Wandelingen door België De Aarde en haar Volken, 1886
Part 4
Dit alles is zeker uitmuntend en voortreffelijk; en men moet zonder eenige aarzeling den ijver, de toewijding en de goede bedoelingen prijzen van hen, die dit alles in het leven riepen en, naar hun oordeel, niets onbeproefd lieten om de onvermijdelijke noodlottige en verderfelijke invloeden en werkingen der moderne industrie te keeren, en den voortgang van het kwaad te stuiten. Toch--ik mag het niet verzwijgen--is bij mij menigmaal de vraag gerezen, of aan al dien arbeid, aan al die inspanning, aan al die opoffering en toewijding niet iets ontbreekt, eene hoofdzaak ontbreekt: en of niet door het gemis van dat ééne, al het andere in het eind zal blijken ijdel en vergeefs te zijn geweest? Voorzeker, deze industrieelen en ingenieurs zijn geen grove materialisten, die meenen dat voor den mensch alles gedaan is, wanneer hij eene goede woning en overvloedig voedsel heeft, wanneer hij trouwen kan en kinderen verwekken; neen, zij weten en begrijpen dat hij ook geestelijke behoeften heeft, zij trachten zijn verstand te ontwikkelen, den kring zijner kennis uit te breiden, het licht der wetenschap ook op den werkman te doen schijnen. Maar, voor hen, immers voor de meesten hunner, is dat dan ook genoeg: dat intellektueele ontwikkeling en zedelijkheid, dat kennis en karakter al zeer weinig met elkander hebben uit te staan; dat het bezit van het eene niet den minsten waarborg oplevert voor de aanwezigheid van het andere; dat althans voor de overgroote meerderheid eene bloot verstandelijke, wetenschappelijke beschaving zonder zedelijk-godsdienstigen grondslag, zonder positieve religieuse overtuiging, inderdaad geene beschaving, maar eene verniste barbaarschheid, niet eene weldaad en zegen, maar veeleer een vloek en een zeer groot gevaar is:--ziedaar eene waarheid die, naar ik vrees, ook hier, als elders, al te zeer uit het oog wordt verloren. Zou het niet in de eerste plaats daaraan zijn toe te schrijven, dat juist onder die zoogenoemd verlichte en ontwikkelde arbeidersklasse, juist in die kringen der half-cultuur--veel erger en veel gevaarlijker dan volslagen onwetendheid--het socialisme zijne vurigste predikers en ijverigste aanhangers telt?
Maar in dergelijke vragen, hoe gewichtig ook, hebben wij ons hier niet te verdiepen. Overigens zou men zich zeer vergissen, indien men den toestand der bevolking van deze geheele streek ging afmeten naar enkele bevoorrechte dorpen, waar de voorgang en de werkzaamheid van eenige welwillende en menschlievende patroons een weldadigen invloed heeft uitgeoefend op het lot der arbeiders. Overal elders, waar die invloed zich niet heeft doen gevoelen, komt de oorspronkelijke ruwheid aan den dag, die bij de eerste aanraking uwe sympathie voor den ongelikten, onvriendelijken, brutalen en ontevreden werkman op eene harde proef stelt. Wanorde en zorgeloosheid kweeken en bevorderen de armoede, die weder op haar beurt eene gansche sleep van ellende en verkeerdheid medebrengt.
Wie nu echter niet als moralist of wijsgeer, maar enkel als kunstenaar deze bevolking gadeslaat, zal getroffen worden door eene krachtig geteekende individualiteit, door zekere oorspronkelijkheid en een waas van sombere poëzie, waardoor deze ruwe, misdeelde menschen zoo goed passen bij de omgeving, bij de woeste, onherbergzame, ruwe fysionomie van dit land van nimmer poozenden, buitensporigen arbeid. De aard zelf van dit leven in de ingewanden der aarde of tusschen de gloeiende fornuizen en smeltovens der pletterijen en glasblazerijen, schijnt hen als van nature voor te bestemmen tot zekere natuurlijke ruwheid en woestheid: zij maken bijna den indruk van wezens tot eene andere, lagere orde behoorende, gedoemd tot den onophoudelijken strijd met de elementen en de onbewuste krachten der natuur. De donkere teekening die ik, naar waarheid, van de Borinage heb opgehangen, past ook volkomen op dit eenmaal zoo schoone land, waarvan de industrie eene huilende wildernis heeft gemaakt, dat zij heeft misvormd, verscheurd, geteisterd, omgekeerd, en van alle natuurschoon, van alle frischheid en leven beroofd.
Echter zou ik u een verkeerden indruk van deze streek geven, indien ik ook niet wees op de bewonderenswaardige orde onder deze schijnbaar chaotische wanorde, en op de weergalooze bekwaamheid, waarmede de industrie van dat verwoeste land heeft weten partij te trekken voor haar middelen van gemeenschap en vervoer. Als een reusachtig spinneweb strekken de spoorwegen naar alle kanten en in alle richtingen hunne tallooze rails uit, die de fabrieken en werkplaatsen verbinden met de lijnen van den staat. De onophoudelijke donder der voortsnorrende treinen doet den grond beven, bruist door de tunnels, ratelt over de viaducs; en dit oorverdoovend geraas vermengt zich met het knarsen en kraken van duizenden karren op de sintels en het steengruis der wegen; met de kreten der voerlieden, die hun vracht op- en afladen; met de beweging en het rumoer van de drukke scheepvaart op de Sambre en het kanaal van Brussel naar Charleroi: twee belangrijke waterwegen, waarlangs de produkten van deze reusachtige werkplaats tot in de uiterste deelen des lands en naar den vreemde worden vervoerd.
Ik zal mijn lezers niet in de fabrieken rondleiden. De bezichtiging van dergelijke inrichtingen, pletterijen, smeltovens, glasblazerijen en hoe ze meer mogen heeten, is toch alleen voor den deskundige van belang en heeft ook alleen voor hem eenige aantrekkelijkheid. Geen deskundige zijnde, gevoel ik nooit eenigen aandrang om zulk eene fabriek te gaan bezichtigen; gebeurt het mij eene enkele maal dat ik haar drempel moet overschrijden, dan is de algemeene indruk in de hoogste mate onaangenaam, en wensch ik niets liever dan dit lokaal, waar oog en oor, gevoel en smaak om het zeerst worden gekwetst en beleedigd, zoo spoedig mogelijk te verlaten. Welnu, ik zal mijn lezers die kwelling besparen; wij hebben nu waarlijk lang genoeg over de industrie gesproken, en keeren van harte gaarne tot aangenamer en belangrijker onderwerpen terug.
IV
De verwonderlijke scheppingen der hedendaagsche wetenschap, de alles verdringende werkzaamheid der industrie, ze mogen ons niet verhinderen een blik te werpen op het verleden van het land, waarop de nieuwere tijd zoo machtig zijn stempel heeft gedrukt, maar waar de sporen en herinneringen van vroeger eeuw gelukkig toch nog niet geheel zijn uitgewischt. Trouwens, eene ontwikkeling als waarvan wij getuigen waren, is alleen mogelijk op een grond, sedert lang door menschen bewerkt en door hun zweet gedrenkt: en de bodem van Henegouwen heeft heugenis van tijden, nog ouder dan de oudste historische herinneringen.
In de Borinage heeft zich tot op onze dagen een type bewaard, wezenlijk verschillende van dien in het overige deel der provincie, en die door den gelaatsvorm en de breede vierkante schouders eenigszins herinnert aan de soldaten der romeinsche legioenen, die in deze streken de pionniers waren der beschaving. Op de plek, waar thans Bergen, de hoofdstad der provincie, is gelegen, bevond zich weleer een van die talrijke versterkte legerplaatsen, zooals de soldaten van Caesar overal in het veroverde land aanlegden. Zoo vlecht de oude traditie een band tusschen de moderne cyclopen, die in de mijnen en smelterijen arbeiden, en de bouwers van waterleidingen en militaire heirbanen, wier werk, de eeuwen tartende, nog bijna overal in Henegouwen in stand is gebleven. Maar hoe eerbiedwaardig ook, deze traditie zelve rust op de overblijfselen eener nog veel oudere traditie, die langen tijd in den schoot der aarde verborgen bleef, als het geheim van een verdwenen geslacht, dat bij zijn verdwijnen van de aarde iedere herinnering aan zijn bestaan mede had willen nemen in het graf der eeuwige vergetelheid, waarin voor en na alle geslachten der menschen verdwijnen.
Toen de mijnwerkers, die onophoudelijk op hun ontdekkingstocht in de duistere diepte het eeuwenen eeuwenoude graf schenden, waarin de versteende overblijfselen slapen van de geheimzinnige reusachtige wouden der voorwereld,--van welker omvang men zich eenigszins een flauw denkbeeld zal kunnen vormen, als men bedenkt dat de dikte van de steenkolenlaag in het bekken van Bergen veertig meters bedraagt, en dat, volgens nauwkeurige berekening, onze dichtste wouden na verloop van eene eeuw niets meer zouden opleveren dan een enkele schop kool van acht millimeters dikte!--toen de mijnwerkers de eerste bladzijden aan het licht brachten van het geheimzinnige boek, waarop de hand der natuur zelve de geschiedenis der aarde heeft geschreven, en men daarop de gewijde teekens begon te ontcijferen, toen kwam het wel bij niemand op, dat het immer mogelijk zou zijn, op deze diepte onder de bewoonde aarde sporen te vinden van den mensch.--En toch, naarmate men met meer ijver en nauwgezetheid deze relikwieën bestudeerde eener oorspronkelijke wereld, ontdekte men in de diep bedolven lagen, die eenmaal, in de verre schemering der eeuwenreeksen, de bovenkorst der aarde hadden gevormd, de sporen van een menschelijken voetstap. En die sporen volgende, kwam men langzamerhand tot de ontdekking van menschelijke woonplaatsen, afkomstig uit een tijd, waaraan iedere andere herinnering reeds bij den aanvang van hetgeen wij het historische tijdperk noemen, verloren was. In de provincie Namen vond men voor het eerst het geheimzinnig spoor van den voorhistorischen mensch. Op het zware gordijn, waarachter zich voor ons het verleden verbergt, vertoonden zich eensklaps de geheimzinnige omtrekken van een volk van schimmen, in wie het toch onmogelijk was de menschelijke gedaante niet te herkennen; van wezens, die hoe laag zij naar onze schatting ook mogen staan, toch met ons dezelfde menschelijke natuur gemeen hadden, even als wij aan de wet van lijden en smart waren onderworpen, en wier lot, als het onze, buiten hun toedoen geregeld werd door die eeuwige machten, tegenover wie wij even weerloos staan als zij. Pompeji, eeuwen lang onder de asch bedolven, herrees op zekeren dag uit haar graf, en toonde ons een menschengeslacht, te midden van de werkzaamheid en genietingen des levens plotseling in den dood gestort. Zoo vond men in de grotten en spelonken van de Lesse en de Hermeton, onder de asch der tijden en der geslachten, de sporen van eene primitieve wereld, aan welke het denkbeeld van maatschappelijk leven nog vreemd schijnt te zijn geweest.
In Henegouwen kan het nieuwsgierig onderzoek niet zoo ver terug gaan. Op het punt, waarop hier de geodesische waarnemingen en ontdekkingen ons gebracht hebben, vindt men reeds een begin van beschaving en ontwikkeling; in den strijd om het bestaan--die van den aanvang af gepaard ging met moord en bloedstorting--in dien bitteren strijd bediende deze primitieve maatschappij zich van de wapenen, die haar de aarde zelve verschafte. De eerste arbeid van den mensch, liever de eerste kunstindustrie--begin en oorsprong van alle anderen--is gericht op de vervaardiging van doodelijke wapenen, die hij in de eerste plaats keert tegen het gedierte, dat hem het leven betwist en dat hij zich tot voedsel neemt, en vervolgens ook tegen zijn medemensen. Gedreven door de harde noodzakelijkheid om in zijn levensonderhoud te voorzien, scheurt hij den moederschoot der aarde open, die hem tot dusverre met haar planten en wortels gevoed heeft, maar zijne wassende begeerlijkheid niet meer bevredigen kan. Te Spiennes, niet ver van Bergen, heeft men, diep onder den grond, een aantal steenen voorwerpen en gereedschappen gevonden, buiten eenigen twijfel door de hand der menschen bewerkt. Tusschen Dour en Bergen, midden in het centrum der moderne industrie, heeft men zeven putten ontdekt, die blijkbaar gediend hadden voor de exploitatie van vuursteen. Bestond toen reeds in deze streken een brandpunt van industrie?
In later eeuw, toen het geslacht dezer alleroudste bewoners sinds lang was ondergegaan, kwamen de romeinsche legioenen, die het oude Gallië hadden overstroomd, ook in deze landstreek, waar zij de kiemen zaaiden eener beschaving en ontwikkeling met zoo forsche en taaie levenskracht begaafd, dat nog heden het geheele land vol is van de teekenen en herinneringen aan de werkzaamheid dier machtige kolonisten.
Sedert 1829, toen opgravingen te Montigny-sur-Sambre overblijfselen eener waterleiding aan het licht brachten, heeft men op tal van plaatsen genoeg sporen van den arbeid der Romeinen gevonden, om zich eenigermate eene voorstelling te kunnen vormen van den toestand dezer streek tijdens de heerschappij der onsterfelijke wereldstad. Zeker moet men hier geen monumenten verwachten als in het land van Trier; deze bodem, waarin sinds eeuwen onophoudelijk werd gegraven en gewroet ter opsporing van metalen, eigende zich slecht voor de schepping en vooral de instandhouding van schoone kunstgewrochten; maar hetgeen men, onder de eeuwenheugende laag van asch en sintels en slakken gevonden heeft, hoe misvormd en geschonden ook, toont ons toch duidelijk, hoe ook hier het zoo verwonderlijke organiseerende en scheppende genie van Rome werkzaam is geweest om dat ruwe land van rotsen en ondoordringbare wouden te herscheppen en te ontginnen, ongeveer op dezelfde wijze als Caesar de ruwe natuur der Nerviërs bedwong en beschaafde, die bij zijne verschijning de streek bewoonden. Op verschillende plaatsen vond men graven en werden geheele nekropolen bloot gelegd. Te Presles--waar, naar de vrij algemeen aangenomen meening, de gedenkwaardige, zoo moorddadige veldslag geleverd werd, waarbij zestigduizend Nerviërs aan de legioenen van Caesar de zege betwistten,--vond men veertig gallo-romeinsche grafsteden. Te Aiseau ontdekte men een geheel kerkhof. Te Marcinelle ziet men reeds op vrij grooten afstand eene groote tombe, waar boven een boom oprijst: ook deze tombe is van romeinschen oorsprong. Te Gerpinnes brachten de opgravingen eene villa aan het licht, bestaande uit drie gebouwen met eene onderaardsche kamer, vermoedelijk een lararium, waarheen een trap van eenige treden toegang gaf, en die, te oordeelen naar de kruisen tusschen de nissen, later voor de christelijke eeredienst moet zijn gebruikt.
Deze verre herinneringen zijn echter niet de eenigen, die bij eene wandeling door het henegouwsche land worden opgewekt.
Henegouwen was van ouds de zetel van een machtigen en schitterenden adel, waaronder vele geslachten, wier namen door de historie met onsterfelijken roem zijn gekroond. Welke schromelijke verwoestingen de moderne industrie ook hebbe aangericht, zij heeft niet overal de sporen kunnen uitwisschen van de machtige feodaliteit, die haar forschen stempel op het land drukte en overal hare burchten oprichtte. Nog vindt ge in dit gewest menig vorstelijk park, menigen ouden feodalen burcht, menig historisch kasteel: fiere, hooge huizingen, bij wier aanblik ge het rusteloos rumoer, de razende drijfjacht van het moderne leven, den woedenden strijd der industrie vergeet: zij doen u denken aan de kalme, statige, half-koninklijke levenswijze dier hoog-adellijke geslachten, die niet noodig hadden, in halsbrekenden wedstrijd, te zwoegen en te draven om eene positie in de maatschappij, welke hun van zelve toekwam, om het goud, dat van zelf naar hunne paleizen vloeide.
Ginds, in een uithoek der provincie, schuilt, half in de uitgestrekte bosschen van zijn prachtig park verloren, het in gothischen stijl gerestaureerde kasteel van Chimay, waaraan zich nog de herinnering hecht van madame Tallien, die de hand wist te verwerven van een prins van Chimay.--Elders Enghien, het eenmaal zoo prachtige kasteel, waar Voltaire toefde en waar een hertog van Arenberg, naar de mode van de achttiende eeuw dwepende met Jean-Jaeques Rousseau, een soort van kluis,--maar eene kluis met vijftien à twintig kamers en het overige naar evenredigheid--liet bouwen. De aloude hooge heerlijkheid van Enghien was in vroeger tijd het eigendom der Luxemburgs en der Bourbons, en behoort tegenwoordig aan de familie van Arenberg. Het kasteel met het park werden door de fransche republikeinen verwoest en sedert niet meer hersteld. Slechts enkele gebouwen zijn nog hier en daar overgebleven; en het park, waarin nog de echo's schijnen om te zweven van vorstelijke jachtpartijen en schitterende feesten, keert langzamerhand tot den toestand van een natuurwoud terug, zoo als het was voor vijf eeuwen, toen Pieter van Luxemburg dit uitgestrekte terrein met een muur liet omgeven. Van het oude kasteel is niet veel meer over dan de voormalige kapel, die nu geheel op zich zelve in een weiland staat. Hoe schilderachtig is haar aanblik, nu de natuur haar groenen mantel van klimop en kamperfoelie om de oude muren heeft gedrapeerd. Treedt haar binnen, door de gebeeldhouwde eiken deur, en werpt een blik op die rijke versiering, die beeld- en schilderwerken langs alle muren; op het altaar met zijne oude schilderijen in den trant der eerste duitsche meesters; op het uit hout gesneden en geschilderde altaarblad; op dit zonderling aangrijpend geheel, waaruit een geur van oudheid en eerwaardigheid, van rust en kalmte u tegenkomt.
Sommigen van deze adellijke huizingen schijnen welhaast in diepen sluimer verzonken, wegschuilende in de schaduw hunner eeuwenheugende wouden, en, even als het betooverde paleis der Schoone Slaapster, wachtende op de herleving van haar blijde, schitterende, glorierijke jeugd. De portretten der voorouders, in de statige vertrekken, in de breede gangen en portalen opgehangen, schijnen weemoedig neer te zien op de eenzaamheid en verlatenheid van het heden, zoo treurig afstekende bij de beweging en de vroolijke drukte eener schier vorstelijke hofhouding, waarvan die voorouders in hun tijd het middelpunt en het sieraad waren. Anderen daarentegen hebben nog iets overgehouden van het dreigend, krijgshaftig voorkomen der oude feodale burchten. Zoo, bij voorbeeld, het aan den prins van Ligne behoorende kasteel van Antoing, dat zijn zonderlingen toren zoo fier en schilderachtig opheft, omgeven door den wijden muur, waarvan het zware metselwerk, voor zoo ver het nog in stand werd gelaten, schijnt te getuigen van de aanvallen en bestormingen, die de trotsche burcht had te doorstaan. Binnen de wallen van dit kasteel werd in 1565 een prachtig tournooi gegeven, ter gelegenheid van het huwelijk van de dochter van den prins van Epinoy met den baron van Montigny. De bloem van den nederlandschen adel was bij dat feest tegenwoordig: onder anderen de graven van Egmond en Hoorne en de prins van Oranje. Drie jaren later werden de beide eersten op de markt te Brussel onthoofd; de bruidegom zelf, Montigny, eindigde zijn leven onder beulshanden in den kerker te Simancas; de prins van Oranje viel door het moordend lood van Balthazar Gerards.
Wie den naam van den prins van Ligne noemt, mag Beloeil niet vergeten, de vorstelijke residentie van dit vorstelijk geslacht: Beloeil, met zijn door Delille bezongen prachtige tuinen, de schepping van niemand minder dan Le Nôtre. Men heeft, en niet geheel zonder grond, tallooze malen den draak gestoken met dezen architekt der parken, met zijne symmetrische lanen, perken en heggen, met zijne smakelooze en kinderachtige misvorming der natuur. Maar wie over dezen stijl van tuinaanleg een billijk oordeel vellen wil, moet een park als dat van Beloeil hebben gezien, met zijne breede allée van een mijl lengte en zijn vijver van zes bunders, met zijn priëelen, zijn heggen en fonteinen en kunstwerken: alles even grootsch, even breed van opvatting, even vorstelijk van uitvoering. Want in gewone tuinen, op kleine schaal, inderdaad den indruk maakt van kinderachtigheid en suffenden wansmaak, dat verkrijgt hier een geheel ander karakter. Hier gevoelt ge het, dat eene machtige kunstenaarshand haar stempel op de natuur heeft gedrukt, het gansche landschap vervormd en gemaakt tot eene grootsche dekoratie, tot de levende uitdrukking, het tastbaar beeld van dat architektonisch ideaal, dat den kunstenaar voor den geest zweefde. Van zulk een park was het vorstelijk kasteel het middelpunt: de lanen met haar geschoren heggen waren de voortzetting van de gangen en galerijen van het kasteel; de rijk versierde salons vonden hun wedergade in de kunstige berceaux en priëelen met hun marmerbeelden en vazen; geheel de aanleg leende zich uitstekend tot de volle ontplooiing dier rijke, statige pracht van de koninklijke en vorstelijke hofhoudingen uit de zeventiende en de achttiende eeuw.--Aan dien ouden tuin van Le Nôtre, dien de prinsen van Ligne den goeden smaak hebben gehad te bewaren, grenst de moderne aanleg, het zoogenoemde engelsche park, in zijn soort niet minder fraai, niet minder rijk aan schoone partijen en verrukkelijke gezichten.
Het inderdaad vorstelijke kasteel is een museum, niet alleen van kunstwerken, maar ook van zoogenoemde curiositeiten, waaronder voorwerpen van hooge historische waarde. Wij kunnen zelfs niet beproeven eenig denkbeeld te geven van dien schat, door de opvolgende geslachten hier bijeen gebracht en die alle zalen en vertrekken van het kasteel vult. Onder do schilderijen vindt men er van Rubens, Van Dijck, Dürer, Holbein, Velasquez, Caravaggio, Van Eyck, Cranach en andere beroemde meesters.--Tot de merkwaardigheden van Beloeil behooren vooral ook die twee afgelegen vertrekjes, die de bekende veldmaarschalk, prins van Ligne, als krijgsman en diplomaat beroemd, maar bovenal als de geestige, galante, fijn beschaafde held der hoven van Versailles, Weenen en Petersburg, die volmaakte type van den grand seigneur uit het laatst der achttiende eeuw--dus ook filosoof op zijne manier--bewoonde, en waar hij die Mémoires te boek stelde, waarin hij met een fijnen, sceptischen glimlach den ondergang eener wereld beschrijft.
Daar is in waarheid iets eerwaardigs, iets gewijds, in zulk eene bezitting, van eeuw tot eeuw in dezelfde familie verblijvende, van geslacht tot geslacht van vader op zoon overgaande, en aldus als het ware het zichtbaar teeken, het tastbaar symbool wordende van de eenheid, den roem, de glorie der familie, wier naam en wier leven als onafscheidelijk met dit domein verbonden is. Welk een schat van herinneringen bewaart dit eerwaardig kasteel, bewaart iedere kamer in het vorstelijk slot, ieder plekje in het wijde park. Het tegenwoordige geslacht hecht niet veel waarde aan de eigenaardige eigenschappen van geest en gemoed, van denkwijze en karakter, van de geheele persoonlijkheid, die door dit erfelijk bezit van rang en aanzien en macht, van eene vaste, door allen erkende hooge positie, gaandeweg worden gevormd en ontwikkeld en ten slotte haast niet minder een erfelijk bezit zijn dan de voorvaderlijke grond; het tegenwoordige geslacht hecht daar niet veel aan, ja, ziet daar laag op neer en wijst het liefst op de schaduwzijden van dit aristokratisch karakter; maar of deze geringschatting, deze vijandige minachting geene noodlottige dwaling is, die schromelijke gevolgen na zich moet sleepen,--ziedaar eene andere vraag. Wat ons aangaat, met eerbied en Avarme sympathie begroeten wij deze vorstelijke kasteelen met hun doorluchtige namen, hun nobele traditiën, hun historische herinneringen; met eerbied en stillen weemoed wandelen wij om door hunne zalen en galerijen, door hun parken en tuinen, waar bij iederen voetstap het schoon en roemrijk verleden tot ons spreekt. Wie weet hoe spoedig ook deze nobele monumenten van den ouden tijd door den wassenden zondvloed der sociale revolutie zullen worden verzwolgen!
Een groet aan Ecaussines-Lalaing, vroeger het eigendom der prinsen van Croy, nu van het doorluchtig geslacht van Arenberg; aan Ecaussines-d'Enghien, met zijne schilderachtige gothische kapel; aan Trazegnies, den eerwaardigen, door velerlei restauraties misvormden burcht, de aloude bezitting van een hoog en edel geslacht. Een groet aan die allen, voor het meerendeel halve ruïnen, maar ook in hun verval zoo schoon, zoo eerwaardig, zoo onuitsprekelijk aantrekkelijk en belangwekkend.