Wandelingen door België De Aarde en haar Volken, 1886
Part 9
Nu is het waar dat de kolossus, op dien kalmen en zoelen Septembermorgen, niets verschrikkelijks had: hij geleek veeleer een weerloozen grijsaard, zich koesterende in de zon, en het vroolijke licht bescheen hem van onder tot boven, doordringende in de spleten en scheuren, waarin de kraaien nestelen, en waarlangs groene slingers wuiven. Maar de reusachtige rots ziet er niet altijd zoo goedig en vreedzaam uit. Des winters, in haar mantel van sneeuw gehuld, met haar kale distelstruiken, golvende op den wind, schijnt zij een fantastisch spooksel, dood en verderf dreigende. Als dan de wilde storm door de lucht giert, de wind in alle spleten en gaten huilt en brult, als schuilden woedende draken in de duistere holen, dan is men minder gerust onder de kleine roode daken; dan werpt de vrouw, de moeder van het gezin, zich vaak in sidderenden angst op de knieën voor het met een papieren bloemkrans omhangen glazen kastje, waarin het misschien wat zonderling toegetakelde beeld prijkt van Onze-Lieve-Vrouwe. En ook straks, als de dooi begint en de ontzaglijke rots schijnt te wankelen op haar grondvesten, als de wateren van het plateau, onstuimige bergstroomen thans, zich met woest geweld van de steile rotswanden naar beneden storten en in hun plassende vloeden het sidderende gehucht dreigen te bedelven, waaraan het schier onmogelijk is hulp te bieden.
Doch niet enkel door haar woest en dreigend voorkomen mag de rots van Frênes de aandacht der reizigers trekken: zij verbergt in haar schoot zeldzame merkwaardigheden. De lieden uit den omtrek zullen u verzekeren, dat wanneer ge door een der smalle spleten kruipt, die ge boven den ingang van den tunnel ziet, ge dan in de zoogenoemde "groote kerk" komt. Denk echter niet aan eene geheimzinnige basiliek, in de ingewanden des bergs verscholen, met lage gewelven op plompe pijlers rustende: niets gelijkt minder op eene kerk dan het hol, dat ge eindelijk bereikt, na gedurende eenige bange minuten op uw buik te hebben gekropen, aan alle kanten beklemd door de smalle en nauwe wanden van het gat, waarin ge u gevoelt als, dunkt mij, een doode in zijn lijkkist. Een andere spleet voert naar eene minder ruime spelonk, maar die in geheel den omtrek bekend is onder den naam van Trou des Nutons. Zoo de omvang en de buigzaamheid van uw lichaam u veroorloven deze expeditie te ondernemen, klauter en kruip dan naar deze grot: ge zult altijd wel een of anderen knaap vinden, die u als gids wil dienen. Ge zult dan ten minste weten, in welke soort van holen die geheimzinnige troglodyten huisden, die men ook Sotairs noemde, en die, volgens sommigen, Galliërs zouden zijn geweest, vluchtende voor de romeinsche overweldiging, terwijl anderen hen voor Zigeuners houden, die zich hier zouden hebben verscholen om zich te onttrekken aan de nasporingen der landlieden, die zij bestolen hadden.
Overigens is er hier in den omtrek geen dorp van eenige beteekenis, dat niet zijn Trou des Nutons heeft: en ik moet er bijvoegen, dat al deze holen, op enkele kleinigheden na, vrij wel op elkander gelijken; doorgaans is dit gat eene meer of minder diep in de rots gelegen spelonk, waar ge niet dan met moeite rechtop kunt staan, en waar het licht der fakkels weerkaatst in het vocht, dat van het gewelf en de wanden sijpelt.
In den goeden ouden tijd wisten de landlieden, des wintersavonds om den haard gezeten, elkander allerlei zonderlinge geschiedenissen te vertellen van de bewoners dezer geheimzinnige holen, die men zich meestal voorstelde onder de gedaante van zeer oude en zeer leelijke dwergen, onvermoeide werklieden daarbij, die in hun onzichtbare smidsen, alleen kenbaar aan de kleine rookwolkjes die somwijlen uit de spleten van den berg opstegen, onvermoeid de metalen bewerkten. Als smeden en koperslagers belastten zij zich vooral met de taak, om de verschillende voorwerpen voor huiselijk gebruik, die de landlieden des avonds voor den ingang hunner spelonken nederlegden, op te lappen en weer in orde te maken. Des morgens vond men dan de ketels en andere zaken weer terug op de plaats waar men ze had neergelegd, doch nu zonder scheur of gat, zonder bult of bluts, maar netjes en glimmend, als nieuw. Deze aardmannetjes of gnomen deden nimmer iemand leed; tenzij men hen bedroog, en bij voorbeeld een steen of eenig ander onbruikbaar ding neerlei in de plaats van het graan of de noten, waarop zij, als loon voor hun arbeid, recht hadden. Dan oefenden zij eene geduchte wraak: het vee werd ziek en begon te kwijnen, het water in de bron werd ondrinkbaar, een vloek drukte op het huis en het gezin van den roekeloozen bedrieger. Waar zijn zij thans, die vriendelijke, behulpzame gnomen, van wie de vroegere geslachten toch niet dan met zekere huivering spraken? Ja, waar zijn de nimfen en de elfen, de satyrs en de najaden, de tritons en nikkers, waar zijn al die half liefelijke, half schrikwekkende gestalten, waarmede de fantazie--maar toch niet enkel de fantazie, ook het diep en innig besef van het geheimzinnige leven der natuur, met duizenden banden en draden aan dat der menschen verbonden,--de geheele schepping, bosch en veld, berg en dal, beek en rivier, bevolkte? Zij allen zijn gevloden voor onze nuchtere wetenschap, die alleen met de stoffelijke, uitwendige zijde der dingen rekening houdt; gevloden voor onze doode machines, onze lokomotieven en telegrafen, waarmede wij de schoonste landschappen bederven, de stilste heiligdommen der natuur ontwijden; gevloden voor de ruwe aanraking van onze door en door prozaïsche materialistische eeuw, voor wie de geestenwereld gesloten blijft, omdat zij geen oog heeft om haar te zien.
Laat ons voortgaan. Op het plateau groepeeren zich de huizen en boerenwoningen van Lustin rondom de kerk; aan de overzijde opent zich, aan den voet van eene met boomen begroeide rots, de gorge van Burnot. Daar staat, op den hoek van den grijzen stoffigen weg, eene deftige herberg, waarvan de ramen met groen zijn omrankt. Vroeger, in den tijd der diligences, verzuimden de conducteurs nooit stil te houden bij "l'huche au Bouchat"; en terwijl de paarden hun neus dompelden in den met haver gevulden bak, traden de reizigers, door de met blauwe tegels geplaveide gang het huis binnen en begaven zich naar de gelagkamer met haar glinsterend buffet en haar rijen tafeltjes. Eene lekkere lucht van soep en groenten kwam u uit de keuken te gemoet en prikkelde den eetlust, die door het zindelijke, vroolijke voorkomen der herberg reeds was opgewekt. En het kostte maar weinig moeite, de oude herbergierster aan het praten te krijgen, en van haar te vernemen, hoe de eerste koning van België, Leopold I, eens in hare herberg had overnacht en zijn gekroond hoofd te rusten gelegd in eene met gebloemd papier behangen kamer, waarvan het voornaamste sieraad bestond in twee vaasjes met kunstbloemen onder stolpen, op den schoorsteen geplaatst.
Langzaam stijgend bereikt de provinciale weg, met vele slingeringen, het plateau, waarop de dorpen Arbre, Saint-Gérard en Fosses zijn gebouwd. Hier en daar gapen in de rotswanden wijde steengroeven en klinken, in rhythmischen maatslag, de hamers der steenhouwers. Links ligt op een reusachtige terp het gehucht Bois-Laterie, waaraan de naam van arendsnest niet kwalijk voegen zou, en dat door ongeveer een honderdtal gezinnen bewoond wordt.
Op deze hoogte ontaardt bijna de minste bries welhaast in storm, die met woest geweld over de kale vlakte vaart en de rieten daken der armelijke huizen wegslingert. Van den duizelingwekkenden top der rotsen ziet men, beneden in de diepte, de Maas, niet breeder dan een lint, slingerende tusschen de hooge en steile bergen, van onderen tot boven met struikgewas bedekt; terwijl hierboven op de plateaux, zoo ver het oog zien kan, de gouden korenaren onder den stralend blauwen hemel golven op den adem der frissche koelte.
Wij zijn tot het punt genaderd, waar de weg zich splitst: een tak klimt opwaarts naar Blioux, waarvan het eeuwenoude kasteel nog roem draagt op zijn ophaalbrug en zijne valluiken; de andere loopt naar twee rijen schuren, varkenshokken en ruwe armoedige woningen. Zijn wij deze nauwe straat door, dan verrijst daar voor ons de geelachtige krijtrots, met haar gladde, loodrechte wanden, die in geheel den omtrek bekend is onder den naam van de Roche aux Corneilles, en die inderdaad steeds door talrijke scharen van kraaien omzwermd wordt.
Een weinig verder loopt de weg door het dorp Hun; op eenigen afstand vertoonen zich Anhée en Moulin, met den anderen oever verbonden door eene ijzeren brug; in de verte bespeurt ge reeds het schilderachtige Yvoir, waarvan de huizen gegroept zijn tegen de helling van een hoogen ronden heuvel, langs welks voet eene beek murmelt. Hoe lief en landelijk ziet het er hier uit! Langs de gevels van alle huizen slingeren zich wingerdranken; de vensters lachen u tegen uit het groen; een mozaïek van mos tooit de daken. En die oude steenen brug over het murmelend rivierke, waarin de forellen dartelen; en die onuitsprekelijke onverstoorbare rust, over het geheele landschap verspreid! In trouwe, Yvoir is eene levende idylle.
Maar wij mogen hier niet toeven, en gaan door Moulin, van waar een waar een weg bergopwaarts voert naar de ons reeds bekende ruïnen van Montaigle. En zie daar, voor ons, de indrukwekkende rotsmassa van Poilvache, die haar stoute en kantige lijnen zoo scherp tegen den hemel afteekent en de aan haar voet gegroepeerde huizen schijnt te verpletteren. Een steil pad voert langs de rotswanden naar boven, naar het plateau, waarop nog de overblijfselen te herkennen zijn van den overouden burcht, die eens op deze rots troonde en waaraan de naam verbonden is van die vier Haymonskinderen, die trotsche krijgshaftige paladynen van Karel den Groote, wier merkwaardige lotgevallen, schitterende heldendaden en romantische avonturen nog eeuwen lang hebben voortgeleefd in volksliederen en sproken.
Na een groet aan dat groot en roemruchtig verleden, waarvan nog maar enkele brokken muur de herinnering bewaren, dalen wij weder naar het dal af, waar de gebruinde en gespierde gestalten ons denken doen aan dien anderen, nooit rustenden strijd, dien van den ploeg en de vruchtdragende aarde. Houx, dat zijne leien daken en zijne groene tuinen in de Maas spiegelt, heeft niets dat aan de dagen der feodaliteit herinnert; en, op het eerste gezicht althans, evenmin de stad, tusschen wier geel gepleisterde huizen de weg nu doorloopt. Achter de vensters dier huizen stallen slagers en bakkers, kruideniers en witwerkers hunne waren te koop. Gij krijgt den indruk van de buitenwijk eener kleine stad, waar op klaarlichten dag zware met ossen bespannen wagens langzaam voortrollen over de puntige keien, langs de ruischende goten.
Dit is Bouvignes. Maar als ge, een der steile, bochtige zijstraatjes inslaande, naar boven klimt, dan komt ge in het eind aan den toren van Crèvecoeur, den mededinger van dien anderen toren, Montorgueil, door de lieden van Dinant gebouwd. In haar eenzame verlatenheid bewaart de weemoedige ruïne de herinnering aan de drie vrouwen van Crèvecoeur, die zich van de hoogte der rots naar beneden in de rivier stortten, om niet in de handen te vallen der ruwe condottieri van Hendrik II. Misschien, wanneer de laatste steen van de oude veste zal zijn weggebrokkeld, misschien zal dan ook de romantische legende worden vergeten; reeds nu zijn er pedante, neuswijze geleerden, die den afstand meten tusschen den burcht en de rivier, en ons dan komen vertellen, dat een sprong van de vestingmuur in de Maas onmogelijk is. Alsof er voor de prinsessen en heldinnen der sprookjes en legenden iets onmogelijks ware, alsof zij gebonden waren door dezelfde alledaagsche, plat burgerlijke wetten en regelen, die voor gewone stervelingen gelden!
Bouvignes was niet altijd zulk een kalm, rustig stadje, waar tegenwoordig de stilte alleen verbroken wordt voor de voorbijrijdende wagens en karren, wier voerlieden luide de zweep doen klappen. In de vijftiende eeuw was zij de mededingster van Dinant op het gebied der koperindustrie: en deze mededinging kweekte een naijver, die zich ook op andere wijze openbaarde. Meermalen kwam het tusschen de vijandige poorterijen tot bloedige gevechten, waarvan de geschiedenis de herinnering heeft bewaard. Somwijlen namen deze plaatselijke veeten grootere afmetingen aan: als, bijvoorbeeld, toen de hertog van Bourgondië de zijde van Bouvignes koos en ten strijde toog tegen die van Dinant, onder wie hij eene groote slachting aanrichtte en wier muren hij met den grond gelijk maakte, om voor goed iedere weerwraak onmogelijk te maken.
Hoe verder wij komen, des te talrijker worden, langs den rechteroever, de steenen en houten huizen, waarvan de overhangende balkons over den weg uitsteken. Sommigen hebben puntige trapgevels, waarin smalle vensters, die door hun kleine ruiten niet al te veel daglicht doorlaten. Bij enkelen ziet men lage overwelfde doorgangen, waaronder trappen van de kaai naar de straat opwaarts voeren. Bijna al deze huizen hebben in hun voorkomen iets antieks, ook al zijn ze misvormd en van hun eigenaardig karakter beroofd door het overvloedig gebruik der noodlottige witkwast.
Hier begint Dinant, waarvan de naam, volgens de geleerden, zou zijn afgeleid van "Die Nam", de aanvangswoorden van de strafrede, die Sint-Maternus, in vroeger eeuw, uitsprak tegen den afschuwelijken afgod, die onder den naam van Nam in deze streken werd vereerd. Wij zullen ons in deze etymologische geheimenissen niet verdiepen, en liever een blik slaan op het tafreel, dat zich voor onze oogen ontrolt. De huizen, die tot dusver langs den oever stonden geschaard, wijken terug en vormen straks een kring om een vrij ruim plein, waarop verschillende straten uitkomen. Terzelfder tijd treedt de rots, die voor de buitenwijken zich had teruggetrokken, weer meer naar den voorgrond, en rijst loodrecht omhoog, vlak boven een juweel der gothische architektuur, dat als aan haar voet schijnt ontloken.
Do Onze-Lieve-Vrouwekerk is inderdaad zoo dicht tegen de rots aangebouwd, dat zij welhaast een geheel met den trotschen bergwand schijnt uit te maken. De berg heeft hier hot menschenwerk grenzen gesteld, en de ruimte bepaald, die de kerk moest innemen: zoo staat zij daar, als saamgeperst, gelijk een krijgsgevangene, dien men in een hok heeft opgesloten, waar hij zijne armen niet kan uitstrekken. Deze heerlijke kunstschepping uit de tweede helft der dertiende eeuw, die overal elders een machtigen indruk zou maken, schijnt hier klein en nietig, gemeten met den maatstaf van den steenen reus, die haar geheel beheerscht en als het ware met zijne massa verplettert. Doch, hoezeer de kerk nevens de rots een dwerg moge schijnen, wanneer ge haar binnentreedt zal hare schoonheid onvermijdelijk uwe belangstelling, uwe bewondering wekken. Alle indrukken van kleinheid en beperking verdwijnen, zoodra ge den voet zet binnen de gewijde ruimte, met haar drie schepen, door statige zuilen gescheiden; en als ge u eenmaal gewend hebt aan deze meer bescheiden afmetingen, als de verborgen ziele van het schoone heiligdom tot uw gemoed spreekt en de betoovering der antieke kathedralen ook hier hare werking niet mist,--dan vergeet ge geheel, dat Onze-Lieve-Vrouwe van Dinant, wegzinkende onder de geweldige rotsmassa, waarboven haar torenspits zich ter nauwernood verheft, zich uitwendig zoo klein en zoo nietig vertoont.
Van de rijke dekoratie van weleer is in de parochiale kerk van Dinant bijna niets overgebleven dan hier en daar eenige koperen ornamenten, getuigen van de vroegere kunstvlijt der plaats. Maar de schoonheid der architektuur doet u deze kaalheid vergeten: indien wij althans van kaalheid mogen spreken, waar de wanden op zoo menige plaats met bas-reliefs zijn bedekt en somwijlen een rijkdom van beelden het oog verrast, zoo als bijvoorbeeld in de doopkapel.
XI
Omstreeks twintig jaren geleden lag er te Dinant over de rivier, eene eerwaardige steenen brug, wier bogen met mos waren begroeid, en die met de bruggen te Jambes en te Luik, tot de oudsten in het waalsche land mocht worden gerekend. Daar men telken jare, bij het wassen der wateren, gevaar liep, dat het oude metselwerk zou worden ontwricht, vernield en medegevoerd, besloot men eene andere brug te bouwen van steviger constructie. Alzoo geschiedde: en daar ligt ze nu--tot uwe ergernis, zoo gij de oude brug hebt gekend--de nieuwe ijzeren brug: een geometrisch monster, afschuwelijk als eene meetkunstige figuur, met haar rechtlijnig bovendek, met haar metalen traliewerk, aan de pijlers vastgeklonken. Stevig is zij, maar leelijk ook, leelijk bovenal; van gratie en bevalligheid, van monumentaal karakter of architektonische majesteit is bij dit moderne gewrocht al even weinig sprake als bij welke machine ook. De geschiedenis der bruggen van Dinant is overigens vrij ingewikkeld; sedert de eerste brug, waarvan de kronieken gewag maken, en die boven haar vijf bogen een toren droeg met twee verdiepingen en een omgang met borstwering; sedert die kolossale, trotsche brug, die niet alleen tot toegang maar ook tot verdediging der stad strekte, vindt men, in den loop van twee eeuwen niet minder dan drie bruggen genoemd, waaronder een houten brug, die in 1573 bij ijsgang werd vernield.
Even als Namen, is ook Dinant een uitgelezen punt voor het doen van grootere en kleinere uitstapjes in den schilderachtigen omtrek. Aan deze zijne ligging dankt het dan ook een druk bezoek van toeristen, die steeds zijne hotels vullen. Een aantal familiën brengen hier den zomer door, hetzij in een logement, hetzij bij particulieren, hetzij in de vriendelijke villa's en chalets, die de boorden der Maas omzoomen. Vooral de Engelschen komen hier in grooten getale, vooral ook aangelokt door de gunstige gelegenheid voor tochten in het gebergte en roeivaarten op de rivier, voor al die lichaamsoefeningen, die voor hen eene uitspanning en eene behoefte zijn. Toch vormen zij geene eigenlijke kolonie; ieder leeft voor zichzelven, zonder, zooals aan het zeestrand, de behoefte te gevoelen om door onderlinge aansluiting en verstrooiing een tegenwicht te zoeken tegen de verveling en vermoeienis, die het eenvormig schouwspel van het strand en de duinen nooit nalaat te verwekken.
In waarheid, hoe groot, hoe reusachtig het gebergte ook moge zijn, toch schijnt het niet buiten onzen maatstaf te liggen, toch past het nog in het kader onzer bevatting, en heft het niet, als de eindelooze horizon der zee, alle denkbeeld van maat en evenredigheid op. Daar komt bij, dat het door zijne oneindige afwisseling, door zijne telkens nieuwe verrassingen, de nieuwsgierigheid prikkelt en de belangstelling levendig houdt. De zee en het effen vlakke strand onzer kusten vermoeien en verdooven den geest, op wien deze grenzenlooze eentonigheid in het eind als een looden wicht gaat drukken. Op het weeke zand wischt zich onze voetstap uit; de grond schijnt onder onzen voet weg te vloeien, evenals het water; met de harde rots, met den granieten bergwand kunnen wij ons meten: hij tart ons als het ware tot den strijd en vol moed en met vroolijken ijver ondernemen wij de beklimming. Ik zwijg van de door de natuur zoo rijk bedeelde landen, waar bergen zee, rots en strand elkander aanvullen en een geheel vormen van schier ongeëvenaarde schoonheid; maar in onze streken, waar het strand bijna nooit iets anders is dan een kale, vlakke zand woestijn, aan de eene zijde door een grijze zee, aan de andere door eene lage reeks van grauwe duinen omzoomd; in onze streken wint een berg- of boschlandschap het zeer verre van de kust.
Dinant ligt ongeveer in het middelpunt der namensche Ardennen en is door uitmuntende wegen met alle punten in den schilderachtigen omtrek verbonden. Wij kunnen onmogelijk al deze punten bezoeken, ons bestek noopt ons tot beknoptheid; wij moeten dus ons vergenoegen met slechts op enkele punten, die niet altijd tot het toeristen-programma behooren, de aandacht te vestigen.
Wanneer men de voorstad Leffe verlaat en het kronkelende pad volgt, dat langs terrasgewijze aangelegde tuinen opwaarts voert, dan bereikt men weldra de schier eindelooze hoogvlakte, zich uitstrekkende tot aan den schemerenden horizon, waarop de huizen al verder en verder uit elkander staan en de zwijgende eenzaamheid u aan alle kanten omgeeft. Ciney is de hoofdplaats van deze streek, le Condroz, die in den zomer met golvende oogsten van gouden koren is bedekt; maar wie het stille, betrekkelijk welvarende vlek bezoekt, zal niet licht gissen welk een rol dit vergeten stedeke in vroeger eeuw heeft gespeeld. Toch was de zware romaansche toren, waarmede de oude kerk prijkt, getuige van gedenkwaardige gebeurtenissen. Hier toch begon die noodlottige oorlog, de Koeienstrijd genoemd, die twee jaren duurde, aan vijftienduizend menschen het leven kostte en zestig dorpen verwoestte.
Een boer van Jollet had eene koe gestolen van Rigaud de Corbion, burger van Ciney, en werd nu door den baljuw dier stad gedagvaard, die hem levensbehoud verzekerde, indien hij het gestolen stuk vee teruggaf. De boer, op die toezegging vertrouwende, bracht de koe naar den stal van den rechtmatigen eigenaar terug, hetgeen niet belette dat hij opgeknoopt werd. De heer van Jollet, verbitterd over deze wraakneming en over de krenking van zijn heerlijk recht, trok naar Ciney dat hij verwoestte, waarop de baljuw Jollet overviel en aan de vlammen prijs gaf.
Nu waren de poppen aan het dansen. De heer van Jollet riep de hulp in van zijne broeders Richard van Falais en Regnier van Beaufort en van de heeren van Celles en van Spontin; de vijf verbonden edellieden brachten hunne mannen van wapenen op de been en liepen, roovende en plunderende, het land af.
Daarop mengden zich de burgers van Hoei en van Luik in den twist; zij kozen partij voor die van Ciney en sloegen het beleg voor Falais, Beaufort, Celles en Spontin. Het bondgenootschap der vijf heeren staat op het punt te bezwijken, toen onverwacht hulp voor hen opdaagt. Gwy van Dampierre, graaf van Namen en Vlaanderen, en de hertog van Brabant nemen het voor hen op. Nu ontbrandt de oorlog heftiger dan ooit; het gansche land wordt afgeloopen door stroopende benden, die overal moorden en plunderen en branden. Ciney wordt van alle kanten ingesloten en de poorters hebben geene andere wijkplaats meer dan de kerk, die door den graaf van Luxemburg in brand wordt gestoken. De maarschalk van Forvies, door de Luikenaars tot ontzet der belegerden gezonden, rukt nu het drostambt van Poilvache binnen, alles vernielende, plunderende en uitmoordende: van dertig dorpen van de Rondache bleven niet meer dan rookende puinhoopen over.
Men zou meenen, dat er thans genoeg bloed vergoten was en dat er een einde aan den strijd zou komen; maar de burgers van Dinant kozen nu op hun beurt partij voor Ciney en tastten Spontin aan. Misschien zou het hun gelukt zijn, den sterken burcht te vermeesteren, indien de heer van Dave niet in allerijl met huurbenden uit Namen was aangerukt om het bedreigde punt te verdedigen. De mannen van Dinant worden teruggedreven en nemen de wijk naar hunne stad, zoo vurig achtervolgd door de soldeniers van den heer van Dave, dat deze laatsten tot binnen de poort doordringen. De valdeur valt achter hen neder en snijdt hun den terugweg af; nu volgt er een vreeselijk bloedbad, terwijl de namensche krijgers, die buiten zijn gebleven, door die van Dinant worden aangetast en het gevecht opnieuw begint. Nadat zoo veel bloed vergoten en zoo schromelijke verwoesting aangericht was, werd het geschil eindelijk voor den rechterstoel gebracht van den Koning van Frankrijk, Filips den Stoute, wiens uitspraak luidde, dat alles weder in denzelfden toestand moest gebracht worden als vóór den oorlog. Eenige duizenden menschen waren dus voor niets vermoord en eene gansche landstreek voor vele eeuwen te gronde gericht.