Wandelingen door België De Aarde en haar Volken, 1886

Part 5

Chapter 5 3,594 words Public domain Markdown

En hoe zouden wij ze mogen vergeten, de schilderachtige ruïnen van Mariemont, dien prachtigen burcht, waar Maria van Hongarije, de zuster van Karel V, haar schitterend hof hield? Koning Hendrik II van Frankrijk, wiens kasteel van Folembray in Picardië, op last der landvoogdes in de asch was gelegd, wreekte zich, door bij een onverhoedschen inval, door de nachtelijke duisternis begunstigd, het paleis van Mariemont te vernielen en aan de vlammen prijs te geven. Toen de morgen aanbrak, was het prachtige kasteel verdwenen; maar op het rookend puin had eene onbekende hand de woorden geschreven:

"_Royne folle! souviens toi de Folembray!_"

Het kasteel werd later onder Albertus en Isabella herbouwd en tot vorstelijke residentie verkoren. Bij den inval der Franschen in 1794 werd het op nieuw, en nu voor goed, verwoest.

V

Van den top van den Drieëenheidsberg, die zijn breeden rug opheft uit de vlakke velden van het oude Tournaisis, het Doorniksche gebied, tusschen de Dender en de Schelde, met zijne vier steden en zijne drie-en-tachtig dorpen; van den top diens bergs ziet men, uitstekende boven de daken, de vijf hooge, vierkante torens van Onze-Lieve-Vrouwe van Doornik (zie bladz. 61). Schoon zij eenigermate wegduiken in den nevel, die den horizon omhuift, toch maken zij indruk door hunne forsche afmetingen en hunne stoute verheffing; uit het hart der doorluchtige, eerwaardige stad beuren zij hunne spits ten hemel, als een wegwijzer in het schemerend verschiet van het verre, verre verleden.

Inderdaad, in het oude België is daar geene oudheid te vergelijken met die van Doornik. Wij staan hier bij de bakermat van de fransche monarchie; evenals de groote rivieren, wier bron op een vergeten plek in de bergen, uit den rotsigen bodem opwelt, ver van de landen die zij met haar overvloedige wateren drenken, zoo ontkiemt de heerlijkheid en roem der oude fransche kroon aan het barbaarsche hof dier frankische koningen, die, van Chlodion tot Chilperik, hun zetel hebben in het Tornacum van de vijfde eeuw. Maar dit kleine volk, weldra gestaald in de harde leerschool van den krijg, was tot eene groote taak geroepen; en het bewees die roeping waardig te zijn, toen het, in de verwarde tijden der ontbinding van het Romeinsche rijk, met beslistheid en zelfbewuste kracht op den voorgrond trad en straks, onder de germaansche volkeren, den eersten rang wist in te nemen en de erfenis van Rome voor zich dorst te aanvaarden. Dit ging evenwel niet zonder bittere beproeving en harden kamp: in 451 werd de ontluikende frankische koningszetel door Attila verwoest; vier eeuwen later werd de oude stad de prooi der Noormannen.

Sedert was Doornik als het ware de aangewezen weg, dien de legers, uit het noorden of het zuiden komende, volgden, dood en verwoesting verspreidende op hun schreden; en meer dan eens scheen het, als ware de geteisterde en ter dood gewonde stad onherroepelijk veroordeeld om in wanhopige stuiptrekkingen te bezwijken. Maar het leven was krachtig en taai in die oude geslachten; mettertijd sloten de wonden zich weder, de krachten keerden terug, en het bloed stroomde weer als van ouds door de aderen; beschermd door haar nieuwe wallen, die de plaats der gesloopte muren hadden vervangen, zal Doornik eeuwen lang nieuwe lauweren winnen in schier rusteloozen krijg, nu eens tegen de Vlamingen alleen, dan tegen de Engelschen en de Vlamingen te zamen, tegen Hendrik VIII en Karel V, tegen Parma, tegen Lodewijk XIV, tegen Lodewijk XV. Niets kan haar moed buigen: de gevaren, waaraan zij telkens is blootgesteld, de rampen die haar treffen, de belegeringen die zij ondergaat, voeren haar geestdrift telkens hooger op. De vrouwen wedijveren in onversaagdheid met de mannen en sneuvelen op de wallen, met de wapens in de hand, liever dan zich over te geven. In het midden van de tegenwoordige stad, op het verwonderlijke schoone plein, dat met recht haar forum mag worden genoemd, waar nevens Onze-Lieve-Vrouwe de Belfroot fier zich opheft, prijkt het standbeeld van Christine van Lalaing, prinses van Epinoy; en het monument ter eere der heldhaftige edelvrouw vereeuwigt tevens de herinnering aan den wanhopigen tegenstand, dien de kloeke stad, twee maanden lang, aan den hertog van Parma bood: zestig vrouwen en meisjes en drie-en-dertig knapen sneuvelden in den woedenden kamp. Deze eeuw was tevens het tijdperk van den hoogsten bloei der nijvere stad; volgens Guicciardini en Strada dankte zij haar voorspoed vooral aan haar twee-en-zeventig groote gilden; haar lakens waren wijd en zijd beroemd, en nog tegen het einde der zeventiende eeuw wordt zij eene groote, rijke en prachtige stad genoemd. De krachtvolle, energieke burgerij ook van deze gemeente onderscheidde zich niet minder door haar dapperheid en lust tot avonturen, dan door haar werkzaamheid en rustelooze vlijt. Niet minder dan elf ridders van Doornik namen, met tal van mannen van wapenen, deel aan den eersten kruistocht; kinderen van Doornik vormden, in oorlogstijd, de lijfwacht der koningen van Frankrijk, die in deze stad steeds een trouwe bondgenoote vonden. In de gelederen der beroemde bonden van ordonnancie, die zoo geduchte ruiterij, namen de poorters van Doornik een eersten rang in; en een niet minder talrijk contingent leverden zij aan die schitterende spaansche infanterie, die tot op den dag van Rocroy voor onverwinlijk gold en wier glorierijke dood Bossuet heeft verheerlijkt. De koning van Frankrijk, Karel VII, loonde de trouw en de gehechtheid der poorters van Doornik, door aan de stad het recht te schenken, aan haar wapenschild de drie koninklijke leliën op azuren grond toe te voegen, die daar nog heden prijken als eene nobele herinnering aan haar grootsch en roemrijk verleden. Niet altijd evenwel was, bij veranderde omstandigheden, de verhouding tusschen de fransche monarchie en de henegouwsche stad zoo hartelijk; en de herinnering aan Karel VII weerhield Lodewijk XV niet, om na de zegepraal bij Fontenoi, het een oogenblik opgeheven beleg van Doornik met alle kracht voort te zetten, en de rampzalige stad bijna te bedelven onder de veertigduizend bommen, die zijne vuurmonden in rustelooze woede over haar uitbraakten.

Als door een wonder ontsnapte Onze-Lieve-Vrouwe aan dien verdelgenden regen van vuur en ijzer, waarin het laatste overschot van de vroegere welvaart der eens zoo bloeiende stad te gronde ging. Maar reeds vroeger had die welvaart een onherstelbaren knak gekregen: voor Doornik, als voor zoo menige andere stad in de zuidelijke Nederlanden, waren de noodlottige troebelen en oorlogen der zestiende eeuw een keerpunt in haar geschiedenis. Door een aantal harer burgers verlaten, aan wanorde en innerlijke verdeeldheid ten prooi, fel belegerd, zonk zij gaandeweg al dieper; haar bevolking nam af en haar rijkdom smolt weg. Toch, wie weet, was die sluimer misschien voor haar, als voor het overige belgische land, eene weldaad: deze rust, volgende op zoo langdurige en heftige beroering, op zoo koortsachtige opwinding vaak, gaf gelegenheid om de uitgeputte krachten te herstellen en alzoo gereed te zijn, om, als de ure van het ontwaken sloeg, den nieuwen arbeid met frissche kracht en vurigen moed aan te vatten.

Heden ten dage althans is Doornik, dat in de laatste jaren geheel van gedaante is veranderd en het voorkomen eener vroolijke, bezige, moderne stad heeft aangenomen, een der eersten op het gebied van intellektuëele en materiëele ontwikkeling. Nog altijd evenwel leeft in haar de oude krijgshaftige geest, en nog steeds schenkt zij aan het belgische leger eene breede schaar van zijne beste officieren. Voor het overige heeft zij eene volkomen herschepping ondergaan. Vroeger zag de reiziger, die haar naderde, een woud van torens voor zich oprijzen: zij telde toen niet minder dan elf parochiale kerken en vier-en-twintig kloosters en abdijen, bewoond door duizend monniken en nonnen. Nu beurt zij niet langer haar vijftig torens ten hemel; maar nog steeds is haar aanblik indrukwekkend; en wie haar betreedt voelt zich aangenaam aangedaan door de werkzaamheid en de onbekommerde vroolijkheid der bevolking, die haar welvaart geniet en door de eeuwen heen haar onverstoorbaar goed humeur heeft weten te behouden.

Op de helling van den heuvel, die de stad bestrijkt, verrijst de indrukwekkende kathedraal van Onze-Lieve-Vrouwe, haar vijf donkere torens ten hemel heffende, als eene edele gedachtenis aan de roemrijke middeleeuwen. Van welken kant men haar ook nadere, steeds is zij even reusachtig en verheven, en beheerscht zij, in haar onbewegelijke majesteit, de stad die aan hare voeten rust, veilig in de schaduw harer vleugelen. Inderdaad is de kathedraal van Doornik het schoonste monument der romaansche architektuur, dat België bezit; zij gelijkt onder geen enkel opzicht op de tooverachtige architektonische scheppingen der gothische kunst: hier treedt de soliditeit in de plaats der dekoratie, het getal en de massa vervangt den weelderigen rijkdom en de bevallige lichtheid. Maar deze kerk is grootsch en reusachtig; haar vijf torens, in het midden van het gebouw saamgegroept, zijn indrukwekkend als de pyramiden. Dit monument draagt den onmiskenbaren stempel van die stoere en kloeke mannen van het Noorden, van die mannen, wier sterke handen, nadat eenmaal hun gemoed zich voor den invloed van het Christendom had geopend en de kerk hen met haar geest gezalfd en doordrongen had, uit den chaos eene nieuwe wereld schiepen en gedenkteekenen oprichten, onvergankelijk als het marmer, waaruit zij ze optrokken.

De beperkte ruimte, waarover wij beschikken kunnen, maakt het onmogelijk, eene ook maar eenigermate volledige beschrijving te geven van de kathedraal: trouwens, mannen van talent hebben geheele boekdeelen geschreven om dit wondervol monument in al zijn rijkdom en verscheidenheid te doen kennen: en nog is, naar het schijnt, de stof niet uitgeput. Overweldigend is de indruk, wanneer men door den hoofdingang der kathedraal binnentreedt. De grootsche afmetingen van het majestueuse gebouw; de strenge en sobere eenvoud van het ernstige romaansche schip, dat aan een klooster doet denken; de majesteit van het transept en de weergalooze grootschheid der beide absiden, waarvan men naar waarheid heeft kunnen getuigen, dat geene enkele romaansche of byzantijnsche kerk in geheel Europa iets dergelijks heeft aan te wijzen; de verbazende stoutheid, de ideale verheffing en zwevende lichtheid van het koor, een wonderwerk der gothiek; de kleurenpracht der rijk geschilderde ramen; het contrast zelfs der verschillende stijlen, waardoor het monument in verscheidenheid wint wat het aan eenheid verliest: dit alles werkt samen om van de kathedraal van Doornik een der schoonste en merkwaardigste gewrochten te maken, ons door de heerlijke kunst der middeleeuwen nagelaten: een dier gewrochten, wier aanblik voldoende is om ons al onze kleinheid te doen gevoelen.

Wel zijn, zoo als ik zeide, van de vijftig torens, die vroeger het oog trokken van den reiziger, als hij zijne schreden naar Doornik richtte, er eenigen verdwenen, maar toch blijven er nog genoeg over om te getuigen van den vromen, godsdienstigen zin der voorgeslachten, die zich ook uitsprak in zoo menig eerwaardig heiligdom, om de majestueuse kathedraal van Onze-Lieve-Vrouwe gegroept. De Sint-Jacob draagt nog in haar geheelen bouwstijl de sporen van het tijdperk van overgang tot de eigenlijke gothiek. Sint-Piat en haar vierkante toren met drie rijen rondboogvensters; Sint-Quentijn, waar de strenge soberheid van het romaansche schip eene zoo aangrijpende tegenstelling vormt met de sierlijke elegantie van het gothische koor; Sint-Nicolaas, de overoude kerk, zoo bij uitnemendheid schilderachtig in haar verval: zij allen staan daar om de Onze-Lieve-Vrouwe-kathedraal geschaard, niet minder eerwaardig, ook zij, door haar ouderdom en haar nobele traditiën. Dit geldt vooral van de aan Saint-Piat gewijde kerk, wel waarschijnlijk de oudste van allen; naar men meent, gebouwd op de plek, waar weleer een heidensche tempel stond. Ge kent de legende van Sint-Piatus? Hij was een romeinsch soldaat, die als martelaar voor zijn geloof werd onthoofd. Nadat de doodelijke slag gevallen was, richtte het lichaam van den martelaar zich weer op; hij nam het afgehouwen hoofd in zijne handen, verliet, door engelen geleid, Doornik en begaf zich naar Seclin, waar hij ter aarde werd besteld. Dat wonder wekte zoo groote verbazing, dat niet minder dan vijfduizend heidenen zich op dien stond bekeerden.

Men zou somwijlen in verzoeking kunnen komen, Saint-Piat te verzoeken, zijne wandeling nog eens te hervatten: want--het valt niet tegen te spreken--de oude vrome geest is voor een goed deel uit Doornik geweken, en eene zeer gedunde schare vergadert hier nog onder de vleugelen der Kerk, van wier macht en heerlijkheid zoo vele monumenten getuigen. Doornik is--om voor een oogenblik in krantenstijl te spreken,--een van de "bolwerken" van het belgische liberalisme; en haar oude heiligdommen zijn voor een deel van haar bevolking alleen nog maar belangwekkend als historische monumenten. Bovenal echter is Doornik, en met volle recht, trotsch op haar majestueuse basiliek, waarvan de vijf torens--de "choncq clochiers", in het onbevallige doorniksche dialekt--zoo innig saamgeweven zijn met haar geschiedenis en eene voorname plaats bekleeden in alle liederen en gezangen, die in den mond des volks voortleven.

Maar niet minder trotsch is de stad op haar schoone, haar ruime Grand' Place, waar de fiere moed en de heldhaftige vrijheidszin der oude gemeente nog schijnt voort te leven in het beeld dier Christine van Lalaing, dier kloeke prinses van Epinoy, die in de oogen van het volk als het ware eene soort van patronesse der stad is geworden, de type van den alouden schitterenden riddermoed en hoogen ridderlijken zin. Dit forum van een krijgshaftig volk is overigens uitnemend geschikt, om met en nevens de strenge indrukwekkende kathedraal eene breede plaats te beslaan in de herinneringen, die een volk, dat zich zelven acht en voor de toekomst leven wil, nooit mag vergeten, nooit mag laten uitwisschen of verdringen.

Keizers en koningen, machtige vorsten en grooten der aarde hebben op dit plein den indruk hunner voetstappen achtergelaten--helaas! maar al te menigvuldig ook een spoor van bloed. Dikwijls werd de eer om deze gekroonde hoofden te mogen herbergen, gekocht voor den prijs van den vrede naar buiten of de rust van binnen, als de stad werd gemengd in twisten en oorlogen, die haar eigenlijk vreemd waren, en waarbij haar belang niet of slechts voor een gering deel was betrokken. Maar ook hier, als elders, was dit plein het hart, het brand- en middelpunt der stad, waar haar eigen leven zich het krachtigst openbaarde, waar iedere groote of beslissende gebeurtenis in hare historie òf voltrokken werd òf haar spoor achterliet. Hier was het dat het volk, op het gelui van de alarmklok der Belfroot, zich vereenigde om het gevaar van een overval te bezweren, te wapen te snellen tegen Engelschen of Vlamingen, maatregelen te treffen voor de verdediging der stad;--hier, dat de volkshartstochten kookten als de baren eener stormachtige zee;--hier eindelijk, dat het geweten van een getergd volk zich uitte in de rochelende geluiden van de slachtoffers der inquisitie, die er onder de wreedste folteringen het leven lieten. De "steenen man", die, onbeweeglijk op een der hoeken van het plein geposteerd, zoo menigmaal de zegekreten der uit den strijd wederkeerende poorters vernam, was niet minder vaak getuige van deze menschonteerende handelingen en beestachtige wreedheden.

Als de golf zich bij ebbe terugtrekt van het strand, zoo is de donkere vloed der eeuwen sinds lang teruggekeerd in de breede bedding der historie, niets achterlatende dan dien trotschen toren van den Belfroot, als een zwijgend getuige van het verleden. Van de vele monumenten der aloude fiere gemeenten, die wij achtervolgens in oogenschouw hebben genomen, is deze een van de oudste en eerwaardigste. De hooge boognissen aan de vier zijden behooren tot den oudsten tijd der gothiek, en de toren rijst omhoog met die fiere kracht en slanke bevalligheid, die de torens der kathedralen uit denzelfden tijd kenmerkt. Het plein, sinds eeuwen bewaakt door dien steenen wachter, die noch door de vijandelijke bommen, noch door het vuur, noch door de stormen werd gedeerd, draagt nog in geheel zijn voorkomen dat karakter van eerbiedwaardige oudheid, dat schilderachtige en aantrekkelijke, dat aan het hart en middelpunt der eeuwenoude stad past: de torens van Onze-Lieve-Vrouwe, het portaal van Sint-Quentyn, de gevel in renaissance-stijl van de oude Lakenhal, het standbeeld van de prinses van Epinoy--zij vormen, met den Belfroot, een dier verwonderlijk schoone stedelijke dekoraties, waaraan België zoo rijk is.

Maar het oude Doornik heeft ook nog andere herinneringen achtergelaten. Op den hoek van de rue des Cordes wijst men u een prachtigen gevel, die zeker, met de Korenhal van Gent, tot de oudste monumenten van den romaanschen stijl in het geheele land behoort. Voorts de Pont des Trous, eene voormalige waterpoort, ongeveer zeshonderd jaar geleden gebouwd: de brug bestaat uit drie spitsbooggewelven, die twee torens verbinden en op twee pijlers in de Schelde rusten; ongelukkig zijn de torens gemoderniseerd en verbouwd, en heeft men ook door andere onhandige restauraties het karakter van het monument geschonden. Deze brug maakte vroeger deel uit van de vestingwerken der stad; daartoe behoorde ook de toren van Hendrik VIII, het eenig overgebleven stuk van de citadel, die de koning van Engeland, nadat hij zich in 1513 van Doornik had meester gemaakt, liet bouwen om de stad in bedwang te houden. Dit kasteel besloeg eene aanzienlijke uitgestrektheid on mocht welhaast eene stad op zichzelve genoemd worden: het bevatte eene kerk, een hospitaal, een aantal woningen en eene munt. Zorgvuldig bewapend, ruimschoots van geschut voorzien, was dit kasteel van Hendrik VIII bovenal verderfelijk voor de financiën der stad: zij moest eerst voor den bouw der citadel vijftigduizend kronen aan den koning van Engeland betalen, en later van den koning van Frankrijk voor tweehonderd-duizend gulden de vergunning koopen om het kasteel te mogen afbreken. Wellicht zijn ook van den zwaren toren, die alleen van de vesting overbleef, de dagen geteld.

VI

De reiziger die te Brussel aan het Zuiderstation in den spoortrein is gestapt, ziet, als hij de boschen van Ghlin heeft verlaten, eene door kanalen doorsneden vlakte zich voor zijne oogen ontrollen, en aan den gezichteinder een toren, op eene hoogte gebouwd, benevens de verwarde massa eener zee van daken, zich uitstrekkende naar alle richtingen. Mons! roepen de conducteurs; en na het station te zijn doorgegaan, ziet hij voor zich eene breede straat, die weldra smaller wordt, en dan ombuigende en kronkelend, door vaak mikroskopische trottoirs omzoomd, eindelijk uitloopt op een ruim plein, waarop het stadhuis verrijst. Deze onregelmatige, smalle, slecht geplaveide straat is toch de voornaamste der stad, waar de meeste drukte en levendigheid heerscht. Hier vindt men de fraaiste winkels en magazijnen, wier bontkleurige, opzichtige uitstallingen u herinneren dat ge in eene provinciestad zijt. Op markt- en feestdagen verdringen zich ook in deze straat de scharen van mannen en vrouwen uit de Borinage, de sombere mijnwerkers, voor wie Mons als het ware de hoofdstad is van dat donker schimmenrijk, waarin zij hun leven slijten.

Tweemaal in het jaar vooral stroomen zij, in dichte scharen naar de stad, om daar pret te maken: ter gelegenheid van de jaarmarkt van Sinte-Barbara en bij de kermis van Trinitatis. De jaarmarkt van Sinte-Barbara, die veertien dagen duurt, is nog in den vollen zin des woords een volksfeest, waaraan niet alleen de bevolking der stad, maar ook de buitenlieden volop deel nemen. De kleine burgerij en de dorpelingen wachten nog steeds op die gelegenheid om allerlei inkoopen te doen aan de kramen, die waalsche, vlaamsche en fransche kooplui op de Grand' Place hebben opgeslagen; en dat niettegenstaande te Mons, als overal, de goedkoope winkels en "schellingsbazars," naar men zou zeggen, de jaarmarkt overtollig en onmogelijk hebben gemaakt, door zelven eene soort van altijddurende kermis te organiseeren. En toch: telkens verschijnen ze weer, die zwervende kooplui, die nomaden van den handel, die levende relikwiën van een anderen, lang vervlogen tijd; telkens bouwen zij op het plein een klein en schilderachtig stadje van huizen van zeildoek, planken en geschilderd papier, waar vlaggen, bonte uitstallingen, schilderijen in schreeuwende kleuren, brommende opschriften, verlokkende affiches medewerken om de voorbijgangers te lokken, wier gemoed zoo zelden tegen deze bekoringen bestand blijft. Kramen, tenten, spellen vormen eene dichte massa, waartusschen slechts smalle paden zijn open gelaten voor de bezoekers, die elkander daar dag aan dag verdringen.

Ik zal mij niet ophouden met eene beschrijving van deze kermis, die zich alleen daardoor van de vele andere kermissen in het vroolijke Belgenland onderscheidt, dat hier, vooral op de dagen als de extra-treinen de drommen uit de Borinage naar de stad voeren, de dolle uitgelatenheid alle grenzen en perken overschrijdt. Dan levert de kermis, met name tegen den avond, een schouwspel op, waarvan het maar beter is, niet in bijzonderheden te spreken. Het zij genoeg te zeggen, dat geene fatsoenlijke vrouw zich dan op straat kan vertoonen.

Maar Mons heeft meer dan zijn kermissen: het heeft den Doudou; en evenals Doornik, voor haar kinderen, de stad is van de "Choncq Clochiers", zoo is Bergen--want laat ons nu ook maar den dietschen naam noemen--de stad van den Doudou, die als de verpersoonlijking mag gelden van haar historie, van haar roem en trots.

Tenzij men geloof wil hechten aan de legende van den befaamden draak van Wasmes, die omstreeks 1133, door Gilles de Chin werd gedood, is het zeer wonderbaarlijke gevecht van Sint-George met den Lumeçon wel niet anders dan eene nog altijd voortlevende herinnering aan eene of andere vertooning der confrerie van Sint-George, die gaandeweg van karakter is veranderd en toch aan den geest der traditie getrouw gebleven.--Den avond voor den grooten dag heeft men op de Grand' Place het terrein afgebakend, waarop de drakendooder zijn heldendaad volvoeren zal. De heilige wordt doorgaans voorgesteld door een of anderen vroolijken onderofficier van het te Bergen in garnizoen liggende paardevolk, die met de geheimen der rijkunst vertrouwd is, en die, het hoofd gedekt met een gevederden helm en de borst omschanst met een kuras, het monster den doodelijken slag moet toebrengen. Maar die overwinning wordt niet zonder moeite en inspanning behaald: telkens en telkens, met de logge beweging van een om zijn as draaienden toren, wendt en keert zich de draak in den circus en tracht de vlugge bewegingen te verijdelen van den dapperen ruiter, die tegelijk aanvallen en zich verdedigen moet.