Wandelingen door België De Aarde en haar Volken, 1886

Part 12

Chapter 12 3,652 words Public domain Markdown

Langs vier treden daalde men nu af in het groote schip, waarvan het gewelf door veertien reusachtige zuilen gedragen werd. Het eerste wat hier de aandacht trok was de kroon van Saint-Lambert: een kolossale lichtkroon van meer dan dertig el in omtrek, waaraan zich de herinnering hechtte van eene allerzonderlingste gewoonte, bekend onder den naam van _Creux d'Vervi._ Telken jare, des dinsdags na Pinksteren, werd eene deputatie van notabelen uit Verviers, vergezeld van een of twee kortelings gehuwde paren uit deze stad, door den opper-burgemeester van Luik aan de poort van Amercoeur ontvangen, waar hun vergunning werd verleend om zich te gaan kwijten van de verplichtingen, door hunne voorvaderen aangegaan. Nu werd eene soort van processie gevormd; over den geheelen weg tot aan de pont des Arches dansten de jonggehuwden op de maat van fluiten en tamboerijns, gevolgd door eene ontelbare menigte. Den volgenden morgen vormde de stoet zich opnieuw en trok naar de kathedraal van Saint-Lambert. Daar schaarden zich de afgevaardigden uit Verviers in een kring onder de groote lichtkroon en begonnen, op een gegeven teeken, als razenden te springen en te dansen, daarbij den duim van de linkerhand in de hoogte stekende. Gelukte het een der dansers de kroon aan te raken, dan werd zij zijn eigendom: maar daarop bestond niet veel kans, want de kroon hing omstreeks twintig voet boven den grond! De plechtigheid in de kerk werd besloten met de aanbieding van eene gevulde beurs aan den deken; daarna keerde men, steeds dansende, terug, en ten slotte bood de laatst gehuwde vrouw aan de stads-gerechtsboden een oud mud aan, dat zij dadelijk stuk sloegen en van de pont des Arches in de Maas wierpen.

Wij zullen ons niet ophouden bij de zijkapellen, met kunstschatten en graftomben opgevuld. Voor ons verrijst een prachtig oxaal, door welks driedubbele bogen wij een blik kunnen werpen in het bovenkoor. In het midden staat een soort van gothisch gebouwtje met een rood fluweelen, met goud geborduurden en met hermelijn gevoerden mantel omplooid, dat de relikwiënschrijn van. Sint-Lambertus bevat. Op reusachtige kandelaars met zeven en met negen armen branden voortdurend reine kaarsen; boven alles hangt een kolossaal crucifix. Ter wederzijde van het oxaal een orgel en eene galerij voor de kapel, die zelfs tot in Italië beroemd was. Op hooge feestdagen werden hier de standaarden der twee-en-dertig gilden opgehangen.

Maar wij kunnen niet alle schatten opnoemen, die de eerwaardige kathedraal bevatte; wij maken dus slechts met een enkel woord gewag van den lezenaar, een meesterstuk van geelgietersarbeid, en van de heerlijke graftombe van Everard de la Marck, insgelijks van verguld koper. Het boven- of priesterkoor ligt zes trappen hooger dan de vloer van het schip; het hoogaltaar is eene navolging op kleine schaal van dat in de Sint-Pieter te Rome en staat ook geheel op zich zelf; boven den tabernakel ziet men het half liggende beeld van den heiligen patroon van Luik. Nog hooger, onder een wijden troonhemel met een groot kruis versierd, ontplooit zich op hooge feestdagen de eerwaardige standaard van Sint-Lambert, waarvan de bewaring aan het kapittel der kathedraal is toevertrouwd. Het is een banier (gonfanon) van roode zijde met gouden franje, aan een lans of langen stok bevestigd. In het kruis onder aan de banier is een schelletje verborgen. Wanneer de zware stem van de banklok de burgers van Luik onder de wapenen roept, dan weerklinkt ook het schelletje, en de hooge voogd van Hesbaye, de heer van Aigremont, nadert in eerbiedige houding, om uit handen van den opper-burgemeester de heilige en roemrijke vaan te ontvangen. De oude banier, volgens de kroniekschrijvers een geschenk van Karel den Groote, werd in den veldslag van Brusthem (1467) vernield. Men maakte nu eene nieuwe, in alles aan de oude gelijk; bisschop Hoensbroeck nam die in 1789 mede naar Duitschland. De luiksche magistraat eischte te vergeefs het gewijde vaandel terug, en daar de luiksche troepen onder geene andere vlag wilden uittrekken, was men genoodzaakt nogmaals eene nieuwe banier te maken.

Rechts van het altaar stonden de bidstoel en de troon van den bisschop; links de zetel van den wijbisschop en nog een derde troon voor den gezant des Keizers bestemd, die bij de verkiezing van een nieuwen kerkvoogd moest tegenwoordig zijn. Kostbaar marmer van allerlei kleur, prachtige tapijten, verguldsel, goud en edelgesteenten schitterden daar alom in rijken overvloed en hulden het groote koor, wanneer het licht door de zes beschilderde ramen en het in de heerlijkste kleurenpracht stralende groote roosvenster op den achtergrond naar binnen viel, in een wonderbaren glans, die aan een visioen uit hooger sfeer, eene verschijning uit een paradijs van licht en kleuren, denken deed. Welk een aanblik leverde deze indrukwekkende kathedraal op, wanneer, op hooge feestdagen, de heilige dienst in het hooge koor werd gevierd, met al die majestueuse heerlijkheid, al die statige overweldigende pracht, die geheimzinnige betoovering, waarvan de katholieke eeredienst het wonderbaar geheim bezit.

Van de eerwaardige kathedraal, met haar kloosterhoven, haar kapittelzalen, haar charterkamer, en alle verdere bijgebouwen is niets meer over. De beestachtige baldadigheid en fanatieke woede van de fransche _sans-culottes_ en hunne luiksche geestverwanten liet van het heiligdom geen steen op den anderen. Eerst in 1808 werd het puin weggeruimd, dat het plein bedekte, waar eens de hoofdkerk der bisschopsstad stond.

Maar naast de glorierijke kathedraal verrees een prachtig paleis, waarvan de bouw, ter vervanging van eene vroegere door brand vernielde bisschoppelijke woning, werd begonnen door den prachtlievenden Everard de la Marck, wiens tombe in de kathedraal prijkte. Dit paleis althans is voor het grootste gedeelte gespaard gebleven. In Maart 1735 werd onder anderen ook de voorgevel van het paleis door brand vernield. Het behoorde toen tot den goeden smaak om met verachting neer te zien op de gothische middeleeuwsche barbaarschheid; en de brusselsche architekt Jean André Anneesens, aan wien de regeerende prins-bisschop Georges Louis de Berghes den bouw van een nieuwen voorgevel opdroeg, meende dan ook zeker iets zeer voortreffelijks te doen, toen hij zijne koude symmetrische, zoogenoemd klassieke façade optrok. Daar men van het plein Saint-Lambert niets van het inwendige van het gebouw kan zien, valt het onpassende van dien gevel niet zoo dadelijk in het oog.

Het voormalige paleis der vorstelijke bisschoppen beslaat eene oppervlakte van ongeveer anderhalven bunder en omvat drie vierkante binnenplaatsen, waarvan de laatste thans een verwaarloosde tuin is. Betreden wij den eersten binnenhof. Welk eene verrassing! Waar zijn wij? In een of ander reusachtig _patio_ van eene andalusische Alhambra; in eene indische pagode; in een fantastische schepping van romaansche architektuur, herlevende in de zestiende eeuw; in een italiaanschen kloosterhof? Vermoei u niet met vragen: gij zijt hier in eene tooverwereld, waarin de fantasie haar schepter zwaait. Een enkel man heeft dit wonder geschapen, waarin gij de hand van velen zoudt meenen te herkennen; maar welk een kunstenaar en welk een ziener! Die François Borset, van het Overmaassche, behoorde tot het geslacht der machtige, geweldige geesten, die alle vormen en alle gestalten in zich omdragen en het nooit geziene te voorschijn brengen. Hij beitelde de zestig kolommen van de galerij, die de binnenplaats omgeeft, een wonderbaar fantastisch, grotesk poëem, dat bijwijlen aan oostersche feëriën denken doet. Elke zuil getuigt voor de onuitputtelijke vindingrijkheid van den kunstenaar; allen hebben iets eigenaardigs, geen enkele kolom is volkomen aan de anderen gelijk; sommigen zwellen als een bloembol, anderen bootsen de kelk eener tulp na, weer anderen gelijken op kandelabers. En welk eene oneindige verscheidenheid in de voetstukken en kapiteelen met hun onmogelijke bladeren en bloemen uit eene fantastische plantenwereld, hun fabelachtige dieren, hun grijnzende en glimlachende maskers.... Eene beschrijving van dit alles te geven is onmogelijk; alleen eigen aanschouwing kan van deze architektonische fantasmagorie een denkbeeld geven. En boven de portiek, waarvan de bogen door deze pilaren gedragen woorden, verheffen zich de smaakvolle gevels, met zuilen en kolommetjes, met pinnakels en loofwerk en balustraden rijk versierd: en toch schijnt die weelde en overlading van de late gothiek bijkans sober en streng, vergeleken met de buitensporige fantastische spelingen van den zonderlingen meester Borset.

Als wij nu de tweede binnenplaats betreden, valt zij ons aanvankelijk tegen, ondanks hare schoonheid: wij moeten eerst de tooverachtige verschijning van zoo even vergeten. Toch is de geweldige Borset ook hier aan het werk geweest, en al zijn de schachten en de kapiteelen der verschillend gecanneleerde minder fantastisch, toch verraden zij in hun teekening en versiering de hand van dien zonderling begaafden kunstenaar. Op deze binnenplaats loopt de portiek slechts langs de zuid- en de noordzijde; de muren der beide andere zijden zijn met gevulde bogen versierd, waarvan de staanders tot op den grond reiken. In het midden van deze meer eenvoudige, maar zeker niet minder schilderachtige, rustige binnenplaats bevindt zich een waterkom, waaruit eertijds eene monumentale fontein oprees, met den dubbelen rijksarend versierd. Rondom dien kleinen vijver bloeit en groent een kleine tuin, waar heesters en struiken in het wild groeien en waar ge in het gras overal oude steenen, stukken van wapenborden en van standbeelden, gebroken zuilen, grafzerken, in wanorde door elkander ziet liggen. En als ge opziet naar de muurpaneelen, dan ontwaart ge daar de wapenschilden van verschillende bisschoppen, met name dat van Everard de la Marck, dat vele malen wederkeert. Door welk wonder zijn deze aristokratische zinnebeelden ontsnapt aan de aandacht van het revolutionnaire gepeupel, dat zoo ijverig alles vernielde wat van de vroegere tijden getuigde? Maar de aanschouwing van die relikwieën verplaatst u van zelf in andere tijden, en een beeld der vervlogen heerlijkheid rijst voor uwe verbeelding. De binnenplaatsen en de galerijen vullen zich met de eerwaardige gestalten van geestelijken van allerlei rang, van edelen en burgers, van pages en officieren; uit de wijd geopende vensters klinken liefelijke tonen van muziek en zang of het gegons van stemmen in druk en vroolijk gesprek; door de deuren en de half opgelichte tapijten kunt ge de pracht onderscheiden van rijk versierde, vorstelijk gemeubelde vertrekken, van standbeelden en vazen en marmeren trappen en eikenhouten lambriseeringen. En in een dier vorstelijke zalen staat, door een schare van prelaten en edellieden omringd, de prins-bisschop, de opvolger van Sint-Lambertus en Sint-Hubertus, meestal zelf iemand van vorstelijke of althans hoog adellijke familie, een vorst van het heilige roomsche rijk, met geestelijk en wereldlijk gezag bekleed, al werd de uitoefening vooral van dit laatste hem dikwijls moeilijk genoeg gemaakte door de weerspannigheid zijner onrustige, woelige onderdanen.... Doch als wij weder onze oogen opslaan naar de vensters, verdwijnt de illusie: overal zien wij klerken gebogen over hun lessenaar, ijverig de pen latende krassen over het papier: dat gedeelte van het oude bisschoppelijke paleis in bezit genomen door het bureau van registratie! Hoe hebben de termiten zich in het hol van den leeuw gewaagd!

En niet alleen hier, maar overal zijn de beelden en gestalten van het roemrijk verleden weggevaagd. De in het zwart gekleede mannen, die ge onder de portieken van François Borset ziet wandelen, zijn geen monniken of prelaten, maar rechters, advokaten of procureurs; deurwaarders, beklaagden, aanklagers, getuigen hebben de plaats ingenomen van de behoeftige schare, die op bepaalde dagen hier samenkwam om de vorstelijke aalmoezen van den bisschop te ontvangen. Want in dit gedeelte van de voormalige residentie der vorsten van Luik zetelen thans de gerechtshoven.

Deze manier om van oude monumenten partij te trekken, bewijst zeker voor den praktischen zin van het volk. De voormalige stallen van het paleis werden verbouwd en tot bureaux van het provinciaal gouvernement ingericht. Het geheele westelijk gedeelte van het paleis is tegenwoordig voor dien dienst bestemd, en een kunstenaar van meer dan gewoon talent, de heer Delsaux, heeft zich op voortreffelijke wijze gekweten van de taak om dit deel van de oude residentie te restaureeren en voor de nieuwe bestemming geschikt te maken. Het gouvernementsgebouw, dat tevens de vergaderzalen der staten en van gedeputeerde staten, alsmede de woning van den gouverneur bevat, mag in volle waarheid een vorstelijk hotel worden genoemd, waarvan de voorgevel op het plein Notger, in den stijl van het paleis van Everard de la Marck ontworpen, inderdaad een monumentaal karakter draagt. En dit zal nog meer het geval zijn, wanneer de beeldwerken zullen zijn voltooid, wanneer de twintig bas-reliefs zullen zijn geplaatst, die de belangrijkste monumenten uit de geschiedenis van Luik moeten voorstellen, en wanneer in de zes-en-veertig nissen de standbeelden zullen prijken van de beroemdste bisschoppen, van veld-oversten, geleerden en kunstenaars, die den roem der oude stad hebben verbreid. De portiek in het midden van het gebouw herhaalt de schoone bevallige motieven van de pilaren en bogen van de eerste binnenplaats, waaraan ook de geheele stijl van den gevel met zijne uitspringende vleugels denken doet. Ook de inwendige inrichting van het hotel munt door smaakvolle pracht uit; men vindt hier een rijkdom van antieke meubelen, tapijten, kostbare kunstvoorwerpen van allerlei aard, schilder- en beeldhouwwerk.

Dit geheele gebouw met zijne rijke, smaakvolle versiering komt vooral goed uit, wanneer men het ziet van de breede dubbele trappen, die van het plein Saint-Pierre naar het plein Notger afdalen en een met bloemen beplant square omvatten, waar fonteinen en watervallen de lucht vervullen met muziek en frissche koelte.

XV

Dat kleine plein Notger is bijna uitgehouwen in den steilen heuvel, den Publemont, die met zijn tuin en bosschages, met de langs zijne helling gebouwde huizen en het plein Saint-Pierre op de hoogte, zelf eenigermate den indruk maakt van een monumentale trap in den stijl van Piranese. Zulk een trap bestaat echter ook in de werkelijkheid: een weinig verder, in de straat Hors-Château kunt gij haar zien, stijgende, altijd stijgende, immer hooger, tot de esplanade van de citadel, van waar men een der schoonste uitzichten heeft over Luik en het Maasdal, aan de eene zijde tot aan de Ardennen, aan de andere tot aan den Sint-Pietersberg bij Maastricht en de vlakke velden van Limburg.

De oude bisschoppelijke stad heeft ook nog in haar kerken de herinnering bewaard aan haar verleden en haar geestelijk karakter. Wel maakt misschien geene enkele der kerken van Luik dien ernstigen, aangrijpenden, verheffenden indruk als de wondervolle kathedralen van de vlaamsche gewesten, maar toch onderscheiden zij zich door onvergetelijke schoonheden van anderen aard. Sint-Paulus, na de verwoesting van Sint-Lambert tot hoofdkerk verheven, kenmerkt zich uitwendig door de edele eenvoudigheid en soberheid van de eerste periode der gothiek. De velerhande versierselen en ornamenten, die later de bogen der contreforten als in een soort van kantwerk zullen herscheppen, hebben de majestueuse eenvoudigheid en harmonie der architektonische lijnen nog niet op den achtergrond gedrongen. Ge bewondert de fraaie, fijn bewerkte balustraden, die de zijschepen en de kroonlijst van het hooge middenschip versieren; maar bovenal treft u het groote aantal der vensters die slechts door smalle contreforten gescheiden zijn: het schip van Sint-Paul heeft, zou men zeggen, geen muren: het is indrukwekkend, vermetel en tevens vol licht en lucht. Dienzelfden indruk ontvangt ge ook als ge het heiligdom binnentreedt: van alle kanten stroomt het volle licht in de prachtige kathedraal.

Boven de slanke bogen der veertien pilaren van het middenschip loopt eene galerij rustende op cilindervormige zuiltjes, en dan stijgt het gewelf omhoog met groote stralende vensters tusschen de ribben, die zich verlengen en elkander kruisen. Op die kruispunten schitteren gouden en purperen knoppen; de vakken zelven zijn geheel beschilderd in den stijl van de eerste helft der zestiende eeuw. Wij aanschouwen, hoog boven onze hoofden, een mystieken tuin: takken en bladeren en bloemen en loofwerk, zoo als uwe oogen hier beneden nooit aanschouwden, vormen daar kransen en slingers en een weefsel van groen en kleuren, waartusschen fabelachtige vogels met gouden pluimage zweven, apen en eekhorens dartelen. Deze soort van dekoratie verhoogt niet weinig het poëtische karakter de kerk, die schier den indruk maakt van een reusachtig paviljoen, vol licht en kleur en zonneschijn, en met een tentdak van kostbare weefsels bedekt. In de muren van het transept opent zich aan iedere zijde een reusachtig venster, schitterende in al de kleuren van den regenboog. Het venster in het rechter transept is modern: het schilderwerk verbeeldt het visioen van Sinte-Juliana, abdisse van Cornillon, nabij Luik, en de instelling van het feest van het Heilige-Sakrament (Fête-Dieu), dat ten jare 1426 voor het eerst in de Sint-Maartenskerk te Luik werd gevierd. Paus Urbanus IV, die zelf kanunnik van de kathedraal was geweest, beval, achttien jaren later, de viering voor de geheele Christenheid. Het linkervenster, uit de helft der zestiende eeuw, vertoont de kroning der Madonna.--Zoo staat zij daar, schitterende van licht en kleur, de prachtvolle kerk, een gewrocht van drie verschillende stijlen, met haar fraaie koorstoelen, haar koperwerk, haar Christus in het graf, een werk van den beeldhouwer Delcour; haar bas-reliefs, en bovenal haar prachtigen preekstoel, een meesterstuk van houtsnijkunst van G. Geefs, versierd met vijf marmeren standbeelden van de hand van denzelfden meester.

Wie het volmaaktste gewrocht van de flamboyante gothiek wil zien, die ga de Saint-Jacques bewonderen. Het is alsof de gothiek, voor haar ondergang, nog een werk heeft willen scheppen, dat der verbaasde wereld het bewijs zou leveren, wat zij ook in haar ouderdom en ontaarding vermocht. Saint-Jacques is het wonder van Luik: deze kerk vereenigt in zich al de betooverende schoonheid en bevalligheid van deze laatste periode der gothiek, zonder dat haar de gebreken aankleven, die in andere gebouwen, tot denzelfden stijl behoorende, zoo dikwijls den goeden smaak ergeren.

Baldric II, de opvolger van Notger, in twist geraakt met graaf Lambert van Leuven, leverde hem op den 10 October 1013 slag; de bisschop moest zwichten en verloor in het gevecht driehonderd zijner manschappen. De dood van zoo vele menschen bekommerde den prelaat zoozeer, dat hij dag noch nacht rust had. Een zijner vrienden, een italiaansch bisschop, die juist te Luik vertoefde, gaf hem den raad een kerk te bouwen, om zijne schuld voor God te boeten. Baldric was daartoe aanstonds bereid; de plaats voor het nieuwe heiligdom werd bepaald en de kerk zelve in 1030 gewijd; vervolgens verliepen er nog twee-en-twintig jaren eer de gebouwen der abdij voltooid waren, die weldra rijk en beroemd werd. Na velerlei lotgevallen werd de kerk door Jan van Beieren aangewezen als bewaarplaats der archieven van het bisdom, en als de plaats waar de twee burgemeesters van Luik moesten worden verkozen. Desniettegenstaande liet men het gebouw aan verval ten prooi, zoo zelfs dat in 1513 het gewelf instortte en de graftombe van den stichter vernielde. Nu was men wel gedwongen den bouw van de nieuwe kerk te bespoedigen, waarmede reeds in de vorige eeuw een aanvang was gemaakt. Het bewonderenswaardige heiligdom, dat wij thans voor ons zien, werd den 13 Maart 1552 gewijd. Het had, in vervolg van tijd, minder te lijden door omwentelingen en oorlogen, dan door de onverantwoordelijke nalatigheid zijner beheerders. Koning Leopold I bezocht de kerk in 1832; en aan zijne werkdadige tusschenkomst is het te danken dat dit weergaloos monument gaandeweg, met zeldzamen takt, kennis en smaak, weder in zijne oude glorie werd hersteld. Deze reeds in 1833 aangevangen, zoo uiterst moeilijke restauratie is eerst thans voltooid.

Eene beschrijving van deze kerk te geven is, voor mij althans, onmogelijk. Het is te vergeefs, technische termen of onbestemde uitdrukkingen te gebruiken, de epitheta te vermenigvuldigen, vergelijkingen te ontleenen aan de natuur of het werk van menschenhanden: niets kan een denkbeeld geven van dit wonder, dat u veeleer aan een juweel van goudsmeedkunst dan aan een gebouw van steen doet denken. De indruk, dien ge bij het binnentreden van dezen weergaloozen tempel ontvangt, is zoo overweldigend, dat ge eenige oogenblikken als verbijsterd om u staart, meenende eensklaps in een tooverwereld te zijn overgeplaatst, niet wetende of ge droomt of waakt. En wanneer ge, van de eerste verbazing bekomen, om u heen ziet en uw blik dwaalt langs die pilaren en bogen, langs die muren, waar elke steen bijna is uitgebeiteld als de fijnste kant, en overal de sierlijkste lijnen en vormen, bloemen, loofwerk, arabesken, medaillons, bas-reliefs, beelden, de aandacht trekken; als ge opziet naar dat rijk beschilderde gewelf, waarvan de prismatische ribben elkander kruisen als de mazen van een reusachtig netwerk; als ge de volle pracht van dat goud en purper en azuur, van dat wonderbaar kleurenspel, van die heerlijke lichteffecten hebt gevoeld: dan staat ge daar zwijgend, onvermogend om in woorden uit te spreken wat in uw gemoed omgaat. Andere kerken mogen indrukwekkender, majestueuser zijn: eene betoovering als van deze Saint-Jacques is zeker maar het deel van weinigen. Hier is alles in volkomen harmonie: ge gevoelt het, na dit wonder te hebben gewrocht kon de middeleeuwsche kunst niets meer voortbrengen; zij had het hoogste geleverd waartoe zij in staat was. De heerlijke gothiek heeft haar taak volbracht, haar laatste woord gesproken: zij gaat onder in een apotheose. De renaissance, die haar opvolgt, brengt een ander ideaal, opent een nieuw tijdvak in de historie. Hoe men daarover nu ook denke, zooveel is zeker, dat eene kunst, die in haar stervensure nog een monument scheppen kan als de Saint-Jacques van Luik, bewezen heeft recht te hebben op eene eerste plaats onder de hoogste en edelste kunstvormen van alle tijden.

Sint-Maarten, minder rijk versierd maar indrukwekkender door de grootsche afmetingen van haar schip, is even oud als Sint-Jacques en schijnt van haar hoogen heuveltop alle andere kerken van Luik te beheerschen. De oorspronkelijke kerk werd in 962 door den bisschop Heraclius gesticht; deze werd in 1312, bij een geweldig oproer, verwoest. De verbitterde burgerij vervolgde in haar woede tweehonderd edellieden, die zich van het stadhuis hadden pogen meester te maken en die eene schuilplaats hebben gezocht in de kerk van Sint-Maarten. Toen het dolzinnige gepeupel de deuren van het heiligdom niet kon openbreken, werd de kerk in brand gestoken...... Het tegenwoordige gebouw werd in 1542 voltooid. De soberheid der dekoratie werkt mede om dien indruk van ernst en grootschheid te weeg te brengen, die u aanstonds treft. Twee rijen achtkantige zuilen, aan de hoeken met cilindervormige halve zuilen versierd, verdeelen de kerk in drie schepen, door zijkapellen omzoomd. Het koor vooral maakt door zijne breedte en hoogte en door zijne uitmuntend beschilderde groote ramen een in waarheid verrassenden indruk. Even als bij de Saint-Paul en de Saint-Jacques, ziet men ook bij de Sint-Maarten een stuk van een onvoltooid gebleven toren.