Wandelingen door Elzas-Lotharingen De Aarde en haar Volken, 1886
Chapter 11
Ensisheim wordt voor het eerst genoemd in een charter van het jaar 768; in een giftbrief van jaar 823 komt de stad voor onder den naam van Einsigesheim, dat in een ander stuk Ensiclesheim wordt geschreven. Onder het oostenrijksche bestuur was de stad de hoofdplaats van het landgraafschap van den Opper-Elzas en de zetel van de regeering, wier rechtsgebied de beide Breisgauen, het Schwarzwald en de vier zwitsersche woudsteden omvatte. De graven van Habsburg hebben hier het kasteel Königsburg gebouwd, waarvan nu geen spoor meer te vinden is. Behalve andere voorrechten en privilegiën, bezat de stad ook het muntrecht. In 1469 werd bepaald, dat van de uitspraken der schepenbank van Ensisheim in beroep kon worden gekomen bij het hooggerechtshof te Mechelen, de hoogste rechtbank voor de landen van de zoogenoemde Bourgondische kreits; later werd dit appel overgebracht naar Innsbrück in Tyrol en eindelijk bij het keizerlijk kamergericht te Spiers. Gedurende den dertigjarigen oorlog werd het ongelukkige stedeke driemaal genomen en geplunderd. Bij den vrede van Munster werd Ensisheim aan Frankrijk afgestaan; van 1657 tot 1674 zetelde hier het hoogste regeeringscollege, de souvereine raad van den Elzas.
De geschiedenis van dien souvereinen raad van den Elzas werd door twee raadsheeren in het hof van appel te Colmar, de heeren de Neyremand en Pillot, in een zeer interessant boek beschreven. Toen de aartshertog Ferdinand van Oostenrijk, de broeder van Karel V, door den Keizer werd belast met het bestuur over de zoogenoemde vóór-oostenrijksche landen (_vorder-österreichischen Lande_), organiseerde hij de regeering op een geheel nieuwen voet, met twee afdeelingen of kamers, waarvan de eene meer bepaaldelijk met de rechtspleging, de andere met het beheer der financiën werd belast. Na den vrede van Munster vestigde de koning van Frankrijk in 1649 te Breisach, dat toen, hoewel aan den rechter Rijnoever gelegen, tot zijn rijk behoorde, "eene koninklijke souvereine Kamer, in de plaats en ter vervanging van de oostenrijksche regeering, vroeger te Ensisheim zetelende." Ondanks velerlei moeielijkheden en botsingen bleef die Kamer tot in 1657 in werking. De zeer stellig duitschgezinde adel van den Elzas, de voormalige rijkssteden en de massa der bevolking, die zeer tegen haar zin bij Frankrijk was ingelijfd, bleven nog jaren achtereen hunne onderlinge geschillen onderwerpen aan de uitspraak van het keizerlijk kamergericht te Spiers, in plaats van zich tot de fransche magistraten te wenden. De koning van Frankrijk, Lodewijk XIV, die vast besloten was, het kortelings veroverde land te behouden en door verdere veroveringen af te ronden, stelde er prijs op, de genegenheid zijner nieuwe onderdanen te winnen. In zijn tijd was het nog niemand in de gedachte gekomen, dat de staatkundige eenheid van een land in de eerste plaats afhangt van de administratieve eenvormigheid, of dat die eenheid noodwendig vordert dat voor alle deelen des lands, hoe verschillend ook door bevolking, door historie en traditie, door zeden en gewoonten, voor alle steden en dorpen precies dezelfde regelen moeten gelden. Integendeel: nog niet beheerscht door abstracte theoriën, hield men zich veeleer overtuigd dat bestaande plaatselijke gewoonten, rechten en inzettingen, in de historie geworteld, zooveel mogelijk moesten worden ontzien en geëerbiedigd, en dat, waar een nieuwe toestand veranderingen noodig maakte, die veranderingen zich zoo veel doenlijk aan het bestaande moesten aansluiten. Van die waarheid doordrongen, hief Lodewijk XIV de koninklijke Kamer van Breisach op en verving haar door een souvereinen Raad. Deze raad, die bij een edict van 1657 werd ingesteld en georganiseerd, moest, krachtens 's konings uitdrukkelijk bevel, het bestuur voeren: "op dezelfde wijze en in denzelfden vorm als door de oostenrijksche regeering geschiedde en overeenkomstig de wetten en ordonnanciën van de keizers en aartshertogen, alsmede de algemeene en plaatselijke keuren, brieven en privilegiën, zonder eenige verandering of nieuwigheid"--Bij een schrijven, gedagteekend uit Metz, den 22sten September, waarvan het origineel in de archieven van de prefectuur te Colmar berust, noodigde de groote koning den bisschop van Bazel uit, om bij de opening van den souvereinen raad tegenwoordig te zijn op den dag bepaald "door den heer Colbert, intendant van justitie en financiën in het genoemde land". Ten gevolge van kleine moeielijkheden en tegenkantingen, liep het nog tot den vierden November, eer de souvereine Raad in zijne nieuwe residentie kon worden geïnstalleerd.
Op weinige schreden afstands van het raadhuis, waar de souvereine Raad vroeger zijne zittingen hield, verrijst de centrale gevangenis, weleer het college der Jezuïeten. In 1614 door den aartshertog Maximiliaan gesticht, zijn deze gebouwen meermalen van bestemming veranderd. Bij de verdrijving der Jezuïten in 1764 werd hun college aanvankelijk een werkhuis voor landloopers en vagebonden. Tijdens de oorlogen der revolutie diende het tot militair hospitaal en tevens tot gevangenis voor politieke misdadigers. In 1801 werd het op nieuw een werkhuis; deze inrichting werd in 1814 opgeheven, en nu werd het gebouw ingericht tot strafgevangenis voor mannelijke en vrouwelijke misdadigers, die tot langer dan een jaar kerkerstraf waren veroordeeld. Sedert 1823 worden de vrouwen te Hagenau, in een afzonderlijk gebouw opgesloten.
De gevangenis maakt--het kan en behoort ook niet anders--geen aangenamen indruk. Verbeeld u eene groep gebouwen, die van drie zijden eene binnenplaats omringen, welke aan de vierde zijde door hooge muren is afgesloten. Onder langs dien muur loopt eene galerij, waar een schildwacht met geladen geweer op en neder wandelt. Eene afdeeling soldaten is steeds op post in het wachthuis naast den hoofdingang. Alle vensters zijn van ijzeren traliën voorzien; een klein luik in de zware deur geeft den cipier de gelegenheid om, eer hij de deur opent, te zien wie zich aanmeldt. Binnentredende bevindt ge u in een donker, somber portaal, dat toegang geeft naar het bureau van den kommandant, en dat aan de zijde van de binnenplaats door eene tweede deur is afgesloten. Daar heeft een moedige bewaarder de opgestane gevangenen tegengehouden, toen, in den oorlog van 1870, de fransche troepen het land ontruimden en de militaire wacht in de gevangenis was ingetrokken.
De kommandant der gevangenis, die de welwillendheid heeft ons de geheele inrichting in alle bijzonderheden te laten zien en alle inlichtingen te verschaffen, brengt ons ook naar de binnenplaats, waar wij verschillende groepen van gevangenen aan den arbeid zien, bezig met het leggen der fondamenten voor eene nieuwe cellulaire gevangenis. Dit gebouw moet tweehonderd cellen voor eenzame opsluiting bevatten. Men heeft aanvankelijk geaarzeld, dit werk aan de gevangenen zelven op te dragen: maar eindelijk werd toch besloten de proef te nemen, die tot dusver naar wensch is geslaagd. Terwijl wij langs hen heen gaan, groeten de ongelukkigen ons en nemen eerbiedig hun muts af. Sommigen houwen steenen; anderen metselen of vervoeren materialen; nog anderen zijn bezig met afbreken.
In de werkplaatsen binnen het gebouw, die over de verschillende verdiepingen zijn verdeeld, houden de veroordeelden zich onledig met het vervaardigen van brillen, meubelen, lijsten voor spiegels en schilderijen, kleederen, schoenen, vlechtwerk. In elke werkzaal geschiedt de arbeid voor rekening van een aannemer, die de noodige gereedschappen en de grondstof levert. Een gedeelte van het werkloon, dat aan het bestuur over de gevangenis wordt uitgekeerd, komt ten goede van de veroordeelden. Volgens de daarvoor vastgestelde bepalingen kunnen zij, met dit verdiende geld, hunne kost verbeteren. Al deze werkzalen zijn steeds gesloten. Wenscht ge binnen gelaten te worden, dan klopt ge even aan de deur; de zaalopzichter, met een sabel op zij, draait het slot open en laat u in. Die zaalopzichters zijn bijna zonder uitzondering gewezen onderofficieren. Zij moeten nauwkeurig toezien, dat er van de onder hun opzicht geplaatste gevangenen geen enkel in de zaal ontbreekt, en zorgen voor de stipte handhaving der orde.
Het trof mij, dat de meeste gevangenen een, men zou bijna kunnen zeggen, gunstig uiterlijk hadden. De werkelijk gemeene, terugstootende fysionomiën, waarop de ondeugd haar stempel heeft gedrukt, zijn betrekkelijk zeldzaam. Hunne kleeding herinnert aan het werkpak der duitsche soldaten, en bestaat uit eene muts, een mouwvest en pantalon van grijze kleur. Dank zij de strenge tucht en het nauwlettend toezicht, is alles in volmaakte orde en heerscht er overal in de werkzalen eene ongestoorde kalmte en rust. Slechts enkele veroordeelden dragen boeien aan de handen en voeten. Zij, die weigeren te arbeiden, worden naar eene afzonderlijke zaal gevoerd, waar zij den ganschen dag, onder streng toezicht, op eene rij, onbewegelijk moeten blijven staan. Daar zijn sommige onhandelbare naturen, op wie die straf telkens moet worden toegepast. Maar voor de meesten blijkt de geregelde arbeid een werkzaam middel tot verbetering en zedelijke opheffing.
In de centrale gevangenis te Ensisheim heeft bepaaldelijk de vervaardiging van allerlei soort van lijstwerk en vlechtwerk een buitengewonen graad van volkomenheid bereikt. Nergens elders, zelfs niet in de gevangenissen te Berlijn, betalen de aannemers zulke hooge prijzen voor vloermatten of voor lijsten en ander houtwerk. De smaakvolle en sierlijke bewerking der produkten uit de gevangenis van Ensisheim is ook in het buitenland wel bekend; tot zelfs in de groote hoofdsteden, zoo als Parijs, Londen en Constantinopel, vinden die artikelen aftrek; zij worden, op bestelling, rechtstreeks door de aannemers derwaarts verzonden.
Schenk mij nu, ten slotte, een weinig statistiek kwijt.--In het vorige jaar werden, in het rijksland Elzas-Lotharingen, van 1 April 1884 tot 31 Maart 1885, vierduizend-tweehonderd-twee-en-negentig personen tot eenvoudige gevangenisstraf veroordeeld; daaronder waren drieduizend-zeshonderd-twee-en-dertig mannen en zeshonderd-zestig vrouwen. Het getal aanwezige gevangenen bedroeg gemiddeld negenhonderd-vier-en-tachtig personen, waaronder achthonderd-negen-en-dertig vrouwen en honderd-vijf-en-veertig mannen. Voor de preventieve gevangenen geeft de statistiek een gemiddeld getal van honderd-drie-en-negentig gedetineerden: er werden achtduizend-driehonderd-acht-en-twintig ontslagen en achtduizend-tweehonderd-zes-en-zestig opgenomen.--Vergeleken bij den dienst van het vorige jaar, valt er eene aanmerkelijke verbetering waar te nemen, want het getal vonnissen is van twintigduizend-zeshonderd-drie-en-tachtig gedaald tot achttienduizend-honderd-twee-en-dertig; het getal dagen van opsluiting van een-millioen-honderd-een-duizend-zeshonderd-zeven-en-zestig tot een-millioen-vijftigduizend-achthonderd-zes-en-dertig; het gemiddelde getal gevangenen van drieduizend-achttien op tweeduizend-achthonderd-een-en-zeventig.
(Wordt vervolgd.)
AANTEEKENINGEN
[1] Zie _De Aarde_, jaargang 1885, bladz. 208.
[2] Luistert, wat ik u wil zeggen:--De klok heeft tien geslagen.--Zorgt voor uw vuur en licht:--Dat God en Maria u behoeden!
[3] Drinkt gij water uit uw beker over tafel, dat maakt uw maag koud. Drink met mate ouden fijnen wijn, zoo raad ik u, en laat mij water blijven.
End of Project Gutenberg's Wandelingen door Elzas-Lotharingen, by Anonymous