# Wandelingen door België De Aarde en haar Volken, 1886

## Part 8

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/wandelingen-door-belgie-de-aarde-en-haar-volken-1886-15403/index.md

Op dienzelfden merkwaardigen Trinitatisdag, waarop, op de Grand Place van Mons, Sint-George met zijne lans den verschrikkelijken draak van Wasmes nedervelt, schaart zich de ban en de achterban der omliggende kerspelen, in krijgshaftige vortooning om de eerwaardige linde. Bij het krieken van den dageraad vormen zich in de verschillende dorpen, bij het roffelen der trommen en het geschetter der trompetten, de dappere bataillons, op de zonderlingste manier toegetakeld, gedost in de bontste uniformen, gewapend met musketten, met pieken en sabels, het hoofd gedekt met helmen, kolbaks, beremutsen, shakos, petten en fez. Met deftigen ernst defileeren zij te midden der bloeiende hagen en witte appelbloesems, zoo echt martiaal als gold het de verdediging van het bedreigde vaderland. De grond dreunt onder den maatvasten stap der kompagniën, die in gesloten kolonnen oprukken, de kapiteins aan de spits, en vaak genoeg halt houden om hunne door het stof verdroogde kelen met een hartigen dronk te verfrisschen. Dan draven en loopen de officieren, als herdershonden langs de kudde, en zwaaien hetzij den slakkensteker van den infanterist, hetzij de lange lat van den dragonder, hetzij een schermdegen, hetzij een sabel of een kris of wat soort van wapen ook, en schreeuwen zich buiten adem om weer een schaduw van orde te herstellen en voort te rukken naar de aangewezen plek, waar reeds andere, niet minder fantastisch uitgeruste benden zijn opgesteld.

En telkens ziet men nieuwe rekruten opdagen, met vuurrood gelaat en in de meest opgewekte stemming, en die verschillende troepen, allengs saamgevoegd, vormen een leger, waarvan de wedergade zeker niet gemakkelijk te vinden zou zijn, en dat, op een gegeven teeken, oprukt naar de gewijde linde. Dan begint eene gansche reeks van zonderlinge, ingewikkelde manoeuvres, het onmisbare voorspel voor de groote plechtigheid der wegvoering van Onze-Lieve-Vrouwe, door een middeleeuwschen ridder, van het hoofd tot de voeten in ijzer gehuld, als weleer zijne gedroomde voorvaderen. Wie dit oogenblik gezien heeft, zal het niet licht vergeten: bij brigades in de velden geschikt, staan daar de verschillende gezelschappen en vereenigingen, die zich gedurende eene maand en langer hebben geoefend voor deze vertooning en nu prijken in den meest fantastischen dos dien men zich denken kan, waartoe de uniformen van bijna alle europeesche legerkorpsen van vroeger en later tijd hun contingent hebben geleverd.

Toch, al moge het tafreel op u den indruk maken van eene maskeradeklucht, is het dezen lieden ernst. Zonder lachen volvoeren zij de manoeuvres en gehoorzamen aan de bevelen hunner officieren, marcheeren en vuren op kommando, al zijn zij op de zonderlingste manier gewapend met allerlei soort van schietgeweer. Er wordt kruit genoeg verbrand: men schiet en manoeuvreert tot eindelijk de voorraad is opgeteerd en, tegen het vallen van den avond, de vermoeide krijgers huiswaarts keeren, ieder naar zijn dorp of zijne boerderij.

En deze zonderlinge vertooning bepaalt zich niet tot Walcourt: te Gerpinnes heeft iets dergelijks plaats ter eere van Sinte-Rolande, die om hare eer te redden, in haastige vlucht door negen dorpen ijlde en eindelijk bij eene bron nederzeeg en stierf; ook daar trekt een soortgelijk militair geleide mede met de relikwiën van de heilige, die in statigen ommegang door de negen dorpen worden gedragen, welke zij zelve doorliep eer zij den adem uitblies.

Elders, te Fosses, in het ronde bekend om zijn Saint-Follien, en te Foy-Notre-Dame--waar, zooals de legende verhaalt, een timmerman, met een slag van zijn bijl, een beeld ontblootte van de Madonna, dat in een eik verborgen was,--heeft de militaire vertooning maar eens in de zeven jaren plaats, maar dan ook met een praal, waarvoor soms zelf de parade van Walcourt zwichten moet. Welke de oorsprong van deze zonderlinge vertooningen is, kan ik niet met zekerheid zeggen: misschien zijn zij niet meer dan eene herinnering aan vroegere toestanden, toen het noodig kon zijn, de kerken en de daarin bewaarde heilige voorwerpen en relikwiën te verdedigen tegen roovers en dieven, die zich niet ontzagen ook naar gewijde schatten de handen uit te steken.

Van Walcourt naar Fosses is eene heele wandeling: maar de aandacht wordt zoo zeer in beslag genomen door de schoonheden van het landschap, dat men aan geen vermoeienis denkt. De zang van den leeuwerik in de oneindige ruimte, het suizen van den wind in de heidestruiken, het loeien der runderen in de weilanden, al die landelijke stemmen en geluiden smelten samen tot een akkoord, passende bij de zoete droomerijen van uw geest, als ge het drijvend wolkje naoogt in het azuur, of uw blik laat rusten op den kalmen waterplas, als een metalen spiegel op een fluweelen kleed, uitgespreid in de bruine heide; als ge luistert naar het kunsteloos gezang van den boerenjongen, die naast den weg zijne twee paarden huiswaarts leidt, of naar het tjingelen der bellen van de kleurig opgetuigde hit voor de huifkar van den postbode. Eindelijk, na eene lange wandeling door bosschen en velden en dorpen, betreedt ge de groote straat van de oude goede stad van het prinselijke bisdom van Luik, met haar ouden kerktoren, door dienzelfden Saint-Follien gebouwd, tot wiens eer de beroemde zevenjarige parade gehouden wordt. De doorluchtige stad, zoo als Fosses in de kronieken genoemd wordt, is thans niets meer dan een stil gehucht, dat alleen op den dag van de paardenmarkt voor eenige uren uit zijne dommelige rust ontwaakt.

Weldra dalen de plateaux en eene opeenvolging van zacht glooiende heuvelen brengt ons weder in de schoone en liefelijke vallei van de Sambre. Voor ons verrijst Floreffe, tegen de helling van een heuvel gebouwd, welks top is gekroond door de eerwaardige gebouwen der oude beroemde abdij, thans tot seminarie ingericht. De heilige Norbert, de stichter van de orde der Premonstratensers, grondvestte in de twaalfde eeuw deze abdij, die eeuwen lang tot de beroemdste en voornaamste gestichten der zuidelijke Nederlanden behoorde.

Naarmate wij in het schoone dal de grillige kronkelingen der rivier volgen en dichter bij Namen komen, vermenigvuldigen zich langs de beide oevers de lusthuizen en buitenverblijven, waar de rijke burgers der stad de zomermaanden doorbrengen. Floriffaux, Flawinne, Salzinne, liefelijke vlekken in het groen verloren, zijn als het ware de voorsteden van Namen, wier fiere citadel, tronende op de steile rots, eensklaps voor ons oprijst. Wij zijn te Namen.

IX

Niet zoodra zijt ge aan het station uit den trein gestapt, of ge bemerkt aan al de drukte en beweging dat ge u op een dier middelpunten van het verkeer bevindt, die als het ware door de natuur zelve zijn aangewezen en van waar, in alle richtingen, de wegen uitgaan over bergen en dalen.

Bijna onophoudelijk zijn de seintoestellen in beweging; de schijven draaien; de hefboomen verplaatsen de rails; de schoorsteenen der lokomotieven blazen met schor geluid hunne rookwolken omhoog; de grond dreunt onder de rollende raderen; de lucht is vervuld van heeten damp en rook en weerklinkt van het onophoudelijk getjingel der elektrische schellen, van het gebrul der machines, het gegil der stoomfluiten, van al de onharmonische geluiden, die u op een station de ooren kunnen verscheuren. Telken male als een nieuwe trein met donderend geraas onder het ijzeren dak komt aanrollen en eensklaps stilstaat in zijn suizende vaart, hoort ge het geluid van raampjes die haastig worden neergelaten, van portieren die worden opengerukt, gevoegd bij het kraken van het kiezelzand onder de voeten der uitstappende reizigers, het geroep der conducteurs, het gewoel en gedrang der passagiers die haastig eene plaats zoeken te veroveren in de half geleegde wagens. Eenige minuten duurt die onbeschrijfelijke mengeling, die schijnbaar onoplosbare verwarring; dan stroomen de nieuw aangekomenen naar buiten; de vertrekkenden zijn in de wagens gezeten; enkele conducteurs rennen nog even heen en weer; dan worden de portieren toegeslagen: het sein wordt gegeven, en zuchtend, zwoegend, stampend rolt het log gevaarte het station uit, en gilt der stad zijn afscheidsgroete toe.

En dat dergelijke tooneelen zich vaak genoeg herhalen, zult ge begrijpen, als ik u mededeel, dat dagelijks ongeveer driehonderd treinen, zoo passagiers- als goederentreinen, het station van Namen passeeren, en dat het bedrag der uitgegeven plaatsbiljetten per dag ruim twintigduizend francs bedraagt. Deze buitengewone toevloed van reizigers vindt zijne verklaring in de ligging der stad, die het aangewezen uitgangspunt is voor tochten en uitstapjes in de zoo romantische, aan allerlei schoonheden zoo rijke streek der Ardennen.

De natuur, tot dusverre nog eenigermate aarzelend en onbeslist, neemt hier te Namen het onmiskenbare karakter van het bergland aan. Rotsen en bergen stijgen in fiere beweging tot eene hoogte van vele honderden voeten; tusschen de vaak steile hellingen slingeren zich de diepe dalen, waardoor de rivier de Maas en vele andere rivierkens, die hare wateren eindelijk met die van den hoofdstroom vereenigen, zich een weg banen. Een frissche wind, van de hooge toppen gedaald of uit de verwijderde bergkloven opgestegen, prikkelt de longen en doet het bloed sneller vloeien. Als ge dien wind opsnuift, gevoelt ge het dadelijk dat zoowel de gesteldheid van de atmosfeer als van de aarde anders is geworden; en onwillekeurig bekruipt u de lust tot verre wandelingen, tot zwerftochten over die bergen, die u schijnen te tarten tot bestijging. Overal oprijzende boven de daken der stad, lokt de grijze rotsmassa, waarop de citadel troont, wel in de eerste plaats tot een bezoek uit.

Namen deelt dan ook, onder dat opzicht, in het voorrecht van Dinant, dat het steeds door een groot aantal reizigers gekozen wordt als punt van uitgang voor uitstapjes in het omliggende land, hetzij naar het dal van de Sambre, hetzij naar dat van de Maas. Bovendien biedt de stad, aan het punt waar de beide rivieren samenvloeien tegen haar krijgshaftige rots geleund, allerlei genietingen aan, die het verblijf kunnen veraangenamen: zij heeft haar casino's, haar sociëteiten en clubs, waarin de toeristen en vreemdelingen zeer gemakkelijk toegang kunnen verkrijgen en gastvrij worden ontvangen. De voornaamste straat, ter wederzijde omzoomd door fraaie, druk bezochte winkels en magazijnen, strekt zich tot aan de overzijde uit en brengt u in het open veld, en terwijl vlak in de nabijheid, hijgende en blazende toeristen bezig zijn, de steile berghellingen te beklimmen, zitten gansche reeksen van kalme visschers langs de kaai en werpen den hengel uit naar de talrijke bewoners der groenachtige wateren, spartelende en zwemmende in de snelvlietende rivier; of wel klieven scherpgepunte gieken den stroom, terwijl de roeiers, in hunne gestreepte tricots en met bloote armen, met rhythmische slagen de riemen op en neer doen gaan.

Visschen en roeien zijn inderdaad de twee voornaamste uitspanningen van de inwoners van Namen, zoowel van den gezeten burger, die er een eigen boot en een kompleet stel vischtuig op nahoudt, als van den werkman, de arbeiders in de fabrieken, die vooral des zondags in geheele scharen zich nederzetten langs de oevers om deel te nemen aan het geliefkoosde vermaak, of, zoo zij er al geen deel aan nemen, dan toch er naar te kijken en te genieten van de vrije lucht en het onbelemmerde uitzicht over de rivier. Trouwens, als in bijna alle steden langs de rivieren, vindt men ook te Namen eene eigenaardige bevolking, die, naar het schijnt, niets anders te doen heeft dan langs den waterkant te drentelen, naar de rivier en naar de lucht te kijken, of uren achtereen, de bewegingen gade te slaan van een dobber, dansende op de golfjes. En in waarheid, het schouwspel, dat zich op de kaaien van Namen, vooral langs de Maas, voor de oogen ontrolt, is schoon genoeg om de aandacht en de belangstelling te wekken; terwijl de drukke beweging van vaartuigen en kleine stoombooten op de rivier aan het prachtige berglandschap, met zijn panorama van groenende heuvelen en donkere rotsen, eene eigenaardige bekoorlijkheid bijzet.

Maar ook de stad zelve ontbreekt het niet aan fraaie gezichtspunten, hetzij men van de omliggende hoogten den blik laat dwalen over haar kerken en huizen, haar tuinen en boomgroepen, in den gordel der oude muren; hetzij men zich waagt in den doolhof van straatjes en steegjes rondom de Sint-Janskerk; hetzij men eindelijk, op de ijzeren brug staande, de nauwe kloof overziet, ter wederzijde door huizen omzoomd, waardoor de Sambre hare wateren voortstuwt. En de gemoderniseerde stad, met haar vroolijk voorkomen, haar met bloemperken versierde pleinen, haar nieuwe boulevards, past geheel bij den lustigen, vroolijken, opgewekten aard harer burgerij, die alle genietingen des levens, die der tafel niet het minst, op hoogen prijs stelt en zich in dit ondermaansche tranendal zoo goed mogelijk tracht te amuseeren.

Des zaterdags vooral is het er druk en levendig: dan stroomen van alle kanten, uit de dorpen langs de rivieren en de gehuchten in het gebergte, de buitenlieden naar de stad: de boerenknechts, de een, een paar kleine magere ossen voor zich uit drijvende; een ander, een kar mennende met gespierde paarden bespannen; een derde gewapend met een zweep, onophoudelijk heen en weer dravende om een troep weerbarstige biggen in bedwang te houden. Dan vervult een ongewoon gerucht de straten: het gehinnik der paarden, het gebalk der ezels, het geblaf der honden, het geloei der runderen, het gekakel van kippen, als ware de geheele stad ééne groote boerderij geworden. De meeste pleinen zijn in markten herschapen, waar ge bergen van groenten en geurige vruchten ziet uitgestald naast stapels eieren en klompen boter, op groene bladeren of witte doeken uitgespreid; terwijl ginds jonge hoenders den eetlust prikkelen, al zijn ze minder vet dan de weldoorvoede hoenders van het vlaamsche land; en uit de houten schuthokken, waarin de varkens en biggen zijn opgesloten, een dof geknor u tegenklinkt, telkens afgewisseld door de snijdende kreten van een der dieren, die op voor hem minder aangename wijze tot verhuizen wordt genoopt.

Vooral bij de boter- en kaashal, verloren te midden van een doolhof van smalle straatjes, waar de eene uitstalling de andere verdringt, en bovendien verstopt door een aantal wagens en karretjes;--vooral bij de boter- en kaashal is de drukte bijzonder groot. Daar stroomt voortdurend eene dichte menigte op en neer, gaande naar of komende uit de hal, waar, half in de schemering, op de banken rijen van boeren en boerinnen gezeten zijn, schouder aan schouder, met potjes boter en kaas op den schoot, onbewegelijk en zonder met een enkel woord de klanten te lokken, die naar eigen keuze hun inkoop doen.

Ik heb getracht u even een blik te doen slaan op het hedendaagsche leven der stad, dat, hoe weinig belangrijk ook op zich zelf, ons wel bezig moet houden, waar bijna elke herinnering aan het verleden is uitgewischt. Toch heeft Namen eene geschiedenis van vele eeuwen, eene rijke en dramatische historie achter zich, aanvangende met het _oppidum, Attuaticorum_ van Caesar, zich voortzettende met het _pagus Lommensis_ van Karel den Groote, en eeuwen later, eindigende met de belegeringen der sterke vesting door Lodewijk XIV en Willem III van Engeland. Maar terwijl het verleden elders voortleeft in onsterfelijke monumenten en daardoor van zelf onze belangstelling wekt en onze aandacht vordert, is te Namen niets te vinden dat aan de geschiedenis van vroeger dagen herinnert, geene enkele ruïne, die als een door den tijd bezegelde adelbrief, van de oudheid der stad getuigen kan. Alleen de rots, waarop de citadel troont, staat daar, vast en onwankelbaar, als eene herinnering uit de vervlogen eeuwen.

Ook aan monumenten van anderen aard is Namen arm: haar kerken kunnen in geenen deele wedijveren met de eerwaardige kathedralen, die wij elders hebben bezocht, en waarin nog de geest vertoeft der eeuwenlange aanbidding. Saint-Aubin, met haar koepel versierd met theatrale allegoriën, haar op pilasters rustende gewelven, haar witte muren, haar uitspringende balkons, in den stijl der achttiende eeuw met blad werk versierd; Saint-Aubin maakt veeleer den indruk van een concertzaal dan van een huis der aanbidding. En Saint-Loup, ondanks haar overvloed van rood en zwart marmer en den weelderigen praal en bonten opschik van haar altaren, stemt al even weinig tot ernst en wekt al even weinig in het bewogen gemoed de onweerstaanbare behoefte op om neer te knielen en de overstelpende aandoeningen uit te storten in een vurig gebed. Neen, voorwaar, zoo de herinnering aan de heerlijke kathedralen van Bergen en Doornik, van Yperen, van Brugge en Gent nog in uwe ziele leeft, ga dan liever de kerken van Namen niet zien: zij zouden misschien den ontvangen indruk bederven, en kunnen u in geen geval iets geven wat de vergelijking met België's beroemde basilieken kan doorstaan.

Wilt ge nu toch van de stad eene andere herinnering medenemen, dan die welke ge overal kunt aantreffen, begeef u dan naar het groote vierkante gebouw aan de samenvloeiing van Maas en Sambre, niet ver van de Waterpoort. Daar, in dat gebouw, waarvan de hoofdingang met twee symbolische beelden is versierd, kunt ge de kostbare collectiën bewonderen van de _Sociéte archéologique de Namur_: onwaardeerbare schatten van historische en fossiele oudheden, welke het hier niet de plaats is uitvoerig te beschrijven, maar waarvan de aanschouwing u niet alleen zal terugvoeren tot het verleden van Namen, maar ook tot dat andere, door niet te berekenen eeuwenreeksen van ons gescheiden verleden, toen de voorhistorische mensch hier zijn kommervol bestaan leidde.

En nu, laat ons het voorbeeld der andere toeristen volgen, en naar de boorden der Maas trekken.

X

Met stevige schoenen aan de voeten en de lendenen omgord, willen wij ook nu, als in de streek tusschen Maas en Sambre, reizen op behoorlijke manier, dat wil zeggen te voet, en al wandelend al de schoonheden genieten, waarvan de gewone toerist zelfs het bestaan in de verte niet vermoedt. Laat de lokomotieven maar fluiten en gillen, laat de treinen donderend voorthollen: wij hebben, o onwaardeerbare zegen! niets met hen te maken.

Als men, Namen verlatende, het kleine dorpje Jambes heeft bereikt, waarvan de oude brug met acht bogen de rivier overspant, ziet men ter rechterhand de citadel, die haar scherpe, kantige omtrekken hoog in de lucht teekent. Aan den voet der rots bespeurt ge tusschen het groen een groep van leien daken, en boven de schoorsteenen verheffen zich de fijne spitsen van torens, die reeds uit de verte herinneren aan de vele kloosters in dezen omtrek gevestigd. Langzamerhand schuiven de torenspitsen op den achtergrond; de huizen staan verder uiteen; wij wandelen langs bruine heiden, die met zachte glooiing opwaarts klimmen, hier en daar afgebroken door de grijsachtige gebouwen eener boerderij met haar schuren en stallen.

Tot Dave is er niets bijzonders te zien: de Maas weerkaatst in haar groene wateren vrij vlakke oevers, met eentonige wilgen beplant. De natuur sluimert nog; zij heeft zekeren tijd van voorbereiding noodig, eer zij hare taak aanvat. Te Wepion staan de huizen verspreid langs de hellingen van een bebouwden heuvel, waar akkers en woningen elkander afwisselen. Hier en daar eene sluis, eene stuw, waarover het groenachtige water kokend heenstroomt, met een breeden zoom van schuim, waarvan de verstrooide vlokken langzaam wegsmelten in den kalm geworden vloed. Nu wordt het eensklaps anders: de rotsen beginnen haar kale of met distels begroeide kruinen te verheffen, als de belofte van hetgeen wij, tusschen Frênes en Freyr, zoo straks zullen aanschouwen; het kleine uit roode baksteenen opgetrokken station van Dave komt schilderachtig uit tegen de groene helling van een boschrijken heuvelrug, die tot aan Taillefer reikt. Daar bevinden zich, door muren en schuttingen afgesloten, de uitgestrekte hertenkampen, waar herten en reeën en hinden rondzwerven, nauwlettend bewaakt en gereed gehouden voor het jachtvermaak van den heer der streek, een grande van Spanje, die hier, te midden van een engelschen tuin, een lusthuis heeft gebouwd, waarin hij den zomer doorbrengt.

Langzamerhand beginnen de bergen hun dichten mantel van bosschen te verliezen en treden de kale gesteenten meer en meer te voorschijn. Wij zijn nu genaderd aan een groepje huizen, door het stuivende kalkstof geheel wit gekleurd en als begraven in een loodrechten kuil, eene diepe spleet, waaruit de steen gegraven wordt. Voor het oogenblik wordt de kalme rust van het groote landschap hier afgebroken door de, trouwens ook niet rumoerige, bedrijvigheid der menschen.

"A l'é-au!" (Over).

Eene forsche vrouw, met een serge rok en een breedgeranden stroohoed op het hoofd, komt uit een der huisjes langs den oever te voorschijn en begeeft zich naar het bootje, waarin wij reeds plaats hebben genomen. Zij is nog vlug en kloek, al heeft zij reeds een aantal lenten zien voorbijgaan, en plant met vaste hand den boom in het ondiepe water. Het bootje doorsnijdt de effen oppervlakte der rivier en houdt stil bij den kleinen steiger aan den anderen oever. Wij stappen uit en zien voor ons de breede groeve van Taillefer, tegen wier dof witte wanden zich de donkere gestalten afteekenen van de steenhouwers die met regelmatige slagen den steen uitgraven.

Daar verrijzen de rotsen van Frênes, hier en daar gebroken en gescheurd, als door bommen getroffen, en teekenen hun reusachtig profiel in de lucht. Aan den voet der ontzaglijke steenmassa's staan daar de huisjes gegroept, zoo dicht tegen de rots aangesloten, als waren zij zelven in den berg gevat en behoorden zij mede tot de rots; en op de roode daken trilt de schaduw der groote eiken, zwevend tusschen hemel en aarde, als reusachtige vogels bij de klauwen vastgeketend. Op sommige plaatsen is de vereenzelviging van het huis en de rots zoo volkomen, dat de eene zonder het andere schier niet kan gedacht worden en zij elkander aanvullen. Men weet bijna niet meer, waar het huis eindigt en waar de rots begint: deze laatste dient als fondament, als steunmuur, als wand; des avonds hangen de bewoners hunne kleederen op aan de in den rotswand geslagen krammen, juist zoo als gij en ik onze kleederen ophangen aan een in den muur onzer kamer geslagen kapstok.

Hoog boven hunne hoofden stijgt, als een reuzentrap, de geweldige steenmassa ten hemel, zoo hoog, dat de huizen aan den voet des bergs, van boven gezien, niet meer schijnen dan paddestoelen, uit den grond opgeschoten. De machtige berg beschermt en bedreigt hen tegelijk: hij dekt hen schuttend tegen den bliksem, tegen den storm, tegen de koude; maar van tijd tot tijd verplettert hij hen onder zware steenblokken, die met donderend geraas langs de hellingen naar beneden rollende, hier een schoorsteen verbrijzelen, daar een dak verscheuren, eenige boomen vernielen en eindelijk den weg met hoopen gruis bedekken.

Hier heerscht de berg en van zijne luimen is de mensch afhankelijk. Voortdurend zweeft hij in gevaar door zijn vreeselijken nabuur verpletterd en onder stortend puin begraven te worden: is het niet, als schouwt de sombere, overhangende rotswand met dreigenden blik neder op de nietige wezens, die niet schromen zich aan zijn voet te nestelen? En toch--zoo groot is de zorgeloosheid of het stil vertrouwen van den mensch, dat de twintig of dertig gezinnen, op deze gevaarlijke plek gevestigd, hier rustig blijven wonen, zonder zich erg te bekommeren om hun geduchten nabuur. Eene oude vrouw, die in de Maas groenten spoelde, en met wie wij over de mogelijkheid van een ongeluk spraken, antwoordde ons, dat de bewoners van Frênes, behoudens enkele uitzonderingen, tot dusver waren gespaard gebleven, en dat er dus geen reden bestond om voor het vervolg een onheil te duchten.

