Wandelingen door België De Aarde en haar Volken, 1886
Part 7
Doch beneden, nu eens stil den voet der rotsen lekkende, die zij op andere tijden als woedende draken bespringen, dartelt en stoeit en zingt het vroolijke koor der rivierkens. Hier wellustig de hellingen omarmend der bergen, wier rotsachtige krijtwanden en dichte boomgroepen zij in haar kristallen wateren weerspiegelen; elders zich een weg banende door de trillende treurwilligen, waaronder de azuren insekten zweven en dansen;--overal ziet gij ze, tallooze slingeringen beschrijvende, zich verliezende in het malsche groen der weiden, om dan weer nieuwsgierig voort te dartelen langs den grooten weg, in zijn bochtigen gang vaak niet minder grillig dan zij zelven.
Haar aantal is legio: daar hebt ge, behalve de Molignée, de Hermeton en de Viroin, die haar naam gegeven hebben aan de valleien welke zij besproeien, de Yves, de Biert, de Flavion, de Acoz, de Brouve, en al die andere beekjes met haar welluidende namen, die als de dochters van eene zelfde familie, allen den gemeenschappelijken naam dragen van Eau. Overal hoort ge ze babbelen en neuriën, als de nooit zwijgende muziek, de zilveren lach van het landschap: aan het suizen van den wind in het ritselend gebladerte paren zij het zoet gekweel der fluitspelende sylfen in het riet langs haar boorden; en de rotsen, die eenzame reuzen, op wier schedel de donkere kroon van den nooit stervenden ouderdom rust en die eeuw in eeuw uit in zwijgenden ernst de jaren over zich heen voelen glijden, zij zien neder op de vroolijke kinderen, uit hun somberen schoot geboren, die aan hun voet huppelen en dartelen, en in hun blijde sprongen met milde hand parelen en diamanten strooien om zich heen.
Volg ze op haar baan, deze wandelaarsters: zie hoe zij den zilveren draad van haar heldere wateren al verder en verder ontspinnen te midden van de stille landschappen, van al de zoete liefelijkheden der natuur: schaduwrijke kreekjes, nestjes van groen, fluweelige weiden met bloemen bestikt, amphitheaters van bosschen tegen de berghellingen gebouwd, woeste ravijnen in de rots uitgesneden, telkens afwisselende panorama's en vergezichten, ongedachte verrassingen bij iedere kromming; eene opeenvolging van _dissolving views_ in eindelooze verscheidenheid elkander verdringende, maar zoo als de onuitputtelijke natuur alleen ze voor de oogen tooveren kan. Volg ze op haar baan, die dichterlijke zwerfsters, die van niets meer gruwen dan van de rechte lijn; volg ze met vreugdevol vertrouwen, zij zullen u--'t is waar, niet langs den kortsten weg, maar langs ongebaande, nauw vermoede paden, dolend en dwalend als de knaap die onwillig naar de school gaat en ieder voorwendsel aangrijpt om zich op te houden;--ja, zij zullen u brengen naar stille plekjes, waar ge droomend nederzit en het u zijn zal, als hoordet ge duidelijk het loflied, dat bergen en rotsen, wouden en velden, vlakten en dalen, rivieren en beken, onverpoosd opzenden naar den hoogen hemel, die zich zegenend uitbreidt over de bloeiende aarde.
Als ge Chimay verlaten hebt,--Chimay, waar verval en verlatenheid hunne tenten hebben opgeslagen sedert de vroolijke hofhouding der prinsen verdween; Chimay, waar op het kleine plein het standbeeld verrijst van den genialen verteller, den onnavolgbaren kroniekschrijver Jean Froissart, die in het koor der kerk den eeuwigen slaap slaapt;--en als ge achter u de bosschen laat liggen, waarin nog de echo's zweven van al deze gloriën van een grootsch verleden, en de reusachtige vijvers, waarop weleer vergulde gondels dreven en waarlangs nu de eenzame reigers starend uitzien naar hunne prooi;--dan ontmoet ge weldra op uw pad een zingend en murmelend beekje, waaraan men zeker ter wille van de zilveren helderheid van zijn water, den naam gegeven heeft van Eau-Blanche. Dit is de eerste dier levende idyllen, wier zoete zang u van alle zijden in de ooren dringt, de eerste althans die ge ontmoet als ge uit Henegouwen komt, en als ge, om uw tocht door de Ardennen te beginnen en de provincie Namen te bezoeken, al aanstonds uwe schreden richt naar den doolhof der valleien, en langzaam, zonder eenige overhaasting, uwe voetreis vervolgt, om u, zooals het behoort, gaandeweg vertrouwd te maken met de schoonheden van het landschap, met het eigenaardig karakter der natuur om u heen. Ge zijt er immers met mij van overtuigd, dat een reiziger, die inderdaad het land dat hij bezoekt, wil zien en leeren kennen, geen hooger en duurder plicht heeft dan dezen: dat hij zich ten strengste onthoude van ooit een voet te zetten in een spoorwagen of wat daarop gelijkt?
Kom aan, laat ons deze moderne inrichtingen vergeten: wij gaan wandelen. Al voortgaande, keuvelende, rondziende, luisterende, zijn wij een weinig het spoor bijster geworden: wij zullen hier even stilhouden bij deze schaapskooi en de deur een weinig openstooten. Maar niet te snel en niet te ruw: laat ons den jeugdigen zanger niet storen, die uit volle borst een lied zingt van de bergen, op die eigenaardige, half weemoedige, slepende wijze, die, vooral op zekeren afstand, zoo liefelijk klinkt en zoo aangenaam het oor streelt, als eene muziek, zwevende op den adem van het koeltje en altijd door ruischende als een nooit eindigend lied. In den warmen gouden nevel, die de schemerende ruimte vervult, ontdekt ge het blozende gelaat van den knaap, die naar u toekomt en op wiens gebruinde wangen, in wiens donkere oogen ge kracht en gezondheid leest. Misschien begrijpt ge zijne aanwijzing niet volkomen: geen nood, hij is aanstonds bereid, u te vergezellen en u weer op den rechten weg te helpen. Wij treden dan uit de van gloed doortintelde schemering naar buiten in het volle zonlicht; en terwijl de rotsen zich in statigen ernst ter wederzijde van den weg scharen, terwijl de meerlen fluiten in het lage hout en de klaprozen gloeien in het schrale gras, begint de vroolijke, levenslustige knaap u allerlei geschiedenissen te vertellen. Hij verhaalt u van Jean, den molenaar, wiens rad ge daar ginds achter de treurwilgen knarrend wentelen hoort, en die, oud vrijer, sedert vijftien jaren vergeefs uitziet naar eene bruid zijner keuze; van Martinette, de dochter van den herbergier van het dorp, die de preutsche uithing en die toch ten vorigen jare zich vergat met een mijnheer uit de stad; van het ongeluk dat den postbode van een naburig dorp overkwam, die door zijn eigen karretje overreden werd; eene ramp, waarvan de herinnering nog wordt bewaard door den met mos begroeiden steen, dien hij u wijzen zal; maar hij weet ook te verhalen van geheimzinnige verschijningen en geesten, die, in sommige nachten, rondzwerven om de oude gebroken muren, die ge hoog boven uw hoofd, op den top der rotsen, tegen den blauwen hemel hunne grillige lijnen ziet teekenen. Ja, zoo ge eenigszins zijn vertrouwen weet te winnen, zal de flinke knaap u ook zijne eigene geschiedenis vertellen en u deelgenoot van zijne zoete geheimen, zijne wenschen en verwachtingen maken. Onbeduidend gebabbel, waaraan het niet de moeite waard is, eenige aandacht te schenken. Het zij zoo: maar toch altijd belangwekkender en aangenamer om te hooren, dan het oorverdoovend ratelen der wielen over de rails of het demonisch fluiten van de stoompijp.
Zoo is het met de Eau-Blanche en met al die andere beekjes, wier leven--want hebben zij geen eigen leven, dat geheimzinnige leven, dat de ouden, die de natuur zooveel beter verstonden en gevoelden dan wij, verzinnelijkten in hun nimfen, hun sylfen en najaden?--zoo innig gemengd is met het nederig en eenvoudig bestaan dezer landbewoners. Midden door de dorpen, van deur tot deur, stuwen zij haar heldere wateren voort, waarin de huismoeders haar groenten en haar linnengoed wasschen, waarin de runderen hun dorst lesschen, als zij den kop opheffende, van den breeden muil sprankelende diamanten laten droppelen. In die murmelende beekjes plassen en dartelen de eenden met haar jongen, zoo pas aan het broedende nest ontsnapt; in dien kristallen spiegel weerspiegelt zich het rimpelig gelaat van het oude grootje, nevens het rozige kopje van haar kleinkind, dat het eene handje uitstrekt om de vlugge vischjes te vangen en met het andere zich vastklemt aan grootmoeders boezelaar. En wanneer ge, de dorpen achter u latende, het vrije veld ingaat, dan zullen de beekjes, dartelend langs den voet der heuvelen, u heenvoeren naar de eenzame hoeve, verloren te midden der velden, naar de grot, die ginds den donkeren muil openspert, naar den ontmantelden en ontkroonden burcht, die als met ijzeren klauwen in de rots geworteld staat.
Met de Eau-Blanche wandelt ge door vlakke velden, langs heuvelen en rotsen, bespiedt ge in de vroege morgenuren het ontwaken der sluimerende dorpen: hier Aublain, Vaux, Lompret, ginds Boussu-en-Fanges, verder Mariëmbourg, een oude vesting, wier wallen zijn gesloopt en wier grachten zijn gedempt, zelfs geene ruïne meer, niets dan een groepje kleine lage huizen, waartusschen de koeien haar weg zoeken, als zij des morgens naar de weide gaan. Richt uwe schreden oostwaarts: daar troont Fagnolles, de zeshonderdjarige ruïne, die met hooghartigen weedom schijnt neer te blikken op het diepe verval der stad van Maria van Hongarije, nu niets meer dan een doodsch gehucht. Zij zelve, de eerwaardige ruïne, zij mag met fieren trots haar wonden en bressen vertoonen, en haar gebroken torens en geschonden muren ten hemel beuren, als de nog onverwoeste herinneringen aan haar roemrijk verleden.
Overal, op dezen alouden historischen bodem, vindt ge de sporen van den voortijd: de talrijke adellijke burchten zijn niet meer dan steenhoopen, en op de plek, waar weleer zoo menige kleine krijgshaftige vesting stond, drijft de landman thans den ploeg door den grond. Van Sautour, de stad met de zestien torens, zoo als de kronieken haar noemen, is niets meer over dan enkele brokken muurs. Maar al is de oude burcht verdwenen, soms, als te Couvin, van welks rots het eens zoo geduchte kasteel broksgewijze naar beneden is gestort, soms hebben de huizen en de straten nog iets van het oude karakter behouden. Eene zuster van de Eau-Blanche, aan wie men om haar van de vele andere beken te onderscheiden, den overigens geheel onverdienden naam van Eau-Noire heeft gegeven, deelt het stedeke in twee helften, en weerkaatst in haar heldere wateren menig aardig, ouderwetsch, overhangend geveltje. Dan klauteren de smalle steegjes tegen de rots omhoog en brengen u eindelijk boven op de kruin van de donkere steenmassa, waar eene herberg de plaats vervangt van den ouden feodalen burcht.
Eene niet onaardige anekdote knoopt zich aan de verwoesting van deze sterkte. De geweldige jager, die toen over Chimay regeerde, Jean de Croy, ontzag zich niet, naar het schijnt, om met zijne honden te gaan jagen in de bosschen van Couvin en zich alzoo meester te maken van wild, waarop hij geen recht had. Deze minachting van hun recht ergerde en verbitterde de poorters der stad, die eindelijk besloten, den roover in eene hinderlaag te vangen; en te oordeelen naar een onlangs ontdekt dokument, gingen zij daarbij al even ongegeneerd te werk als de adellijke strooper zelf. Op zekeren dag dan, toen de graaf weer in de bosschen van Couvin jaagde en, door zijn ijver medegesleept, in vollen ren voortdraafde, zoodat hij geheel van zijn lieden gescheiden was, schoten die van Couvin gemaskerd op hem toe, grepen de teugels van zijn paard, hielden hem tegen, knevelden hem en bonden hem een doek voor de oogen. Zoo trokken zij met hem heen en weder door het bosch tot omstreeks het vallen van den avond, zoodat het scheen als hadden zij hem ver weg gevoerd, en brachten hem eindelijk, buiten medeweten van de andere burgers, op het kasteel van Couvin, waar zij hem in een donker hok in een der torens opsloten. Daar wierp men den gevangene een weinig water en brood toe, om hem alzoo langzamerhand van gebrek te doen sterven. In dien kerker bracht de graaf zeven jaren door, zonder dat zijne echtgenoote of iemand anders van zijn gezin eenige tijding ontving, daar ieder meende dat hij door roovers was vermoord of door wilde dieren verscheurd; hij zelf wist ook niet, waar hij gevangen werd gehouden, noch om welke reden, zich verbeeldende dat hij zich op grooten afstand van Chimay bevond, waarvan hij toch ter nauwernood drie mijlen verwijderd was.
Eindelijk erbarmde de hemel zich over den martelaar. In zijn kerker, die in de rots was uitgehouwen, bevond zich eene nauwe spleet, waardoor hij eenig licht ontving; en aan den voet dier spleet lag eene kleine vlakte, waar een knaap de schapen hoedde. Deze knaap vond er vermaak in, met zijn handboog te schieten en aan te leggen op die kleine opening in de rots: na verschillende vruchtelooze pogingen gelukte het hem eindelijk, een pijl door het gat te schieten. Toen hij nu naderbij kwam en zijn arm in het gat stak om zijn pijl te halen, greep de graaf hem bij de hand vast; de jongen huilde en schreeuwde, maar de graaf bracht hem tot bedaren, sprak vriendelijk met hem en vroeg hem waar hij was; en van den knaap vernomen hebbende, dat hij te Couvin was, verzocht hij den jongen, zijn vader te roepen.
Wat nu volgt is min of meer raadselachtig. Bij het weinige licht, dat door de opening in de rots drong, schreef Jean de Croy een brief aan zijne echtgenoote, haar dringend verzoekende, dat men hem nu aanstonds zou komen verlossen. Hoe en waarmede schreef hij dien brief? Het oude verhaal meldt daaromtrent niets; en met reden: immers wat zou er van de legende terecht komen, als er niet iets geheimzinnigs in deze jammerlijke geschiedenis overbleef? Kortom, de herdersjongen belastte zich met de bezorging van den brief en ontmoette de gravin, juist toen zij over de ophaalbrug van het kasteel ging om zich naar de mis te begeven. Op het zien van het schrift van haar echtgenoot verbleekte de dame en zonk in de armen harer vrouwen; maar weldra kwam zij weder tot zich zelve en zond dadelijk het bevel naar de zeventien dorpen der heerlijkheid van Chimay, dat alle gewapende mannen moesten opkomen om hun heer te verlossen. Spoedig wemelt het op de wegen van gewapenden, de pieken blinken in den zonneschijn; twee kanonnen rollen zwaar dreunend over den weg, en de geheele drom slaat het beleg voor Couvin, welks burgers niets van dien onverwachten aanval begrijpen. Wat willen die lieden toch? "Onze heer is daar opgesloten, en kwijnt sedert zeven jaren weg in een afschuwelijk hol!" roepen die van Chimay, de vuist dreigend opgeheven tegen den burcht. De verbaasde poorters, die nog altijd niets wisten van de vangst, door eenigen hunner in de bosschen gemaakt, en niet vermoedden welke vorstelijke prooi daar in de rots gevangen zat, beklimmen in vliegende haast de trappen die naar het kasteel leiden, openen de deur van den kerker en geven de vrijheid weder aan den hoogen baron, die haastig uitgaat en nu op zijne beurt niet rust, voor hij het kasteel tot gruis geschoten heeft. Na dit voorval herbouwden de poorters van Couvin hunne rotsvesting niet meer.
VIII
Weldra vervolgt de Eau-Noire haar grillige wandeling door de velden en dalen, haar kristalheldere wateren met zoet geluid voortstuwende over de bemoste steentjes in haar ondiepe bedding; maar eensklaps verandert de idylle in een somber drama. De liefelijke beek, in wier klaren spiegel zich het blauw des hemels en de bloemekens langs den zoom weerspiegelen, verdwijnt eensklaps bij den _pont d' Avignon_, een met dien populairen naam gedoopten berg, die daar juist gereed schijnt te staan om het arme, roekelooze rivierke, dat hem onbedacht in den mond loopt, met een hap te verslinden.
Nu verneemt men in vier-en-twintig uren niets van de Eau-Noire: immers, men heeft uitgerekend dat zij vier-en-twintig uren noodig heeft, om weer te voorschijn te komen uit de duistere afgronden, waarin zij wellicht aan allerlei mishandeling ten prooi is. Als zij eindelijk, aan de andere zijde van den berg, weer aan het daglicht treedt, dan kookt en schuimt haar water: siddert de teedere najade nog bij de herinnering aan hetgeen haar in de diepte weervoer? Maar weldra herstelt zij zich weer: haar water wordt weer helder, en zingt weer haar vroolijk lied, en weerkaatst weer den reinen blauwen hemel en de bloemekens langs haar zoom.
Deze geheimzinnige roman speelt te Nismes, een vlek, door het gansche land bekend van wege een oud gebruik, dat nog aan de riddertijden herinnert. Het is namelijk te Nismes oude zede, wanneer een huwelijk gesloten wordt, dat de hoofdlieden der jongelingschap voor het kerkportaal het bruidspaar afwachten, bruid en bruidegom met gekruisten degen tegenhouden en niet doorlaten, voor de jonkman een lint van het kleed der bruid losgemaakt en met eigen hand op de borst van een der ridders vastgehecht heeft. Echter kan de man--maar dit is zeker een later inkruipsel--die schatting tegen eene zekere som afkoopen.
Nabij Dourbes vereenigen de Eau-Blanche en de Eau-Noire haar wateren en vormen te zamen de Viroin, die de overschoone vallei van gelijken naam gaat besproeien. Dadelijk neemt het landschap een ruwer en romantischer karakter aan; de rotsen worden steiler, en op den top van een loodrechten rotswand troont, als een vooruitgeschoven wachtpost, eene schilderachtige ruïne: de bouwval van het kasteel Haute-Roche, dat het lot deelde van zoo vele andere feodale burchten in het land tusschen Sambre en Maas, en door de kogels van het fransche geschut werd vernield, toen de gewapende benden van Hendrik II als een sprinkhaanzwerm neerstreken op de valleien, overal moord en verwoesting verspreidende.--Maar beneden, aan den voet der dreigende rots, vloeit de Viroin in stille bekoorlijkheid en weerspiegelt in haar heldere diepte den donkeren rotswand en de geteisterde ruïnen, met haar sombere herinneringen van geweld en bloedstorting. Wat is zij nu anders, de eens zoo geduchte veste, dan een motief in de romantische dekoratie van het idyllische landschap?
Konden wij over de noodige ruimte beschikken, hoe gaarne zouden wij u uitnoodigen, met ons te dolen door die liefelijke valleien tusschen Maas en Sambre, zoo rijk aan het meest afwisselende natuurschoon. Maar wij moeten ons beperken en kunnen slechts voor enkele punten uwe aandacht vergen.
Een groote weg, die de Hermeton doorsnijdt en naar Stave voert, ontmoet bij Rosée en niet ver van haar oorsprong, de kleine, pas geboren beek de Molignée, die met haar tallooze krommingen, van Foy tot Moulins, de naar haar genoemde vallei vormt, zeker een der schoonste en liefelijkste van de geheele streek. Ook hier teekenen zich, schier zonder eenige onderbreking, ter wederzijde, de groote kantige profielen der ernstige rotsen, als in het harnas vergrijsde krijgers, schouder aan schouder geschaard. En altijd, in het dal, het zangrig lied van de beek, het geklepper der wentelende molenraderen, die fonkelende diamanten strooien; voorts de steenachtige voorde, waar de koeien, ter halver lijve in het murmelende water stappende, gaan drinken; de waterkers, trillende op de rimpeling des waters; de stuwen waartegen de golfkens schuimend koken, en langs den oever de knoestige wilgen, wier saamgeweven takken als een gordijn van groen vormen, waar de roodbruine rotsen doorheen schemeren.
Te Foy voert een niet al te steile helling naar het plateau, waarop zich de ruïne verheft van het oude kasteel van Faing, in de twaalfde eeuw gebouwd, in de veertiende veranderd, en dat nu meer bekend is onder den schoonklinkenden naam van Montaigle. Is het niet, als hoordet ge, op den klank van dien naam, de echo der schetterende trompetten, als de heer van de jacht of van den oorlog--eene andere soort van jacht--teruggekeerd, de houten ophaalbrug opreed en door zijne dienstmannen feestelijk ontvangen en met gejubel ingehaald werd. Ze zijn als geknipt voor een of ander schokkend romantisch verhaal, eene geschiedenis als van Blauwbaard, die schilderachtige ruïnen, als een arendsnest tronende op den top van eene steile rots. Nog hangen de trappen hier en daar tegen de zware muren der torens en klauteren, wentelend en draaiend naar boven, en brengen u plotseling op eene of andere tinne, als opgehangen in de ledige ruimte en van waar uw blik den ganschen omtrek overziet, en wel in de eerste plaats den geschonden, ontwapenden steenklomp aan uwe voeten. Toch moet de ruïne van Montaigle in grootsche epische majesteit onderdoen voor de indrukwekkende overblijfselen van menigen anderen burcht uit het heldentijdvak der feodaliteit, van die geduchte vestingen, waarin de fiere krijgshaftige baronnen zelfs koningen trotseerden. Het slot, waarvan wij de bouwvallen overzien, dagteekent uit later tijd, toen de feodaliteit bereids ten ondergang begon te neigen en de ridder maar al te vaak in den roover opging. Maar, spreekt de overlevering waarheid, dan heeft deze rotsheuvel heugenis van nog ouder dagen, en zou hier eenmaal Quintus Cicero zijn kamp hebben opgeslagen, waarvan de sporen eeuwen lang bleven bewaard.
Als ge van de ruïne den omtrek overziet, dan dwalen uwe blikken over eene zee van groen, waar tusschen en waarboven, als voorgebergten in den oceaan, grillig gevormde rotsen uitsteken, die aan de eene zijde met steile helling in het dal afdalen, en aan de andere samenhangen met de hooge plateaux, waarop de korenaren golven en die tot aan de oevers der Maas reiken. Terwijl ge dit eigenaardige landschap overziet, luistert ge onwillekeurig naar het harmonisch ruischen van de Molignée, dat, vermengd met het ritselen der bladeren, als eene zoete muziek uit de diepte van het dal u tegenklinkt. Hoe bekoorlijk het landschap ook zij, toch draagt het eenigszins een ernstig karakter: niet verre immers is de antieke kloof der Flavion, het eerste voorhistorische station des lands. Daar, in de opengescheurde ingewanden der aarde, vond men in vijf grotten of spelonken--den trou du Sureau, den trou de l'Erable, den trou Phillippe, den trou du Chêne en den trou du Lierre--merkwaardige en hoogst belangrijke overblijfselen uit het tijdperk van den mammouth en het rendier. Als ge van Montaigle naar Dinant wilt gaan, moet ge dien weg volgen: na de kloof verlaten te hebben, klautert ge omhoog naar Haut-le-Wastia, een groot vlek, op het hoogste punt van het plateau, van waar ge langs golvende hellingen ongemerkt afdaalt naar de eerwaardige ruïnen van Bouvignes, in de onmiddellijke nabijheid van Dinant.
Maar wij hebben nu lang genoeg buiten rond gewandeld, het is tijd weder de steden op te zoeken: wij zullen dus onze schreden richten naar Namen, de hoofdstad van dit land van rotsen en wouden, en ons punt van uitgang kiezen in het smalle dal, waarboven de romantische ruïne van Montaigle oprijst. Eene kleine wandeling brengt ons naar Walcourt, eene oude heerlijkheid, wier geschiedenis opklimt tot de elfde eeuw, en wier fraaie gothische kerk wijd en zijd beroemd is wegens het wonderdoende beeld van Onze-Lieve-Vrouwe, dat zij bevat.
Omstreeks zeshonderd jaar geleden, werd het heiligdom eensklaps door het vuur aangetast; maar godvruchtige handen redden het beeld der verhevene schutsvrouwe uit den vuurpoel en bergden het veilig in de holte van een boom. Toen het gevaar geweken was, trachtte Thierry, graaf van Rochefort vergeefs het beeld uit die tijdelijke bergplaats te verwijderen om het weder in de kerk te plaatsen. De edelman bad en smeekte te vergeefs, tot zijn paard zoo geweldig begon te steigeren, dat hij bijna ter aarde was gevallen. Nu begreep de graaf dat Onze-Lieve-Vrouwe iets meer van hem vorderde en hem bijzondere genade bewijzen wilde: als door een hemelschen lichtstraal getroffen, zag hij wat hem te doen stond, en deed hij op het eigen oogenblik de gelofte, de abdij du Jardinet te zullen stichten. Nauwelijks had hij deze gelofte afgelegd, of het beeld liet zich gewillig medevoeren. De boom, die tijdelijk ten verblijve strekte aan Onze-Lieve-Vrouwe van Walcourt, is sinds lang ontbladerd: maar telken jare wordt op nieuw de herinnering gevierd van het mirakel, en groent op nieuw de legendarische linde op de eigen plek, waar de oude boom eenmaal stond.