# Wandelingen door België De Aarde en haar Volken, 1886

## Part 13

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/wandelingen-door-belgie-de-aarde-en-haar-volken-1886-15403/index.md

Dit gemis van een toren schijnt welhaast eene eigenaardigheid der luiksche kerken te zijn: ook de schoonste onder haar ontberen dat zoo karakteristieke, zoo echt religieuse sieraad, zich slank en vertrouwend ten hemel beurende, als een fakkel, een hymne in steen, de mystieke Jacobsladder, waarlangs engelen op en neder klimmen en waarlangs de ziel tot God omhoog zweeft. Terwijl overal in Vlaanderen de kerk haar gebeeldhouwde steenen spits opheft in de blauwe lucht, steken hier slechts enkele oude massieve, gedrongen romaansche torens, onverwoestbaar als de rots, een weinig boven de daken uit. Omwentelingen en beroeringen, misschien ook gebrek aan geld, hebben belet dat de andere kerken in ten hemel stijgende torens haar natuurlijke voltooiing vonden. Naar men zegt bestaat het plan, om naast de Saint-Jacques een toren in denzelfden stijl te bouwen. Geen schooner en edeler sieraad ware voor Luik te bedenken. Overigens is men te Luik rusteloos bezig met het restaureeren, het bijwerken, het opschilderen en mooi maken van de kerken; zelfs moet erkend worden dat men daarin soms wat te ver gaat, tot schade van de eerwaardigheid.

Daarom is het goed een blik te werpen op de overoude tempels, streng en strak en als het ware gemummifieerd in hun eeuwenheugenden steenen mantel: Sint-Jan de Evangelist, Sint-Denys, verder Sint-Bartholomeus. Terwijl de eeuwen rondom alles hebben veranderd en medegevoerd, staan zij daar nog, de eerbiedwaardige kerken, als onkwetsbaar door den tand des tijds. Zij hebben nog bijna ongeschonden haar oorspronkelijk voorkomen, haar antiek romaansch karakter behouden; ja, soms zelfs nog gedeelten van den eersten bouw. Zoo bezit Sint-Jan, eene stichting van den geweldigen bisschop Notger, nog haar ouden byzantijnschen toren, en heeft zij nog, hoewel in de achttiende eeuw geheel herbouwd, den achtkantigen vorm bewaard, aan den dom van Aken ontleend. In deze kerk ziet men het grafteeken van Notger, wiens gebeente in de sakristie wordt bewaard.

Al deze kerken, oude en jongere, bezitten schatten en kostbaarheden, relikwieën en gewijde voorwerpen, die men niet verzuimen mag te zien. In de Sint-Paulus zal men u ivoren beeldwerk, triptyken, borduursels van goud en zijde toonen, benevens een borstbeeld van Saint-Lambert in verguld koper, een meesterstuk van smeedkunst; en de beroemde groep van Sint-George, van echt goud, voorstellende Sint-George, in staande houding en volle wapenrusting, met de eene hand zijn helm oplichtende en met de andere den schouder aanrakende van den hertog van Bourgondië, die geknield ligt en een soort van koker in de hand houdt, waarin een vinger van Sint-Lambert is verborgen. Karel de Stoute vereerde dit geschenk aan de kerk van Luik, bij wijze van boetedoening voor de gruwelen, bij de inneming der stad, in 1468, door zijne soldaten en op zijn bevel bedreven. Maar onder al deze kunstschatten is er wellicht geen, dat de vergelijking kan doorstaan met dat verwonderlijke doopvont, dat oorspronkelijk in de kathedraal van Sint-Lambert was geplaatst, maar sedert naar de romaansche kerk van Saint-Barthélémy is overgebracht, waar het nog steeds voor het toedienen van het sakrament des Doopsels gebruikt wordt. Het doopbekken wordt gedragen door ossen, die ter halverlijve uit het benedengedeelte te voorschijn komen en die voortreffelijk van bewerking zijn. Op de wanden van de kuip zelve zijn in relief tafreelen afgebeeld uit het Nieuwe Testament, allen op den doop betrekking hebbende. De vervaardiger van dit doopvont, de koperslager Lambert Petras, van Dinant, was ongetwijfeld een groot kunstenaar: hoe zou het hem anders gelukt zijn, zooveel natuurlijk leven, zooveel uitdrukking en diep gevoel te leggen in de kleine figuren, zoo juist en knap van teekening. Ge kunt het nauwelijks gelooven, dat dit kunstwerk uit het jaar 1112 dagteekent. Sommige figuren, met name de twee jongelingen over wie het heilige water wordt uitgegoten, hebben reeds de bevalligheid, de individualiteit van de eerste voorloopers der renaissance; de draperieën vallen in natuurlijke plooien om de gestalten, die zich met losheid en sierlijkheid bewegen.

XVI

Te Luik beslaan de kerk en het bisschoppelijk paleis de plaats, die elders wordt ingenomen door de belfroots en de stadhuizen, die de trots en de roem zijn der vlaamsche gemeenten. Het luiksche volk, dat in de werkelijke historie toch waarlijk geen onbeduidende rol heeft gespeeld en niet minder rumoerig en moeilijk te regeeren was dan de poorters van Gent of Brugge, treedt veel meer op den achtergrond in die monumentale historie, welke ons de eeuwen hebben achtergelaten. Hier is geen belfroot, wier klokkenspel een stem gaf aan alle aandoeningen, die het gemoed des volks in beweging brachten; en het raadhuis van Luik maakt in het minst niet den indruk van een dier fiere burchten der gemeentelijke onafhankelijkheid, zooals wij ze te Brussel, te Gent, te Leuven, te Oudenaerde, gezien hebben. Toch was het oude raadhuis, de _Violette_, ook hier dikwijls genoeg getuige van heftige beroeringen.

Want de geschiedenis van Luik is eeuwenlang in hoofdzaak niet anders dan het verhaal van de telkens opnieuw ontbrande worsteling tusschen den bisschop, den geestelijken en wereldlijken heer der stad, en de gemeente, de poorterij, steeds trachtende het gezag van den bisschop te beperken en voor zich zelve, zooveel eenigzins mogelijk, vrijheid van beweging en zelfregeering te veroveren. En bij die worsteling ging het vaak bloedig genoeg toe: de vreeselijke strafoefeningen, die Jan van Beieren (met den somberen bijnaam van Jan zonder Genade), de geduchte bisschop, en de hertogen van Bourgondië, Jan zonder Vrees en Karel de Stoute, de overwonnen stad deden ondergaan, wekken nog bij de herinnering een huivering van afschuw; maar vooral niet minder gruwelijk en niet minder bloedig waren de woeste uitspattingen, de toomelooze wraakoefeningen der razende burgers, wanneer het hun soms gelukte de ijzeren hand, die hen ten onder hield, voor een poos te verlammen. Overigens waren ook te Luik, als in zoo vele middeleeuwsche steden, de gemeentelijke rechten en vrijheden zeer uitgebreid, en was de burgerij in het bezit van eene mate van autonomie, waarvan wij ons thans kwalijk een denkbeeld kunnen vormen. Charters en keuren en privilegiën van allerlei aard, langs vredelievenden of gewelddadigen weg verkregen, den souverein afgekocht of afgedwongen, vaak ook vrijwillig verleend, beperkten ook hier, als elders, het gezag van den vorst binnen vrij enge grenzen; en de Luikenaars zorgden er wel voor, dat deze souvereiniteit in eigen kring geëerbiedigd werd. Het voorgeslacht was niet van oordeel dat de persoonlijke vrijheid genoegzaam gewaarborgd is, wanneer vele, of zeer vele, of zelfs alle burgers medewerken tot de samenstelling der wetgevende vergaderingen, die in den grond der zaak almachtig en onverantwoordelijk zijn en doen kunnen wat zij willen. Deze absolute staatsmacht was in hunne oogen de gevaarlijkste vijand; en om zich tegen dien vijand in veiligheid te stellen, zou een stembiljet hun al een bijzonder zwak wapen zijn toegeschenen. Zij schermden veel minder dan wij met het abstracte begrip der vrijheid, maar waakten met grooten ernst en ijver voor de handhaving hunner praktische vrijheden.

Maar deze politieke geschiedenis heeft te Luik geene zichtbare sporen achtergelaten, geen monumenten, die de aandacht en belangstelling van den vreemdeling kunnen wekken. De bekoring der stad ligt elders: in hare schilderachtig schoone ligging en omgeving, met haar rivier en haar grootsch amphitheater van heuvelen; in het labyrinth harer dooreen gewarrelde straatjes; in de trappen die zich midden tusschen de huizen inwringen; in de oude, met mos begroeide muren, de tuinterrassen langs de heuvelhellingen, met hun balustraden, kiosken en koepels, hun boschages en bloemperken; in dat leven in de open lucht vooral, dat grillige en onregelmatige, zoo zeer verschillende van de koude en banale symetrie onzer moderne hoofdsteden. En die bekoring ligt mede in de vroolijke opgeruimdheid en levendigheid van het volkskarakter, met zijn geestigen luim en dartelen spot; in de innemende voorkomende vriendelijkheid en gulhartigheid van dit volk, dat zoo gemakkelijk te winnen is en zoo weinig terughouding en stijfheid kent. De Luikenaar is een hartstochtelijk liefhebber van genot en uitspanning en vermaak: hij is een pretmaker, eene, zoo men wil, zinnelijke natuur; maar hij amuseert zich met gratie en kruidt zijn pret met de bloem der poëzie: hij heeft behoefte aan vroolijken kout, aan muziek, aan sierlijke vertooningen, aan al wat het oog bekoort en de zinnen streelt. Niemand heeft zoo goed als hij den slag om een feest te organiseeren on te animeeren: hij is een geboren impressario en raakt nimmer uitgeput. Daarbij een lacher, een opsnijder, een grootspreker, rumoerig en druk, met de spotternij op de lippen, maar ook met het hart op de tong, en zelfs in zijne dolste buitensporigheden zekere fijnheid, zekere distinctie bewarende, die anders den Walen niet eigen is. Ook de lagere volksklasse heeft, ondanks den harden arbeid waartoe zij gedoemd is, eene groote mate van opgeruimdheid en kinderlijke zorgeloosheid behouden, en daarbij eene zekere bruske en familiare beleefdheid, en eene dienstvaardigheid, die tegen geene moeite opziet.

Maar het vermaak dringt hier den arbeid niet op den achtergrond, noch voor de grooten, noch voor de geringen: de gansche week door gloeit en brandt de oven en gaan de machines op en neer, in beweging gebracht en bestuurd door hoofden en handen, en bij duizenden telt de industrie hier haar officieren en haar soldaten. En behalve deze machtige groot-industrie bezit Luik nog een anderen tak van nijverheid, die het alom beroemd heeft gemaakt: haar wapenfabrieken. De geweermaker is de echte werkman der stad, de populaire type bij uitnemendheid. Kwamen nog, als voorheen, de oude gilden onder de wapenen, dan zou het zijne welhaast een leger vormen: overal weerklinkt zijn hamerslag; gansche wijken zijn bijna eene groote wapenfabriek, waarvan elk huis een onderdeel vormt; mannen, vrouwen, kinderen, allen zijn van den morgen tot den avond in de weer om te vijlen, te schaven, te passen, te polijsten. In sommige straten dreunt onophoudelijk het plaveisel onder de zware wagens, met bergen van geweren beladen, en ziet ge achter elk venster kloeke figuren aan den arbeid, bezig met het smeden der moorddadige musketten. En de geweermaker, de wapensmid, is trotsch op zijn vak; zij vormen onder elkander nog inderdaad een soort van gilde, en willen volstrekt niet gelijk gesteld worden met andere ambachtslieden, van wie, naar zij meenen, veel minder ontwikkeling en bekwaamheid gevorderd wordt. Nu valt het niet tegen te spreken, dat in onze negentiende eeuw, die zoo prat gaat op haar humaniteit, geschutgieters en geweermakers tot de gewichtigste en meest geëerde leden der maatschappij behooren.

In diezelfde volkrijke buurten vond men nog tot voor twintig, dertig jaren een anderen type: de zoogenoemde "boteresse", de gespierde, ruwe, krachtvolle vrouw, die mannenarbeid verrichtte en zelve half man geworden was. Met de korte pijp in den mond, de verwarde haren over het voorhoofd hangende, zag men haar langs de steile straten en trappen op en neder klimmen, met de mand of "bot", op den rug, met groote stappen voortgaande, beladen met een vracht, waaronder lastdieren bezweken zouden zijn. Schier zonder ophouden, in éénen adem, liepen zij van Luik naar Maastricht, met een vracht van vijfhonderd pond, slechts even aan de herbergen ophoudende, om in één slok een paar glazen jenever te ledigen. Forsch en gespierd als een man, droegen zij roem op het spreekwoord: "een Vlaming goed voor twee Walen, maar eene boteresse goed voor twee Vlamingen". Toen de heuvel van Waterloo, tweehonderd-een-en-twintig trappen hoog, werd opgeworpen, kwamen zij in gansche scharen, kruiden en karden en werkten onvermoeid. In gewonen tijd hielden zij zich vooral onledig met het vervoeren van geweren, die bij stapels boven haar schouders uitstaken. Als deze arbeid stilstond, maakten zij voor de burgers eene soort van vuurballen, half aarde, half steenkool; met de handen in de zijde dansten zij voor de huizen, met haar klompen de steenkool fijn stampende en haar taak opvroolijkende door lustig gezang; vervolgens kneedden zij met haar vuisten de fijne, weeke stof, maakten er ballen van en legden die te drogen.

Deze laatste gewoonte is te Luik nog niet uitgestorven: wie geen tuin of plaats achter zijn huis heeft, laat zijn brandstof op straat klaar maken; maar de boteresses van den goeden ouden tijd zijn, als zoo vele andere karakteristieke typen, verdwenen. Het ras is verbasterd; de boteresses van heden zijn niet meer, als hare moeders en grootmoeders, sjouwers en pakkedragers: zij zijn commissionaires en bestelsters op de markt en op de publieke pleinen der stad. Wel hebben zij nog de klassieke "bot" op den rug, maar zij dragen nu slechts lichte vrachten, groenten, levensmiddelen, kleine pakjes; en wel verre van af te schrikken, zijn zij vriendelijk en voorkomend en uitlokkend. Elken morgen komen zij bijeen op het plein Saint-Lambert of ergens anders, en wachten daar tot men hare diensten verlangt en haar eene of andere commissie opdraagt.

Zoo bruist de stroom van het leven hier onverpoosd voort; maar is de zondag gekomen, dan staakt de wriemelende mierenhoop haar rustelooze beweging; dan worden de winkels en werkplaatsen gesloten, dan stroomt alles naar buiten of naar de kermissen in de omliggende dorpen. Bij gansche troepen nemen dan de arbeidsters in de fabrieken, de loopjongens, de winkeljuffers en bedienden de draaimolens in beslag, vullen de stoombootjes en spoorwagens en gaan naar buiten. Daar wordt geroeid en gedarteld, gewandeld en gezongen en gedanst. Van Petit-Bourgogne tot Luik is alles stormerhand overweldigd; de bosschen van Kinkempois weergalmen van vroolijk gezang, gelach en gepraat; men beklimt den heuvel van Vivegnis; men gaat naar Jupille, naar Herstal, naar Angleur; alle heuvelhellingen zijn bezaaid met lichtkleurige kleedjes en parasols. Des avonds, na geloopen en gesprongen, gedarteld en op het gras gegeten te hebben, keert men naar de stad terug om den "cramignon" te dansen, dien waalschen rondedans, die zich, als een reusachtige slang, eindeloos verlengt en gansche straten en buurten vult, als de keten der dansers, die elkaar bij de hand houden, telkens grooter en grooter wordt. Dan staan alle huizen ledig: mannen en vrouwen sluiten zich aan bij de wielende processie: eerst waren er vijftig dansers, straks zijn er driehonderd; een heldere stem zingt een populair liedje, dat de gansche menigte herhaalt, springende, huppelende, zich slingerende om de voorbijgangers, steeds verder en verder hossende. Soms wordt de keten verbroken, om straks op nieuw gevormd te worden; weer klinkt de vroolijke deun, hier en daar en ginds en van verre; en tot na middernacht golft de opgewonden menigte door de woelige straten. Een luiksch volksdichter heeft de liedjes verzameld, die cramignons worden genoemd en waarvan de naam op den dans zelven is overgegaan; sommigen doen aan idyllen denken, anderen zijn blijkbaar satiren; maar van bijna allen is de liefde het hoofdonderwerp. Naar men verzekert, is die dartele, lustige poëzie, opwellende uit het harte des volks, thans verstomd. Wel schrijft het gemeentebestuur nu en dan, als de oude rederijkerskamers, een wedstrijd uit: maar in plaats van vroolijke naïeve minstreels, die de vreugde en het lijden van het volk bezingen, verschijnen nu officieele rijmelaars, die oden aan het vaderland, aan den koning, ja zelfs--omsluier u het gelaat, o Muze!--aan de constitutie inzenden.

Terwijl de ambachtslieden met hunne gezinnen, troepjes studenten, knapen en meisjes uit de volksklasse naar de buitentuinen gaan, in de Maas gaan visschen of roeien, zetten de meer gegoede familiën, de rijke kooplui van het Quadrilatère, de ambtenaren, zich bij gansche scharen in de treinen die naar de schoone streken voeren, door de Vesdre en de Ourthe besproeid. Een zondag zonder een bal te Chaudfontaine, een danspartij te Tilff, of eene eierkoek in de herbergen te Esneux, zou geen zondag zijn. Reeds in den vroegen morgen vullen zich de compartimenten van de eerste en de tweede klasse met elegante dames, in heldere mousselinen kleedjes gehuld, keuvelend en koutend en lachend; daar fluit de lokomotief; de trein zet zich in beweging, en langs de vensters der waggons ontrolt zich een levend panorama van heuvelen en bergen, van schuimende wateren en murmelende beken, van schilderachtige dorpen tronende op de toppen of wegduikende in de stille valleien. Luider ratelt de donder der wentelende raderen; in de waggons wordt het licht ontstoken; de trein verliest zich in het hart der bergen. Alleen tusschen Luik en Verviers telt men elf tunnels; telkens gaat men van het licht tot de duisternis en van de duisternis tot het licht over, altijd maar voorthollende in zinnelooze vaart.

Eensklaps opent zich een paradijs van groen en ruischende wateren; van onder tot boven is de berg met bosch bedekt; overal beuren zich de schilderachtige toppen op, ontplooien zich groenende en bloeiende amphitheaters, teekenen zich tegen den hemel de sierlijk golvende lijnen der heuvelklingen; en beneden in de diepte ontrolt zich eene heerlijke vallei, waaruit de muziek van watervalletjes opstijgt, met bloemperken, bosschages, coquette villa's en châlets, overal tusschen het groen verspreid. Dan ontstaat er beweging in de waggons; de portieren worden geopend, en eene drukke vroolijke menigte vult voor eenige oogenblikken het station, om zich dan weer te verspreiden, de heuvels te beklimmen of rond te wandelen langs de grasperken van het kurhaus. Men is te Chaudfontaine, een Spa in miniatuur, en even zoo beroemd om zijne wandelingen, zijne uitspanningen, zijne bronnen en zijne schoone omgeving.

Maar een deel van de zondagsvierders, die het station te Luik vulden, heeft plaats genomen in de waggons van de Ourthe-lijn. De tocht begint: Angleur verdwijnt in dichte rookwolken; op de hoogten teekent het kasteel van Colonster zich tegen den horizon af; de lokomotief snuift en fluit, staat stil. "Tilff!" roepen de conducteurs. Sommigen, die tegen geen vermoeienis opzien, gaan op weg naar de grotten, waarin men vier uren lang kan ronddwalen; anderen wandelen door de weilanden, naar Méry of naar Esneux, boven op den berg, waar het doorgaans wemelt van bezoekers en logeergasten.

De voetreizigers stappen uit te Pepinster, om van daar naar Spa te kuieren, over Justenville en Theux, waar eene merkwaardige oude kerk te zien is; over het armzalige gehucht la Reid, vijftig of zestig hutten in eene woestijn. Somwijlen maakt men een kleinen omweg om een blik te werpen op de ruïnen van Franchimont, waaraan zich eene geschiedenis hecht van bijna acht eeuwen en de herinnering aan de prins-bisschoppen van Luik, van vorsten en aanzienlijken, die hier vaak hun intrek namen, als zij te Spa de baden gebruikten. Even voorbij la Reid begint eene breede prachtige laan, die als het ware het voorportaal vormt van de stad, die zich weldra in al haar coquetten luister en opschik vertoont. Telken jare, bij den aanvang van het saizoen, schijnt Spa zelf, weer netjes opgepoetst, te voorschijn te komen uit een dier mooi beschilderde doosjes, die haar naam door geheel Europa hebben helpen verbreiden. Dan is Spa één groot logement: alles is er te huur en op allerlei wijze wil men u helpen om uwe beurs te ledigen. Maar de prachtige wandelingen, de heerlijke omstreken zijn gelukkig nog voor ieder toegankelijk: de lucht, de bergen en valleien zijn ook te Spa nog niet belast. Het vriendelijke, coquette stadje, zoo uitnemend gelegen, heeft geheel het voorkomen van eene moderne badplaats met haar casino, haar muziek, haar bals, haar amusementen, haar opschik en schijn en ijdelheid en ook haar invretenden kanker der onzedelijkheid. Toch is Spa niet meer wat het vroeger was, toen de bank nog bestond en de roulette-tafel het hoog-beschaafde schuim onzer maatschappij dagelijks om zich vereenigde: die gouden dagen, waaraan de inwoners nog altijd met weemoed denken, zijn voorbij. Maar in de reeks van schoone landschappen die haar omgeven, en bovenal in haar minerale bronnen, waarvan de geneeskracht reeds sinds lang bekend en beroemd is, heeft Spa een schat, dien niemand het ontnemen kan en die het tegen vergetelheid waarborgt.

