Wandelingen door Elzas-Lotharingen De Aarde en haar Volken, 1886
Chapter 3
Aan den voet van den Letzenberg, aan de oevers van de Fecht en van het kanaal van Logelbach, werd de slag bij Turckheim geleverd, die de definitieve inlijving van den Elzas bij Frankrijk ten gevolge had. In het jaar 1674 trok een duitsch leger, onder aanvoering van omstreeks twintig vorsten, het land binnen, dat bij den vrede van Munster aan Frankrijk was afgestaan. Den vierden October, bij Entzheim, door het minder talrijke leger van Turenne geslagen, betrokken de Duitschers de winterkwartieren, om nieuwe versterkingen af te wachten, alvorens den veldtocht te heropenen. Het keizerlijke leger bezette geheel den Boven-Elzas, van Huningen tot Obernai, van Belfort tot Landskron; men leefde vroolijk en lustig in de winterkwartieren, volkomen gerust gesteld door den geveinsden terugtocht der Franschen naar de andere zijde van de Vogesen. Een aantal dames maakten, in het gevolg van de generaals en hoofdofficieren, den veldtocht mede. De keurvorstin Dorothea van Brandenburg hield haar hof te Colmar, waar de stedelijke regeering, de aanzienlijke burgers en de gilden wedijverden in huldebetoon, in geestdrift en toewijding. De geheele adel van den Elzas hield de zijde van Duitschland, zoowel als de oude vrije steden. De keurvorst Frederik Willem van Brandenburg, die de keizerlijken te hulp was gesneld, zwoer dat hij den grond van den Elzas niet zou verlaten, zoo lang hij nog een enkel man over had, in staat om de wapenen te voeren.--Maar--zoo als het in het duitsche leger doorgaans ging en overal gaan moet, waar eenheid van gezag ontbreekt,--de verschillende legerhoofden lagen voortdurend met elkander overhoop, en het algemeen belang werd aan persoonlijke hartstochten en berekeningen opgeofferd. Wangunst, naijver, kinderachtige veeten deden telkens nieuwe moeielijkheden uitbarsten; men twistte onderling, en bekommerde zich niet om de bewegingen van Turenne, die, naar men zich voorstelde, in Lotharingen werd opgehouden door den buitengewoon strengen winter.
Daar verspreidde zich eensklaps, in de laatste dagen van December, de tijding, dat het fransche leger, na een koenen marsch, om de bergen heen was getrokken en voor Belfort stond. Verrast, maar in het minst niet ongerust, trokken de keizerlijke veldheeren, Bournonville, Caprara en de keurvorst van Brandenburg, hun troepen samen bij Colmar. In der haast werden nu schansen en bolwerken opgeworpen langs het kanaal van Logelbach, tusschen Colmar en Turckheim, terwijl in de eerstgenoemde stad de gilden en de poorters zich wapenden om mede te helpen bij de verdediging. Iedereen verklaarde zich bereid, tot het uiterste weerstand te bieden: de magistraat, de geestelijkheid en het volk. Aan het hof van de keurvorstin Dorothea twijfelde niemand aan de overwinning; de vorstin zelve had de legerhoofden en de dames van het hof uitgenoodigd tot een schitterend feestmaal, dat den dag vóór Driekoningen zou worden gevierd.
Inmiddels was Turenne reeds tot Colmar genaderd. Bij een voorpostengevecht had de fransche generaal, op den negen-en-twintigsten December, de keizerlijken genoodzaakt uit Mulhausen te wijken. Den derden Januari, na te Ensisheim krijgsraad te hebben gehouden, trok hij, langs den voet der bergen, naar Colmar. Twee dagen later, voor het aanbreken van den dageraad, brak het fransche leger van Pfaffenheim op, en trok, in drie evenwijdige kolonnes, voort, de infanterie voorop. Op den Letzenberg staande, ziet ge, ten zuiden, den heuvel van Egisheim, met de ruïnen van zijn drie torens: de troepen van Turenne trokken daar langs. Drie duitsche eskadrons, aan gene zijde van de beek, die den weg naar Belfort doorsnijdt, op den uitkijk gesteld, maakten rechtsom keert, toen zij de Franschen bespeurden. De twee kolonnes, die onder bevel van den graaf de Lorge door de vlakte marcheerden, hielden stil voorbij het kerkhof van Wettolsheim, en ontplooiden hun liniën tot tegenover Wintzenheim, de infanterie op den linker, de kavalerie op den rechter vleugel. Turenne zelf, die met de derde kolonne langs de bergen trok, had van de hoogten van Wettolsheim gezien, hoe de keizerlijken hunne stelling namen tusschen Colmar en Turckheim, achter het kanaal, waar langs hunne talrijke artillerie werd opgesteld. Eensklaps links afslaande, marcheerde Turenne, met veertien bataillons infanterie, eenige eskadrons gendarmes en lichte kavalerie, benevens vier kanonnen, over de steile, smalle paden der wijnbergen; trok vervolgens langs de hellingen van den boschrijken heuvel, waarop de ruïne troont van den Hohlandsburg, die reeds in den dertigjarigen oorlog verwoest was; en daalde, ondanks de sneeuw, die den weg versperde, achter den Plixburg, in het dal van de Fecht af. Tegenover Zimmerbach trok hij over de rivier; en weldra vertoonden de fransche soldaten zich op de beide oevers nabij Turckheim, tot groote verbazing der vijanden. In een oogwenk werd de stadspoort door de dragonders open gebroken. De luitenant van Turenne, Foucault, viel, doodelijk getroffen, op de brug neder; maar een ander officier, Tilladet, bezette de stad met eenige honderden musketiers en grenadiers. Drie regimenten infanterie bezetten de heuvels en wijnbergen boven de stad, onder bevel van den markies de Mouchy. De lichte kavalerie plaatste zich aan den ingang van den weg naar Turckheim; andere afdeelingen bezetten het kerkhof en den molen aan gene zijde van het kanaal van Logelbach. De met beleid en spoed uitgevoerde beweging was volkomen gelukt: Turenne tastte den vijand in de flank aan.
Een verwoed gevecht volgde: het kerkhof en de molen werden driemaal genomen en hernomen. De markies de Mouchy sneuvelde, en het paard van Turenne werd onder hem doodgeschoten. De duitsche artillerie teisterde de Franschen, die, ten gevolge van den moeilijken tocht over de wijnbergen, hunne kanonnen nog niet hadden kunnen opstellen. Inmiddels spoedde de korte Januaridag naar den avond: er moest een einde aan komen. Zonder op de overmacht der vijanden te letten, liet Turenne nu zijne soldaten, in gesloten gelederen, onder het slaan der trommels en het schetteren der trompetten, ondanks het geweldig vuur der duitsche kanonnen, naar de bevrozen rivier oprukken. Men trok over de rivier en viel op den vijand aan, die wankelde, week en weldra in wanorde terugtrok.
Nu stormden de fransche soldaten den vluchtenden vijand na; maar Turenne, die wist dat de keizerlijken nog de overmacht hadden en de mogelijkheid van een vernieuwden aanval vreesde, riep zijne troepen terug. De voorzorgsmaatregel bleek onnoodig: de verwarring bij de keizerlijken was zoo groot en de verstandhouding tusschen de legeraanvoerders zoo slecht, dat aan een hervatting van den strijd niet werd gedacht. De aftocht ging weldra in volslagen vlucht over. Bournonville, de keurvorst van Brandenburg, de keurvorstin Dorothea maakten zich met alle anderen zoo haastig mogelijk uit de voeten. Van het aangekondigde feest kwam niets: in plaats van feestzangen hoorde men het gekerm der gewonden en de doodskreten der stervenden, uitgestrekt op den hard bevroren grond der weilanden langs de Fecht. De straten van Colmar weergalmden van het rumoer der vluchtende soldaten, van het geratel der haastig aangespannen kanonnen en ammunitiewagens. Doodelijke schrik vervulde de harten der burgers, die gemeene zaak hadden gemaakt met de keizerlijken, en nu de wraak van den overwinnaar vreesden. Turenne kwam den volgenden morgen in de stad, en nam zijn intrek in de herberg _Zum Schwarzen Berg_; hij liet de inwoners met rust en strafte hen niet voor hunne vijandelijke houding. De keizerlijken trokken over den Rijn terug, en de Elzas was voor Duitschland verloren.
Den veertienden Januari bracht de secretaris van den raad van Straatsburg aan Turenne brieven van de regeering dier stad, waarbij een beroep werd gedaan op de edelmoedigheid van den overwinnaar. De burgerij van Straatsburg was woedend tegen de keizerlijke generaals, die zich aan gene zijde van den Rijn hadden teruggetrokken en het land ten prooi lieten aan den vijand. De troepen, die door hunne stad trokken, werden door het gemeen uitgejouwd en beleedigd.
De inlijving van de hoofdstad van den Elzas was nu nog slechts eene kwestie van tijd. Zij had, in vollen vrede, bij verdrag plaats: den dertigsten September 1681 hield Lodewijk XIV zijn intocht in Straatsburg, dat bij den vrede van Rijswijk, in 1697, aan Frankrijk werd afgestaan. Voor immer, zoo luidde de formule in het vredestraktaat. Evenzoo werd, bij den vrede van Frankfort, in 1871, de Elzas weder door Frankrijk aan Duitschland afgestaan, om voor immer met het nieuw herboren Duitsche rijk vereenigd te blijven.--De geschiedenis heeft overvloedig geleerd, dat de eeuwigheid der traktaten van zeer korten duur kan zijn; in onzen tijd vooral zijn zij ter nauwernood het papier waard, waarop zij geschreven zijn. Niemand acht zich door het bezworen verdrag, het plechtig gegeven woord, inderdaad verbonden; zoodra de partij, die bij het verdrag werd benadeeld, haar kans schoon ziet, verbreekt zij het, waartoe altijd een voorwendsel is te vinden, en doet op nieuw een beroep op de wapenen. Het besef van de onbetrouwbaarheid der traktaten, van de bijna volkomen vernietiging van het rechtsgevoel, is zeker niet de minste oorzaak van het vreeselijke feit, dat de staten van Europa, ook in vollen vrede, tot de tanden gewapend tegenover elkander staan, als roovers steeds loerende op elkanders bezit en geene veiligheid kennende dan die door vrees voor de overmacht wordt afgedwongen.
Ik sprak zoo even van de katoenindustrie, die langs het kanaal van Logelbach een harer hoofdzetels in den Elzas heeft. Ik zal u niet uitnoodigen, een dier fabrieken, spinnerijen, weverijen, verwerijen of hoe ze meer heeten mogen, te bezoeken; maar ik mag niet verzwijgen wat den eigenaars dier groote industrieele inrichtingen--waaronder aan de familie Herzog eene eerste plaats toekomt--tot eer strekt: namelijk hetgeen zij in het belang hunner talrijke werklieden hebben gedaan. Allerlei inrichtingen zijn, op aansporing en met ijverige medewerking en ondersteuning van de patroons, in het leven geroepen. Vereenigingen tot ondersteuning van behoeftige kraamvrouwen, kinderbewaarplaatsen, speeltuinen, scholen voor kinderen en volwassenen, ambachtsscholen, volksbibliotheken, huizen voor jonge meisjes, weeshuizen, ziekenfondsen, coöperatieve winkelvereenigingen, spaarbanken, arbeiderswijken:--ziedaar de instellingen, die, onder verschillende namen, overal in den Elzas en ook hier, medewerken tot verbetering van het lot der fabriekarbeiders en tot hunne moreele en materieele verheffing.
In de onmiddellijke nabijheid van Colmar vinden wij de arbeiderswijk, de _cité ouvrière_, behoorende tot de katoenspinnerij Bagatelle. De naar één model gebouwde woningen hebben eene beneden- en eene bovenverdieping, een kelder en een zolder, benevens twee deuren, waarvan de eene op straat en de andere op het binnenplein van de wijk uitkomt; tot het huis behoort ook een kleine plaats met schuur. De ramen van den voorgevel zijn breed, ten einde gelegenheid te geven voor het houden van winkeltjes of voor het maken van kleine werkplaatsen. De huizen van de middengroep ontvangen hun licht alleen aan de voorzijde; daarentegen hebben zij op de bovenverdieping een soort van houten veranda. De benedenverdieping bevat eene zit- en eene slaapkamer, benevens eene keuken; op de bovenverdieping vindt men twee vertrekken, waarvan het grootste door een beschot in tweeën kan worden verdeeld.
De bedoeling met de stichting van deze wijk was niet alleen om den arbeiders voor matigen prijs eene goede woning te bezorgen, maar ook om hen aan te moedigen tot spaarzaamheid: tegen eene geringe vergoeding boven de gewone huur, konden zij na verloop van zekeren tijd, eigenaar hunner woning worden. Dit doel is echter te Colmar niet dan bij uitzondering bereikt. Over het algemeen weten de arbeiders niet voor zoo langen tijd te sparen en voor de toekomst te zorgen; daar komt nog bij dat de meeste werklieden in de fabrieken van Logelbach in de omliggende dorpen wonen, waar zij in den regel hetzij een huisje, hetzij een stukje grond, hetzij eene koe of eenige geiten bezitten. Bijna iedereen is eigenaar, daardoor gehecht aan den grond, en tevens van nature en krachtens zijn eigen belang, een verdediger der maatschappelijke orde.
Is dit een niet te hoog te waardeeren voorrecht, niet minder uitmuntend is het dat in al de tot de fabrieken behoorende scholen zeer goed onderwijs gegeven wordt. Een dezer scholen, tot Bagatelle behoorende, grenst aan het kosthuis waar de ongehuwde werklieden hun intrek kunnen nemen. Mevrouw Herzog, die dit huis heeft gesticht, neemt daarin ook de kranken op, die in hunne woning geene goede verpleging kunnen vinden; de verzorging der zieken is aan zusters van liefdadigheid, alzoo aan de beste handen, toevertrouwd. Elken morgen komt mevrouw Herzog, met een harer kinderen aan de hand, zelve hare zieken bezoeken, om hun woorden van troost en bemoediging toe te spreken, of, in ernstige gevallen, den geneesheer te raadplegen. Hulde, eerbiedige hulde aan de edele vrouw, wier voorbeeld meer nut sticht dan vele predikatiën en vertoogen, en die door hare eenvoudige daad krachtiger medewerkt tot oplossing van wat men de sociale kwestie noemt, dan alle staathuishoudkundigen te zamen met al hun theorieën en stelsels.
XIII
Colmar is eene open stad, met eene schilderachtige, schoone ligging, halverwege tusschen Basel en Straatsburg, aan de oevers van de Ill, en met een mooi uitzicht op de Vogesen. Om haar oude monumenten, haar historische herinneringen, haar fraaie wandelingen, verdient zij wel dat de reiziger hier ophoude, waar ik hem durf verzekeren dat hij eenige aangename dagen slijten kan. In de vorige eeuw had het hoogste regeeringscollege van den Elzas hier zijn zetel, en ook na de inlijving bij het Duitsche rijk heeft Colmar het hooggerechtshof van het nieuwe rijksland behouden. Met haar bevolking van zes-en-twintigduizend-tweehonderd inwoners, waaronder een aantal magistraatspersonen en rechterlijke ambtenaren, is Colmar juist zulk een rustig, kalm, gezellig stedeke, als men zich ten verblijve zou kunnen wenschen. Een deel der bevolking leeft van den landbouw; de meer rumoerige fabriekarbeiders wonen bijna allen in de voorsteden en langs het kanaal van Logelbach: de stad zelve bleef tot dusver van de plaag der fabrieken verschoond. Haar ligging aan het spoorwegnet, die haar in rechtstreeksche verbinding brengt met Zwitserland en Frankrijk en ook met het Schwarzwald, aan de overzijde van den Rijn, heeft op de ontwikkeling van haar handel en nijverheid zeer gunstig gewerkt.
Maar deze ontwikkeling heeft ook tengevolge gehad, dat Colmar zich beklemd begon te gevoelen in haar gordel van oude muren, en dat zij dien muur stuk voor stuk is gaan afbreken, om zich ruimte te maken en versche lucht te scheppen. Gaandeweg ondergaat de stad eene herschepping. In plaats van de drie oude poorten, waarop weleer de wegen naar Basel, Breisach en Rufach uitliepen, ziet ge overal nieuwe straten, die u naar buiten voeren. De huizen, waarvan de bovenverdiepingen soms zoo schilderachtig in de straat plachten uit te steken, trekken zich terug en zwichten voor de onverbiddelijke rooilijn. De sloopingskoorts dreigt ook de overgebleven gedeelte van de oude wallen, zonder eenige noodzaak, omver te halen; zelfs de boomen dier wallen loopen ernstig gevaar. De verfoeilijke speculatiewoede, voor wie niets heilig of eerbiedwaardig is, die zelfs met euvele hand in schandelijken overmoed Rome vernielt en schendt, is ook tot hier doorgedrongen. Men zegt, dat al deze veranderingen en verbouwingen in het belang der hygiëne zijn: de hygiëne speelt in deze onze dagen eene zeer gewichtige rol en in haren naam worden vele onzinnigheden, vele gruwelen zelfs gepleegd; ik weet niet, of zij ook inderdaad bij deze gedaanteverwisseling van Colmar is betrokken. Maar zooveel is ontwijfelbaar zeker, dat het pittoreske, dat de esthetica er zeer onder lijdt. Als de laatste gracht zal zijn gedempt met het puin van den laatsten muur; als alle toegangen naar de stad in breede, vlakke, rechte wegen zullen zijn herschapen; als alle huizen zooveel mogelijk naar hetzelfde model zullen zijn gebouwd en alle straten met de liniaal getrokken:--dan zal Colmar misschien, onder sommige opzichten, iets gewonnen hebben en beantwoorden aan de eischen eener moderne stad, maar dan zal het ook even eentonig, even karakterloos zijn, dan zal het alle oorspronkelijkheid, alle individualiteit hebben ingeboet, volmaakt onbeduidend zijn, plat, vulgair en vervelend in de hoogste mate.
Maar--wat de toekomst moge brengen--thans is het, Goddank! nog zoover niet. Laat ons hopen, dat eene verstandige regeering een middel zal weten te vinden om aan de eischen en behoeften van den nieuwen tijd te voldoen, zonder te kort te komen in den eerbied, aan de monumenten van vroeger eeuw verschuldigd. Ondanks de pogingen van haar sloopers en verwoesters, biedt de goede stad Colmar nog genoeg merkwaardigs, om een belangstellend bezoeker te boeien. Wie met den spoorweg of langs den weg van Logelbach in de stad komt, wordt aanstonds getroffen door de prachtige boomgroepen, perken en standbeelden van het zoogenoemde Marsfeld, dat vroeger een deel uitmaakte van den stadswal en zijn krijgshaftigen naam ontleent aan de omstandigheid dat hier vroeger de militairen exerceerden. Op het midden van het plein prijkt het standbeeld van generaal Rapp. Een ander standbeeld, dat van admiraal Bruat, verrijst midden in de groote allée, die van het plein naar het Gouvernementshuis voert, een statig indrukwekkend gebouw, dat menig vorstelijk paleis in de schaduw stelt. In de Meimaand verspreiden de oude linden van het Marsfeld een verkwikkelijken lommer en vermengen den zoeten geur van hun bloesems met het doordringend parfum der bloeiende jasmijnen. Hoe vele uren heb ik, als gymnasiast, daar met mijne kameraden van buiten doorgebracht, aan den voet van het standbeeld van Bruat allerlei plannen besprekende van verre reizen, aan gene zijde van den oceaan. Wij kwamen daar samen op het etensuur, en gaven er ons middagmaal aan, tevreden met een stuk droog brood, waardoor wij vier stuivers uitspaarden: welke stuivers dan werden gebruikt voor het aankoopen van reisverhalen.
Iederen morgen en iederen avond gingen wij te voet van Colmar naar Turckheim, met onzen tasch op den rug, onverschillig voor koude of warmte, regen of zonneschijn. Waar zijn die vroolijke gelukkige dagen, zoo vol zoete illusiën, gebleven!
Aan het Marsfeld grenzen de met linden en kastanjes beplante wallen, die de stad omringen en door den muur worden omzoomd. Feitelijk vindt men die boomen nog slechts tusschen de Rufacher- en de Baselerpoort, of, om juister te spreken, tusschen de plaatsen waar die poorten hebben gestaan. Want alle oude poorten zijn verdwenen. Vroeger waren die poorten groote, zware, vierkante torens, gelijk aan die, welke nog te Turckheim in stand zijn gebleven. Bij de uitlegging van den muur werden die oude poorten afgebroken; in het begin van deze eeuw werden zij vervangen door ijzeren hekken, waarvan het laatste thans terecht is gekomen voor den ingang van het ziekenhuis. Aan alle kanten breidt de stad zich tegenwoordig buiten de oude wallen uit; het nieuwe aristokratische kwartier, met zijn door tuinen omgeven villa's, ligt achter, het Gouvernementsgebouw, langs den weg naar Rufach. De oude muur, die in 1682 werd gebouwd, ter vervanging van de in 1673 gesloopte vestingwerken, is nog hier en daar staande gebleven, met name langs de Lauch; en die oude vervallen brokken maken een zeer schilderachtig effekt. Aardig en karakteristiek bij uitnemendheid is het gezicht, waar de Lauch--eene beek, die in de Ill uitloopt--de stad binnentreedt en bij de Vischmarkt een der takken van het kanaal van Logelbach ontmoet. Gij zoudt u bijna in Venetië verplaatst kunnen wanen: de huizen met hunne hooge spitse daken rijzen rechtstreeks uit het water op, afgewisseld door kleine smalle tuintjes, waar de vruchtboomen buigen onder den overvloedigen oogst en de wingerd zijne ranken uitspreidt langs de grauwe muren. Hoog geladen groenteschuiten glijden langzaam door het water; onder het boomen wisselen de schuitevoerders een groet met de vrouwen en meisjes, die langs den kant haar goed spoelen. Het water ziet er uit als chocolade en schijnt, ondanks den snellen stroom, dik en drabbig.
De voornaamste straten van Colmar, breed genoeg voor de behoeften van het verkeer, volgen evenwel niet de rechte lijn, althans niet voor langen tijd. Een van de aardigste stadgezichten biedt de Lange-Gasse, van de protestantsche kerk tot het Hof van appèl. Een aantal oude huizen prijken hier nog met hunne torentjes en erkers. Na de openbare gebouwen en monumenten, zooals de Sint-Maartenskerk, het voormalige klooster Unterlinden, de Korenhal, het Kaufhaus, het Gouvernementsgebouw, wijden de vreemdelingen, meer dan de inwoners zelven, hunne aandacht aan deze oude huizen. Daaronder verdient in de eerste plaats vermelding het zoogenoemde Kopfhaus (Huis met de hoofden), met zijn puntgevel en zijn hoektorentje van gehouwen steen, met grijnzende koppen versierd; voorts het huis Pfister, dat met zijn uitstekenden traptoren, zijn erker, zijn houten balkon, zijn onlangs gerestaureerde freskoos, met recht de parel der burgerhuizen van het oude Colmar mag worden genoemd. De Schädelgasse, waarin dit huis uitkomt, smal, ter wederzijde omzoomd door huizen, waarvan de bovenverdiepingen uitspringen, was, naar men zegt, in de middeleeuwen de hoofdstraat der stad. Aan het einde der straat, naar den kant van de Lange-Gasse, ziet men nog een ander oud huis met een zwaren hoektoren, en in het voorportaal een opschrift in oud-duitsch, vermeldende dat dit huis, tot straf voor een oproer, moest worden gesloopt.
"In het jaar toen men schreef na Gods geboorte dertienhonderd-acht-en-vijftig, des maandags na Sinte-Agnietedag, was de doorluchtige vorst, hertog Rudolf van Oostenrijk, stadhouder des rijks in den geheelen Elzas, en sprak vonnis ter zake van het oproer tegen den landvoogd, den burgemeester en den raad van Colmar, en beval deswege dat dit huis zou worden gebroken en nimmermeer opgebouwd worden, tot eene eeuwige gedachtenis."
In spijt van 's hertogs vonnis, werd het toch weder opgebouwd; en als ten spot van zulke beslissingen voor de eeuwigheid, heeft men de vorstelijke uitspraak in steen gebeiteld en in den muur geplaatst van het huis zelf, waarvan hij de oprichting verboden had! Een aantal andere huizen prijken, behalve met beeldwerken en versieringen boven de deur, met vrome spreuken en opschriften, getuigen van den degelijken, godsdienstigen zin der voorgeslachten. Meestal beveelt de eigenaar zijne woning aan de hoede van God: _Deus dedit incrementum_, zegt een dezer opschriften; _Deus quoque custodiet_. Elders geldt het zoowel het huis als het gezin: _Accrescat domui res simul et decus_! "Moge dit huis groeien in kracht en in eere!" Juist, zoo behoort het. Eer zonder kracht of welvaart is eene halve zegen; welvaart zonder eer is, en was toen eene schande. Daarom _res et decus_: voorspoed en eere. Een ander huis richt zich tot de voorbijgangers: "Gij bewondert, zoo luidt het opschrift, mij en degenen, die mij gemaakt hebben: doe meer voor mij dan zij hebben kunnen doen: bid God dat hij mij beware."--De bede is tot hiertoe verhoord. Hoe vele huizen, niet minder rijk aan beeld- en schilderwerken en opschriften, zijn sedert gevallen onder den hamer der sloopers! Het tegenwoordige geslacht, naar eigen smaak en op eigene wijze willende wonen, haalt de woningen van het voorgeslacht omver, om ze te vervangen door anderen, die gemakkelijker en doelmatiger zijn ingericht, die warmer en beter verlicht zijn. Die meerdere gemakken zijn niet te versmaden; maar in vele gevallen zouden zij ook in de bestaande oude huizen zijn aan te brengen, die althans dit ééne hebben wat de nieuwerwetsche woningen ten eenemale missen, namelijk karakter en stijl.