren en Karel IV, belasting mocht heffen. Later vestigde de magistraat er zijn zetel; de tegenwoordige gymnastiekzaal in de benedenverdieping werd toen als folterkamer gebruikt; de bovenverdieping dient thans voor de vergaderingen van de Kamer van koophandel.

De voormalige groentenmarkt, die weleer op het plein voor het Kaufhaus gehouden werd, is thans overgebracht naar eene overdekte markt, waar wij de fontein van den Wijnboer gaan bewonderen, die wel de aandacht verdient. Het voornaamste sieraad van die fontein is het beeld van een jongen wijnboer of arbeider, uitrustende van zijn werk. De warmte heeft hem zijne kleederen voor het grootste deel doen afwerpen; met zijne krachtige armen tilt hij een kleinen emmer omhoog, die bij de wijnboeren in den Elzas in gebruik is. Naast hem zit zijn trouwe metgezel, zijn hond. Dit fraai bewerkte bronzen beeld, een geschenk van de fransche regeering, is het werk van den heer Auguste Bartholdi, van Colmar geboortig, die ook de monumenten voor generaal Rapp en admiraal Bruat vervaardigd heeft. Dit laatste standbeeld, insgelijks van brons, versiert mede eene fontein; toen het in 1863 te Parijs werd tentoongesteld, droeg het de algemeene goedkeuring weg. In de lommerrijke lindenlaan, waarin het nu is geplaatst,--die laan waar ik mijne eerste lessen in de aardrijkskunde leerde;--staat het beeld van den admiraal in fiere rustige houding op een prachtig zandsteenen voetstuk, uitmuntende door zijne smaakvolle proportiën en door de vier groote allegorische figuren, vier werelddeelen voorstellende.

Rapp en Bruat zijn beiden van Colmar geboortig, even als Pfeffel en Schöngauer, wier gedenkteekenen wij in het museum Unterlinden zullen zien. Rapp, tijdens het eerste keizerrijk opperbevelhebber van het Rijnleger, sedert pair van Frankrijk, bekend door zijne heldhaftige verdediging van Dantzig, aanschouwde op den 21sten April 1771 het levenslicht in het Kaufhaus, waarvan zijn vader portier was. Op zestienjarigen leeftijd als vrijwilliger bij een regiment kavalerie in dienst getreden, nam hij een werkzaam aandeel aan de eerste veldtochten van Napoleon, die hem na den slag bij Marengo tot zijn adjudant benoemde. Geen andere generaal van het keizerrijk kan in persoonlijken moed en vooral in onafhankelijkheid van karakter met hem op eene lijn worden gesteld. Hij vervulde verschillende belangrijke zendingen en ontving op het slagveld twee-en-twintig wonden.--De admiraal Bruat, die jonger was dan generaal Kapp, trad in 1811 in dienst; hij stierf als opperbevelhebber van de fransche vloot in het Oosten, na de inneming van Sebastopol. Zijne onverschrokkenheid en vermetele moed verzekeren hem voor immer eene schitterende plaats in de geschiedboeken der fransche marine. Hij nam deel aan den slag van Navarino en vertoonde de fransche vlag zoowel in de Levant als in de Antilles en in de Stille-zee; aan hem dankt Frankrijk het protektoraat over, dat wil zeggen het bezit van de Taïti- of Sandwich eilanden; hij bestuurde de met zoo schitterenden uitslag bekroonde expedities in de zee van Azof, gedurende den Krim-oorlog. Even als Rapp onderscheidde ook admiraal Bruat zich als diplomaat en bekwaam administrateur.

XIV

Als alle steden langs den Rijn, was Colmar eens zeer rijk aan kerken en godsdienstige gestichten, die tegenwoordig voor het meerendeel aan hunne oorspronkelijke bestemming zijn onttrokken. Behalve de collegiale kerk van Sint-Maarten, vinden wij het klooster van Unterlinden, het Franciskanerklooster, de kerk der Dominikanen; de kloosters van de Catherinetten, van de Kapucijnen, van de Augustijnen, de kommanderij van Sint-Jan, de priorie van Sint-Pieter; de filiaalhuizen der abdijen van Munster, van Marbarch, van Arlesheim en Alspach.--De priorie van Sint-Pieter is een lyceum geworden, maar waarin sedert de inlijving bij Duitschland, geen leerlingen meer worden opgenomen; de kerk is nog voor de katholieke eeredienst bestemd. Het Franciskanerklooster, in het midden der dertiende eeuw gesticht en door de pest van 1541 ontvolkt, dient tegenwoordig als stedelijk ziekenhuis; daar al de monniken, met uitzondering van den pater-gardiaan, aan de pest waren overleden, kocht de stad al de bezittingen van het klooster voor tweeduizend-zevenhonderd gulden, met de verplichting ten eeuwigen dage de monniken, op hun doortocht door Colmar, gastvrijheid te verleenen of anders twee zilveren batsen uit te keeren. Met het ziekenhuis is een weeshuis verbonden, benevens eene inrichting tot opleiding van vroedvrouwen, beiden door partikuliere liefdadigheid gesticht. Het oude Kapucijnerklooster is thans ook tot een ziekenhuis ingericht, onder leiding der zusters van Niederbronn; terwijl het klooster der dames Catherinetten sedert 1792 tot militair hospitaal, dient. Omstreeks den zelfden tijd werd het Dominikanerklooster tot gevangenis vernederd, terwijl de kerk als korenbeurs wordt gebruikt.

De meeste kerken van de voormalige kloosters zijn echter nog steeds voor de eeredienst bestemd; zoo, bijvoorbeeld, de Franciskaner-kerk, waarvan het koor en het schip door een muur gescheiden zijn; het laatste is als protestantsche kerk ingericht, terwijl het koor bestemd is voor de Katholieken, die in het stedelijk gasthuis zijn opgenomen. Geene enkele van deze kloosterkerken verdient uit een architektonisch oogpunt bijzondere vermelding.

De kollegiale kerk van Sint-Maarten zou een goed figuur maken als kathedraal, indien Colmar de zetel van een bisschop was. Zij verrijst midden in de stad, en vertoont, hoezeer uit verschillende tijdperken dagteekenend, niet die plotselinge overgangen in stijl en wijze van versiering, die elders zoo vaak den indruk van het geheel bederven. De oude uitgangen van het dwarsschip zijn toegemetseld. Onder de beelden, die den linkerboog van het portaal van Sint-Nikolaas, aan het zuidelijke dwarsschip, het oudste gedeelte van de kerk, versieren, ziet men ook het beeld van den architekt, kenbaar aan een winkelhaak, dien hij in de hand houdt. Bovendien staat daarnevens zijn naam in den steen gebeiteld, en wel in het fransch: _Maistres Humbret_. De bouwmeester van de Sint-Maartenskerk van Colmar was dus, even als de schepper van het groote portaal van de Sint-Theobaldskerk te Thann, een Franschman of misschien een Lotharinger. Het koor, een eeuw jonger dan het schip, werd, naar men zegt, gebouwd door Willem van Marburg, in 1366 overleden.

In de middeleeuwen, toen onze goede Elzassers, als trouwens al hunne tijdgenooten, rijker waren aan geloof dan aan geld, vorderde de voltooiing van een zoo belangrijk werk als de bouw van de collegiale kerk van Colmar, in eene nog weinig bevolkte stad, uit den aard der zaak zeer veel tijd, daar met de beschikbare middelen rekening moest worden gehouden. Het is dus niet te verwonderen, dat dergelijke monumenten--waaraan op verschillende tijden, verschillende architekten, anders gevormd en met andere denkbeelden bezield, hebben gewerkt,--die eenheid van stijl missen, die een kenmerk behoort te zijn van in hun soort volmaakte kunstgewrochten.--De oorsprong van de Sint-Maartenskerk was eene eenvoudige kapel, in de negende eeuw door de Benediktijner-monniken van Munster gebouwd. Het schip dagteekent uit het midden van de dertiende eeuw; de bouw van dit deel der kerk, waarvoor van alle kanten giften werden ingezameld, duurde niet minder dan vijftig jaren. Oorspronkelijk vervingen twee groote kapellen de plaats van het koor. Om dit laatste tot stand te brengen, moesten op nieuw, ook in den vreemde, giften worden ingezameld. Reeds in 1284 richtte de bisschop Hendrik van Basel eene oproeping tot de geloovigen, waarbij hij hen vermaande de kerk van Colmar niet onvoltooid te laten, maar haar tot een Gode waardig heiligdom te maken. Zijn vicaris Albrecht vroeg bijdragen van al de inwoners van Basel, omdat de inkomsten van de particuliere fondatie van Sint-Maarten ontoereikend waren. De tweede toren, die het groote portaal aan de noordzijde flankeeren moest, werd nooit voltooid en reikt niet hooger dan het dak van het schip. Het tegenwoordige bovenstuk van den bestaanden toren, aan de zuidzijde, werd na den brand van 23 Mei 1572 aangebracht.

In 1798 door de revolutionaire horden geplunderd en gesloten, werd de kerk later aan de katholieke eerdienst teruggegeven; maar in dien tijd was zij bezoedeld door de dusgenoemde eeredienst van de Rede, hier, als elders in het republikeinsche Frankrijk, alleszins waardig vertegenwoordigd door eene veile deerne, die, zoo goed als naakt, op het altaar plaats nam. Pfeffel, de fabeldichter, wiens standbeeld wij straks voor Unterlinden zullen zien, zond aan een vriend, die hem het besluit tot instelling van de eeredienst der Rede had medegedeeld, dit puntdicht:

"Ein Tempel der Vernunft soll unsere Städte zieren; Recht schön; doch macht' ich gern, in Unterthänigkeit, Die kleine Motion: eh man ein Haus ihr weiht, Erst die Vernunft zu decretiren."

Toen de blinde dichter later, langs de kerk gaande, daar binnen hoorde kloppen en timmeren, vroeg hij, wat er nu weer gaande was. Men antwoordde hem, dat het stedelijk bestuur toebereidselen liet maken voor het feest van het Opperwezen, dat ook te Parijs, onder voorgang van Robespierre, was gevierd. Daarop antwoordde hij dadelijk met dit ex-tempore:

"Darfst, lieber Gott, nun wieder sein; So will's der Schach der Franken.-- Lass flugs durch ein paar Engelein Dich schön bij ihm bedanken."

Van binnen is de kerk zeer eenvoudig. De steenen muren zijn kaal, uitgezonderd alleen in de kapel van Onze-Lieve-Vrouwe, rechts van het koor. Men heeft die kapel onlangs in den stijl der dertiende eeuw gerestaureerd, en haar met muurschilderingen versierd, die een zeer goed effekt maken. Ook het zeer fraaie en bevallige beeld der Madonna, op het altaar, is in denzelfden stijl beschilderd.--Het hoogaltaar van gesneden hout, zonder eenig schilderwerk hoegenaamd, is in volkomen overeenstemming met de eigenaardige verlichting der kerk, terwijl het beeldwerk zelf geheel past bij den architektonischen stijl van het gebouw. Dit altaar is het meesterstuk van een uit Colmar geboortigen kunstenaar, den heer Klem, wiens werk men in verschillende kerken in den Elzas terugvindt. Er is een oogenblik sprake van geweest, dit altaar te vergulden of te kleuren, maar men heeft zeer te recht van dat voornemen afgezien. Alle figuren zijn in relief en in rond beeldwerk. Zes zuiltjes met gebeeldhouwde kapiteelen dragen het altaarblad. In de twee bogen ter weerszijde van de middelste nis, waarin de relikwiënkast van Sint-Maarten moet worden geborgen, zijn de zinnebeelden van de vier Evangelisten geplaatst. De trapjes van de altaartafel prijken met eene uitmuntend gebeeldhouwde fries: een slinger van wingerdbladen met druiventrossen en korenschoven vermengd, de symbolen van de eucharistie. In het midden verrijst de tabernakel, die door eene kleine deur van verguld brons, met het Lam Gods versierd, gesloten wordt; ter wederzijde van den tabernakel ligt een engel in knielende houding. Pilasters, door eene open gewerkte galerij verbonden, vormen, ter hoogte van den tabernakel, vier paneelen en verdeelen in drie ongelijke vakken eene prachtig gewelfde en rijk gebeeldhouwde nis, die de geheele breedte van het altaar inneemt. In het midden ziet men het Avondmaal: de figuren, op de helft der natuurlijke grootte, vertoonen den traditioneelen type en teekenen zich uitmuntend af tegen den donkeren achtergrond. In het bovenste gedeelte van het altaar wordt de aandacht dadelijk getrokken door de hoofdgroep, Christus voorstellende, omringd door heiligen uit den Elzas. In de iets lager gelegen zijnissen--even als de middelste nis bekroond door kunstig gesneden bloemen en spitsen en naalden, door al den weelderigen rijkdom der gothiek,--ziet men tafreelen uit het leven van Sint-Maarten den patroon der kerk, en van Sint-Arbogast, den patroon van het bisdom. In de groep ter linkerhand is Sint-Arbogast voorgesteld, door zijn gebed het leven terug gevende aan Siegbert, den zoon van koning Dagobert. De rechter groep verbeeldt Sint-Maarten, met zijn zwaard zijn mantel doorsnijdende om daarmede een naakten bedelaar te kleeden.--De personen in de middelste nis rondom den Heiland gegroepeerd, verbeelden Sint-Fidelius van Sigmaringen, eerst advokaat te Colmar, vervolgens Kapucijner-monnik en martelaar; Sint-Firminus, bisschop, stichter van de abdij van Murbach, met het model zijner abdijkerk in de hand; Sinte-Odilia, de maagd van Hohenburg, in knielende houding, in het gewaad eener non, het geopende boek in de hand, waarin twee oogen zijn afgebeeld, ter herinnering aan het wonder, waardoor zij het gezicht herkreeg; Sinte-Richardis, echtgenoote van Keizer Karel den Dikke, met een hermelijnen mantel bekleed en haar kroon nederleggende voor de voeten van den Zaligmaker; Sint-Maternus, de eerste apostel van den Elzas, die eene kerk met drie torens in de hand houdt, ten teeken van de drie door hem gestichte bisdommen; Sint-Morand, de apostel van de Sundgau, met een wingerdrank in de hand, ter herinnering aan de legende, volgens welke hij den wijnstok in den Elzas zou hebben ingevoerd; Sinte-Huna, de godvruchtige edelvrouwe van Hunaweier, in aanbidding neergebogen; eindelijk Sint-Leo IX, de groote Paus; tegenover Sinte-Richardis neergeknield, biedt hij den Heiland het wapenschild van Colmar aan, als om 's Heeren zegen af te smeeken over de stad, in wier nabijheid de doorluchtige opperpriester geboren werd.--Geheel uit hout gesneden, in de stijl der veertiende eeuw, heeft het hoogaltaar van Sint-Maarten eene hoogte van zestien el, en mag met volle recht, om den rijkdom en de onberispelijke bewerking der ornementen, om het diepe, fijne gevoel dat uit alle beelden en groepen spreekt, onder de kunstwerken een hoogen rang innemen; zeer zeker is het het beste van dien aard, dat wij in het geheele land bezitten.

Alvorens wij een blik werpen op het verleden van Colmar, willen wij den toren van de Sint-Maarten beklimmen om van daar de stad te overzien.--Een aardig gezicht, niet waar, waarvoor ge u wel de moeite wilt getroosten om de tweehonderd-drie-en-veertig treden te beklimmen van de wenteltrap, die naar den omgang van den toren leidt. Volgens eene plaatselijke traditie, zou die omgang een vereenigingspunt zijn geweest van de tooverheksen: vandaar de naam van Hexenplatz, waaronder dit plat nog heden bekend is. Ter wille van de gewone stervelingen, die aan duizeligheid onderhevig kunnen zijn, heeft men in het jaar 1766 dit torenplat van een steenen balustrade voorzien. De hoogte van het plat bedraagt niet meer dan acht-en-veertig el boven het kerkplein: juist voldoende om in het rond, in het oude Colmar, de voornaamste gebouwen te herkennen, aangewezen op den plattegrond van Merian uit het jaar 1643. Het meer verwijderde uitzicht is ook wel de moeite waard. Aan de eene zijde overzien wij de geheele keten der Vogesen, aan de andere de berggroep van den Kayserstuhl, en tusschen die beiden de vlakte van de Ill en van den Rijn; de twee rivieren zelven zien wij niet: zij duiken weg in het groen; de bergen van het Scharzwald, doorgaans zeer duidelijk zichtbaar, zijn nu op het heete middaguur, in een trillenden nevel gehuld. Er is geen wolkje aan den hemel: de brandende Junizon straalt in volle kracht en stooft de bloeiende aarde, die in vollen zomerdos prijkt. Hoe vol en rijk zijn de boomgroepen van het Marsfeld, en de moestuinen van de Aue, in het vochtige dal van de Lauch! Achter de tuinen beginnen de bosschen, begrensd door steenachtige terreinen, die voor bebouwing ongeschikt zijn. De akkers, in de vlakte van de Ill, zoo bij uitnemendheid vruchtbaar, zijn thans bedekt met blonde halmen, afgewisseld door wijngaarden, overal waar de nachtvorsten in de lente zich niet al te streng doen gevoelen. Aan den voet der heuvelen beginnen de wijnstokken over de geheele lengte der vallei van de Fecht, achter de Logelbach, waarvan de uitgestrekte fabriekgebouwen als het ware eene voorstad van Colmar vormen. En welk een prachtige omlijsting vormen de Vogesen, zoo schoon en bevallig met hunne fraai geteekende, schilderachtig afgeronde hellingen, niet te steil en niet te flauw, geheel met bosch bekleed tot aan de groene weiden in de hoogte; met hunne stout gevormde toppen, hier en daar oprijzende en den blik tot zich trekkende. De Letzenberg met zijne witte kapel, de ruïnen van den Hohenlandsburg, de drie torens van Egisheim, de bedevaartskapel der Drei Aehren, het kasteel Hageneck met de scherp geteekende zigzags van den nieuwen weg:--ze zijn allen duidelijk zichtbaar. Voorts overal, waarheen wij den blik ook wenden, volkrijke dorpen en vlekken met hunne torens, ver en nabij, sommigen opdoemende aan den gezichteinder, tusschen den Rijn en de bergen, van Schlettstadt tot Rufach en nog verder. In waarheid, mijne vrienden, de Elzas is een mooi land.

Het doet er dan ook weinig toe, dat op het bovenstuk van den toren van Colmar gegronde aanmerkingen te maken zijn. De torenwachter, die hier woont, en die de klok moet luiden, zoodra er in de stad of in den onmiddellijken omtrek brand uitbarst, is tevreden met zijne hooge positie. Niet zonder kennelijk welbehagen noemt hij ons de namen van alle dorpen en vlekken in het ronde, benevens die van de bergen en rivieren. Met de zekerheid van iemand die er alles van weet, zal hij u uitleggen dat de voorgevel van zijne kerk minder kaal en rijker versierd zou zijn, indien de bouwmeesters over meer geld hadden kunnen beschikken. De aan zijne zorg toevertrouwde klokken zijn meest allen uit het jaar na den brand, en voeren als wapenteeken den ouden tweehoofdigen adelaar van het heilige Roomsche rijk. Met een dezer klokken moest, van Allerheiligen tot Sint-Mathias, elken avond van zeven tot acht uren worden geluid: en dat wel krachtens eene keure van de magistraat, houdende bevel dat geen enkel herbergier of koekbakker zijne klanten na dat uur mocht houden, met bedreiging van ernstige straf en schande. Dat in den goeden ouden tijd aan deze keur van de zorgzame burgervaderen stipt de hand werd gehouden, zou ik niet durven verzekeren. De statuten van de Waagkeller-vereeniging, opgericht, "om te drinken, te eten en zich onderling te vermaken", geven wel grond voor het vermoeden, dat ook vroeger, evenals tegenwoordig, de policieverordeningen uitzonderingen toelieten.

Elk gebouw van het oude Colmar, de burgerhuizen daaronder begrepen, is als het ware een levende getuige van het verleden der stad, eene leesbare bladzijde uit haar geschiedboek. Een aantal huizen dagteekenen uit de middeleeuwen, toen het poorterschap van de oude vrije stad verbonden was aan den eigendom van eene woning aan 's heeren straat. Daartoe behoort onder anderen het gothische huis op het plein, tegenover het Sint-Nikolaas portaal van de parochiale kerk, door den passementwerker Adolph met groote kennis en keurigen smaak gerestaureerd.--Daarnaast prijkt het commissariaat van policie met een fraai uitstekend balkon, een zoogenaamden erker, boven een portaal met het jaartal 1597. De duitsche renaissance heeft niets volmaakters in zijne soort geschapen dan dit balkon. Op dat balkon legden de heeren der stedelijke regeering en de groot-baljuw van den Elzas, tegenover de burgerij, den eed af, dat zij de stad bij hare vrijheden en privilegiën zouden handhaven. Vroeger stond op de plaats van dit gebouw eene aan Sint-Jacobus gewijde kapel, waarvan de krypt, die tot knekelhuis diende, nog bestaat. Rechts, onder den grooten boog die toegang geeft naar de Schädelgasse, werd door den provoost recht gesproken. De koetspoort, bij dien boog, vormde den ingang naar de herberg van de schoenmakers, waar de dichter George Wickram zijne zangerschool stichtte, van waar het handschrift der Minnesinger en Meistersinger, dat op de koninklijke bibliotheek te Munchen bewaard wordt, afkomstig is. Alle ambachtsgilden hadden zulk eene eigene herberg of plaats van bijeenkomst, die aan een bijzonder uithangteeken kenbaar was; even als de godsdienstige corporatiën, die van buiten daaronder begrepen, haar hof of huis in de stad hadden, waar de tienden en de opbrengsten der landerijen werden geborgen en waar haar rentmeester woonde. Die huizen onderscheidden zich doorgaans door bijzonder fraai beeldwerk: zoo als bij voorbeeld het Huis met de hoofden, weleer de herberg voor de gasten en bezoekers van het Dominikanerklooster.

Colmar draagt er roem op, ten tijde van het heilige Roomsche rijk eene vrije stad te zijn geweest, met eene eigene zelfstandige regeering. Haar oorsprong hangt samen met eene hoeve, die tot het domein der eerste frankische koningen behoorde; maar de ontdekking van steenen, potten en andere voorwerpen uit den romeinschen tijd levert het bewijs, dat hier reeds vroeger een centrum van bevolking was. Voor zoo veel wij weten, komt de naam der plaats het eerst voor in 823, in een giftbrief van Lodewijk den Vrome aan de abdij van Munster, gedagteekend _ad fiscum nostrum nomine Columbarium_. Hadden wij over meer tijd en ruimte te beschikken, dan zouden wij ons verdiepen in de vraag, of deze naam Columbaria een latijnsche vorm is van het duitsche Kohlmarkt, dan wel of hij eenvoudig is afgeleid van de duiventil, die bij elke hoeve behoorde. De monnik van Sint-Gallen verhaalt in zijne kroniek van den tijd van Karel den Groote, dat de machtige Keizer, in een zijner oorlogen tegen de Saksers, de bijzondere dapperheid opmerkte van twee jonge soldaten, en bij navraag van hen vernam dat zij bastaarden waren, afkomstig uit het vrouwenhuis van Columbra. Men heeft daaruit afgeleid, dat tot de koninklijke hoeve van Columbarium ook een vrouwenhuis behoorde: dat wil zeggen, een lokaal waar de vrouwen arbeidden, die de wol en het linnen sponnen en weefden en de kleederen vervaardigden voor de lieden van het hofgezin. In 884 hield Keizer Karel de Dikke hier, omstreeks het feest van Maria-Zuivering, een algemeene vergadering van den adel en de geestelijkheid zijner staten, een soort van rijksdag, om te beraadslagen over de maatregelen tegen de invallen der Noormannen. Volgens onze geschiedschrijvers bevatte het koninklijk domein, de bakermat der toekomstige stad, twee hoeven, het Oberhof en het Niederhof. In 1160 werd de hoeve of de villa, zoo als zij in de jaarboeken van de abdij van Munster genoemd wordt, door brand vernield.