Wandelingen door Elzas-Lotharingen De Aarde en haar Volken, 1886
Chapter 10
De zon steekt vinnig, als broeide er een onweder; ik beklim den bandijk, die hier dicht langs den genormaliseerden oever loopt en dicht bij het fort Altenheim wordt afgebroken door een breed kanaal, dat door eene sluis met den Rijn in gemeenschap staat. Te midden van het groen teekenen zich hier en daar de witte muren van eenige verspreide boerenwoningen. Aan den oever teruggekeerd, vind ik Lix, die zijne schets voltooid heeft, waarna wij weder in de boot plaats nemen.
De hemel, die eenige uren helder is geweest, is op nieuw met wolken overdekt: het dondert reeds in de verte, en weldra valt de regen bij stroomen neder. Doornat nemen wij afscheid van Schutzenberger, ten einde over Breisach naar den Rijn terug te keeren.--De volgende morgen vindt ons dan ook in een char-à-bancs op den grooten weg tusschen Neu-Breisach en Geiswasser. Overal langs den weg zijn nog de sporen zichtbaar van den geweldigen orkaan, die den 16den Juli van het vorige jaar hier heeft gewoed. Een aantal boomen liggen tegen den grond, hetzij ontworteld, hetzij halverwege den stam afgebroken. Zoo groot was de kracht van den wind, dat het te veld staande koren letterlijk werd gedorscht en het graan uit de halmen weggedreven. Daken werden weggeslagen, en eene geduchte hoos vernielde op haar weg alle gewassen en een goed deel van den oogst.
Niet ver van Ober-Saasheim wordt onze aandacht getrokken door een afgebranden molen naast een uitgedroogd kanaal. De voortgaande verdieping van het bed van den Rijn, tengevolge van de verbeteringswerken, is oorzaak dat gaandeweg de toevoerkanalen naar de molens droog loopen, waardoor de molenaars hunne broodwinning verliezen. Dit is eene zeer ernstige schaduwzijde van een overigens zoo nuttig werk, waardoor het algemeen belang ongetwijfeld gebaat wordt. Achter den afgebranden en verlaten molen verrijst het prachtige bosch met zijn hoogstammig geboomte en rijk geschakeerden groenen dos. Midden door het bosch brengt een zijpad ons in weinige oogenblikken naar Geiswasser.--Daar bevinden wij ons weer binnen de grenzen van het gebied der eilanden.--Geiswasser is in het najaar een allerbevalligst dorp, wegschuilende tusschen het groen, zonder eigenlijke straten, dicht bij den Rijn, en toch door den bandijk tegen overstrooming beveiligd. De huisjes staan in schilderachtige wanorde overal verspreid: ieder bouwt zich zijne woning waar en zoo als hij verkiest, zonder zich in het minst om regelmaat of rooilijn te bekommeren. De meesten zijn omringd van een boomgaard met een schat van vruchtboomen, door groenende hagen omsloten. De dorpelingen bebouwen hun akkers, visschen in de oude rivierarmen of werken aan de dijken, wanneer die herstelling behoeven. In het voorbijgaan werpen wij door een openstaand venster een blik in een dier eenvoudige, echt landelijke woningen: de familie staat gereed aan tafel te gaan, en naar vroom gebruik spreekt de eerwaardige vader des gezins het _Benedicite_, het gebed voor het eten.
Wij slaan al wandelend de onophoudelijke afwisselingen in het landschap gade. Straks dwaalden onze blikken over de ruime, wijde vlakte, aan den horizon begrensd door eene lijn van bosschen, waarboven zich in de verte de schemerende top van den Kayserstuhl verhief.--Merk nu op dit breede water, nog altijd eene vertakking van den vroegeren Rijn, op sommige plaatsen zeer diep, terwijl ge het op andere punten met baggerlaarzen aan kunt doorwaden. Hier en daar verdwijnt het water schier geheel onder riet en biezen; elders vloeit het met nauw hoorbaar murmelen over fijn kiezelzand, terwijl van achter de boomen op naburige eilandjes, het plechtstatig ruischen van den koninklijken stroom ons in de ooren klinkt. Het water is buitengewoon doorschijnend, helder als kristal: nu althans, nu de Rijn laag is. Witte kiezelplaten, hier en daar uit het water oprijzende, steken scherp af tegen het donkergroen der boomen, waarboven zich weder de schemerende omtrekken van den Kayserstuhl teekenen. De boomen op de aan overstrooming blootgestelde uiterwaarden zijn voornamelijk wilgen, olmen, elzen, die met doornstruiken en lage heesters vermengd een schier ondoordringbaar kreupelbosch vormen, waarin de wilde zwijnen hun leger hebben. Bij den oever ziet men sierlijke groepen van populieren, afgewisseld met eiken en ahornboomen. Om de hoogste stammen slingeren zich verschillende woekerplanten, zoo als de wilde hop en anderen, die met haar grillige slingers en bloemen de takken omranken. In het diepe gedeelte van de kil liggen twee schuiten aan den oever gemeerd: eene schilderachtige stoffage te midden van dit herfstlandschap, beschenen door het kalme, stemmige licht van de dalende najaarszon.
Even als in de geheele eilandenstreek, vindt men ook hier enkele verstrooide boerenwoningen, die elk een eigen naam dragen.--Niet verre van Geiswasser ligt, midden in het lommer, een dorpje met den dichterlijken naam van Vogelgrün, waarvan de aardige huisjes wegkruipertje schijnen te spelen tusschen tuinen en boomgaarden. De minste huisjes veroorloven zich de weelde van eene bovenverdieping; maar allen hebben een eigen tuin, door eene bloeiende haag of soms ook door een muur van groote roode keien omringd. Te Biesheim, een grooter dorp voorbij Neu-Breisach, op den weg naar den Rijn, wonen een aantal Joden, die handel drijven in vee en in allerlei andere zaken, ook in huizen en land. Eene buurt van dit dorp ligt aan de Giessen, een ouden arm van den Rijn, die nog vrij diep is en beroemd om zijn smakelijke visch en zijne kreeften. Even voor dat ge te Biesheim komt, ziet ge op een kruispunt van den weg het monument ter eere van den generaal Beaupuy. Het is een cenotaphium, in antieken stijl, maar tamelijk plomp, evenals het monument van Desaix, bij de brug van Kehl. De generaal de Beauchartie de Beaupuy werd den 19den October 1796, nabij Emmendingen, op badensch grondgebied, gedood, bij de verdediging van den bergpas van het Höllenthal, tijdens den terugtocht van Moreau. Op dit gedeelte van den weg heeft men een allerschilderachtigst gezicht op Alt-Breisach, zoo schoon gelegen op zijn dubbelen vulkanischen heuvel, waarvan de eene zijde geheel met wijnbergen is bekleed, terwijl op den hoogsten top de oude eerwaardige kerk troont.
Wij zouden nog lang kunnen ronddwalen op deze eilanden en uiterwaarden, die vooral in dezen tijd des jaars, nu de herfst het landschap met zijne rijke kleuren en tinten begint te tooien, eene zoo eigenaardige schoonheid en bekoorlijkheid bezitten; maar wij mogen hier niet langer toeven. Den wandelstaf ter hand genomen, naar elders heen.
XXI
De onvruchtbare streek tusschen den Rijn en de Ill, zich uitstrekkende van de heuvels van de Sundgau tot aan de Ried, anders gezegd van Blotzheim en Huningen tot aan de grensscheiding tusschen den Opper- en den Neder-Elzas, draagt den algemeenen naam van de Hart of het Hartwald. In het oud-duitsch beteekent Hart, ook Haardt of Harth gespeld, een bosch of eene boschrijke streek; het woord komt in de samenstelling van verschillende plaatsnamen voor. Op vele plaatsen echter heeft de naam het bosch zelf overleefd; de aanwas der bevolking en de behoefte aan beter verzekerd levensonderhoud dan de jacht kon opleveren, heeft gaandeweg geleid tot het uitroeien der bosschen en de ontginning van alle gronden, die maar eenigszins voor meer winstgevende bebouwing geschikt waren. Zonder op te klimmen tot den tijd, toen de romeinsche heirweg van Augusta Rauracorum naar Argentoratum, langs den Rijn en de Ill, midden door een dubbelen gordel van wouden liep, weten wij dat de Hart van de Sundgau nog in de elfde eeuw uit een onafgebroken bosch bestond, zich uitstrekkende van Bazel tot Blodelsheim en Ruocheim, over eene lengte van acht en eene breedte van twee mijlen. Op de kaart van Daniel Speckle, in 1576 uitgegeven, beslaan de bosschen van de Sundgau, in de streek van de Hart, ook eene veel grootere oppervlakte dan tegenwoordig. Tegen eene geringe betaling verkregen de bewoners der omliggende dorpen van de landheeren de vergunning om den grond te ontginnen: nu slonk weldra het bosch aan alle kanten, en niet zelden wisten de bezitters der aldus ontgonnen gronden, die eigenlijk deel uitmaakten van het landsheerlijk domein, zich als eigenaars te doen erkennen, zij het ook maar krachtens langdurig bezit en overgang van het eene geslacht op het andere. Om een einde te maken aan deze schending van de domaniale bosschen, gelastte koning Lodewijk XV, in den jare 1768, de afbakening der grenzen van de Hart, beslaande ongeveer een-en-dertigduizend bunders, die over de geheele lengte niet meer dan een vierde mijl van den Rijn verwijderd is. De koninklijke ordonnantie spreekt van dit woud, als van "een van de kostbaarte domeinen der kroon, zoowel wat betreft de jaarlijksche opbrengst, als ten opzichte van de voordeelen, die het op kan leveren, hetzij voor de proviandeering van een aantal vestingen in de nabijheid, hetzij om te voorzien in de behoeften des legers in oorlogstijd".
Tegenwoordig vormt het Hartwald nog een aaneengesloten geheel ter oppervlakte van omstreeks veertienduizend hektaren, bij eene lengte van twee-en-dertig kilometers en eene breedte afwisselende tusschen de twee en twaalf. Ongeveer halverwege de lengte wordt het woud doorsneden door het Rijn-Rhône-kanaal, in de richting van het noorden naar het zuiden, tusschen Munchhausen en het Napoleonseiland, van waar zich een zijtak naar Huningen richt. Het woud grenst aan het rechtsgebied van niet minder dan drie-en-twintig gemeenten, waarvan de bebouwbare gronden langs den zoom van het bosch den gemeenschappelijken naam van Hartfeld dragen. De plattelandsbevolking bestempelt met den naam van Hart de beide kantons Ensisheim en Habsheim in hun geheel, en een deel der kantons Landser en Huningen, waartoe de verschillende gemeenten behooren. Het Kastenwald, naar den kant van Breisach, en andere, minder uitgestrekte in die streek verspreide bosschen, zijn nog overblijfselen van het oude oorspronkelijke Hartwald, die voor ontginning en bebouwing niet geschikt schijnen.--De bosschen van de Hart doen in schoonheid verre onder voor het woud van Hageman en vooral voor de wouden der bergen; zij bestaan hoofdzakelijk uit hakhout van eiken en hagebeuken. In het begin van de vorige eeuw werd het hout om de twee-en-vijftig jaren geveld en verkocht; de hak geschiedde bij partijen van zeshonderd bunders. Tegenwoordig laat men de boomen niet langer dan vijf-en-dertig jaren staan: het gevolg daarvan is, dat het jonge hakhout meer en meer de overhand krijgt en het woud alle karakter verliest. Op verschillende plaatsen, waar het jonge plantsoen niet is opgekomen of het weder inplanten is verzuimd, worden de omgehakte boomen vervangen door welig kreupelhout en struikgewas, dat soms eene hoogte van acht tot tien el bereikt. En daar, waar de eiken zich ter hoogte van eenige ellen boven het hakhout verheffen, wekken die eiken, door hun ziekelijk voorkomen, het aantal doode takken en het schraal gebladerte, veelmeer medelijden dan bewondering. Als die ongelukkige boomen niet tijdig worden geveld, dan beginnen zij in het hart te rotten en verliest het hout voor een goed deel zijne waarde. Misschien ware het raadzaam, hier van het kweeken van eiken af te zien, om zich te bepalen tot het hakhout van hagebeuken; maar de streken, waar de wijnbouw gedreven wordt, vragen van de Hart den noodigen voorraad van eikenhouten staketsels, en om de exploitatie van het bosch zoo voordeelig mogelijk te maken, moet met deze eischen rekening worden gehouden.
Waarom groeien de eiken in de Hart- en in het Kastenwald niet zoo goed als elders? Om de eenvoudige reden dat zij uit den schralen, mageren grond geen voldoend voedsel kunnen ontleenen om hun vollen wasdom te bereiken en lang te leven. Op een zekeren leeftijd gekomen, wordt de verdere ontwikkeling der wortels gestuit door de keisteenen, die tot eene vaste, samenhangende massa vereenigd zijn en waar de wortels niet kunnen doordringen. De teelaarde aan de oppervlakte is niet meer dan eene dunne laag, waarin ook de noodige vochtigheid ontbreekt, en die voor bebouwing ongeschikt is. Men heeft het denkbeeld geopperd om het grootste gedeelte van het woud in weiland te herscheppen; maar zoo dit plan eenmaal verwezenlijkt mocht worden, zouden daar toch geene goede uitkomsten van te wachten zijn. Veeleer zou men de ontginningen, die reeds te veel uitbreiding gekregen hebben, moeten staken, en een gedeelte van het thans voor den graanbouw gebruikte land weer met hout beplanten, of althans, met behulp van bevloeiing uit den Rijn, in weiland herscheppen. Een bezoek in eene boerderij van de Hart is voldoende om ieder deskundige hiervan te overtuigen.
Ondanks zijne dorheid en zijn schralen plantengroei heeft het Hartwald, gedurende de laatste tien jaren van het fransche bestuur, aan de schatkist een jaarlijksch inkomen opgeleverd van een half millioen francs, ongerekend het doode hout, dat aan de arme gezinnen in de omliggende dorpen wordt gegeven. Voorts beschermt het woud de stad Mülhausen en de omliggende vlakte tegen de schrale en koude noord-oosten winden; terwijl eindelijk de truffels, die op open plekken rondom de eiken groeien, eene gezochte lekkernij zijn voor de liefhebbers.
Gedurende de maanden September en October houden de bewoners der dorpen van de Hart zich ijverig bezig met het zoeken van truffels. Daar het verboden is met varkens in het bosch te komen, richten de truffelzoekers honden af, om hen bij hunne nasporingen behulpzaam te zijn. Om de scherpte en fijnheid van hun reukorgaan ongeschonden te bewaren, houdt men die honden opgesloten tot de tijd voor het inzamelen der truffels gekomen is. Bij voorkeur worden poedels en mopshonden voor dit werk gebruikt; zij toonen daarbij veel overleg en ijver, en hebben dit voor boven de varkens, dat zij de opgegraven truffels niet opeten.--De truffels van de Hart zijn minder geurig en bleeker van kleur dan die uit het zuiden van Frankrijk. De onderscheidene soorten verschillen aanmerkelijk in waarde en ook in prijs; naar het oordeel der gastronomen zijn die uit de eikenbosschen van den Opper-Elzas de besten.
XXII
Niet ver van de Hart, aan de oevers van de Ill, ligt Ensisheim, een klein landstadje, weleer de zetel van de oostenrijksche regeering en later van den souvereinen raad van den Elzas, tegenwoordig slechts de nederige hoofdplaats van een kanton. Daar ontmoeten elkander ook alle boosdoeners van het rijksland, in de centrale strafgevangenis. Op eene bevolking van drieduizend-tweehonderd-zes inwoners, volgens de volkstelling van 1 December 1880, waren er toen zeven-en-zeventig militairen en achthonderd veroordeelden, hetzij tot dwangarbeid, hetzij enkel tot hechtenis. In den loop van het vorige jaar (1885) werden in de centrale strafgevangenis tweehonderd-zeven-en-veertig veroordeelden opgenomen, en werden tweehonderd-acht-en-dertig ontslagen. Sedert November 1884 worden te Ensisheim alleen diegenen opgenomen, wier straftijd meer dan drie jaren bedraagt. Zij die tot een hechtenis van minder dan drie jaren zijn veroordeeld, zullen voortaan hunne straf moeten ondergaan in een der zes departementale gevangenissen te Straatsburg, Zabern, Colmar, Mulhausen, Metz of Saargemund, naar gelang zij door een der aldaar zetelende gerechtshoven zijn veroordeeld.
Wie het oude stedeke nadert, ziet het eerst, half verborgen door wingerden en tuinen, de overblijfselen van eene dubbele versterkte omwalling, met breede grachten en torens. Langs den voet der muren, die gedeeltelijk zijn ingestort en nergens meer hunne oorspronkelijke hoogte bereiken, vloeit het kanaal van Quatelbach, dat door het water van de Ill gevoed wordt. Het bed zelf van de Ill ligt droog, althans op het oogenblik, even als het kanaal van de Twaalf-Molens, dat zijn water van de Thur ontvangt. Van de oude wallen, en nog beter van den toren der parochiekerk, heeft men een heerlijk uitzicht, zoowel op de keten der Vogesen als op de bergen van het Schwarzwald. In de voornaamste straat van het stadje, in de nabijheid van het raadhuis, wordt de aandacht getrokken door een aantal antieke huizen, zoowel in gothischen als in duitschen renaissance-stijl. Vele van die burgerwoningen zijn versierd met bevallige torentjes en erkers, zoo als de brouwerij Schmidt en het logement de Kroon. De erker van genoemd logement, waar Turenne daags vóór den veldslag bij Turckheim zijn intrek nam, rust op eene kegelvormige halve kolom, tegen den voorgevel aangebracht. De beide verdiepingen van den voorgevel hebben gothische vensters, en boven den hoofdingang staat het jaartal MDCIX gebeiteld. Onder den erker van de brouwerij Schmidt, vroeger de kommanderij van Sint-Jan, uit het begin der zestiende eeuw en in gothischen stijl gebouwd, ziet men twee medaillons met de beeltenissen van den Keizer en den Roomsch-Koning. Nog andere huizen prijken met erkers en torentjes met wenteltrappen en kruisramen met houtsnijwerk. Overal verrijzen hooge puntgevels in menigte. De ruime parochiekerk is modern en alles behalve soliede gebouwd.
Een der oudste gebouwen is wel het tegenwoordige stadhuis, dat uit de eerste helft der zestiende eeuw dagteekent en vroeger de zetel was van de oostenrijksche regeering. Het gebouw heeft twee verdiepingen, door eene sterk uitspringende kroonlijst gescheiden. De benedenverdieping heeft eene open galerij, waarvan de wijde bogen op massieve pijlers rusten. De vertrekken der eerste verdieping ontvangen hun licht door breede vensters, in drie vakken verdeeld, waarvan het middelste hooger is dan de zijramen. Een dier vensters komt uit op een balkon van ijzeren traliewerk, dat in later tijd is aangebracht. Daar naast bevindt zich een bel voor de openbare bekendmakingen. De achtkantige traptoren heeft een portaal, versierd met gekanneleerde zuilen en medaillons met portretten van romeinsche keizers. Naar het schijnt, bestond de bovenverdieping oorspronkelijk uit twee groote zalen, beiden, met eenige zijvertrekken, bestemd voor de twee regeeringscolleges. Later heeft men een dezer zalen, ten einde in de behoeften van den dienst te voorzien, in verschillende kamers gesplitst. Op een der muren ziet men eene vergulde groep, voorstellende de gerechtigheid met een blinddoek voor de oogen. De andere, nog ongeschonden zaal maakt door haar grootsche afmetingen een majestueusen indruk; deze zaal werd in 1884, op last van generaal Mantouffel, stadhouder van Elzas-Lotharingen, gerestaureerd en met fraai houtwerk versierd. De muren en de zoldering werden op nieuw beschilderd en verguld, even als het gewelf van de benedengalerij. Op de snijpunten der balken ziet men cartouches met de wapens der steden van den Elzas; boven de deur prijkt het wapen van Ensisheim met den vroegeren oostenrijkschen arend naast den tweekoppigen adelaar van het nieuwe duitsche rijk. De ruiten der vensters zijn rond, naar het oud gothische model. Enkele gothische détails uitgezonderd, draagt het gebouw in zijn geheel den stempel van den stijl der duitsche renaissance, hetgeen ook volkomen past bij het jaartal 1535, dat op verschillende plaatsen in den steen is gebeiteld.
In het stedelijk archief worden, nevens de registers van den burgerlijken stand, de overblijfselen bewaard van een meteoorsteen, die in de vijftiende eeuw te Ensisheim uit de lucht is gevallen. Volgens de registers van den burgerlijken stand, die sedert den negenden Juni 1582, dat is dus sedert ruim driehonderd jaren, geregeld zijn bijgehouden, was het getal geboorten, dat in gewone tijden tien of twaalf per maand bedroeg, in 1642, tegen het einde van den dertigjarigen oorlog, gedaald tot een of twee. Bij het doorsnuffelen van deze oude papieren vonden wij, onder andere curieuse stukken, een klacht van herbergiers, in het jaar 1787 ingebracht tegen de tappers of kroeghouders, omdat zij, in strijd met de stedelijke keur, aan hunne klanten meer dan enkel brood en kaas te eten gaven.--De meteoorsteen werd vroeger in de kerk bewaard, en van daar naar het stadhuis overgebracht. Het gewicht van dien steen bedraagt tegenwoordig niet meer dan vijf-en-vijftig pond, in plaats van drie tot vier quintalen, als op het oogenblik van zijn val. Een groot stuk van den steen werd aan het museum van Colmar afgestaan; voorts hebben een aantal aanzienlijke personages, die Ensisheim doortrokken, te beginnen met Keizer Karel V tot de generaals der geallieerde legers in 1815, er ook voor en na fragmenten van medegenomen.
Volgens het in 1840 verschenen boek van pastoor Merklen, getiteld: _Ensisheim, jadis ville impériale et ancien siège de la Régence archiducale des pays antérieurs d'Autriche, ou Histoire de la ville d'Ensisheim, avec un précis des évènements les plus mémorables qui se sont passés en Alsace_,--volgens dat boek met dien wijdloopigen titel, zou de herinnering aan het nederkomen van dien meteoorsteen, waarvan wij de overblijfselen voor ons zien, zijn vereeuwigd door het volgende opschrift in de oudste kerk der stad:
Tausend vierhundert Neunzig zwey, Hört man allhier ein ney Geschrey: Dass zunächst drauss vor der stadt, Den 7ten Wintermonat, Ein grosser Stein, beym hellen Tag Gefallen von einem Donnerschlag, Aus dem Gewilk, drithalb zentner schwer, Von Isen Farb; brach man in her Mit statischer Procession. Sehr Viel schlag man mit Gewalt Davon 1492.
Dat wil zeggen: Ten jare duizend-vierhonderd-twee-en-negentig vernam men hier een ongewone tijding: dat buiten, vlak voor de stad, op den zevenden van wintermaand, een groote steen, op klaarlichten dag, bij een donderslag uit de lucht was gevallen, ter zwaarte van derdehalf centenaar en van eene kleur als ijzer; hij werd met statige processie binnen de stad gehaald; met geweld werden er zeer veel stukken afgeslagen.
In het koor van de thans afgebroken kerk vond men nog twee andere opschriften, het eene in het latijn, het andere in het fransch, waarin mede van dezen meteoorsteen melding werd gemaakt. Wij deelen alleen het fransche opschrift mede, dat eene eenigszins vrije vertaling van het latijnsche is:
En deux mois on a vu Deux prodiges divers: Dans l'un tomba du ciel cette Pierre effroyable; El l'on vit au suivant trois soleils Dans les airs. C'est ainsi que le ciel, aux mortels Favorable, Par un penchant secret, dans sa juste Fureur, Se plaît à nous montrer les traits De sa douceur.
Ik behoef wel niet op te merken, dat meteoorsteenen tegenwoordig niet meer zulk eene buitengewone zeldzaamheid zijn. In het museum van de Akademie van Wetenschappen te Stockholm heb ik er een gezien van het eiland Diskö, bij de westkust van Groenland, afkomstig, die de hoogte had van een volwassen mensch bij een meter dikte. Tweemaal in het jaar, in de maanden Augustus en November, snijdt onze aarde, in de oneindige ruimte, twee banen van meteoren. Dat zijn de zwermen van vallende sterren, die wij in heldere nachten kunnen waarnemen. Het volk heeft, in zijne dichtende fantazie, aan de meteoren van de maand Augustus den naam gegeven van Sint-Laurenstranen, ter eere van den heilige, wiens feest in die maand wordt gevierd. Op den zeven-en-twintigsten November van het vorige jaar (1885), tusschen zes en acht uren des avonds, was het aantal vallende sterren, in den Elzas zichtbaar, zoo groot dat men ze niet tellen kon: het verschijnsel maakte op sommige oogenblikken den indruk van een groot vuurwerk. Naar de sterrekundigen ons verzekeren, zouden deze meteoren afkomstig zijn van de komeet van Biela.